A. HET EILAND URK.

Van zeer bijzondere belangrijkheid is de kleedij en haar dragers en

draagsters op het eiland Urk. Het is niet te zeggen wat van deze

het belangrijkst is, het ras van menschen dat Urk bewoont, of hun

kleeding. Maar beide zijn ze in hooge mate interessant.

Zooals in Zeeland (vooral Walcheren) wonen er op Urk nog ras-menschen,

iets wat men van de andere streken van ons land niet zeggen kan--en

't minst van de groote steden. Maar de Urkers zijn fraai en gezond van

bouw en er zijn bijzonder schoone vrouwentypen (zooals op Walcheren)

en zeer krachtige mannengestalten. Hun kleeding sluit, wat de algemeene

vormen aangaat, bij de gewone Hollandsche nationale drachten aan. Bij

de mannen de wijde broeken en de nauw-aangesloten baaitjes, juist

zooals op Volendam en Marken, ofschoon eenigszins anders van détails,

maar in bedoeling hetzelfde, omdat die kleeding voor een groot deel

bepaald is door de practijk van het visschersbedrijf en het leven op

zee. (Zie bl. 66, 67).

Wat de vrouwen betreft bestaat de dracht uit het noodige aantal rokken

van verschillende stof en kleur, de kroplap, de doek en op het hoofd

de kap of hulle. In zooverre is alles, wat de constructie betreft,

gewoon. Maar het onderscheid in deze dracht met die van dezelfde

soort in de andere deelen van het land ligt in de wijze waarop de

verschillende détails gedragen worden, en.... _wie_ ze draagt. (Zie

bl. 66 en 68).

Dit laatste is, voor zoover de aesthetische werking betreft, bij iedere

kleeding toch maar de hoofdzaak. Want al ligt er veel waarheid in het

oude gezegde "de kleeding maakt den man", de meeste kleeding echter

doet den drager zich slechts van de andere menschen onderscheiden

naar afkomst, rang of positie, niet naar schoonheid of aesthetische

werking. Men moet een kleeding _kunnen_ dragen. En, zoo er vrouwen

zijn die de Hollandsche dracht weten te dragen, dan zijn het die van

Urk.--Dat moet gezegd zijn.

Want de Urker-dracht onderscheidt zich niet door kleur of veel

opschik. Ze is zeer eenvoudig, ze heeft geen on-noodige détails, maar

haar werkelijk aesthetische waarde ligt in het ras dat ze draagt. De

kleuren zijn meest alle donker, gebloemde zijde, donkere wol en laken,

hier en daar slechts met een klein werkje.

De hoofdzaak is echter dat het natuurlijke figuur (van de vrouwen)

zeer door deze dracht tot zijn recht komt, en de Urker-vrouwen alles

doen om hun natuurlijke gaven in deze nog meer te doen uitkomen. Er is

wisselwerking tusschen den vorm van het lichaam dat de kleeding draagt

en den vorm van die kleedij zelf, geleid door het natuurlijk instinct

van de draagster zelf, die ziet _hoe_ ze een costume dragen moet, om de

aandacht door middel van haar costume op zichzelf te doen vallen. Nog

duidelijker blijkt die wil om _zelf_ gezien te worden--en niet hun

kleedij--(die ook zoozeer bij de vrouwen op Walcheren bestaat) uit de

wijze waarop de Urker-vrouw haar kleine maar prachtig hulletje draagt.

De heele hoofd-versiering is zeer nauw aan het hoofd aansluitend,

zoodat het gezicht--dat dikwijls zeer schoon is--duidelijk

uitkomt. Opmerkelijk is daarbij het echt vrouwelijke raffinement

waarmee het oorijzer gedragen wordt. De knop, waar dat nationale

kleinood in eindigt, komt bij de Urker-meisjes midden op de wang,

dicht bij den mond. Maar doordat in het oorijzer zekere veering zit,

drukt die knop kuiltjes in de wang, om op die wijze de natuurlijke

charme van het gezicht nog meer te doen uitkomen.

