Tot de Veluwe moet, althans voorzoover de nationale kleedij betreft,
niet alléén het geographische gebied van dien naam gerekend worden,
maar de heele kuststrook langs de Zuiderzee vanaf Staphorst in
Overijsel tot en met Huizen in het Gooi in Noord-Holland.
Al de drachten in die streek zijn van hetzelfde type, slechts weinig
van elkaar afwijkend, en voorzoover de variaties betreft in elkaar
overgaande.
Zoo lijkt bijvoorbeeld de dracht in Oldenbroek soms op die
van Staphorst, terwijl ze zich echter ook bij die van Nunspeet
aansluit. Het oorijzer wordt echter (in Oldenbroek) soms anders
gedragen, meer op de wijze zooals op Staphorst, dat is, met de krul
beneden aan den wang.
Het opmerkelijke van de Veluwsche drachten is echter dat de doek
niet in de taille bijeen wordt gespeld, zooals dat bij de meeste
Hollandsche drachten het geval is, maar onder de oksels tusschen de
kroplap wordt gestoken. (Zie bl. 74, 75, 76).
Dat geeft aan de figuren die on-aesthetische platheid en houterigheid
die een hoofdkenmerk is van dit minder fraaie ras, waaraan dan de
klederdracht nog de laatste rest van natuurlijkheid ontneemt. Een
goed en normaal gebouwd ras zou uit zichzelf reeds zoôn kleedij,
die de natuur zoo ontstelt, verwerpen. De bewijzen daarvoor vindt
men op Walcheren, Urk en Volendam.
De muts in Nunspeet en Oldenbroek is van een anderen vorm dan die
van Staphorst, zonder de spitse punt boven het voorhoofd, over 't
algemeen meer naar achter dan naar boven zich vormend, met een witte
onderkap, aan de slapen uitgeschulpt, het heele hoofd omvattend,
en geboord met een fijn plooi-randje. Daarover komt de bonte muts,
in sterke kleuren, een soort kalotje dat een deel van de witte muts
laat zien. Daarover het oorijzer, met een bandje vastgehouden en met
de krul aan de slapen. Van het haar komt niets te zien, ook zelfs
niet boven het voorhoofd.
De indruk van deze Nunspeter _bonte-muts_ is zeer fraai. Jammer dat
ze het hoofd zoo klein en nietig maakt boven den plat-genepen romp
en de wijd-uitstaande rokken. (Zie bl. 74 en 75.)
Het mannen-costume in deze streek is zoo goed als geheel "modern". Het
mist alle eigene cachet, zooals de Staphorster mannen-dracht die
nog heeft.
Tot voor zekeren tijd droegen de vrouwen van Hierden nog groote
strooien hoeden (in den zomer) met eigenaardige linten en
boor-garneersels (zooals op bl. 73 te zien is). Ook ziet men bij
begrafenisplechtigheden nog merkwaardige drachten, de mannen in lange
jas en hoogen hoed, zooals dat ook in Staphorst nog het geval is. (Zie
bl. 73.)
Al die groote strooien hoeden die de vrouwen zoowel in Friesland
als in Hierden, Staphorst en op Walcheren tot voor een generatie
terug nog boven hun mutsen en oorijzers droegen zijn "uit de mode"
gegaan. Zoo verandert ... en verdwijnt gaandeweg de Nationale Kleedij.
In Ermelo en Putten is de dracht weer anders. Men draagt er bijna
geen oorijzer meer. Ook geen bonte-muts over de witte ondermuts, de
krop-lap is soms wit, de doek effen (niet bont) de boezelaar zonder
"stuk". Meer westelijk van Putten is van die hierboven omschreven
(Geldersch-Friesche) dracht niets meer te zien en ging ze over in
een ander type, dat van het Utrechtsche en van het Gooi. Bunschoten
en Spakenburg vormen weer een klasse op zich zelf.
In Nijkerk, het oude en merkwaardige stadje, ziet men niets dan mutsen,
de beroemde _cornet-muts_, met de lange achterstrook en de vele kleine
plooitjes die het hoofd omgeven. Dit is de Zondagsche muts, die soms
nog "verfraaid" wordt door een breed (licht blauw) zijden overlint,
dat om den bol en van achter om het achterhoofd gaat, en dat onder
de kin wordt vastgestrikt.
De rest van de kleeding is "ouderwetsch" en stadsch.
Bovendien wordt in Nijkerk nog een daagsche plooi-muts gedragen, van
voren met drie strookjes over elkaar, van achter met een zonderling
geplooide strook.
Deze muts draagt den naam van "_drie strookjes_". Soms draagt men
onder deze muts een zwarte ondermuts, maar meestal zet men ze, direct,
op het bijeen gebonden haar.