SPAKENBURG.

Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een

wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen

Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd

door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links

door het Gooi en rechts door de zandgronden van Gelderland. In die

kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp

Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai

is bewaard gebleven.

In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding

belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun

oude dracht vergeten, welke--wat zeer begrijpelijk is--zeer aan die

van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de

dracht die de mannen van Huizen dragen.

De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den

indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar

het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de

drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding

als de muts aangaat.

Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg,

één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen

gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje

van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt,

verbonden is.

De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus

omschreven worden: (Zie bl. 27, 28, 29.)

Het haar wordt opgestoken, met een zwart bandje vastgebonden, dat van

boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de

zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts,

die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl. 28,

29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een

randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie

bl. 27 en 29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen,

(zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts

van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna

hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl. 27

en 29.)

De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok

van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering,

rijkend tot het middel. Daarover den _slippen-kolder_, een soort buis

met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witte _onderdoek_, om

den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch

(rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid

is. (Zie bl. 27, 28, 29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die

van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot

de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze

is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als

het ware kappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en

vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat

er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl. 27.) Over

die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode)

bloemen versierd, gemaakt is, komt de _roode doek_, de halsdoek,

die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten,

maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de

taille wordt vastgezet. Deze doek is _altijd rood_, van friesch bont,

en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.

De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van

gestreept katoen, die door _de heupen_, driekante kussentjes, die in

de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan,

worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een

gestreepte katoenen rok. 's Zondags komt er nog, over die roode

rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren

glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder

plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt

de boezelaar--genaamd: de _schulk_, (zie Huizen, Staphorst enz.) van

blauw katoen, met een "_stukje_" van friesch (rood) bont, het patroon

't zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt

met blauwe linten.

Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken

en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een

koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken

en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte--om 't zoo

te zeggen--opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten

vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even

boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.

Die constructie is zeer opmerkelijk.

Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jonge meisjes in

voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn,

en waarmede zij 's zondags naar de kerk gaan.

Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: het _brung-jak_, van

meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die

stof heet dan ook _appeltjes-brung_.

De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in

hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes,

die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.

Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al,

aangetrokken.

De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd

rood is, is bij de bruid _wit_.

Over dit jak wordt een zwart zijden schort gedragen, dat van achter

opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.

's Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook

met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden

stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie

bl. 28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de

roode halsdoek.

De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen,

met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal

klompen.

De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk

is--meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd

katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.

De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere

wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de

kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze

heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een

dikke rand van voren, genaamd: _de zwarte pluim_. Aan de linkerkant

van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant een _goud krapje_,

een gesp of ander soortige versiering.

De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken

of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst--dat

conservatisme--komt het voort-bestaan van deze eigenaardige dracht

ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden

de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.

Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch

al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van

Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is

des te opmerkelijker.

In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht

zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen

nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek

Utrechtsche vorm.

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten · 第 24 / 50 题