zijn genot vindend in den arbeid aan zijne schrijftafel, verdiept in
zijne classieken en in bepaalde deelen der H. Schrift, geen oog heeft
voor de roerselen van het volksleven, en weinig vatte van de religieuze
worsteling, waar het ging om in de Reformatie.
Hij meende door zijne geschriften, door zijn spot en satire, mede te
helpen aan de innerlijke hervorming en verbetering der kerk. Door z'n
litteraire werkzaamheid, langs een rustigen weg meende hij, dat zulk
eene verbetering zou worden bereikt. Vandaar dat hij ook den paus soms
aanmaant tot bezadigd optreden tegen de door Luthers toedoen in gang
gezette beweging. Hoe weinig hij in staat was, de beteekenis en
draagkracht van Luthers optreden te beseffen, en hoe slecht hij de
diepste en krachtige motieven verstond, waardoor deze onweerstaanbaar
gedreven werd, blijkt wel uit zijne illusie, dat de vrede in de kerk nog
wel zou terugkeeren, wanneer de paus maar een algemeen concilie
samenriep waarin niet anders dan gematigde, verzoeningsgezinde en
vredelievende personen zitting zouden hebben. En dat in 1523, toen toch
ongetwijfeld de zaak der Reformatie te ver gevorderd was, dan dat zij op
zulk eene wijze had kunnen gekeerd worden.
Hij was vreemd aan den ziele-nood en de ziele-worsteling, waarin een
Luther door zijn zonde-besef voor zijn' God was neergevallen, en waaruit
deze eerst uitkomst had gevonden mèt het antwoord op de vraag, hoe hij,
zonder dat eenig schepsel zich tusschen God en zijne ziel plaatste, een
genadigen God kon hebben.
Daarom kon Erasmus telkens den raad geven, dat men zich toch over Luther
niet zoo druk zou maken; daardoor kon hij de vergissing begaan, te
denken, dat het beste was, tot Luthers beweringen het zwijgen maar te
doen. Hij meende, "indien men tegen Luther maar niet zoo heftig te keer
was gegaan, zou de zaak niet zoo'n vaart geloopen hebben. En nog, als
men zich maar drie maanden stil hield, zou de heele Luther met zijn
geschrijf wel vergeten zijn".
Alsof zulk eene beweging, uit den drang der conscientie, uit de
worsteling om vrijheid opgekomen, zou verdwijnen indien zij maar werd
doodgezwegen! Doch Erasmus is niet de eenige, die een dergelijke
vergissing heeft begaan.
Het meest vreesde hij eigenlijk van het tumult door Luther gewekt, voor
de zaak der taalstudie en der fraaie letteren. Daaraan had Erasmus het
meest zijn hart verpand. Hij was voor en boven alles de _humanist_. De
onkunde, het barbaarsch latijn der lagere geestelijkheid was hem een
oprechte ergernis. Zelf is hij doorkneed in de litteratuur der Grieksche
en Latijnsche oudheid, van haar geest gedrenkt, en van liefde voor de
classieken bezield. En zijn groote vrees is, dat de Luthersche beweging
aan de zaak der letteren schade zal doen. Herhaaldelijk geeft hij uiting
aan die vrees. De vijanden van Luther zullen ook hèm willen treffen. Zij
zullen niet rusten, voordat zij de taal en alle studie der letteren
eronder hebben gebracht. De onuitroeibare haat tegen taal-studie en
literatuur is naar zijne meening de bron van de gansche tragedie.
Hoezeer Erasmus-zelf thuis was in die classieke letterkunde bewijzen
niet alleen werken als de "Spreekwoorden" en de "Spreuken"[15], maar
blijkt op iedere bladzijde van al zijn geschriften, waar spreekwijzen,
beelden, voorbeelden, zinspelingen, aan classieke auteurs ontleend,
schering en inslag zijn.
