Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis
bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch
kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige
gronden, maar in den _wil om zich te onderscheiden_. Versiering
is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij
geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om
zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel
om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus
tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van
deze eenvoudige grondgedachte.
Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde
en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in
temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden,
die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de
kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden,
godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken
hebben daarna invloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van
de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten,
die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds
dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij
dit of dat volk behoorende, te doen kennen .... door _onderscheiding_.
Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in
verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn
reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar
dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo'n
kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft,
is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek
verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende
nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele
overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo'n stuk kleedij.
Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van
onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen
in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche
volksdracht--ja zelfs in de Chineesche--terug te vinden is. Toch zal
in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere
versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager al dadelijk
van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat
land afkomstig doen kennen.
En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat
ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden
zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende,
onderscheidende wijze vervormd en versierd.