Men behoeft werkelijk niet naar Parijs te gaan, om zekere geheimen

van het vrouwen-toilet te leeren doorgronden. Een Parisienne zou van

een Urkersch visschers-meisje nog heel wat kunnen leeren.....

Om een korte opsomming te geven van de Urker kleedij van de vrouw,

moge dit hier volgen:

De kap of _hulle_ bestaat uit zwarte ondermuts, daarover het oorijzer

(van zilver), daarover de de hulle (overmuts), van voren met een

(zelfgemaakt) kantje. Van achter versiert een vrouw in den rouw die

hulle met een "_dasje_", dat is een zwart zijden strook, met een bandje

en spelden vastgehouden. Van voren komt onder de hul "_de top_" uit,

zoo heet het haar dat als ponny recht is afgeknipt tot even boven

de oogen.

Om den hals de ketting van roode _granaten_, het gouden slot van

_achter_.

De lijf-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een (open)

onderbroek, zwarte kousen, borstrok van zwarte baai met half lange

mouwen van zijde, fluweel of thibet. Deze mouwen blijven bij de

volledige kleeding te zien.

Daarover komt het _middelde_, een soort corset, eenigszins gelijkend

op het rijglijf wat de Marker-vrouwen dragen. Het is echter niet zoo

versierd met ornamenten, maar van blauw (of rood) damast, van voren

met een veter dicht geregen die door (koperen) ringen gaat. Van onder

(achter) aan de taille zijn eenige "_rollen_" aangebracht, bij wijze

van _queu de Paris_ om de rokken wijder te doen uitstaan. Onder het

corset draagt men de borstlap van roode baai.

Het aantal rokken bestaat uit den _ondersten rok_, een _tusschenrok_,

den _zevenkleurigen rok_ (rood, wit, zwart, groen, ongeveer zooals

die 's Zondags te Volendam wordt gedragen) en daarover de bovenrok,

's winters van baai of duffel, zwart of licht blauw, 's zomers van

thibet, laken of luster.

Dan de kroplap, van voren echter meestal versierd met een ornament

in kruissteek (_het hartje_) dat soms de initialen van de draagster

vertoont. Daarover de borstrok, of het _lijfje_--of "_lifien_", 's

winters van zwarte wollen stof, 's zomers van thibet. Dit "_lifien_" is

een jakje met korte mouwen, laag uitgesneden aan den hals, een schootje

en een "_strik_" van gebloemde zijde, dat is boordsel langs den hals.

Daarover gaat "de doek" van donkerkleurige gebloemde zijde, meestal

donker-rood of paarsachtig van nuance. Deze doek heeft (tegenwoordig)

meestal franje.

Daarover de boezel, of schort, met een "_strik_" van gebloemde zijde,

zijnde een horizontale strook van een handbreedte aan de taille. Dit

boezel is van zwart thibet of zijde.

Merkwaardig is nog dat de Urksche vrouwen wanten of pols-mouwen dragen

over hun van boven den elleboog bloote armen.

Het zijn niet de "labedisten" van de Zeeuwsche schoonen, maar gewone

pols-bedekkingen van gebreide (zwarte) wol.

Verder bestaat het schoeisel uit zwart-leeren muilen.

Opmerkelijk is verder hoe die dracht verandert, niet van vorm maar

van kleur, voor weduwen, bruiden, en voor kinderen. Voor de weduwe is

ze geheel zwart, voor de bruid iets kleuriger, (en nieuwer), voor de

kinderen eenvoudiger, vooral wat het schort en de rokjes aangaat. Veel

wit wordt dan ook door de kinderen gedragen, ofschoon de vorm--van

de dracht--ook voor de kinderen, dezelfde blijft. (Zie bl. 68).

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten · 第 37 / 50 题