Erasmus is de humanist, en behoort naar zijn geestesaanleg geheel tot de
humanistische beweging. Voor de Reformatie heeft hij beteekenis gehad
door zijne uitgave van het Grieksche Nieuwe Testament, door zijn
aandringen op studie der H. Schrift, door zijne bestrijding ook van de
Roomsche kerk. Doch zijne voornaamste beteekenis en invloed ligt toch op
een andere lijn.
Wel vertoonde zijn humanisme een eenigszins ander karakter dan dat der
Italiaansche classicisten. Bij Erasmus was het getemperd door zijn
moralisme, dat gebaseerd was op de H. Schrift. In dit opzicht is de
invloed van de school te Deventer onmiskenbaar. Vandaar dat hij tegen
het drijven dezer Italianen sterk gekant is. Hij is niet gediend van hun
frivoliteit, van hun aanbidding van den "schoonen vorm", van hun
streven, de heidensche oudheid te doen herleven. Herhaaldelijk
waarschuwt hij tegen het paganisme, dat bij hen het hoofd opsteekt. In
zijn "Ciceronianus" hekelt hij dit streven, zich van den invloed der
chr. religie te willen losmaken, en alles in de vormen der classieke,
voorchristelijke wereld te hullen. Hij voor zich wil met het opleven der
classieken de zaak der christelijke religie dienen. En voor hem bestaat,
in overeenstemming met zijn moralistischen aanleg, de kern van het
christendom in de Tien geboden, de bergrede, en het Onze Vader. Het Oude
Testament lag bijna geheel buiten zijn gezichtskring; voor de eenheid en
den organischen voortgang der Godsopenbaring had hij geen oog; zoo meent
hij bijv. dat er een zeer groot onderscheid is tusschen "den God der
Joden en den God der Christenen".
Geheel in overeenstemming met den realistischen, niet-speculatieven
trek, die zijn tijd kenmerkt, en geheel naar zijn eigen,
onsystematischen, moralistischen aanleg, met zijn afkeer van een
speculatieve behandeling der religieuze waarheid, reduceerde hij de
christelijke religie tot wat naar zijne meening de hoofdzaak was.
Ook Luthers greep was een reductie, een vereenvoudiging, een zich
beperken tot het centrale: in de leer van de rechtvaardiging uit geloof
alleen werd een antwoord gegeven op de conscientie-vraag van den zondaar
aangaande zijne verhouding tot God. Bij Erasmus werd het alles uit een
moralistisch oogpunt gezien. Zelfs de beteekenis van Christus ging bij
hem ongeveer uitsluitend op in die van den leeraar, in den hemelschen
leidsman tot een goed en deugdzaam leven. Voor hetgeen buiten deze
ethische beteekenis der christelijke religie lag, kon Erasmus zich
neerleggen bij de autoriteit der R. Kath. kerk.
Ten slotte zij gewezen op Erasmus' beteekenis inzake opvoeding en
onderwijs. Ook hierin staat hij onder de humanisten vooraan. Door zijn
buitengewoon rijke litteraire werkzaamheid, en door zijn veelvuldige
reizen, die hem gelegenheid gaven, in persoon raad en aanwijzing te
geven, heeft hij misschien meer dan iemand anders bijgedragen tot de
verbreiding van het humanisme. Zijn eigenlijke aanleg en beteekenis
komen hierin veel meer uit; op dit terrein beweegt hij zich vrijer,
zijne meeningen komen niet rechtstreeks in botsing met de traditie der
kerk, waarvan hij innerlijk los is, en waaronder hij toch zich gevangen
geeft. In Erasmus als humanist, niet als reformator, komt zijn grootheid
het meest uit.
