(Brakenbury komt op.)
En juist van pas komt daar de commandant.—
Heer commandant, met uw verlof, ik bid u,
Hoe maakt de prins het en mijn kleine York?
BRAKENBURY. Zeer goed, vorstin; maar, wil het mij vergeven.
Ik mag niet toestaan, dat gij hen bezoekt;
De koning heeft uitdrukk’lijk dit verboden.
KONINGIN ELIZABETH. De koning! wie?
BRAKENBURY. Ik meen den Lord Protector.
KONINGIN ELIZABETH. Behoede God hem voor dien koningstitel!
Plaatst hij zich tusschen hunne liefde en mij?
Ik ben hun moeder; wie verspert hen mij?
HERTOGIN. Ik ben huns vaders moeder; ’k wil hen zien.
ANNA. En ik hun moei, in liefde hun een moeder;
Laat mij dus binnen; ’k neem uw schuld op mij;
Ik schors u,—en ’t gevaar voor mijne reek’ning.
BRAKENBURY. Neen, eed’le vrouw, ik neem geen schorsing aan;
Ik deed een eed er voor; vergeef mij dus.
(Brakenbury af.)
(Stanley komt op.)
STANLEY. Waar’ dit uur reeds verstreken, eed’le vrouwen,
Dan groette ik uw genâ van York als moeder
En leidsvrouw van twee schoone koninginnen.—
(Tot Anna.) Kom, eed’le vrouwe, haast u naar Westminster;
U wacht de kroon als Richards koningin. 33
KONINGIN ELIZABETH. O, snijd mijn keurslijf los;
Mijn hart, beklemd, wil ruimte voor zijn kloppen,
Of ik bezwijm bij zulk een moordend nieuws!
ANNA. O booze tijding! O onwelkom nieuws!
DORSET. O kalmte!—moeder, spreek, hoe gaat het u?
KONINGIN ELIZABETH. O Dorset, spreek niet tot mij, spoed u heen;
Dood en verderf vervolgt u op de hiel;
Uw moeders naam is kind’ren tot een voorspook.
Wilt gij den dood ontgaan, vlucht over zee,
En ga tot Richmond, uit den greep der hel.
Ga, haast u, haast u, uit dit slachthuis voort,
Of gij vermeêrt het aantal hier der dooden,
En ’k sterf geboeid door Margaretha’s vloek:
„Geen moeder, vrouw, noch Eng’lands koningin!”
STANLEY. Vol wijze zorg is deze uw raad, vorstin.—
(Tot Dorset.) Gebruik het vluchtig voordeel van elk uur;
Ik schrijf aan mijnen zoon om uwentwil,
Zoodat hij onderweg u tegenkomt:
Laat u niet vangen door onzinnig toeven.
HERTOGIN. O onheilzaaiend stormweer van ellende!—
O mijn gevloekte schoot, gij bed des doods;
Der wereld hebt ge een basilisk gebroed,
Wiens onontwijkbare oogstraal moordend is!
STANLEY. Kom nu, vorstin; men zond vol haast mij uit.
ANNA. En ik zal gaan, het hart vol tegenzin.—
O, gave God mij, dat de koningswrong
Van goud, die mij het hoofd omspannen moet,
Roodgloeiend ijzer ware en ’t brein mij zengde!
De zalf zij dood’lijk gif, opdat ik sterv’,
Eer iemand roepe: „Leev’ de koningin!”
KONINGIN ELIZABETH. Ga, arme ziel; uw glans benijd ik niet;
Wensch niet, tot troost voor mij, uzelve leed.
ANNA. Waarom? geen leed?—Toen hij, mijn gade thans,
Op mij, die ’t lijk van Hendrik volgde, toetrad,
Toen ’t bloed nauw van zijn handen was gewischt,
Het bloed diens engels, van mijn and’ren gade,
En van den heil’ge, dien ik weenend volgde,—
O, toen ik op ’t gelaat van Richard staarde,
Was dit mijn wensch: „Wees gij vervloekt, die mij,
Zoo jong, tot zulk een oude weduw maakt!
En zoo gij huwt, omware leed uw bed, 74
En zij uw vrouw,—is één ooit zoo verdwaasd,
Rampzaal’ger door uw leven, dan gij mij
Gemaakt hebt door den dood mijns dierb’ren gaden!”
En zie, eer ik den vloek herhalen kon,
In korter tijd nog, werd mijn vrouwehart
Plompweg gevangen door zijn honigwoorden,
Werd zelf het doelwit van mijn eigen vloek,
Die sinds mijn oogen alle rust ontroofde;
Want nooit, geen enkel uur, werd in zijn bed
De gulden dauw des zoeten slaaps mijn deel,
Of ik werd wakker door zijn bange droomen.
Daarbij, hij haat mij om mijn vader Warwick
En zal wis dra van mij ontslagen zijn.
KONINGIN ELIZABETH. Vaarwel, arm hart, uw klagen treft mij diep.
ANNA. Niet dieper, dan mijn ziel uw leed betreurt.
DORSET. Vaarwel gij, die met smart uw glans begroet!
ANNA. Vaar, arme, wel, die afscheid er van neemt!
HERTOGIN (tot Dorset.) Ga gij naar Richmond, goed geluk geleide u!—
(Tot Anna.) Ga gij naar Richard, eng’lengoedheid hoede u!
(Tot Koningin Elizabeth.) Ga naar uw vrijplaats, goede troost vervulle
u!
Ik naar mijn graf, waar ik in vrede ruste;
’k Heb tachtig jaren leed en zorg gekend;
Elk uur van lust bracht weken van ellend!
KONINGIN ELIZABETH. Toef nog, zie met mij om en groet den Tower.—
Heb deernis, oud gebouw, met die twee kind’ren,
Die boosheid in uwe muren heeft geprangd!
Gij, ruwe wieg voor zulke lieve knapen!
Rotsharde voedster, somb’re speelgenoot
Voor teed’re prinsen, zorg voor mijne kleenen!
Zoo smeekt mijn dwaze smart tot uwe steenen.
(Allen af.)