De Staphorster-dracht onderscheidt zich van de andere drachten
door haar bijzondere compleetheid, zoowel voor mannen, vrouwen
als kinderen. Ze sluit echter, wat haar vormen aangaat, geheel bij
de drachten aan die men aan de kust van de Zuiderzee vindt, vanaf
Staphorst tot aan Huizen in Noord-Holland. Vooral vanaf Harderwijk
tot aan Staphorst onderscheiden zich de drachten (van de vrouw) door
kleine hoofd-tooi, plat-makende borst (en torso) bekleeding en zeer
breed en plat makende heup-bedekking.
De kleuren zijn over 't algemeen zeer sterk, veel rood, bij de
Staphorster-vrouwen ook veel blauw. Zelfs zijn de overmutsen
(in Nunspeet en Oldenbroek) bont, d. w. z. van stof met kleurige
ornamenten versierd.
Het oorijzer, dat in deze heele streek eenzelfde eigenaardige
haak-vormige zilveren beugel is, wordt echter van Huizen naar
Staphorst, oostwaarts gaande, zoo gedragen, dat de knop (krul in den
vorm van een kurketrekker) bij de vrouwen van Harderwijk, Hierden,
Nunspeet, Hulshorst, Elburg en Oldenbroek aan de slapen komt, steeds
meer zakt, totdat ze bij de Staphorster-vrouwen geheel tot de kaak
reikt. (Zie Urk.)
Ook is bij de Staphorster-vrouwen het oorijzer breeder dan bij die in
Gelderland, en het ondersteunt niet meer de haarvlecht achter tegen
het hoofd, maar ligt boven op de kruin, in schuine richting. Ook zijn
er andere afwijkingen in de Staphorster dracht, zoodat de geheele
vorm van de hoofdbedekking anders wordt.
Het Staphorster-vrouwen costume kan aldus worden beschreven: (zie
bl. 72 en 73.)
Over het bloote lijf komt het katoenen hemd, zonder kraag, daarover
de borstrok van "_vijfschaft_", met mouwen tot aan de ellebogen.
Dit vijfschaft of "_viefschaft_" is een wollen stof, gemaakt van het
wol van de schapen, die de Staphorsters zelf teelen. Die wol wordt de
door Staphorster vrouwen zelf gesponnen en in bepaalde kleuren, door
werklieden in de buurt van Staphorst gekleurd, en volgens bepaalde
patronen door een paar hand-wevers tot de stof geweven, waarvan de
kleedij der Staphorster-vrouwen voor een groot deel gemaakt wordt. Het
is in strepen geweven, zwart en donkerblauw, met rood hier en daar,
in bepaalde dessins die ieder hun beteekenis hebben (_wit-streept,
rood-streept,_ enz.).
Over die borstrok komt het lijfje, of de "_kraplap_" zooals die bij
de andere drachten voorkomt. Deze kraplap is van wol of gebloemde
zijde of katoen. Daarover de verschillende rokken (geen onderbroek),
een paar van baai en de bovenste van vijfschaft.
Dan de omslagdoek van geruite (meest roode) katoen of zijde, een schort
(schulk) van donkerblauw wol, dat somtijds eveneens als het vijfschaft
zelf gesponnen en geweven is.
De banden van dit schort zijn altijd hel-blauw, de strik hangt met
lange einden van voren neer.
Nog verdient vermelding dat de rokken opgehouden worden, en breed
gemaakt, door kussentjes die aan de borst-rok bevestigd zijn, maar
welke verdikkingen alleen aan de zijkanten, dus niet van achter,
worden aangebracht. Daardoor heeft het figuur van de Staphorster-vrouw
nog on-gracelijker voorkomen.
De doek wordt wel niet zoo stijf over de borst gesnoerd als in Kampen
en in Nunspeet gewoonte is, maar het figuur wordt stelselmatig plat
en breed gemaakt door die kussentjes. Ook door den eigenaardigen vorm
van de muts wordt het bijzondere van de dracht nog verhoogd.
De heele hoofdtooi wordt gevormd door: een bandje dat het haar
vastbindt, waarover de zwarte onder-muts met "_toet_". Die _toet_
van stijf papier geeft een soort hoorn--boven het voorhoofd. Daarover
komt de muts van gebloemde zijde met zijden boordbanden die onder
de kin in wijd uitstaande, stijve, lange dunne strikken worden
saamgebonden. Daarover gaat het oorijzer, vastgehouden door een
zwarte band.