Buiten en behalve zijn overigen arbeid vond hij ook tijd zich direct met
vragen van opvoeding en met onderwijs-zaken in te laten. Talrijk zijn
zijne theoretische beschouwingen hierover; en van niet minder beteekenis
waren de schoolboeken, door hem vervaardigd. Voor Colet's school te
London bijv. schreef hij een werkje "Over de wijze van het
brieven-schrijven"[16] (1522); reeds werd gewezen op zijne
"Samenspraken"; ook verdient nog vermelding een geschrift, dat voor de
verbetering van den stijl aanwijzingen geeft, en behulpzaam moet zijn in
het aanleeren van fraaie uitdrukkingswijze: "Over den rijkdom zoowel van
uitdrukking als van onderwerp" (1512). Geheel in overeenstemming met wat
het humanisme in het algemeen kenmerkte, verwachtte ook Erasmus
verbetering van beschaving en verreining van de zeden der
geestelijkheid, wanneer het "barbarisme" maar zou plaats maken voor een
verbeterde eloquentie. Aan den sierlijken, schoonen vorm werd ook door
hem veel gewicht gehecht. En de classieke oudheid moest daarbij als
voorbeeld dienen. Erasmus zelf wilde hieraan medewerken, door de
schoolboeken, die hij vervaardigde, niet minder dan door de uitgaven van
talrijke classieke latijnsche schrijvers, door hem bezorgd; ook door wat
hij schreef "over de juiste uitspraak van het Latijn en het Grieksch"
(1528).
Zoowel voor de kennis van het Latijn als voor die van het Grieksch is de
beteekenis van dezen genialen man groot geweest. Zelf hanteerde hij het
Latijn met de grootste gemakkelijkheid; hij schreef deze taal zeer
vloeiend en elegant. En evenzeer was hij in geestdrift ontstoken voor
het Grieksch, dat hijzelf te Cambridge eenige jaren doceerde, en als vak
van onderwijs met het Latijn wilde gelijkgesteld zien.
Erasmus' gedachten over opvoeding en onderwijs zijn niet systematisch
geordend, een afgerond systeem geeft hij nergens. Wel heeft hij in meer
dan één geschrift zijne denkbeelden neergelegd. Hiervan noemen wij
nevens het kleinere, in 1512 verschenen geschriftje "Over de wijze van
onderwijs", het grootere "Dat de knapen tot deugd en wetenschap van der
jeugd aan moeten worden opgevoed" (1529), een werk waarin de denkbeelden
van het humanisme over het schoolonderwijs duidelijk en breedvoerig
worden uiteengezet. Ook over de opvoeding van meisjes uitte hij zijne
gedachten in zijn werk "Over het christelijk huwelijk" (1526).
In al deze geschriften is het humanistisch streven naar hervorming en
verbetering van opvoeding en onderwijs aan het woord.
Erasmus zelf heeft in zijne jeugd de ondervinding opgedaan van het
stelsel van plak en roede, dat in de kloosterscholen heerschte; van de
methode, om maar eindeloos te laten van buiten leeren en opzeggen en
herhalen, die toen de meest gebruikelijke was. Ongeloofelijk sterke
voorbeelden van hardvochtigheid in de behandeling van scholieren weet
hij aan te halen, klaarblijkelijk wel uit eigen ervaring,
mishandelingen, die niet alleen als straf voor een soms zeer gering
misdrijf werden toegepast, maar soms ook louter om den leerling te
vernederen.
Hiertegenover beveelt Erasmus zachtheid aan en liefde. Aan den
onderwijzer stelt hij zeer hooge eischen; hij gevoelt meer voor den
huisonderwijzer, die desnoods aan een klein getal kinderen tegelijk
onderwijs kan geven, dan voor het samenbrengen van een groot aantal in
ééne klasse. Voor de vrouw als onderwijskracht had hij zeer weinig
crediet; hij achtte het ongewenscht, dat zij met het onderwijs belast
werd. In zijne humanistisch-Pelagiaansche beschouwingswijze hechtte hij
een zeer groote waarde zoowel aan den uiterlijken vorm als aan de macht
van het voorbeeld. De kinderziel achtte hij gelijk aan een onbeschreven
blad papier; door navolging was haar deugd of ondeugd aan te leeren, en
in het aanleeren van den vorm lag een voorbereiding voor het bezit van
het wezen der dingen. Zoo schreef hij een ook voor de
cultuurgeschiedenis zeer merkwaardig werkje "over de hoofsche zeden der
jeugd": de uiterlijke vormen der wellevendheid waren hem eene
noodzakelijke aanvulling van de wetenschappelijke vorming en eene
voorbereiding voor de zedelijke opvoeding.
