Den 11 April 1858 landde de heer Russell Wallace te Dorey, aan den
oever eener fraaie baai gelegen, aan wier uiteinde zich een hooge kaap
verheft, die met twee of drie kleine eilandjes eene veilige ankerplaats
voor de schepen vormt. Wij vonden daar, zegt hij, een hollandsche
brik, die steenkolen kwam brengen voor de oorlogsstoomboot de Etna, die
iederen dag werd verwacht, en langs de kusten van Nieuw-Guinea kruiste,
ten einde eene plek op te sporen, geschikt voor de vestiging eener
kolonie. Des avonds brachten wij een bezoek aan boord van de brik,
alvorens ik in het dorp Dorey aan wal ging, waar ik eene geschikte
plaats voor mijne woning moest opzoeken. De heer Otto, een duitsche
zendeling, had de beleefdheid, voor mij eene overeenkomst aan te
gaan met de inlandsche hoofden, die reeds den volgenden morgen lieden
uitzonden om hout, rotting, en bamboes te hakken en te verzamelen.
De dorpjes Mansinam en Dorey waren in sommige opzichten nieuw voor
mij. De huizen zijn boven het water gebouwd, en niet te bereiken dan
over lange, smalle, ruw bewerkte bruggetjes of loopplanken. De woningen
zijn zeer laag; het dak heeft de gedaante van een groote schuit, met de
kiel naar boven. De palen, waarop de huizen, de bruggen en de portalen
rusten, zijn niet veel meer dan gedraaide stokken, zonder eenige orde
geplaatst en er zeer versleten uitziende. De vloeren bestaan uit
soortgelijke stokken, zoo slecht geschikt en zoo ver van elkander,
dat het mij bijna onmogelijk was daarover te loopen. Bij wijze van
muren, heeft men brokken van planken van oude booten, verrotte matten,
palmbladeren, zonder eenige orde of symmetrie geschikt, die er zoo
smerig, armoedig en verwaarloosd uitzien, als men zich denken kan. Aan
het einde van het dak hangen menschenschedels, zegeteekenen uit de
gevechten met de Arfakis uit het gebergte, die dikwijls het dorp
overvallen. Het zoogenaamde huis van den dorpsraad, dat de gedaante
van een kano heeft, rust op wat zwaarder palen, ruw behouwen, en
eenigermate het beeld vertoonende van een man of eene vrouw; op het
portaal voor den hoofdingang zijn zeer onkiesche beeldwerken geplaatst.
De bewoners van deze ellendige huizen hebben zeer veel gelijkenis met
de bewoners der Arou-eilanden; sommigen hunner zijn inderdaad zeer
schoon, groot en welgemaakt van gestalte, met sterk sprekende trekken
en lange arendsneuzen. De kleur hunner huid is donkerbruin, dikwijls
bij zwart af; de kolossale kapsels, wolfshoofden genaamd, zijn hier
nog meer in de mode dan elders, en worden als eene schoonheid van den
eersten rang beschouwd; eene groote zestandige vork van bamboes wordt
doorgaans bij wijze van kam gebruikt, en in ledige oogenblikken is
ieder daarmede bezig om zijn hairen in orde te houden en te voorkomen,
dat de groote natuurlijke pruik niet hopeloos en reddeloos in de
war gerake.
De drie eerste dagen na onze aankomst werden gebruikt om mijne hut te
bouwen, waartoe ik, behalve de hulp van mijn eigen volk, ook die van
een dozijn Papoeas noodig had. Het was alles behalve gemakkelijk, deze
laatsten aan het werk te krijgen en te houden: nauwelijks verstonden
zij een enkel woord maleisch, en om hun mijne bevelen te geven,
moest ik mijne toevlucht nemen tot gebarenspraak en zeer duidelijke
aanwijzingen. Maar wanneer ik hun nu, bij voorbeeld, met veel moeite
aan het verstand had gebracht, dat ik andere stokken noodig had,
dan gingen er geen twee, maar zes of acht heen om ze te halen, hoewel
blijkbaar een paar man volkomen voldoende waren voor dien arbeid, en ik
de anderen vrij wat beter gebruiken kon. Op zekeren ochtend brachten
zij met hun tienen maar eene enkele bijl mede, hoewel zij zeer goed
wisten, dat ik op dat oogenblik zulke werktuigen niet beschikbaar had.
