II.

Het groote eiland Nieuw-Guinea sluit ten oosten de eilandengroep

van den Indischen archipel; het strekt zich van het noordwesten

naar het zuidoosten, van den 131° tot den 149° oosterlengte, uit,

en reikt bijna van den equator tot over den 10° zuiderbreedte. Ten

noorden en ten oosten wordt het door den Stillen-oceaan bespoeld;

ten westen door de zoogenoemde Bandazee; ten zuiden wordt het door

de Torresstraat van Australië gescheiden.

Als men Australië of Nieuw-Holland tot de vastelanden rekent,

zooals tegenwoordig door de meeste aardrijkskundigen geschiedt, dan

is Nieuw-Guinea waarschijnlijk het grootste eiland van de wereld,

want het overtreft Borneo en Madagaskar aan oppervlakte. Ongetwijfeld

werd het reeds lang voor de aankomst der Europeanen in de oostersche

zeeën door handelaars van de meer westelijk gelegen eilanden bezocht,

die daar tripang, schildpadden, paradijsvogels, wilde muskaatnoten en

hout kwamen halen. Hieruit laat zich ook het verschijnsel verklaren,

dat de Portugeezen, die reeds in het eerste vierdedeel der zestiende

eeuw van de Molukken uit de noordwestelijke kust van Nieuw-Guinea

bezochten, daar de Papoeas, de "kroeshairigen", in het bezit vonden

van ijzeren gereedschappen. Volgens het algemeen aangenomen gevoelen,

zijn Antonio d' Abreu en Francisco de Serrano de eerste ontdekkers

geweest; Meneses drong in 1526 tot in de streek door, waar nu Dorey

ligt. Reeds twee jaar later verschenen de Spanjaarden; hun vlootvoogd,

Alvar de Saavedra, vertoefde twee maanden bij de Papoeas; gelijk al

zijne landgenooten, zocht ook hij in de eerste plaats naar goud,

en keerde drie jaar later nog eens terug tot deze Islas del Oro,

zooals hij het eiland noemde. Twee schepen van Gryalva bezochten

in 1537 eenige onder den equator liggende eilanden, die zij Mensum

en Bufu noemden. In hun reisverhaal leest men onder anderen: "De

inlanders zijn zwarten met kroeshair; zij eten menschenvleesch, zijn

groote gauwdieven, en maken zich aan zoovele euveldaden schuldig, dat

zij wel als metgezellen der duivelen mogen worden beschouwd." Hier

wordt voor de eerste maal melding gemaakt van de anthropophagie,

maar ook van den casuaris. "Daar leeft een vogel, zoo groot als een

kraanvogel, die echter niet vliegen wil, maar daarentegen ongemeen

snel kan loopen. Met zijne vederen versieren de inboorlingen de

hoofden hunner afgodsbeelden."

De naam Nieuw-Guinea werd aan het land gegeven door den spaanschen

zeevaarder Ortiz de Itates, die in 1545 een deel der noordkust bezocht

en op sommige punten landde; de zwarte Papoeas deden hem denken aan

de negers der kust van Guinea in Afrika.

Tegen het einde van de zestiende en het begin der zeventiende eeuw

vertoonde zich voor het eerst de hollandsche vlag in den indischen

archipel; de Hollanders drongen al verder en verder naar het oosten

voort; en in het jaar 1616 verscheen Schouten aan de noordkust van

Nieuw-Guinea, waar hij op het eiland Vulkaan een vuurspuwenden berg

vond, en ten noorden van de tegenwoordige Geelvinksbaai de naar

hem genoemde eilandengroep ontdekte. Wij weten nu uit de jongste

ontdekkingen, dat deze groep inderdaad slechts uit een groot eiland

bestaat. De oude zeevaarder geeft eene zeer nauwkeurige beschrijving

van de Papoeas, met wie hij in aanraking kwam; zij droegen ringen

in neus en ooren, vederen op het hoofd en aan den arm; door den neus

hadden zij een snoer van varkenstanden gestoken en op hun borst hing

allerlei sieraad. Zij kauwden betèl, wat zij van de Maleiers moeten

geleerd hebben, en leden veel aan huidziekten; hunne woningen rustten

op palen. Als Schouten zijne booten naar land zond, werden zijne

matrozen uit het kreupelhout met pijlen beschoten, en moesten haastig

weder naar boord terugkeeren. Met de Papoeas van andere omliggende

eilanden knoopte Schouten echter eenige betrekkingen aan; tegen

glaskoralen, verroeste spijkers, oude messen en dergelijk gereedschap

kregen de Hollanders zooveel kokosnoten, bananen en gedroogde visschen,

als zij zelven maar verlangden.

