Gij daar, lord Stanley? wat voor nieuws? 45

STANLEY. Mijn genadig vorst,

De markgraaf Dorset, hoor ik, is gevlucht,

Tot Richmond, in de streken waar hij toeft.

KONING RICHARD. Catesby, een woord. (Stanley treedt terug.)—Strooi uit

bij ’t volk, dat Anna,

Mijn vrouw, gevaarlijk, zeer gevaarlijk, ziek is;

Ik zorg wel, dat zij buiten toegang blijft.

En spoor me een kalen jonker op, wien ik

Clarence’s dochter ras tot vrouw kan geven;—

De knaap beteekent niets, hem ducht ik niet.—

Hoe is het droomt gij?—’k Zeg nog eens verbreid,

Dat Anna ziek is, en wel sterven zal;

Aan ’t werk! want ik moet zorgen, ied’re hoop,

Die door haar groei mij schaden kon, te rooien!—

(Catesby af.)

Mijns broeders dochter moet ik huwen, anders

Staat heel mijn koningschap op dun, broos glas.—

De zoons vermoorden, dan de dochter huwen?

Onzeek’re kans, ja; maar ik waadde in bloed

Zoo ver, dat zonde zonde baren moet.

Geen schreiend meêlij woont er in dit oog.—

(De Page komt terug met Tyrrel.)

Uw naam is Tyrrel?

TYRREL. James Tyrrel, uw gehoorzaamste onderdaan.

KONING RICHARD. Zijt gij dit waarlijk?

TYRREL. Toets mij, groote vorst.

KONING RICHARD. Sloegt gij wel een van mijne vrienden dood?

TYRREL. Als ’t u behaagt; twee vijanden nog liever.

KONING RICHARD. Dat hebt gij juist getroffen. ’k Heb er twee,

Aartsvijanden, die slaap en rust mij rooven,

Die ’k wenschte, dat gij onder handen naamt;

Tyrrel, ik meen de bastaards in den Tower.

TYRREL. De toegang sta mij open, en weldra

Zijt gij van alle vrees voor hen bevrijd.

KONING RICHARD. Dit klinkt mij als muziek. Kom nader, Tyrrel;

Ga, met dit teeken.—Sta nu op, en luister;

(Hij fluistert.)

Dat is ’t, niets meer;—bericht mij: ’t is gedaan,

En reken op mijn gunst en op bevord’ring.

TYRREL. Ik ga terstond aan ’t werk.

(Tyrrel af.)

(Buckingham komt op.)

BUCKINGHAM. Mylord, ik heb die zaak eens overwogen,

Die vraag, waar gij mij over hebt gepolst.

KONING RICHARD. Nu, laat dat.—Dorset is gevlucht naar Richmond.

BUCKINGHAM. Dit hoor ik ook, mylord.

KONING RICHARD. Stanley, hij is uw stiefzoon, geef wel acht.

90

BUCKINGHAM. Mijn vorst, ik bid nu om het mij beloofde,

Waarvoor gij woord en eere hebt verpand,

Het graafschap Hereford en de tilb’re have,

Waarvan gij mij ’t bezit verzekerd hebt.

KONING RICHARD. Let, Stanley, op uw vrouw; verzendt zij brieven

Aan Richmond, gij zijt er aanspraak’lijk voor.

BUCKINGHAM. Wat zegt uw hoogheid op mijn billijk vragen?

KONING RICHARD. Het staat mij voor,—Hendrik de Zesde heeft

Voorspeld, dat Richmond koning worden zou,

Toen Richmond nog een nietig knaapje was.

Koning!—wellicht—

Koning Richard de Derde · 第 50 / 82 题