Mijne woning stond op een kleinen heuvel, twee honderd el van het
strand en nevens den voornaamsten weg, die van de hutten naar de
ontgonnen terreinen in het bosch loopt. Op een afstand van twintig
el vloot een kleine beek, waarin wij ons des morgens baadden, en
die ons uitnemend drinkwater verschafte. Ik liet het kreupelhout in
het rond weghakken, opdat licht en lucht ongehinderd tot de woning
zouden kunnen doordringen: sommige groote woudboomen verspreidden
nabij de hut eene liefelijke schaduw. Onze hut, twintig voet lang en
vijftien voet breed, was uit boomstammen opgetrokken; de vloer was van
bamboes, de deur van rijswerk; een groot venster zag op de zee uit:
ik zette daar mijne tafel in, die door een laag beschot van mijn bed
was gescheiden. Ik kocht groote matten van palmbladen, die uitnemend
geschikt waren om tot beschotten en wanden te dienen; de matten,
die ik medegebracht had, werden op het dak gelegd en met atap bedekt,
dat de inlanders voor mij vervaardigden. Een weinig achterwaarts van
het huis stond een klein vertrekje dat tot keuken diende; en mijne
bedienden plaatsten onder een afdak de bank, waarop ik de vogelhuiden
bereidde. Ik liet mijn levensmiddelen en mijn bagage uit het schip
halen; ik betaalde mijne wilden met messen en bijlen, en zond hen weg.
Den volgenden morgen vervolgde onze goelet hare reis naar de oostelijke
eilanden, en ik was nu meer dan waarschijnlijk de eenige Europeaan,
in het groote land der Papoeas tijdelijk gevestigd.
Daar ik de inboorlingen niet volkomen vertrouwde, hielden wij bij
beurten de wacht, en zorgden dat onze geweren steeds geladen waren:
voorzorgsmaatregelen, die wij weldra, na verloop van eenigen tijd,
nalieten, nadat ons de vredelievende gezindheid onzer buren was
gebleken. Bovendien konden wij er tamelijk gerust op zijn, dat
zij het nooit zouden durven wagen, vijf welgewapende mannen aan te
vallen. Wij waren nog een paar dagen bezig met de laatste hand aan
ons huis te leggen, met gaten te stoppen en plankjes te bevestigen
om mijne exemplaren te laten drogen, met een pad te banen tot aan de
beek; en den grond voor het huis te effenen.
De stoomboot de Etna was nog niet aangekomen; de met steenkolen
geladen brik, die, zoo als het contract luidde, een maand lang op de
boot gewacht had, ging den 17en weder onder zeil, en op dienzelfden
dag gingen onze jagers voor het eerst ter jacht in het woud. Zij
brachten mij een prachtige kroonduif en eenige andere gewone vogels
mede. Den volgenden morgen kwamen zij terug met een volwassen, geheel
ongeschonden paradijsvogel, een paar papou-loris (Lorius domicella),
vier andere loris en papagaaien, een indische spreeuw, een ijsvogel
en twee of drie vogels van mindere waarde.
Inmiddels ging ik een bezoek brengen aan het dorp, aan de andere
zijde van den heuvel, die Dorey beheerscht, gelegen, en nam een
kleinen voorraad van katoenen stoffen, messen en glaskoralen mede,
ten einde de vriendschap te winnen van het opperhoofd, door wiens
tusschenkomst ik eenige manschappen hoopte te verkrijgen, die mij
bij de vogeljacht van dienst konden zijn.
De hutten van het dorp liggen verstrooid te midden van open plekken
in het woud, die op zeer onvolkomen wijze bebouwd zijn. De twee
hutten, die ik bezocht, hebben in het midden een gang, waarop kleine
zijgangetjes uitkomen, die elk naar twee kamers voeren, waarvan
ieder door een afzonderlijk gezin wordt bewoond. De woningen zijn
minstens vijf el boven den grond verheven en rusten op een woud
van palen, maar zijn zoo slordig gemaakt en zoo slecht onderhouden,
dat een kind zonder moeite tusschen de reten van den planken vloer
zou kunnen doorkruipen. De bewoners van dit dorp kwamen mij voor,
leelijker te zijn dan die van Dorey: waarschijnlijk zijn zij de echte
oorspronkelijke bewoners van dit deel van Nieuw-Guinea; zij leven van
landbouw en van de opbrengst der jacht, terwijl de kustbewoners van
vischvangst en een weinig handel leven, en eenigszins het voorkomen
hebben van volkplanters, die van elders zijn gekomen. Deze bewoners of
Arfakis verschillen onderling in vrij sterke mate; zij zijn over het
algemeen zwart, maar sommigen zijn bruin, zooals de Maleiers. Hunne
hairen, hoewel meer of minder gekroesd, zijn somwijlen kort en niet
wollig en zeer zwaar; ik geloof, dat dit het gevolg is van natuurlijke
rasverscheidenheid en niet van kunstmatige zorg of mode. Zeer velen
lijden aan huidziekten en scheurbuik.