In 1643 bezocht Abel Tasman nogmaals de noordkust van Nieuw Guinea;

dan echter verloopt er meer dan een halve eeuw, zonder dat wij iets

naders van het land vernemen. Een der stoutmoedigste zeevaarders die

de geschiedenis kent, de Engelschman Dampier, kwam op zijne reizen

langs de westkust tot voor de golf van Mac-Cluer, voer door de naar

hem genoemde straat aan de noordkust, en zag de Schouten-eilanden. Na

hem, in 1705, ontdekte het kleine hollandsche schip Geelvink aan de

noordkust de groote baai, die nog tegenwoordig dezen naam draagt;

van de verdere bijzonderheden dezer reis weten wij niets.

Dan komt weder eene lange pauze tot 1768; in dat jaar kwam de

fransche zeevaarder Bougainville aan de noordkust tot aan de baai,

die later van d'Urville den naam van Humboldtsbaai verkreeg; Cook

voer in 1770 langs de zuidkust tot aan de Valschekaap (door de

Engelschen verkeerdelijk kaap Walsh genoemd), de westelijke punt

van het Prins-Frederik-Hendriks-eiland. Gaarne zou hij aan land zijn

gegaan, om zich levensmiddelen te verschaffen; maar de Papoeas, die

zich in het woud verscholen hadden, beletten het hem.--Forrest kwam

in 1774 van de Molukken, om aan de westkust stekken van den wilden

muskaatboom te halen, en landde bij Dorey; Mac-Cluer hield zich in

1790 en 1791 aan de westkust op, waar hij de naar hem genoemde diep

in het land indringende golf ontdekte.

Uit dit overzicht blijkt, dat in den loop van ongeveer drie eeuwen,

Nieuw Guinea een nog zoo goed als onbekend land gebleven was: en nog

heden is het dit evenzeer. Alleen over het noordwestelijk gedeelte

hebben wij eenige en dan nog maar zeer onvoldoende berichten, en

ook na de jongste reizen van Maclay, Moresby en Meyer, weten wij

van het binnenland nog zoo goed als niets. In het jaar 1823 bezocht

Duperrey de Schouten-eilanden met het schip Coquille, vertoefde in het

volgende jaar een paar weken te Dorey, en deed daar eene verkenning

der kuststreek. Toen Dumont d'Urville, destijds nog luitenant, een

poging waagde om in het binnenland door te dringen, legden de Papoeas

langs de kust hem alle mogelijke hinderpalen in den weg, maar door een

piaster en een mes liet een jonge man zich bewegen, hem als gids te

dienen. Dumont d'Urville wilde de bergbewoners bezoeken; maar de jonge

Papoea maakte ook onderweg allerlei bedenkingen en tegenwerpingen,

waarvan de Franschman niets begreep, tot hij eindelijk de oorzaak

van den tegenstand ontdekte. In een groot huis, in het dichtst van

het woud verborgen, bevonden zich een aantal vrouwen en kinderen,

die de mannen van Dorey, zoodra zij het fransche schip zagen naderen,

derwaarts in veiligheid hadden gebracht. D'Urville begreep nu, waarom

men hem niet verder wilde laten gaan, en ook waarom hij in Dorey

geen vrouwen had gezien. Hij vervolgde evenwel zijn tocht; de jonge

Papoea sprak met groote verachting van de Arfakis, bergbewoners,

die, volgens hem, niet veel meer dan beesten waren en geen woord

malaio verstaan of spreken konden. Toen echter de Europeaan bij deze

wilde dieren kwam, werd hij zeer vriendelijk ontvangen en kon hij

ongehinderd hunne groote woning binnentreden, die op een heuvel, en

natuurlijk ook op palen stond. Een schuin tegen het huis geplaatste

boomstam, waarin kerven gesneden waren, diende als trap; het gebouw

zelf was een breede, ongeveer honderd voet lange loods, op palen van

twintig voet hoogte gebouwd. Midden door dit gebouw loopt een lange

gang, waarop ter wederzijde een aantal vertrekjes uitkomen; aan de

beide uiteinden bevindt zich een soort van portaal. Deze woningen

der Arfakis komen dus geheel overeen met die van de Papoeas langs

de kust. Ook hier had men de vrouwen en kinderen weggezonden; maar

toch gaf men den Europeanen bereidwillig sagobrood en andere zaken:

de Arfakis toonden meer gastvrijheid dan de Papoeas.