Daarover de witte _toet-muts_ van kant, die maar zeer zelden gewasschen
wordt, omdat ze anders te spoedig versleten zou zijn. Ook deze muts
wordt onder de kin bevestigd met een bandje. Door de zeer nauwe
aansluiting van de hoofdtooi, en het wijde van de schouders (door
de doek) het saamgenepene van de borstkas, de wijde plooien aan de
heupen, de zeer korte rokken, en daaronder uit de beenen (ongeveer
15 c.M. te zien) en de (nogal) logge sloffen, met zeer breede neuzen
en groote zilveren gespen, dat alles in donkerblauwe en hel-roode
kleuren, met de sterkblauwe lange linten van het schort, geeft die
Staphorster dracht een ietwat boersch uiterlijk, wat toch ook wel zijn
zeer bijzondere eigenheid heeft. In dat boersche, ongracelijke, komt
het overeen met de Marker, Bunschoter en Noord-Veluwsche drachten,
die alle zeer kleur-rijk zijn maar de natuurlijke vormen van het
lichaam geweld aandoen. (Zie bl. 72).
's Winters wordt over die dracht een "_buisje_" met lange mouwen
gedragen, zonder schootje.
's Zondags echter heeft dit kleedingstuk een schootje en is met bont
(blauw en wit geruit) gevoerd, zoogenaamd Friesch bont, dat men echter
in Friesland Oost-Indisch bont noemt.
Dit langere buisje heet _kaschijn_, wat overeen komt met het
Hindelooper "_kassekijntje_", een kleedingstuk van hetzelfde soort.
De kinderen hebben hetzelfde costume, maar vereenvoudigd. De stoffen
zijn niet van molton, baai of laken maar meest van Friesch bont. De
doek is echter steeds rood, zooals bij de volwassen menschen.
Het groote verschil ligt echter in de hoofdtooi. Kinderen beneden de
zes jaar dragen nog geen oorijzer, maar een zwart kapje van voren
met een dikken rand astrakan. Dit kapje heet de _nette_, het is,
behalve de astrakan-strook, van zwarte stof met garneeringen. Links
van het hoofd komt een strik (rozet) van zwart zijden lint, rechts een
"_haak_", een soort gesp van zilver. (Zie ditzelfde kleedingstuk van
de kinderen op de Veluwe waar het _poets_ of _poete_ heet en de _haak_
soms van goud is, het astrakan van "_veertjes_").
Bovendien neemt de Staphorster-vrouw, 's zondags, naar de kerk,
een mooi met zilver beslagen bijbel mee, met kettingen, enz.
De mannen-dracht is zeer eenvoudig, ofschoon meer origineel dan de
boeren-dracht in andere streken. Het bleef meer een echt nationaal
costume, vooral door de korte jekker, genaamd _kamizool_, met twee
rijen knoopen.
Opmerkelijk is ook dat het hemd steeds van boven aan den hals zichtbaar
blijft, met de twee beroemde Staphorster (bolle) gouden knoopen. Kleine
jongens dragen dezelfde dracht als hun volwassen dorps-genooten.
Ten slotte zij nog opgemerkt dat de Staphorster-vrouw buitengewoon
netjes op hare nationale kleedij is, dat deze steeds, als ze niet
gedragen wordt, in altijd dezelfde en zeer mooie plooien wordt
opgeborgen, aan welke plooien steeds bijzondere zorg besteed wordt.
Vergelijk in deze de netheid en nauwkeurigheid waarmede alle nationale
drachten, op Marken, in Zeeland en Hindeloopen behandeld worden.
Overal worden die drachten in mooie, daarvoor speciale gemaakte doozen
opgeborgen. En ... zoolang de Staphorster-vrouwen nog zóó zuinig op
hun bijzondere dracht zijn, zoolang zullen ze deze nog in eere houden.
Verder blijft in de provincie Overijsel de strook, langs de IJssel
en Twenthe.
In Kampen zoowel als in Zwolle is de complete nationale dracht
verdwenen, maar door de vrouwen uit de volks-klassen wordt nog vrij
veel de _neepjes-muts_ en de _plooi-muts_ de "_drie-plooitjes_"
gedragen.