Het oude opperhoofd scheen zeer in zijn schik met mijn geschenk,
en beloofde mij (door tusschenkomst van een tolk, dien ik mede had
gebracht) dat hij mijne manschappen zou beschermen wanneer zij in de
omstreken gingen jagen, en ook dat hij mij vogels en andere dieren
zou bezorgen. Gedurende ons gesprek, rookten de inlanders tabak uit
houten pijpen, van een langen rechten steel voorzien.
Het regensaizoen spoedde ten einde; de gansche landstreek was
doortrokken van vochtigheid. De inboorlingen verwaarloozen de wegen en
voetpaden zoo zeer, dat zij dikwijls niet meer zijn dan donkere tunnels
met een dak van wild dooreen gegroeide takken, en haast verzinkende
in den modder. De Papoea, die geen kleederen heeft welke nat kunnen
worden, ploetert ongestoord door die poelen voort, en wascht zich
daarna weer schoon in de naburige beek; maar ik, die een broek en
laarzen droeg, vond het uiterst onaangenaam, dat ik iederen morgen tot
aan de knieën door het slijk moest waden. Lahagi, mijn houthakker,
was sedert onze komst nog niet van zijne mat kunnen opstaan: anders
zou ik hem hebben opgedragen, op de slechtste punten toegankelijke
wegen te banen. De eerste tien dagen regende het regelmatig des
avonds en des nachts; maar door ijverig gebruik te maken van de
uren waarop de zon scheen, gelukte het mij mijne verzameling niet
onbelangrijk te verrijken; behalve eenige nieuwe exemplaren, bezat
ik weldra al de vogels en de insecten, die Lesson van zijne reis
met het schip de Coquille heeft medegebracht. Maar Dorey is niet de
meest geschikte plaats om paradijsvogels te verzamelen; geen enkele
inboorling verstaat de kunst om huiden te bereiden. De vogels, die
hier te koop worden aangeboden, zijn afkomstig van Amberbaki, veertig
mijlen meer westwaarts, waar de lieden van het dorp ze gaan halen.
De lage gronden nabij de kust en de eilandjes in de baai schijnen
van rotsen gevormd, die eerst sedert korten tijd boven de oppervlakte
van het water zijn opgeheven; zij zijn bezaaid met overblijfselen van
polijpen. De kleine heuvelketen, die achter het huis heen tot aan het
voorgebergte loopt, bestaat bijna geheel uit koraalrots, schoon er ook
sporen van andere rotsformatie worden aangetroffen. Aan de overzijde
der baai verheft zich de indrukwekkende massa van het Arfakgebergte,
dat, volgens de fransche natuurkundigen, eene hoogte van tienduizend
voet zou bereiken en door geheel wilde stammen wordt bewoond. De
inwoners van Dorey, die veel van deze hunne woeste naburen te lijden
hebben, zijn voor deze bergbewoners uitermate bevreesd; zij zelven
weten zeer goed, hoe duur hun de enkele schedels zijn te staan gekomen,
die zij als zegeteekenen rondom hunne hutten hebben opgehangen.
Den 15en Mei stoomde de Etna eindelijk de haven van Dorey binnen:
maar het kolenschip was vertrokken, en men moest zijne terugkomst
afwachten. Het oorlogsschip wierp het anker uit vlak tegenover mijne
woning: ik hoorde de klok het half uur slaan: een eigenaardig geluid
hier te midden der plechtige stilte van het woud. De kapitein,
de dokter, de machinist en eenige officieren kwamen mij bezoeken:
de matrozen spoelden hun linnengoed in mijne beek, en de zoon van
den vorst van Tidor kwam zich daarin met zijne makkers baden. Voor
het overige had ik weinig omgang met de bemanning, en werd ik niet,
zoo als ik aanvankelijk gevreesd had, door de komst van het schip in
mijn arbeid gestoord. Het weer was nu tamelijk fraai, maar de vogels
en de insecten waren vrij schaarsch; vooral onder deze laatsten vond
ik ter nauwernood eene nieuwe soort. Over het algemeen zijn de insecten
hier minder schoon dan op Amboina, en ik kon mij zelven niet ontveinzen
dat Dorey niet juist het beloofde land is voor een natuuronderzoeker:
vlinders zijn zeer zeldzaam, en de meesten die ik hier vond, had ik
reeds op de Arou-eilanden gevangen.