In de tweede helft van het jaar 1827 voer Dumont d'Urville met het

schip Astrolabe door de Dampierstraat, verkende de noordkust over eene

uitgestrektheid van ongeveer driehonderd-vijftig mijlen, en ontdekte

de Humboldtsbaai. Tegen het einde des jaars, lag de Astrolabe voor

Dorey. Ook toen, even als vroeger, verhaalden de Papoeas allerlei

kwaad van de Arfakis, en hingen een schrikkelijk tafreel op van

de gevaren, die den blanke op eene reis naar het binnenland zouden

bedreigen. D'Urville meent, dat zij daartoe gedreven worden door de

vrees dat zij, indien de Europeanen met de Arfakis in aanraking kwamen,

hun handelsmonopolie zouden verliezen.

Dumont d'Urville onderscheidt de inboorlingen, voor zoover hij

ze leerde kennen, in drie verschillende rassen: de Harfoeroes,

bewoners van het binnenland, waartoe hij ook de Arfakis rekent; de

eigenlijke Papoeas of Papoeas, en de mestiezen met maleisch bloed. De

Papoeas beschrijft hij als over het algemeen van middelbare gestalte,

slank, met schrale ledematen; het gelaat is regelmatig gevormd, de

wangbeenderen steken niet erg vooruit, de lippen zijn dun, de mond is

klein en welbesneden; de weeke gladde huid is zeer donkerbruin, zonder

geheel zwart te zijn. Zij hebben bijna geen baard; het dichte, zware,

kroeze hair wordt met veel zorg, bij wijze van een reusachtige pruik

of muts, opgemaakt. In Dorey zijn deze Papoeas niet krijgszuchtig.

De Harfoer-Arfakis zijn kleiner, maar krachtiger; bij wijze van

tatouëering, snijden zij zich naden in de huid; hunne gelaatstrekken

hebben eene uitdrukking van wildheid, die men in die mate bij de

Papoeas niet vindt. Hunne huid is meer roetkleurig en minder glad:

meestal zijn zij mager, en doen denken aan de melanesische rassen. Zij

gaan geheel naakt, of dragen hoogstens een smallen gordel om de

lendenen; hun hair dragen zij in kleine vlechten. Misschien zijn

zij wel de oorspronkelijke bewoners dezer eilanden.--De mestiezen

zijn klein en saamgedrongen van gestalte, met een beenig, vierkant

gelaat, hoekige trekken, vooruitstekende wangbeenderen, een grooten

mond, dikke lippen, en doorgaans een platten neus. Zij hebben zich

met de Papoeas vermengd; de kleur hunner huid is minder donker, het

hair niet zoo kroezig, en hun tulbandvormig hoofddeksel wijst op hun

maleischen oorsprong.--d'Urville houdt ze dan ook voor afstammelingen

van Papoeas en Maleiers. Alle koranos, kapiteins, radjahs, in een

woord allen die eenig gezag uitoefenen, behooren tot deze klasse;

zij spreken allen meer of minder vlot maleisch.

Hoezeer de type van de bewoners der noordwestkust afwijkt van die

der zuidkust, blijkt duidelijk, wanneer men de afbeelding van een

opperhoofd van Dorey op bladz. 92 vergelijkt met die van den Papoea

uit de streek bij de Prinses-Marianne-straat (bl. 85), die het

Prins-Frederik-Hendriks-eiland van den vasten wal scheidt.

