C. OVER DE NATIONALE KLEEDERDRACHTEN EN DE VOORUITGAANDE BESCHAVING.

Dát verwijten de zoogenaamde beschaafden de nationale kleederdrachten

het meest, dat ze een kenteeken zouden zijn van achterlijkheid,

van onbeschaafdheid en, deze twee vereenigd, van "boerschheid".

Daar zou iets voor dit argument te zeggen zijn, als datgene, wat

die nieuwlichters voor die oude drachten--die de resultante zijn

van een eeuwenheugende cultuur--in de plaats zouden willen stellen,

zooveel beter was dan die ouderwetsche kleedij. Maar dat is geenzins

het geval. Zij, die deze oude drachten zouden willen doen verdwijnen,

zouden er niets anders voor in de plaats willen, kunnen stellen, dan de

zoogenaamde universeele mode. Behalve, dat dit de aesthetica niet ten

goede zou komen, misschien echter eenigen grond in de gezondheidsleer

zou kunnen vinden, zou die verandering psychologisch noch aan het

geheel, noch aan het individu ten goede komen.

Tenzij--maar dat is voorloopig nog niet mogelijk--in de plaats van

die oude drachten een nieuwe kleedij gesteld kon worden, die in zijn

vormen, kleuren, versieringen en veel-soortige beteekenis even algemeen

waardevol is, als die oude kleedingswijze.

Die nationale kleeding dus met opzet te willen doen verdwijnen, omdat

ze zoogenaamd de uiting is van onbeschaafdheid, zou gelijk staan

zich aan de volkspersoonlijkheid te vergrijpen. En in deze tijd van

algemeene vernivelleering, van gebrek aan persoonlijkheids-gevoel,

zou dat gelijk staan met de werkelijke cultuur aan te randen, door

haar uiterlijk met geweld te willen vernietigen.

De nationale kleederdrachten behooren tot de monumenten die ons het

voorgeslacht liet, als een uiting van haar persoonlijkheids-gevoel,

haar persoonlijkheids-wezen, haar eigen beschaving en idealen. En

al deze monumenten, de oude kasteelen, kathedralen en huizen, de

oude meubelen en ook die oude kleedij, moet men, als een deel van

den geest van het verleden, hun eigen dood doen sterven. "Il faut

laisser mourir les monuments."

Het zou even zoo dwaas zijn die oude kleedij met geweld te willen

verbieden, als ze, daar waar ze uit zich zelf verdwenen is, weer te

willen doen herleven. En dit geldt voor alles wat ons het voorgeslacht

liet. Slechts datgene waarin de algemeene waarheid leeft, blijft,

en krijgt op zijn tijd zijn nieuwe kleed, kan zich, op zijn tijd,

opnieuw verjongen en zich dan weer doen onderscheiden.

De nationale kleederdrachten nu zijn een zeer bijzondere uiting van

het persoonlijkheids-bewustzijn van een land, van een streek, van

een stad. En zoolang dat bewustzijn in de bewoners van dat land leven

blijft, zoolang blijft hun nationale, eigene kleeding bestaan. Zoodra

zij zich echter inter-nationaal, of zonder zelfstandigheid gaan voelen,

verdwijnt hun eigene kleeding.

Als zoodanig ligt er dus wel eenige waarheid in het verwijt van

die zoogenaamd beschaafden, dat in streken waar nog een nationale

kleederdracht gevonden wordt, nog een zekere achterlijkheid

bestaat. Maar dan moet dit aldus verstaan worden, dat onder

achterlijkheid, persoonlijkheid verstaan wordt. Maar sinds wanneer

is dan "persoonlijkheid" gelijk aan "achterlijkheid". Tenzij dat men

in het vasthouden aan die van oudsher overgeleverde vorm-geving,

aan dat persoonlijkheidsgevoel een star en dood vasthechten aan

de uiterlijkheid ziet.--In dat geval is het werkelijk een gebrek

aan vooruitgang, een achterlijkheid.--Maar .... zoo is het in

werkelijkheid niet.

Het is geenszins waar dat die oude kleedij slechts door domme boeren

en onbeschaafde buitenlui gedragen wordt uit sleur, omdat ze niet

beter weten. Moge dit voor den "stads-mensch" zoo schijnen, de

waarheid is anders. Zeker in de streken en bij de "_boeren_" die de

nationale dracht nog in zijn geheel naar het oude model dragen. Dit

getuigt de wijze waarop en de gelegenheid waarbij die "_boeren_"

hun oude kleeding dragen. Zij zien hun eigen ideaal in die bijzondere

kleedij, die kleurige stoffen, linten, strikken, gouden sieraden en

kantwerk. Voor hen is die kleedij werkelijk mooier en beter dan de

"stadskleeding" of de mode. En dit bewijst niet de achterlijkheid

van deze menschen, maar het pleit voor hun onbedorvenheid, voor de

oprechtheid van hun gevoel en hun smaak. En zoo deze dan al niet van

de meest verfijnde soort moge zijn, ze is in ieder geval _"echt"_.

En zij worden in hun voorliefde volkomen in het gelijk gesteld door

kunstenaars en aesthetici, die de typische schoonheid van de ware, nog

intact gebleven oude drachten boven de gemiddelde moderne modekleedij

zullen stellen, er het meerdere karakter, de grooter eigenheid van

erkennen. Is die aanhankelijkheid aan het oude, die zoogenaamde

achterlijkheid, niet heel wat beter dan over te gaan tot een slecht

gedragen moderne kleedij, die in den regel voor de nationale dracht

in de plaats wordt gesteld?

Men kan dus niet zeggen dat het uit sleur is dat die nationale

drachten nog gedragen worden ... of dat hun eigendommelijke schoonheid

niet een nog levende schoonheid zou zijn, die door de dragers niet

duidelijk als zoodanig zou worden gekend. Zelfs de "mode" heeft in die

nationale costumes de eigene schoonheid weten te waardeeren, en veel

motieven en kleur-combinaties zijn aan die drachten door de moderne

vrouwenkleeding ontleend. Zelfs de kanten mutsjes, die men nog voor

kort--door hun overdreven stijfgeplooidheid--nog zoo "grootmoederlijk"

vond, vinden thans bij de moderne dameskapsels navolging.

Zoodat per slot het boersche en het onbeschaafde niet ligt bij die

nationale drachten, maar in de onkunde die er omtrent hen heerscht,

en bij de "moderne modes" die alle goeden smaak bederven, en er

eerder over gedacht zou moeten worden tot de oude volkskleedij terug

te keeren dan ze af te schaffen. Althans als er sprake zou zijn van

"cultuur" en ware goede "smaak" en, indien "terug-gaan" als zoodanig

ooit te verdedigen zou zijn.

Intusschen is noch het een, noch het ander het ware. De tijd zal in

deze ook op het gebied der kleedij een nieuw persoonlijkheids-idee

doen ontstaan, die bij de oude nationale drachten zoo levend en zoo

kenbaar was, en die in de moderne costumeering slechts bij zeer hooge

uitzondering tot uiting komt en bereikt wordt.

En, persoonlijkheid, ook in kleeding, is toch immers slechts het

eenige kenmerk van ware cultuur--dat is, van een van binnen-uit

gekomen zelf-ontwikkeling, zelf-opheffing, zelf-verbetering.

De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten · 第 7 / 50 题