Het eerste en voornaamste doel der opvoeding is voor hem, "dat de
teedere ziel de beginselen der vroomheid indrinke". Doch deze godsvrucht
vertoonde, in overeenstemming met zijne moralistische opvatting van de
religie, zeer veel overeenkomst met wat later als "christelijke en
maatschappelijke deugden" zou worden aangediend.
In vele opzichten vinden wij ook in deze geschriften van Erasmus
opmerkingen op pædagogisch en zielkundig terrein, waardoor hij bewijst
zijn tijd vooruit te zijn, gedachten die in later eeuwen zouden worden
herhaald en opvoeding en onderwijs zouden gaan beheerschen. Aan de
andere zijde is hij geheel en al de humanist, een der grootsten en meest
geniale, zoo niet de grootste en meest begaafde onder de humanisten.
Zijn tijd begroette hem als den man, die geroepen zou zijn de groote
hervorming van alle dingen, welke men als voorgevoelde, door te voeren.
Bij zijn komst te Keulen, in December 1516, werd hij begroet als een
tweede Hercules, die de wereld bevrijden zou van monsters, welke sedert
acht eeuwen allerwege waren opgekomen. Als een tweede Paulus, wiens
roeping was het oude christendom te doen herleven, werd hij in een brief
van 1517 door één zijner bewonderaars aangesproken.
Wat is er geworden van dit alles? Heeft zijn tijd hem overschat, ja dan
neen? Overschat, zooveel als het humanisme zichzelf overschat heeft.
Erasmus zelf heeft den neergang der humanistische beweging nog
aanschouwd. Het deed hem pijnlijk aan en stemde hem weemoedig.
Herhaaldelijk beklaagt hij zich dat velen hem verlaten, die vroeger
onder hun vriendelijkheden hem bijna verstikten. Zij kiezen de zijde van
Luther. Aan de door Luther in gang gezette reformatorische beweging gaf
Erasmus de schuld van wat in waarheid in den oorsprong en den aard van
het humanisme zelf zijn oorzaak had. Ten deele beweegt ook Erasmus zich
binnen het kader der traditie. Een reformator was hij niet. En tot zijn
voordeel is het niet geweest dat hij zoo vaak met Luther is vergeleken.
Niettemin staat hij vóór ons als één der groote mannen van zijn tijd.
Als een man van scherpen geest en buitengewone geleerdheid. Als een man,
groot niet alleen in zijn eigen tijd, maar ook door zijn invloed op de
volgende eeuwen.
Noten
1. In de door Clericus bezorgde uitgave, Leiden 1703-1706, tesamen niet
minder dan ruim 12000 colommen druks.
2. Het inschrift in Erasmus' standbeeld te Rotterdam vermeldt 1467 als
geboortejaar. Volgens zijn grafschrift te Basel stierf hij als 70-jarige,
wat op 1466 wijst. Reeds Erasmus' vriend Beatus Rhenanus, die een kort
levensbericht van hem schreef, zegt dat het jaar zijner geboorte niet
geheel vaststaat.
3. Erasmus schreef dit werk op ruim 20-jarigen leeftijd, doch gaf het
ruim 30 jaren later uit. In het laatste hoofdstuk, waarin hij o.m.
schrijft dat "het klooster niets baat, als iemand er goddeloos leeft,
noch het monnikskleed, als men niet rekent met het witte gewaad, bij den
doop gedragen", slaat hij een gansch anderen toon aan. Niet
onwaarschijnlijk is dit hoofdstuk later aan de overige door Erasmus
toegevoegd.