De bewoners van Nieuw-Guinea kennen geene algemeene benaming voor hun

land; de naam Papoea beteekent kroesharig, en is hun door de Maleiers

gegeven. Omtrent hunne afstamming kan op dit oogenblik nog niets met

eenige zekerheid gezegd worden: eene wetenschappelijke oplossing

van die vraag is althans nog niet mogelijk. Dr. A. B. Meyer zegt

dienaangaande: "Aan de eene zijde hecht men bijzondere beteekenis aan

den schedelvorm, aan eene andere op het hair of op de kleur der huid en

meer dergelijke bijzonderheden; terwijl toch een enkel criterium nooit

voldoende kan zijn, om in zulke ingewikkelde vraagstukken tot leiddraad

voor de ontknooping te dienen. Wij weten nog hoegenaamd niets van den

tijd, die er noodig is om een menschenras eene of andere verandering te

doen ondergaan." Dr. Meijer zelf echter twijfelt, of de geopperde vraag

wel voor oplossing vatbaar is, omdat de van elkander gescheiden takken

van denzelfden stam zich wellicht zoo zelfstandig hebben ontwikkeld,

dat geen sporen van gemeenschappelijken oorsprong meer te vinden zijn.

Wij noemden reeds een en andermaal den naam van een der laatste

reizigers, die Nieuw-Guinea hebben bezocht: den naam van Dr. Adolf

Bernhard Meyer, die, na in de jaren 1870-1872 Celebes en de Filippijnen

bereisd te hebben, op Ternate een schoener huurde en in het begin van

Maart 1873 te Dorey, aan de noordwestelijke punt der Geelvinksbaai,

landde. Van daaruit wilde hij het noordelijk gedeelte van Nieuw-Guinea

bereizen; hij ontveinsde zich de overgroote moeilijkheden niet, aan

zulk een tocht verbonden in een land, waar noch steden noch wegen zijn,

waar lastdieren ontbreken, waar de bevolking uiterst dun gezaaid is,

en de verschillende stammen telkens met elkander in heftigen oorlog

zijn. Dagen en weken lang kan men in het binnenland en ook langs de

kust rond trekken, zonder eene enkele woning te vinden; op voeding en

levensmiddelen valt in het geheel niet te rekenen; hoogstens zal men

enkele vruchten vinden; en de weinige inwoners hebben geen voorraad

bij de hand. De reiziger moet al zijne behoeften zelf medevoeren,

en een talrijk gevolg tot zijne beschikking hebben, waarover hij

onbepaald gezag voert. "Ik herinner mij," zegt Dr. Meyer, "dat het

mij eens, op een mijner tochten bij mijne reis van de Geelvinksbaai

naar de Mac-Cluer-golf, waarop ongeveer vijftien Papoeas en zes mijner

bedienden mij vergezelden, op zekeren morgen de grootste moeite kostte,

iemand te bewegen, eene zeer kleine, dunne, opgerolde matras te dragen,

die ik voor mijzelven medegenomen had. Eindelijk loofde ik eene

extra belooning, een mes, uit voor dengeen, die de matras zou willen

dragen; en nu bood zich daartoe, zonderling genoeg, een Papoea aan,

die in andere opzichten beweerde de eerste onder zijne landslieden

te zijn, en den titel van korano, dat wil zooveel zeggen als koning,

droeg. Zulke onderscheidingen zijn voor het overige alleen te danken

aan vreemde invloeden, want de Papoeas bezitten zelfs geen spoor van

gemeentelijke of staatsinrichting; ieder is in den meest volstrekten

zin zijn eigen meester."

De Papoeas in Dorey en de omstreken zijn eerst sedert korten tijd

daar gevestigd; zij kwamen van het oostelijk in de Geelvinksbaai

liggende eiland Marfor, en hebben het westelijk gedeelte der baai in

bezit genomen. Dr. Meyer voer van dit kleine eiland naar het groote

Schouten-eiland, ook Mysore genoemd; bij de inlanders en de Maleiers

draagt dit eiland den naam van Kordo, naar de hoofdplaats. Het bestaat

niet, zooals men vroeger meende, uit drie onderscheidene eilanden,

maar vormt een groot, langwerpig stuk grond. Op dit eiland wonen

zuivere, onvermengde Papoeas. In Kordo staan de huizen geheel in of

liever boven het water: zelfs bij ebbe kan men ze niet droogvoets

bereiken: zij zijn modellen van paalbouwkunst. Geheele groepen van

huizen staan, op wouden van palen, dicht bij elkander; merkwaardig

vooral zijn de daken, die, om hun eigenaardigen vorm, door de Papoeas

zelven met schildpadschalen vergeleken worden. Schouten-eiland wordt

somwijlen door maleische kooplieden bezocht; zoodra een schip het

anker uitwerpt, klouteren een aantal inlanders tegen de kiel op;

