KONING RICHARD. Zoo, ben ik koning? Ja,—maar Edward leeft. 14

BUCKINGHAM. Ja, edel vorst.

KONING RICHARD. O bitter boos vervolg,

Dat: „Jeugdige Edward leeft.”—„Ja, edel vorst.”—

Neef, vroeger waart gij zoo stompzinnig niet;—

Moet ik het zeggen?—’k Wensch de bastaards dood;

En ik zou willen, dat het ras gedaan wierd.

Wat zegt gij nu? Spreek daad’lijk, zeg het kort.

BUCKINGHAM. Uw hoogheid kan zijn welgevallen doen.

KONING RICHARD. Hoe is ’t? gij zijt één ijs; uw vuur is koud.

Spreek, heb ik uw belofte, dat zij sterven?

BUCKINGHAM. Geef mij een oogwenk lucht en rust, mijn vorst,

Aleer ik mij verklaar in deze zaak;

Ik zal u spoedig mijn besluit doen kennen.

(Buckingham af.)

CATESBY (ter zijde). De vorst is boos; hij bijt zich op de lip.

KONING RICHARD (komt van zijn troon af.) ’k Wil narren om mij heen met

ijz’ren brein,

En onbedachte knapen; niemand past mij,

Die met behoedzaam oog mijn hart doorvorscht.

Die Buckingham, die ’t hooge zoekt, wordt lastig.

Knaap!

PAGE. Mijn vorst?

KONING RICHARD. Weet gij niet iemand, wien verleid’lijk goud

Zou koopen voor een heim’lijk werk des doods?

PAGE. Ik ken een ontevreden edelman,

Wiens armoê met zijn hoogmoed kwalijk strookt;

Geen twintig reed’naars roerden zoo zijn hart

Als goud, om hem tot alles te verlokken.

KONING RICHARD. Hoe is zijn naam?

PAGE. Zijn naam, mylord, is Tyrrel.

KONING RICHARD. Ik weet van hem. Ga, knaap, en haal hem hier.

(De Page af.)

De sluwe, diepe peinzer Buckingham

Zal niet meer bij mijn raadslag naast mij staan;

Bleef hij zoo lang mij onvermoeid ter zijde,

En hijgt hij nu naar adem?—Nu, het zij!—

(Stanley komt op.)

Koning Richard de Derde · 第 49 / 82 题