NOORD-BRABANT.

De groote provincie Noord-Brabant vormt, in het zuidelijk deel van

ons land een soort geographisch, anthropologisch en cultuur-historisch

overgangs- en grensgebied tusschen Noord en Zuid. Het is het terrein

waar de Noordelijke (Germaansche) en de Zuidelijke (Romaansche en

Gallische) idealen elkaar ontmoeten en in elkaar versmelten. En dat

komt zeer duidelijk in de kleederdrachten uit die in deze streek

gedragen worden.

Wat er van die oude volks-eigen drachten nog over is, is niet veel

meer dan de boeren-muts, zooals die door de plattelands-boerinnen

gedragen wordt. Dat is juist zooals in zooveel andere streken van

ons land, waar die mutsen de eenige resten van de oude drachten zijn.

Maar behalve die mutsen is--in Noord-Brabant--de overige lijfskleeding,

en dan vooral van de vrouwen, meer opmerkelijk dan in eenige andere

Nederlandsche provincie, al moet die lijfs-kleeding, die thans (1916)

onder die boeren-bevolking nog vrij algemeen is, dan niet geheel tot

de eigenlijke historische nationale volksdracht gerekend worden, en

al blijkt ze meer onder de vervormde mode-navolgingen te moeten worden

gerangschikt. Maar ze is er niet minder bijzonder karakteristiek om.

En dit zal voor een groot deel het gevolg zijn van het hierboven

reeds genoemde feit, dat in Noord-Brabant de Noordelijke en

Zuidelijke idealen in elkaar overgaan. En, dat getuigt die kleeding

on-weerlegbaar. Want geheel Hollandsch is die kleeding niet, noch

in haar wezen, noch in vorm, noch in kleur, en ze is ook niet geheel

on-Hollandsch (Belgisch, Vlaamsch, Waalsch of Fransch) maar ze houdt

het midden tusschen deze twee, en ze vertoont de kennelijke invloed

van het Noordelijke zoowel als van het Zuidelijke ideaal.

Reeds bij de bespreking van de andere provinciën had ik de gelegenheid

op te merken hoe groot (dikwijls) die invloed van de Godsdienst op

het voortbestaan van een nationale kleeding is. De gehechtheid aan

een een-maal algemeen beleden Godsdienst waarborgt, in een bepaalde

streek, het voortbestaan van oude zeden en gewoonten, en daardoor

het voortbestaan van de, uit die zeden voortkomende, volkskleeding.

Ook is er wel geen streek in ons land waar de bevolking zóó

conservatief is en zoo gehecht aan haar oude geloof en zeden, als in

Noord-Brabant, welk conservatisme op zich zelf zoo lang stand kan

houden omdat er een bijna absolute eenheid van godsdienst is. Om

deze toestand te helpen bestendigen, moedigt (o.a.) de Roomsche

geestelijkheid de boerenbevolking aan, hun oude kleeding getrouw te

blijven, om zoodoende met de kleeding, de oude zeden, en daardoor de

oude godsdienst te kunnen handhaven.

En uit die wisselwerking tusschen geloof, zeden en kleeding--en uit die

algemeene verspreidheid van die eene Godsdienst, moge het verklaard

worden dat die oude drachten, of liever die ouderwetsche drachten

nog zoo veelvuldig in deze provincie voorkomen en voortbestaan.

Maar een andere, zeer belangrijke factor, voor de verklaring van en het

verkrijgen van een juister kennis en inzicht in die bijzondere--niet

oude, maar ouderwetsche--drachten in deze bijzondere provincie, lijkt

mij den invloed die het ras van menschen, dat Noord-Brabant bewoont,

op haar eigen kleedij had. Hiervoren had ik al gelegenheid op de

wisselwerking te wijzen die er--naar mijn oordeel--bestaat tusschen

de drager en zijn costume, tusschen de lichaamsvorm van den mensch

en zijn kleed.

Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zeker _niet_ tot de

mooiste specimina van het _genus homo_ dat ons land bewoont. Het

lijkt wel of de zware klei en de dorre, drooge zand- en heide-gronden

die--geologisch--deze provincie vormen, de bevolking van die streken

tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt

met dat harde, verbetene en stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk

opvalt.

Omdat de lichaamsbouw van de Noord-Brabanders zoo leelijk is, moet

het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit

hun ongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van

den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze

is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie,

zonder uiting van levenslust, maar kleinzielig van gedachte,

zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes

en oude vrouwtjes,.... maar met dat al, of liever juist daarom,

zeer interessant voor den student in volkspsyche, zoo dan al minder

aantrekkelijk voor den eclectischen aestheticus.