ook Dr. Meyer moest zich zulk een bezoek laten welgevallen, en kon

slechts met moeite eene botsing vermijden: men wilde hem aanvankelijk

niet aan land laten gaan. Eene wandeling in het binnenland was niet

mogelijk, omdat men gevaar zou hebben geloopen met de bergbewoners

in zeer onaangename aanraking te komen. De kustbewoners beschermen

zich tegen de aanvallen van deze hunne vijanden, door op een grooten

afstand rondom het dorp kleine scherp gepunte bamboesstokjes in de

grond te steken, die gevaarlijke wonden veroorzaken.

Zuidoostelijk van Mysore ligt, midden in de Geelvinksbaai, het

groote eiland Jobi, dat bij alle zeevaarders in een zeer kwaden

reuk staat, van wege de woeste en bloeddorstige geaardheid zijner

bevolking. Onder de Papoeas zijn zelfs zij niet volkomen te vertrouwen,

die alle bewijzen van oprechte vriendschap geven: want onvoorziene

omstandigheden kunnen lichtelijk die vriendschap tot de meest

onverzoenlijke vijandschap doen overslaan. De ongeveer drieduizend voet

hooge bergen, die het eiland Jobi, door de inlanders Jappen genoemd,

van het oosten naar het westen doorsnijden, worden door menscheneters

bewoond, die in voortdurende vijandschap met de kustbewoners leven.

"Er worden," zegt Dr. Meyer, "geen veldslagen of belangrijke

gevechten geleverd; de vijand doet plotseling een inval, met geen

ander doel dan om hoofden af te slaan--het ideaal der Papoeas!--en

slaven te maken. Slavernij heerscht hier overal. De heer heeft over

zijne slaven onbeperkt recht van leven en dood; en terwijl onder de

stamgenooten kuischheid wordt betracht, en echtbreuk zelfs met den

dood gestraft, worden de gevangen vrouwen en meisjes als slavinnen

der begeerlijkheid prijs gegeven. Ook mogen de slaven het hair niet,

op de gewone wijze, als eene groote pruik of wollen muts dragen,

maar moeten zij het kort afscheren. In Dorey gebeurde het, kort

voor mijne komst, dat een Papoea, in het naburige woud, eene slavin

had gedood, zonder dat iemand hem daar een verwijt van maakte. Hunne

begrippen van zedelijkheid wijken aanmerkelijk van de onze af. Mede in

Dorey vermoordde een zoon zijn vader: deze gruweldaad maakte wel is

waar eenigen indruk op den stam, maar men bepaalde er zich toe, den

vadermoorder vriendelijk te verzoeken naar elders te vertrekken. Ik

ben niet in staat, edele daden van de Papoeas te verhalen."

Op Jobi werd Dr. Meyer in het bosch overvallen, en een zijner jagers

gewond. Daarvoor eischte hij voldoening; en inderdaad verscheen er

een gezantschap, dat hun twee paradijsvogels als zoen aanbood. Dewijl

niemand gedood, en slechts een persoon verwond was geworden, bedroeg

het zoengeld slechts twee vogels; was er iemand gedood, dan moesten

zes vogels worden gegeven.

De Papoeas zijn "hartstochtelijke koppensnellers." Zij hebben, even als

de Dajaks op Borneo en de inboorlingen van Celebes, in hunne woningen

een ganschen voorraad van schedels bijeenverzameld. Wel vond Meyer

niet bij hen, als op sommige plaatsen van Celebes, bepaalde huizen,

die bestemd waren om tot een soort van schedelmuseum te dienen,

waarin dan tegelijk feesten werden aangericht, en die tevens eene

zekere godsdienstige beteekenis hebben; maar ieder Papoea bewaart

deze afschuwelijke zegeteekenen in zijn eigen woning. Zij liggen, in

matten gewikkeld, in een hoek van het huis, of worden aan dwarsbalken

opgehangen. Maar de Papoea doet daarvan zeer gemakkelijk afstand:

hij schenkt ze weg in ruil voor een weinig tabak en wat bontgekleurde

snuisterijen. Dr. Meyer bekwam, zonder eenige moeite, een aantal

schedels van zuivere Papoeas. Zelfs verkocht men hem de schedels,

en ten deele de geraamten van begraven bloedverwanten. De lieden

beroofden alle graven uit den omtrek; ieder nam de schedels enz. van

zijne familieleden weg, waarop hij immers ten volle recht en aansprak

had. Men zou licht geneigd zijn, hierin gebrek van eerbied en piëteit

te zien; en toch ten onrechte. Vele Papoeastammen (maar niet de

Arfakis in het gebergte) vervaardigen eene beeltenis, ongeveer een voet

hoog, van hunne afgestorvenen. Gedurende den rouwtijd vaart, zooals

zij meenen, de geest van den overledene in dat houten beeld, dat nu

voortaan een voorwerp hunner vereering wordt, dat zij aanroepen om de

vervulling hunner wenschen te verkrijgen en ook op hunne zwerftochten

medenemen. Blijft de geest doof voor hunne gebeden, dan gebeurt het

ook wel dat zij het beeld slaan. Dr. Meyer kreeg ook in Dorey zulk

een houten geest in zijn bezit; toen een Papoea het beeld bij hem

zag staan, nam hij het weg, bewerende dat het zijn vader was; indien

hij dit beeld afstond, zou hij, de zoon, onfeilbaar ziek worden;

hij zou den blanke een ander beeld bezorgen. Dr. Meyer heeft eene

gansche verzameling van zulke houten afgoden medegebracht.

Van Jobi uit voer onze reiziger langs de oostkust van de

Geelvinksbaai. Ook daar wonen menscheneters, en de daar gevestigde

stammen staan op een uiterst lagen trap van ontwikkeling. Meyer zag

hunne dorpen of liever kampementen; zij gaan geheel naakt, zonder

eenige bedekking hoegenaamd; zij hebben geen huizen, zwerven in kleine

horden om, eten het vleesch hunner eigene dooden, en vallen ieder aan,

die aan hunne kusten landt. Zij dragen den naam van Taroengarehs. Aan

de zuidkust van Nieuw-Guinea vindt men wilden, die in denzelfden

toestand verkeeren; men wist echter tot dusver niet, dat ook aan de

noordkust en langs de Geelvinksbaai zulke geheel verwilderde stammen

worden gevonden.

"Het is hoogst opmerkelijk, zegt Dr. Meyer, dat de Papoeas van

Nieuw-Guinea op zoo verschillende trappen van ontwikkeling staan,

en als van zelf doet zich de gewichtige en zoo hoogst belangrijke

vraag voor, of zij zich voor een deel, uit den oorspronkelijken

natuurtoestand, hetzij door eigen initiatief, hetzij door vreemde

invloeden, tot een hoogeren trap van ontwikkeling verheven hebben,

waarop zij door levendig schaamtegevoel en andere zedelijke en

verstandelijke eigenschappen tot ons naderen; dan wel of zij in dezen

wilden natuurtoestand zijn teruggevallen. In deze vraag ligt zeer

veel opgesloten, wat tot dusver hoogstens een zaak van onderstelling

en geloof voor ons kan zijn, en wat misschien nimmer voor onze oogen

ontsluierd zal worden."

De huizen der bergbewoners in het noordwesten zijn niet minder

opmerkelijk dan de geheel in het water staande woningen der

kustbewoners: slechts wordt de bouworde eenigermate gewijzigd in

verband met de lokaliteit: zij staan altijd op een heuvel, die een

vrijen blik over den omtrek vergunt. Ook deze huizen rusten op een woud

van dunne, onbewerkte boomstammen, wier groot aantal vergoedt, wat

aan iederen stam op zich zelven aan draagkracht mocht ontbreken. Zij

zijn doorgaans tegen de helling gebouwd, zoodat zij van voren op palen

en boomstammen van dertig, veertig en meer voeten hoog rusten, en van

achteren door palen van niet meer dan tien tot vijftien voet gedragen

worden. Het vooroverhangende dak heeft den gewonen, bekenden vorm,

en voor aan het huis bevindt zich het groote portaal of de galerij,

vanwaar men een onbelemmerd uitzicht over den omtrek heeft, en dat

geheel overeenkomt met het portaal der huizen langs de kust. Ook hier

wonen in elk huis een aantal gezinnen; maar op dezelfde plaats zijn

zelden meer dan drie of vier huizen te vinden, die doorgaans zoo ver

van elkander verwijderd zijn, dat de bewoners elkander ter nauwernood

beschreeuwen kunnen.