4. Een rijke verzameling spreekwoorden en dergel., door Erasmus van
toelichtingen voorzien; de eerste uitgave verscheen te Parijs, en omvatte
ongeveer 800 spreekwoorden. Het werk, dat talrijke uitgaven beleefde,
werd met nieuwe stof verrijkt door den schrijver, die naar zijn eigen
getuigenis, er een "Herculeïschen arbeid" aan verricht had. Meer dan
10.000 versregels uit Homerus, Euripides e.a. dichters, metrisch in het
latijn overgebracht, waren erin opgenomen, benevens tal van aanhalingen
uit Plato, Demosthenes e.a. "Een menschenleven", zegt Erasmus zelf, "is
bijna te kort om zooveel dichters, grammatici, oratoren, wijsgeeren,
historieschrijvers, wiskundigen, godgeleerden, waarvan het lezen van de
titels alleen haast zou vermoeien, te doorzoeken, te lezen, te herlezen".
Dit werk van Erasmus behoort onder diegene, waardoor hij grooten invloed
heeft geoefend op de verbreiding der classieke beschaving. Het is niet
slechts een getuigenis aan zijne ontzaglijke belezenheid en geleerdheid,
maar is ook vol van dien spot en die satyre, waarmede hij zoo gaarne de
misbruiken en misstanden der R.-Kath. kerk en van de monniken geeselde.
5. Niet onwaarschijnlijk is in zijn "Colloquia" de samenspraak "Vrekkige
rijkdom", een, zij het dan ook te scherp gekleurde schildering van
Erasmus' eigen ondervindingen. Vermakelijk is hierin de beschrijving van
den, meer dan schralen, maaltijd, waarop slecht brood, kei-harde kaas,
bedorven vleesch of een fragment van een broodmager kippetje met uiterst
schralen wijn te genieten viel! (Vgl. "Een 12-tal samenspraken van Des.
Erasmus," vertaald door N.J. Singels, uitgave "Wereldbibliotheek").
6. In 1508 kwam van Manutius' pers een nieuwe druk van Erasmus' Adagia.
Hij bewerkte een nieuwe uitgave van "Hecuba" en "Iphigenia in Aulis", en
bezorgde een uitgave van de werken van Terentius en Plautus.
7. De Lof der Zotheid verscheen nog onlangs in eene nieuwe Nederl.
vertaling van wijlen Dr. J.B. Kan, uitgegeven en van korte ophelderingen
voorzien door Dr. A.H. Kan, in de "Wereldbibliotheek".
8. D.w.z. "zonder licht, zonder kruisbeeld, zonder God". Indien de
prediker inderdaad het zóó heeft gezegd als Erasmus het hem in den mond
legt, is ieder woord een bewijs van ongelooflijke onkunde van de
latijnsche grammatica.
9. Colloquia familiaria. De eerste, zeer weinig bevattende uitgave,
verscheen in 1518; in z'n meest uitgebreiden vorm werd het werkje in 1524
uitgegeven. Sedert werd het talloos vele malen herdrukt, en ook in
vertalingen gepubliceerd. Twee bloemlezingen van 12 samenspraken
verschenen in de "Wereldbibliotheek".
10. Toen Erasmus hoorde van von Huttens voornemen, de pen tegen hem op te
vatten, ried hij hem in een particulieren brief aan, dit liever niet in
het publiek te doen. Het slot van dit schrijven was een hatelijke
toespeling op von Huttens berooiden toestand: "Wellicht zouden er
kunnen zijn, die, vernemende in wat voor omstandigheden gij verkeert,
gaan vermoeden, dat gij op deze wijze geld zoekt af te persen; het staat
te vreezen, dat velen deze gissing zullen maken ten aanzien van iemand,
die verbannen is, in schulden steekt, en tot de uiterste armoede is
vervallen".
11. Zoo schrijft hij bijv. aan Wilibald Pirkheimer (in 1526): "Mij zou
het gevoelen van Oecolampadius niet mishagen, als het oordeel der kerk er
niet tegen was". Het min of meer gevaarlijke van dergelijke uitlatingen,
waarin hij toch weer geen vat op zich gaf, besefte hij zelf wel, blijkens
zijn verzoek aan Pirkheimer, dien brief maar niet aan een ieder zonder
onderscheid te laten lezen.
Kenmerkend is ook een uitspraak als deze: "Hoe zwaar bij anderen de
autoriteit der kerk weegt, weet ik niet; bij mij is zij van zooveel
gewicht, dat ik het met de Arianen en de Pelagianen eens zou zijn,
indien de kerk hunne leer had goedgekeurd".