Ieder volk, ieder ras, ieder mensch heeft de kleeding die hij

verdient.... en die slechts een uiting is van het eigen innigste wezen,

idealen en levensopvatting. Een mooie, aesthetisch werkende kleeding

kan slechts door een mooi, naar geest en lichaam _beide_ harmonisch

ontwikkeld menschenras worden saamgesteld. Getuige de kleeding van de

Grieken. En die kleedij kan slechts _goed_ en _waar_,--dus: aesthetisch

werkend, door personen gedragen worden die niet alleen dezelfde idealen

hebben als het volk (het ras) dat die kleedij samenstelde, maar die

ook de lichaamsvormen hebben waarop deze kleedij is gecomponeerd.

Dan eerst is er harmonie tusschen den drager en zijn costume, dan

eerst kan er werkelijke schoonheid bereikt worden omdat ze op de

werkelijkheid en de waarheid berust. Als een kleedij, die op een

welgebouwd lichaam gecomponeerd is door een mensch gedragen wordt

wiens lichaamsbouw minder harmonisch is, dan wordt zelden een volkomen

aesthetisch geheel verkregen. Soms zelfs is het belachelijk. Het

is niet bij toeval dat de heerenmode in Engeland, het land van de

welgebouwde mannen, wordt ontworpen. En het is niet zonder oorzaak dat

de dames-modes uit Parijs komen, waar de schoongevormde Parisiennes

de aesthetisch aangelegde mode-ontwerpers het best gelegenheid geven

een vrouwen-kleedij te componeeren die het schoone van "_de vrouw_"

doet uitkomen. Ziet maar hoe een slechtgebouwde man of een leelijke

vrouw een goed Londensch of Parijsch toilet staat.... Het is al te

kennelijk niet voor hen gemaakt, dus:... staat het leelijk!--

Er zal altijd een wisselwerking, dus ook een contrasteering tusschen

den mensch en zijn kleedij blijven. Een mooie dracht maakt een mooi

mensch mooier.... maar een leelijk mensch leelijker. Het schoone doet

slechts het schoone uitkomen, recht wedervaren.

Ieder mensch kan slechts de kleedij die hemzelf, zijn eigen innerlijke

en uiterlijke wezen toont, goed dragen. Al het andere is masquerade,

onechtheid, leugen.

Zoo is het ook met de nationale kleederdrachten. Zoo is het met

de Zeeuwsche vrouwen-kleeding, die mooi is en aesthetisch werkt,

omdat ze op een welgebouwd ras is gecomponeerd. Daarom werkt de

dracht van het eiland Marken wèl picturaal, artistiek, maar niet

aesthetisch. Daarom is de werking van de drachten in Noord-Brabant zeer

on-aesthetisch, maar ze wekt de belangstelling, de nieuwsgierigheid,

door het ouderwetsche, boersche, ongewone. Die Brabantsche kleeding

vraagt de aandacht, niet voor en om zich zelf, maar voor de zeden en

gewoonten waar zij de uiting van zijn. En dat is het zeer bijzondere

van de volkskleeding in deze provincie.

Deze kleine uitwijding over de oorzaken, die den aard van de

volkskleedij in Noord-Brabant bepalen, was, tot duidelijker

omschrijving van die kleedij zelf--noodzakelijk. Meer dan bij de

beschrijving van de volkskleedij in andere provinciën. Want de

inventariseering van die volksdrachten in Noord-Brabant zou in

hoofdzaak de beschrijving van de zeden en gewoonten van die streek

moeten zijn. De kleedij zelf is, als kleedij, niet zoo heel belangrijk,

noch om de snit, noch om de stof, vorm of kleur. In hoofdzaak is de

muts van de boerinnen het voornaamste. Die heeft nog de van ouds-her

overgeleverde vormen. Maar de andere lijfs-kleedij is meer curieus

dan fraai. De mannenkleeding heeft niets bijzonders.

Maar vooral de mutsen zijn zeer belangrijk, te meer daar er zooveel

verschillende soorten mutsen gedragen worden. Bijna ieder dorp heeft

haar eigen vorm, en de afwijkingen zijn soms zeer bijzonder. En

die afwijkingen vinden meestal hun grond in plaatselijke zeden en

gewoonten.

Staatkundig bestaat deze provincie uit drie deelen. Ieder van deze

heeft een eigen volks-kleederdracht. Het grootste en belangrijkste

deel vormt het Oostelijk deel van de Provincie, de Meierij van

's-Hertogenbosch. In het midden is de Baronie van Breda. In het Westen

ligt het Markgraafschap van Bergen-op-Zoom. In ieder van deze gewesten

zijn weer afzonderlijke streken aan te wijzen waar de dracht belangrijk

van die van de andere streken afwijkt, maar het hoofd-type blijft,

voor ieder van deze gewesten, binnen haar grenzen, hetzelfde.

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten · 第 43 / 50 题