Dr. Meyer is de eerste reiziger, wien het gelukt is, Nieuw-Guinea

van de eene kust tot de andere door te trekken: hij toog van de

Geelvinksbaai naar de golf van Mac-Cluer, die niet, zoo als men

vroeger soms meende, met de Geelvinksbaai door een waterweg verbonden

is. De landengte tusschen deze beide inhammen wordt integendeel

doorsneden door ongeveer drieduizend voet hooge bergketenen, die

van het noordoosten naar het zuidwesten loopen, en waarover de tocht

zeer moeilijk valt. Zij zijn ten deele zeer steil en bezwaarlijk te

beklimmen, en vertoonen duidelijk de sporen van vroegere vulkanische

werkingen.

Bij zijn vertrek van de Geelvinksbaai, nam onze reiziger als gidsen een

zeker aantal Papoeas mede, die gedeeltelijk reeds aan gene zijde der

bergen geweest waren: in Jakati; met welken naam men zoowel een dorp

als eene rivier aanduidt, die in de golf van Mac-Cluer uitloopt. De

bewoners van het kleine dorp Jakati waren ten uiterste verbaasd,

als zij eensklaps een blanken man in hun midden zagen verschijnen;

zelfs nog geen Maleier was immer in dat dorp geweest; van de westkust

uit is nog nooit iemand verder doorgedrongen dan tot aan het einde

der golf van Mac-Cluer; en van de Geelvinksbaai uit had stellig nog

niemand dien tocht ondernomen. Jakati lag nog ruim eene dagreize

van de kust verwijderd; echter kon Dr. Meyer met zijn gezelschap in

booten de rivier afvaren; de zeer moerassige bodem zou eene wandeling

naar de zee, indien al niet geheel onmogelijk, dan toch zeker uiterst

bezwaarlijk hebben gemaakt.

De vaart was zeer belangwekkend, maar niet zonder gevaar; want de

oevers der rivier zijn dicht bevolkt, en de bewoners van de streken

langs de golf staan als zeer trouweloos en verraderlijk bekend. De

daar gevestigde Papoeas waren in het bezit van vuurwapenen, welke

zij door bemiddeling van kooplieden uit Ceram of Makassar, die

op de westkust handel drijven, moesten verkregen hebben. De tien

Papoeas, die Dr. Meyer van de Geelvinksbaai mede had genomen, werden

vriendelijk behandeld; het kostte hem echter moeite, ze bijeen te

houden. De Papoea is steeds genegen een feest aan te richten, dat

uit dansen, zingen, het drinken van palmwijn en zooveel mogelijk

eten bestaat, en dikwijls dagen achtereen wordt voortgezet. Ook des

nachts blijven de feestgenooten bijeen op de galerij voor het huis;

men slaapt op den grond en rust daarbij met het hoofd op een klein,

kunstig gesneden houten blok, opdat het kapsel niet in wanorde gerake.

Bij de monding van den Jakati in de golf van Mac-Cluer, ligt een

tamelijk dicht bevolkt eiland, waarvan de bewoners met die van den

vasten wal in bijna onophoudelijke veete leven. Toen Dr. Meyer langs

dit eiland heen voer, liet hij uit voorzorg, zoodra zich een inlander

vertoonde, eenige schoten doen, en koos zich eerst eene ligplaats voor

den nacht, toen hij zich in open water, midden in de golf, bevond. Des

morgens ten twee, en nogmaals ten vier uur, werden onze reiziger en

de zes hem vergezellende Maleiers door een vreemd geluid gewekt; zij

meenden eerst schoten te hooren vallen, maar overtuigden zich spoedig,

dat het gerucht veroorzaakt werd door het afbreken en omvallen van

boomen. Later bleek, dat er eene sterke aardbeving had plaats gegrepen;

daar echter de boot, waarin Dr. Meyer overnachtte, in een moerassiger

bodem lag, zoo had hij de schuddingen niet gevoeld. Aardbevingen zijn

in deze streek niet zeldzaam: hun brand- en uitgangspunt ligt meestal

in het Arfakgebergte.