Onder de insecten waren wel de merkwaardigste zekere soort van
gehoornde vliegen, waarvan ik vier verschillende soorten heb
aangetroffen op rottend hout en omgevallen boomen. Deze merkwaardige
tweevleugeligen, door den heer W. W. Jaunders onder den naam van
Elaphomia, of vliegen met hertshoornen, beschreven, zijn ongeveer
een halven duim lang en hebben zeer groote pooten, die zij zoo
weten te plaatsen, dat zij haar schraal lichaam tamelijk hoog kunnen
opheffen. Hunne voorpooten zijn veel korter en worden dikwijls, even
als voelhorens, naar voren uitgestoken; de hoornen komen onder het oog
te voorschijn en schijnen eene voortzetting te zijn van het voorste
gedeelte van de oogholte. Bij de grootste en merkwaardigste soort,
Elaphomia cewicornis, zijn zij bijna zoo lang als het geheele lichaam
en hebben twee takken; zij zijn zwart van kleur met witte punten; het
lichaam en de pooten zijn geelachtig bruin, en de oogen (gedurende
het leven) violet en groen. De Elaphomia wallacei, donkerbruin
van kleur met gele strepen en vlekken, heeft hoornen ter lengte
van ongeveer een derde van haar lichaam: zij zijn plat en vormen
een langwerpigen driehoek. De kleur dezer hoornen is prachtig rood,
met zwarte zoomen, en een heldere streep in het midden; het voorste
gedeelte van den kop is eveneens rooskleurig, de oogen purper-violet,
met een groene streep in het midden: al deze kleuren geven aan het
insect een zeer eigenaardig en schitterend voorkomen. De derde soort,
Elaphomia alcicornis (met de elandshoornen) is wat kleiner dan de
beide vorigen, en komt in kleur het meest overeen met de Elaphomia
wallacei; de zeer merkwaardige hoornen vormen een soort van plat
lemmer, rondom van scherpe tanden voorzien en geheel gelijkende op
elandshoornen in miniatuur; de kleur is geelachtig bruin. De vierde
soort, Eliphomia brevicornis, wijkt aanmerkelijk van de anderen af;
haar zwaarder lichaam is bijna zwart, met een witten ring onder aan
den buik; de vleugels zijn voorzien van donkere strepen; het platte,
saamgedrongen hoofd draagt zeer kleine platte horens, die er bijna
uitzien als de onvolwassen hoornen der andere soorten. De wijfjes
van alle soorten missen deze horens.
De inlanders waren mij niet bijzonder behulpzaam bij het vermeerderen
mijner collectie. Ter nauwernood dooden deze arme lieden nu en dan een
vogel, een varkentje, een kangoeroe of eenig ander dier. Naar men mij
verzekerde, waren de kangoeroes hier in den omtrek te vinden; mijne
jagers, die dagelijks het bosch doorkruisen, hebben er echter nooit
een gezien. De eenige vogels, die men hier in zeker aantal aantreft,
zijn kakatoes, loris en papegaaien; zelfs duiven zijn hier zeldzaam,
en behooren meest tot enkele bekende soorten.
Den 5en Juni keerde het kolenschip van Amboina terug, met een
nieuwen voorraad voor de stoomboot. Het hout, dat bijna reeds geheel
was ingeladen, werd nu weder gelost, en in de plaats daarvan de
steenkolen ingenomen; en den 17 Juni vertrokken de boot en de brik
beiden naar de Humboldtsbaai. De haven werd wederom stil en eenzaam,
en wij konden weer iets te eten krijgen. Immers zoo lang de schepen
op de reede lagen, brachten de inlanders daar letterlijk alles heen,
visschen en groenten; meermalen gebeurde het, dat ik mij voor twee
maaltijden met een papegaai moest tevreden stellen.
