Het is alweer zeer opmerkelijk, hoe in een dorp, zoo vlak bij een
groote stad, en naast een steeds grooter wordende internationale
badplaatsbevolking, een andere bevolking haar oude gebruiken zóó
sterk bewaren kan, als bestond die stad en dat internationale verkeer
niet. Twee uitersten leven en bestaan hier naast elkaar, zonder elkaar
te beïnvloeden.
En niet alleen dat de Scheveningsche dracht, vooral onder de vrouwen,
zoo algemeen blijft, het is ook zoo eigenaardig dat ze weinig
verandert. De grootste veranderingen zijn er een geslacht terug al in
aangebracht, in de groote periode, waarin de boeren-bevolking onder
den invloed van de beschaving der steden kwam.
De Scheveningsche vrouwen-dracht is aldus te omschrijven: Zij draagt
vijf rokken over elkaar van verschillende kleur en stof, waarvan
de bovenste van zwart thibet of merinos is. Daarover draagt zij een
zwart schort, des Zondags van zijde. De bekleeding van het bovenlijf
bestaat uit een jak van gewone katoenen stof, grijs van kleur, of
bruin, of blauw. Daarover komt een schouderdoek, vierkant, maar dubbel
gevouwen tot een groote driehoek, en alzoo omgeslagen, en vastgemaakt
in de taille. Deze doek is van wol, en groen, bruin of blauw. Op het
hoofd draagt men de _mop-muts_, genaamd: de "_moppes_", met oorijzer,
waarin de _parel-spelden_, naar boven stekende spelden, van goud:
die aan het Scheveningsche costume zoo bijzonder opmerkelijk zijn. Het
oorijzer eindigd in de _stukken_, mooi bewerkte ovalen gouden sieraden,
in de vorm van een broche. Aan de zijkant van de muts zijn plooien,
genaamd: "_de klappen_". Deze mutsen zijn 's Zondags van kant. Als
men in de rouw is zijn ze van effen battist of van "kamerdoek".
De doek wordt bij den hals, saamgehouden door een gouden broche. Om
den hals komt de halsketting, met gouden slot van voren.
Over dit costume wordt 's winters de _schoor-mantel_ (schouder-mantel)
gedragen, die 's Zondags van allerlei kleuren is, van binnen met witte
baai is gevoerd. De kraag is zeer stijf en versierd met opgeplooid
lint. In de rouw of op gewone werkdagen, is deze schoor-mantel van
zwarte stof, rood gevoerd, met stijve kraag, met fluweel geboord.
Deze dracht wordt door de Protestantsche vrouwen gedragen, en alléén
door de visschersbevolking.
De Roomsche vrouwen dragen om den hals, in plaats van de broche, een
kruisje, en, indien het burgervrouwen zijn, dragen zij aan de muts
niet de rijk bewerkte ovalen "_stukken_", maar "_boeken_", vierkante
gouden plaatjes, die soms eenigszins cilindrisch omgebogen zijn.
Het mannen-costume bestaat uit een blauwe trui van wol, en een wijde
broek, met een pet op.
Als herinnering aan oude tijden wordt, bij gelegenheden, de hooge
hoed gedragen. (Zie bl. 33.)
De kleedij op de Z.-H. eilanden, vooral op Goeree en Overflakkee,
sluit zich bij de drachten van Zeeland aan, speciaal die van
Noord-Beveland. Zij geeft dezelfde lange, wijde muts te zien met
de "kurketrekkers" van goud langs de slapen, die men "_krullen_"
noemt. De wijde floddermutsen van deze Z.-H. eilanden, zijn echter
niet zoolang en groot als die van Noord-Beveland. Bovendien zijn de
gouden sieraden iets anders.