Nadat onze reiziger zijn doel, om de landengte in hare geheele

breedte door te trekken, had bereikt, moest hij, wederom over land,

naar de Geelvinksbaai terugkeeren, waar zijn schip lag. Aan de

zuidzijde kon Dr. Meyer het Arfakgebergte niet bestijgen, omdat

hij daar geene nederzettingen gevonden had. Eenige uren van Dorey

verwijderd, ligt ten noorden van het gebergte, het dorp Andai; daar

woont een hollandsche zendeling in de beste verstandhouding met de

inlanders, doch zonder eenigen invloed op hen uit te oefenen. Van

daar uit gelukte het hem, het Arfakgebergte tot eene hoogte van ruim

zesduizend voet te beklimmen; nog niemand had voor hem dit gebergte

bezocht, met uitzondering van den italiaanschen reiziger Albertis,

die in 1872 het Arfakgebergte tot omstreeks drieduizend voet hoogte

bestegen had. Meyer rekent, dat het hoogste punt niet veel boven de

zevenduizend voet reikt. De bevolking is uiterst schaarsch, en leeft

in diepe armoede en walgelijke onreinheid; in de bergen is het daar,

zoo dicht bij den equator, vochtig en koud; in de dichte wouden wordt

het eerst omstreeks zeven uren dag, tegen tien uur is alles weder in

nevelen en wolken gehuld, en een tropische regen valt bij stroomen

naar beneden, zelfs in het zoogenaamde droge jaargetijde. De Arfakis

zijn daartegen gehard; maar voor Europeanen en Maleiers is een langer

oponthoud hier onmogelijk.

Niet zonder belang zijn de volgende opmerkingen van een zoo kalmen en

scherpzinnigen waarnemer, die met open blik en zonder eenig vooroordeel

de verschijnselen, welke zich aan hem voordeden, heeft onderzocht. "Men

verhaalt wel," zoo zegt hij, "van menschen met stroeve ongekroesde

hairen, van maleische volkplantingen, van stammen met lichter huidkleur

en meer dergelijke zaken. Van dit alles heb ik, op de proef, niets

bewaarheid bevonden. Nergens op Nieuw-Guinea heeft men sporen van

maleische nederzettingen kunnen aanwijzen, en er is geen grond om aan

te nemen, dat zij immer bestaan hebben. Over het algemeen stelt men

zich het verkeer tusschen de Maleiers en Papoeas te levendig voor;

tot dusver hebben de Maleiers op Nieuw-Guinea nergens een blijvenden

invloed uitgeoefend. Menschen met lichter kleur vindt men hier

(in het Arfakgebergte) even weinig als aan de zuidkust; althans de

berichten der reizigers kunnen moeilijk in dien zin worden verstaan,

wanneer men op de plaats zelve de kleurschakeeringen bij de Papoeas

bestudeerd heeft, en daarbij niet uit het oog verliest: vooreerst,

dat zij inderdaad niet zwart zijn, zooals men meestal verkeerdelijk

meent, maar bruin of hoogstens zwartachtig bruin; en ten andere, dat

ook bij hen, als bij alle volken van den indischen archipel, eene

zeer aanmerkelijke afwisseling en schakeering in de kleur der huid

gevonden wordt." Uit eigene aanschouwing kan Dr. Meyer uitdrukkelijk

de verzekering geven, dat de bewoners van het Arfakgebergte geheel

en al tot denzelfden stam van Papoeas behooren, als de bewoners der

kust. "Omtrent dit punt, zegt hij, kan niet de minste twijfel bestaan,

en ik zou de mogelijkheid dat in het binnenland nog andere stammen

wonen kunnen--voor welke bewering echter niet de minste grond aanwezig

is--niet durven loochenen, wanneer wij thans niet in het bezit waren

van waarnemingen op zoovele onderscheidene punten van Nieuw-Guinea

gedaan, en die, wat de bevolking des lands betreft, in de hoofdzaak

zoo geheel eenstemmig luiden."

Uit den Indischen Archipel De Aarde en haar volken, Jaargang 1875 · 第 3 / 7 题