Een langer verblijf in het binnenland achter Dorey zou waarschijnlijk
goede resultaten opleveren: want men heeft mij vandaar een exemplaar
bezorgd van het wijfje van den prachtigen Ptiloris magnificus,
wiens borst met een schubbig harnas is bekleed. Op Ternate had men
mij gesproken van een vogel, die zeker in Europa niet bekend is, den
koning der zwarte paradijsvogels, wiens staart en zijvederen gelijken
op die der gewone soort, maar die overigens geheel zwart van kleur
is. De inwoners van Dorey wisten mij daaromtrent niets mede te deelen,
hoewel zij naar mijne beschrijving de meeste andere soorten zeer goed
herkenden en wisten te vinden.
Bij het vertrek van de Etna leed ik erg aan koortsen; toen die
ophielden, deed mijn mond, mijne tong, mijn tandvleesch mij zoo
erge pijn, dat ik gedurende langen tijd, ook ten gevolge van
het opzwellen mijner lippen, niets anders dan vloeibare spijs kon
gebruiken. Overigens was ik welvarend, maar twee van mijne bedienden
waren zoo ernstig ongesteld, dat ik mij zeer ongerust over hen maakte:
de een leed aan dyssenterie, de andere aan koorts. Ik deed al wat in
mijn vermogen was om hen met mijn zeer beknopte medicijndoos te hulp
te komen; maar een hunner stierf niettemin, den 26 Juni, na een lijden
van eenige weken. Hij was een goede jongen, wel niet over-ijverig,
maar die zich toch trouw van zijn plicht kweet. Hij was eerst achttien
jaren oud; geboortig van Boutong, mohammedaan van zijn geloof, even
als mijne andere bedienden. Ik stelde hun eenige ellen wit katoen ter
hand, en zij begroeven het lijk van den armen jongen overeenkomstig
de gebruiken hunner godsdienst in het verre vreemde land.
Den 6en Juli keerde de Etna te Dorey terug. Hoewel het midden in den
zomer was, was het weder toch vochtig en regenachtig. Wij konden ons
ter nauwernood het noodige voor ons levensonderhoud verschaffen;
koorts, verkoudheid, dyssenterie weken niet uit onze woning; ik
wenschte hartelijk dat ik Nieuw-Guinea weder kon verlaten. De kapitein
van de stoomboot kwam mij bezoeken; hij was onuitputtelijk in het
uitweiden over de schoonheden van de Humboldtsbaai, die, naar zijn
zeggen, het zeer ver van de golf van Dorey won. De haven is beter. De
inlanders, die door veelvuldige aanraking met maleische handelaars nog
niet bedorven zijn, en die geen andere vreemdelingen hebben gezien
dan de bemanning van enkele walvischvaarders, staan, zoowel in een
physiek als in een zedelijk opzicht, veel hooger dan de bewoners dezer
streken. Zij gaan geheel naakt. Hunne hutten, boven het water of op
den grond gebouwd, zijn hecht en netjes: hunne velden wel bebouwd; en
de goed onderhouden wegen doen alleen bij wijze van tegenstelling aan
de poelen van Dorey denken. In den beginne wantrouwden de inlanders de
onbekende gasten; en toen de sloepen werden uitgezet en naar de kust
roeiden, namen de Papoeas eene vijandige houding aan, spanden hun
bogen en dreigden op de vreemdelingen, indien zij durfden naderen,
te schieten. De kapitein was verstandig genoeg, om bevel te geven
tot den terugtocht; maar hij liet eenige geschenken op het strand
neder leggen; en na twee- of driemaal de proef te hebben herhaald,
liet men den Hollanders toe aan wal te komen, den omtrek te bezoeken,
en vruchten en groenten in te koopen. Een inboorling van Dorey, dien
men als tolk had medegenomen, kon geen woord van hunne taal verstaan,
zoodat men zich met gebaren en teekenen behelpen moest. Voor het
overige brachten de Hollanders noch vogels, noch nieuwe viervoetige
dieren mede; maar uit de vederen, waarmede de inlanders zich tooiden,
bleek toch dat de paradijsvogels ook in die streken gevonden werden,
zooals waarschijnlijk in geheel Nieuw-Guinea.
