III. HUIZEN.

Zeer bijzonder zijn de drachten in het geheel protestantsche Huizen,

het visschersdorp aan de Zuiderzee. (Zie bl. 21, 22, 23.)

Het is zeer zeker een nationale dracht, die in Huizen gedragen wordt,

maar het is er een die niet van ouden vorm of snit is, maar wellicht

nog niet zoolang geleden oudere modellen heeft verdrongen. Daar ze

echter zeer algemeen is, en zeer getrouw wordt in stand gehouden,

is het een nationale dracht, den Huizers (of liever de Huizerinnen)

eigen. Het eenige echte oude van dit costume is echter slechts de

kap, die in wezen en vorm volkomen van alle andere Nederlandsche

mutsen-vormen afwijkt.

Dus ook in Huizen is in hoofdzaak slechts het vrouwen-costume

belangrijk, ofschoon de dracht der Huizer-visschers niet zoo

stads-boersch is als die van de plattelands-boeren, en meer

kenmerkend dan deze. De invloed van Marken, Volendam en Urk is op

die mannendracht merkbaar, ze behoort tot dezelfde familie van deze

visschers-kleedij. Maar de wijde broek ontbreekt tegenwoordig, ze is

meer, wat de pijpen betreft, van het gewone model. Overigens is ze

van den bekenden vorm met een klep, en versierd met zilveren knoopen,

juist zooals de mannen op Urk die dragen. (Zie bl. 23.)

Het vrouwen-costume van Huizen kan aldus beschreven worden: (Zie

bl. 22, 23): Over het hemd komt een borstrok en een lijfje, daarover

een jak, in de laatste twintig jaren met zeer wijde mouwen, die poffen,

boven de schouders uit, hebben. Dat jak is zeer bijzonder van vorm, met

zeer fijne plooitjes in de taille, aan de armsgaten, aan de polsen,

en zeer kort, even over de taille rijkend. (Zie bl. 22, 23.) Het

is van effen kleur in een stof waar bloemetjes in zijn geweven,

meestal bruin, bruin-paarsch of zwart. (Zie bl. 24.) De rokken

bestaan uit: gestreepte onderrok, (soms twee stuks), één witte rok,

een zwarte bovenrok. Alle rokken gaan links dicht; de bovenrok is

van _thibet_ (of: _paramat_), van zeer dunne stof, van voren recht,

van achter met zeer vele (rimpels) plooitjes. Van onder wordt er een

strook van 25 cm. breedte tegengenaaid. Daarover gaat de boezelaar

(_schulk_), van gewoon friesch (blauw) bont, 's zondags paarsch of

andere kleur. Daarover komt een losse ceinture met losse banden,

die van voren over het schulk afhangen. Die ceinture gaat met haak

en oog van voren dicht. (Zie bl. 22, 23.)

Men draagt 's zondags lage verlakte schoenen, en in de week muilen

of klompen.

Door de week worden de mouwen opgestroopt, zoodat de meisjes en

vrouwen bloote armen hebben, 's zondags draagt men de mouwen lang.

Dit costume, dat voor meisjes en vrouwen gelijk is, wordt niet door

de kinderen gedragen.

De meisjes, tot hun vijftiende jaar, dragen jurken met korte mouwen,

die van boven zeer sterk geplooid zijn. Dit noemt men _pijpmouwen_. Tot

aan den hals wordt dan over de kleeding heen een wit boezelaar

gedragen. (Zie bl. 21.) Over de armen, gebreide pols-mouwen.

Om den hals draagt men een slot met 5 rijen granaten-koralen. Het slot

van voren. Soms komt daar nog een gekleurd zijden das bij, dat echter

onder de koralen en het slot gedragen wordt. De uitstekende puntjes,

van voren, zijn dan het voornaamste dat men in 't oog wil doen vallen.

De mutsen van de Huizer kinderen en vrouwen zijn het meest variëerend.

De kinderen dragen, in de week, tot hun 14 of 15de jaar een _pik-muts_,

dat is een soort cornet of tip-muts, die geheel gehaakt of gebreid is

van witte katoen of wol, en van achter over den nek, afhangt. Deze

mutsen worden gestreken, zoodat ze eenigzins stijf staan, en in de

eigenaardige golvende plooiïngen blijven behouden die men hen heeft

gegeven. Het haar wordt daarbij door deze meisjes los gedragen. Ze

dragen 's zondags een rond strooiën (zwart) hoedje, versierd met een

pluim, die als een hane-kam over den bol van de hoed is gelegd. Van

voren twee spelden of broches. (Zie bl. 21.)

Tusschen hun veertiende en achttiende jaar dragen de jonge meisjes

een _plooi-muts_, bestaande uit een bol van witte kant, rings-om

versierd met een rand (van een hand breedte) van plooitjeskant, die

fijn geplooid is om het gezicht, in den nek in grootere plooien

afhangt. Die plooitjeskant omsluit en overhuift het gezicht,

wat nog erger het geval is met de _oorijzer-muts_, die de meisjes

en vrouwen boven de achttien jaar dragen. (Zie bl. 24.) Het haar

wordt "gespleten"--dat is met een scheiding in het midden gekamt,

en bijeengebonden tot een knotje achter in den nek. Daarover gaat een

zwarte ondermuts, daarover de witte over- of oorijzer-muts. Soms wordt

's Zondags een witte ondermuts gedragen, gewerkt met zwarte zijde.

Over de ondermuts komt het oorijzer, van gelijken vorm als langs de

heele Zuiderzee-kust van Staphorst af tot hier (Huizen) toe gedragen

wordt. De spelden komen aan de slapen--dus weer anders dan in Laren,

maar zooals in Nunspeet.

De oorijzer-muts zelf is van witte tulle met randen van kant, en de

lange kanten slippen worden links en rechts aan het oorijzer bij de

slapen opgespeld. Vandaar dat deze muts, van voren gezien, een zeer

bijzondere lijn-vorming geeft, en, van terzijde bekeken, zoo groot

en vooruitstekend is, dat het gezicht van de draagster er als het

ware in wegschuilt. Dit is evenwel van zeer bijzonder aesthetische

werking. (Zie bl. 24.)

Opmerkelijk is nog--vooral voor de zeden en gewoonten van de Huizers,

dat een bruid (zie bl. 22) een japon draagt van bruine stof, maar

dat haar wijde schort van hemelsblauwe fijne wol is, met een lint

van zijde, ook in die kleur. Dit blauwe schort wordt maar éénmaal

gedragen, nl. bij het aanteekenen ten stadhuize. Bij het trouwen is de

bruid geheel in het zwart, ook haar schort is aldus. Maar het blauwe

schort blijft bewaard totdat het eerste kindje geboren is. Dan wordt

het tot een doopjurk gemaakt, waarmede het kind ook nog 's Zondags

ter kerke gaat, of die bij volgende doop-plechtigheden gebruikt wordt.

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten · 第 19 / 50 题