De rest van de costumeering bestaat dan meestal uit het _jak_, een tot
aan de knieën wijd-afhangend kleedingstuk met mouwen, op dezelfde wijze
zooals dat door de vrouwen van Breskens (Zeeuwsch-Vlaanderen, Texel,
enz.--zie aldaar) gedragen wordt. Daarbij behoort dan de zeer wijd
geplooide rok, en het wijde boezelaar, een en ander van zwart thibet,
de boezelaar ook wel van grijze, bruine of groene zijde. (Zie bl. 70.)
Om den hals draagt men daarbij een gestrikt zeer bonten (zijden)
dasje, genaamd "_het knuppeldoekje_". (Zie bl. 69.)
Daarbij komt dan de _neepjes-muts_, met de gouden bellen die in de
fijne plooitjes van de muts gehaakt zijn, en _niet_ in de ooren hangen.
Deze muts wordt over het zwart (satinet) ondermutsje gedragen, en
heeft van achter een ongeveer 20 cm. lange afhangende reeks stijve
plooien, genaamd _de strook_. De muts wordt met een bandje onder de
kin vastgehouden.
Om den hals roode bloedkoralen, vijf streng, met gouden slot van
voren. In den rouw zijn de koralen van git.
Uit deze onderdeelen bestaat het mooie of zondagsche costume. De
algemeene indruk is die van "ouderwetschheid", zonder die van een
werkelijke nationale kleedij te geven. Het is dan ook eigenlijk niet
anders dan een mode-dracht die, denkelijk omstreeks 1860, de werkelijke
oude en nationale dracht vervangen heeft.
Dit geldt niet alléén voor Overijsel of voor de hier besproken dracht,
maar voor heel Nederland. De tweede veranderings-periode zou dan
misschien omstreeks 1890 te stellen kunnen zijn, toen die mode van het
jak vervangen werd door de imitatie van de stads-modes uit dien tijd.
Zoo althans lijkt het, naar wat de dracht van de plattelandsbevolking
in West-Friesland, Drenthe, Overijsel, de Zuid-Hollandsche en Zeeuwsche
eilanden en andere streken te zien geeft.
Daarbij echter is--bij veel vrouwen--de nationale kap of muts (soms
met het oorijzer) bewaard gebleven. De totale afschaffing van die
muts is dan de laatste phase van het verdwijnen van de allerlaatste
overblijfselen van de nationale dracht.
Om na deze kleine historische bespiegeling, die ik gaarne voor beter
geef, tot Overijsel terug te komen, zij opgemerkt dat deze neepjes-muts
ook in de andere deelen van de provincie gedragen wordt, alsook in
een deel van den achterhoek van Gelderland. (Zie bl. 71.)
Opmerkelijk voor Zwolle, Kampen en die streek, is de plooi-muts die de
daagsche dracht uitmaakt. (Zie bl. 69.) Daarbij wordt dan werkelijk de
nationale dracht van krop-lap en doek gedragen, welke laatste, niet
zooals in Zeeland, op Urk en op andere plaatsen van ons land in de
taille wordt vastgehecht, maar in de armsgaten, onder de oksels wordt
gestoken, waardoor die doek een kruis hoog over de borst vormt. (Zie
bl. 74 en 76.)
Deze wijze van den doek te dragen is aan alle drachten gemeen van
Staphorst tot en met Harderwijk. Ze is, ofschoon misschien practisch,
zeer weinig aesthetisch, want ze maakt het effect of de borstkas van
boven--daar waar ze uit de natuur bij een vrouw juist bewelfd behoort
te zijn--met alle geweld in elkaar geknepen wordt. Fraai is het niet,
maar het is zeer "kenmerkend". (Zie bl. 74, 75 en 76.)
Die plooi-muts nu is van zeer bijzonderen vorm, van achter met
een niet naar onder, maar stijf naar achter staande strook van
zware plooien. Een zeer merkwaardig soort muts, eenig in haar soort,
ofschoon bij Nijkerk (Gelderland, zie aldaar) een dergelijk soort muts,
onder den naam van _drie-strook_ of _drie-plooi_ gedragen wordt. (Zie
bl. 69).
Ook draagt de vrouw uit Kampen het oorijzer, maar dan op de wijze van
de Staphorster vrouwen, d. w. z. de krul (kurketrekker) niet naast
de slapen, maar onder aan de wang (kin).
Deze mutsen, plooi-muts zoowel als neepjes-muts, zijn van kant of
(in den rouw) van fijn neteldoek. Ze worden door de draagsters zelf
"opgedaan" ( = gestreken).