Het is inderdaad opmerkelijk, hoe, bij een zeer lagen trap van
beschaving, een volk toch kunstzin en smaak kan hebben: de lieden van
Dorey zijn inderdaad beeldhouwers en schilders. Aan de buitenzijde van
hunne woningen vinden we geen enkele plank, die niet met ruw bewerkte,
maar zeer karakteristieke figuren prijken. De hooge en smalle punten
hunner prauwen zijn zoo fijn en keurig uitgesneden als kantwerk, en
meermalen is dit beeldwerk niet minder smaakvol van lijnen als keurig
van bewerking. Aan het uiteinde zijn zij altijd versierd met een
beeld, waarvan het hoofd met casuarisvederen prijkt; die eene zekere
gelijkenis vertoonen met het eigenaardig kapsel der Papoeas. De dobbers
van hunne hengels, de houten spanen, waarmede zij het leem voor hun
aardewerk kneden, hunne tabaksdoozen en andere artikelen voor huiselijk
gebruik zijn met smaak gesneden en gebeeldhouwd en met fraaie arabesken
versierd. Indien men niet wist, dat de meest volkomen onbeschaafdheid
met deze zekere mechanische kunstvaardigheid gepaard kan gaan, zou
men niet licht willen gelooven dat zij, die deze inderdaad fraaie
zaken vervaardigen, toch ontbloot zijn van ieder begrip van orde,
maatschappelijke samenleving, welvaart en welvoegelijkheid. Zij wonen
in ellendige, bouwvallige, in de hoogste mate onzindelijke krotten;
zij hebben noch banken, noch zitplaatsen, noch tafels; borstels
zijn hen onbekend, en zij hebben geene andere kleeding of dekking
dan boomschors, smerige vodden of pakdoek. Zij denken er niet aan,
de overhangende takken of de wortels weg te ruimen, die de paden,
welke naar hunne akkers voeren, onbegaanbaar maken, zoodat men zich
een weg moet banen dwars door dichte struiken en houtgewas, tusschen
doode stammen en doornige lianen, en door slijkpoelen waden, die niet
uitdrogen, omdat er nooit een zonnestraal in schijnt. Zij voeden zich
uitsluitend met wortels en groenten; visch en wildbraad zijn voor
hen eene uitgezochte lekkernij, die zij maar zelden mogen genieten;
huidziekten zijn dan ook bij hen zeer algemeen, en de lichamen hunner
kinderen zijn meestal met zweren en gezwellen bedekt. En ondanks
dit alles, hebben zij eene zeer stellige neiging en smaak voor de
beeldende kunsten, en besteden hunne ledige uren aan het vervaardigen
van kunstwerken, die om hunne sierlijkheid en zuiveren vorm zelfs in
onze teekenscholen bewondering zouden verwekken.
Gedurende den laatsten tijd van mijn verblijf in Nieuw-Guinea werd
het weder zeer slecht; mijn eenige schutter was ziek; er waren geen
vogels meer te zien, en mij bleef niets te doen over, dan insecten te
zoeken. Zoodra de regen maar even ophield, doorsnuffelde ik ijverig
den ganschen omtrek, en bracht een aantal nieuwe soorten mede naar
huis. Op de doode boomen, de half vergane stammen, de verdorde maar
nog aan de takken hangende bladeren, vond ik eene groote menigte van
zeer kleine kevers. Wat schoonheid en grootte betreft, konden zij,
het is waar, niet wedijveren met die van Borneo; maar uit het oogpunt
der verscheidenheid mag mijne collectie van Nieuw-Guinea gerust op eene
eereplaats aanspraak maken. In de eerste twee of drie weken, toen ik
de goede plekjes nog niet gevonden had, bracht ik elken dag ongeveer
een dertigtal kevers van verschillende soorten te huis, half zooveel
kapellen, en nog eenige andere insecten. Dit getal steeg echter tot
gemiddeld negen-en-veertig per dag. Den 31 Mei vond ik, tusschen de
doode boomen en onder de vergane bast, acht-en-zeventig verschillende
soorten: meer dan ik nog ooit op eenen dag verzameld had. Den 30 Juni
keerde ik met vijf-en-negentig verschillende soorten van kevers naar
huis: waarschijnlijk zal ik nooit meer in mijn leven, in een enkelen
dag, zulk een rijken oogst binnenhalen. Het was zeer warm weder: en
van des morgens tien tot des namiddags drie uren bezocht ik al mijne
bekende plekjes, de struiken doorsnuffelende, de vergane boomschors
afschillende, de rottende bladeren schuddende: te huis gekomen,
had ik niet minder dan zes uren noodig om mijn buit te rangschikken,
de kevers op te prikken, en hun pooten uit te spreiden. In het geheel
verzamelde ik, binnen drie maanden tijds, op een terrein van nauwelijks
een vierkante mijl in omtrek, bijkans duizend verschillende soorten
van kevers; ik schat dit getal ongeveer op de helft der keversoorten,
die deze plek bewonen, en op ongeveer een kwart van het aantal soorten,
dat men vinden zou, indien de nasporingen over een terrein van dertig
kilometers in het vierkant werden uitgestrekt.
