GLOSTER. Zie om, verweer u, hoor, de vijand komt!
BUCKINGHAM. God, en onze onschuld, zie het en verweer’ ons!
(Lovel en Ratcliff komen op, met Hastings hoofd.)
GLOSTER. Geen onraad! vrienden zijn ’t: Ratcliff en Lovel.
LOVEL. Hier is het hoofd des snooden aartsverraders,
Van Hastings, vol gevaar, en nooit verdacht.
GLOSTER. Zoo lief was mij de man, dat ik moet weenen.
Ik hield hem voor ’t eenvoudigst goedig schepsel,
Dat adem had op aarde als christenmensch;
’k Had hem tot boek gekozen, waar mijn ziel
’t Geheimste, dat zij dacht, in nederschreef;
Zoo glad vernis van deugd gaf hij zijn ondeugd,
Dat, zijn bekende zonde niet gerekend,—
Zijn omgang, meen ik, met de vrouw van Shore,—
Hij ied’re smet van de’ argwaan bleef ontgaan.
BUCKINGHAM. En toch, hij was de gluip’rigste verrader,
Die ooit geleefd heeft.
(Tot den Lord-Mayor.) Spreek, hadt gij ’t kunnen denken of gelooven,—
Als wij niet door bijzond’re redding leefden
En ’t u getuigden,—dat die aartsverrader
Beraamd had, heden in de raadzaal mij
En onzen goeden hertog te vermoorden?
MAYOR. Wat, deed hij dit?
GLOSTER. Wel, denkt gij, dat wij Turken zijn of heid’nen,
En, tegen alle rechtsvorm in, zoo ijlings
De doodstraf aan dien schurk voltrokken hadden,
Zoo niet de hachlijkheid van ’t oogenblik
En Eng’lands vrede en onze veiligheid
Ons had genoopt zoo snel te werk te gaan?
MAYOR. Nu, heil zij u! hij heeft zijn dood verdiend;
En beiden deedt gij wel, mylords, verraders
Van dergelijke plannen af te schrikken.
BUCKINGHAM. Ik had niets beters meer van hem verwacht,
Sinds hij zich eens verslingerde op vrouw Shore.
GLOSTER. Doch ’t was ons plan niet, dat hij sterven zou,
Eer gij, mylord, getuige er van kondt zijn,
Wat dezer vrienden welgemeende spoed,
Iets vuur’ger dan wij wenschten, heeft verhinderd.
Ik had gewild, heer, dat gij dien verrader
Hadt hooren spreken en van schrik en angst
Het plan en doel van zijn verraad belijden,
Opdat gij hiervan aan de burgerij 59
Verslag kondt doen, die nu wellicht om hem
Ons zal miskennen en zijn dood betreuren.
MAYOR. Maar, beste heer, uw woord volstaat geheel,
Als had ik hem gezien en hooren spreken,
En twijfelt niet, ik deel, doorluchte prinsen,
Den trouwen burgers mee, hoe gij hierin
Geheel naar de’ eisch van ’t recht gehandeld hebt.
GLOSTER. Juist hierom wenschten wij uw lordschap hier,
Om elk verwijt te ontgaan der booze wereld.
BUCKINGHAM. Doch kwaamt ge ook voor ons doel hier iets te laat,
Getuig toch, wat gij hoort, dat wij bedoelden.
En nu, Lord-Mayor, mijn waarde heer, vaarwel!
(De Lord-Mayor af.)
GLOSTER. Ga, volg, volg op den voet, neef Buckingham.
Naar Guildhall gaat de mayor in alle haast;
Toon daar, zooveel de tijd u gunstig schijnt,
De onechtheid aan van Edwards kroost; vertel hun,
Hoe Edward eens een burger hangen liet,
Die had gezegd, dat zijn zoon erfgenaam
Der kroon zou zijn; hij had zijn huis bedoeld,
Dat naar het gevelteeken zoo genoemd werd.
Dan, schilder hun zijn boozen, wulpschen lust,
Zijn dierlijk jagen naar gestâge wiss’ling,
Dienstmaagden, dochters, vrouwen hun belagend,
Wààr ook zijn vlammend oog, zijn roofziek hart,
In toomloos blaken zich een prooi verkoos.
Ja, tref desnoods in zoo ver ook mijzelf:
Zeg hun, dat, toen mijn moeder van dien woest’ling,
Van Edward, groot ging, de doorluchte York,
Mijn hooge vader, oorlog voerde in Frankrijk,
En door nauwkeur’ge tijdsbereek’ning vond,
Dat dit kind niet een spruit van hem kon zijn,
Wat ook door al zijn trekken zich verried,
Die geenszins naar mijn eed’len vader zweemden.
Doch roer dit met verschooning aan, van verre,
Omdat, zooals gij weet, mijn moeder leeft.
BUCKINGHAM. Ducht niets, mylord, ik zal voor reed’naar spelen,
Als ware ’t gulden loon, waar ik voor pleit,
Voor mij bestemd. En nu, mylord, vaarwel.
GLOSTER. En breng hen, zoo gij slaagt, naar Baynard’s slot; 98
Daar treft gij mij in goed, eerwaard gezelschap:
Bisschoppen, wijs, geleerd, en vrome vaders.
BUCKINGHAM. Ik ga; en tegen drie, misschien vier uur,
Verneemt gij ’t nieuws, dat Guildhall u verschaft.
(Buckingham af.)
GLOSTER. Ga, Lovel, spoed u ras naar doctor Shaw,—
En gij (Tot Catesby.) naar broeder Penker;—beiden wensch ik
In Baynard’s slot te spreken, binnen ’t uur.
(Lovel, Catesby en Ratcliff af.)
In de eerste plaats geef ik nu heim’lijk last,
’t Gebroed van Clarence uit het oog te voeren,
En streng bevel, dat niemand, wie ook, ooit
Wordt toegelaten tot de beide prinsen.
(Gloster af.)