Den 22 Juli voer de goelet Esther-Helena de haven binnen, en vijf
dagen later nam ik, zonder smart of spijt, afscheid van Dorey:
nergens had ik zooveel ontberingen moeten lijden en met zooveel
moeilijkheden te kampen gehad. Mijn ijver als natuuronderzoeker was
bijna bezweken in die gestadige worsteling met ziekten, onvoldoend
voedsel, en vooral met de mieren en vliegen. Deze reis, waarnaar ik
zoo lang met vurig verlangen had uitgezien, had in geen enkel opzicht
aan mijne verwachting beantwoord. Ik had geen enkele van de zeldzame
paradijsvogels gezien, die ik gehoopt had hier te vinden; ik bracht
van Dorey geen enkelen bijzonder fraaien of merkwaardigen vogel, geen
enkel prachtig insect mede. Maar ik mag Dorey de eer niet betwisten,
dat het buitengemeen rijk aan mieren is. Vooral eene zekere kleine
zwarte mier komt hier in ongeloofelijken overvloed voor, en is eene
ware landplaag. Bijna alle boomen en struiken wemelen van deze mieren,
wier groote papierachtige nesten ge overal aantreft. Zij overmeesterden
binnen weinige uren mijne woning, bouwden onder het dak een groot
mierennest, en op alle palen en balken breede papieren tunnels;
zij overstroomden mijne tafel, terwijl ik bezig was mijne insecten
te rangschikken, roofden die voor mijne oogen weg, en scheurden ze
zelfs van de kaartjes af, waarop ik ze vastplakte, zoodra ik maar
een oogenblik mijn arbeid staakte. Zij kropen op mijne handen en
mijn gezicht, drongen onder mijne kleederen tot op mijne huid door,
en liepen overal langs mijn lichaam: wel is waar zonder veel pijn te
doen, zoo lang zij geen tegenstand ontmoetten, maar zoodra zij gestoord
werden, vinnig bijtende; ik moest telkens mijne kleederen uittrekken,
om mij van deze fatale vijanden te ontslaan. De nacht bracht geen
verlossing van deze kwelling: de mieren volgden mij in mijn bed: en
ik geloof niet, dat ik gedurende de drie en een halve maand van mijn
verblijf te Dorey, een enkel uur heb doorgebracht, zonder door deze
mieren geplaagd te worden. Zij zijn op verre na niet zoo vraatzuchtig
als anderen van haar geslacht; maar van wege haar ongeloofelijk aantal
en hare alomtegenwoordigheid, moest ik voortdurend op mijne hoede zijn.
De groote blauwe vliegen veroorzaakten mij niet minder last: zij
streken bij gansche zwermen neder op de overblijfselen van opgezette
vogels, en bedekten de vederen met tallooze eiertjes, waaruit reeds
den volgenden morgen larven te voorschijn kwamen, als zij niet tijdig
werden weggenomen. Zij verborgen zich onder de vleugelen of onder de
huiden, die te drogen lagen, en het gebeurde somwijlen dat die huiden,
door de myriaden eieren, binnen weinige uren gelegd, bijkans een halve
duim in de hoogte werden getild. Die eitjes kleefden zoo vast aan de
vederen, dat ze niet dan met groote moeite en met het uiterste geduld
konden worden verwijderd, zonder den vogel te beschadigen.
Den 29 Juli verlieten wij Dorey; onophoudelijk hadden wij met
westenwinden en windstilte te kampen, zoodat de terugreis naar Ternate,
die anders, met gunstigen wind, in vijf dagen kon geschieden, nu
volle zeventien dagen duurde. Het was mij een waar genot, toen ik
weder in mijne gemakkelijke, prettige woning nederzat, melk in mijn
thee en mijn koffie kon krijgen, versch brood en boter, gevogelte en
visch bij iederen maaltijd. Dit uitstapje naar Nieuw-Guinea had ons
allen uitgeput.