12. In zijne voorrede op de door hem bezorgde, in 1523 verschenen,
uitgave der werken van _Hilarius_, kwamen onderscheiden opmerkingen voor
over de leer der triniteit en het Arianisme, die Erasmus onder verdenking
van kettersche gevoelens brachten. Ook zijne "Paraphrasen" op het
N. Test. maken de beschuldiging van ketterij verklaarbaar, evenals
allerlei beweringen, in de "Samenspraken" den daar optredenden personen
in den mond gelegd. Hiervan kon Erasmus gemakkelijk verklaren, dat niet
hij, maar de daar sprekend ingevoerde personen de verdedigers waren van
afwijkende gevoelens.
13. Meer dan eens treft men in zijne brieven klachten aan over zijne
gezondheid, en ook uitvoerige, plastische beschrijvingen van zijn kwalen,
of van eene ongesteldheid, die hem overviel.
14. Zie blz. 30.
15. _Apophtegmata_, een in 1531 uitgegeven rijke verzameling van puntige,
geestige, korte uitspraken, bijeengebracht uit Grieksche en Latijnsche
schrijvers. Aan de 6 boeken, waaruit deze verzameling oorspronkelijk
bestond, voegde Erasmus later er nog twee toe.
16. De sterke ontwikkeling van het schrijven van brieven is een
karaktertrek aan de humanistische periode eigen, en hangt samen met den
realistischen trek van het humanisme: men had een afkeer van het
abstracte, en zocht het concrete. Zoo wordt zelfs het niet-persoonlijke,
het algemeene, in den concreten vorm van een persoonlijke mededeeling
gegoten, en ontstaat de verhandeling in den vorm van een brief.
Voor kort is verschenen:
KÄTHE STURMFELS
HET VROUWENGEVAAR
Geautoriseerde vertaling door B. Nolthenius-Mertens
f 1.-- ingenaaid; f 1.40 gebonden
INHOUD: Inleiding; Over het wezen der vrouw; Over de vrouwelijke
zelfstandigheid; Over de grondslagen der Vrouwenbeweging; Het Feminisme
in vroeger tijden; Het Feminisme als "Amerikanisme"; De dames der
sexueele ethiek; Het "sociale" Feminisme; Vrouwen in mannelijke
beroepen; Feminisme, Jodendom en Sociaal-Democratie; De ongunstige
finantiëele toestand; De oplossing van het Vrouwenvraagstuk; Slotwoord.
Besprekingen in de pers:
Contra:
_Evolutie_: "'n Volmaakt samenraapsel van onzin en tegenstrijdigheden.
Op ons maakt dit moois den indruk of het zijn ontstaan te danken heeft
aan 'n studentenmop. "Wedden, dat je den grootst mogelijken onzin, hier
en daar met-'n-air-van-waar-en-eerlijk-willen-zijn aan het lezend
publiek kunt voorzetten en dat ze het goedig slikken, het "au sérieux"
nemen, het bespreken en bestrijden gaan? Wedden, dat tal van recensenten
er het ontleedmes inzetten en met den grootsten ernst op de leemten en
de tegenstrijdigheden wijzen, meenende dat ze 'n product van diep en
ernstig nadenken onderhanden hebben?".
Indien we het niet mis hebben en dit geschrift alzoo zijn ontstaan dankt
aan 'n weddenschap, dan is voorzeker het doel van de(n) schrijver bereikt".
_Daisy E.A. Junius_ in "Nieuw Vrouwenleven": "Over een kleine 150 jaar
gelden alle gekken voor wijzen en alle wijzen voor gekken, zegt men. Is
voor Käthe Sturmfels de vrouw reeds tot dat stadium genaderd?... Men kan
evengoed nalaten dit boekje te lezen als men kan nalaten "De Roofridder"
te gaan zien".
_Telegraaf_: "Is het niet of grootmoeder het zegt, in een vertrek met
den eigenaardigen geur van lodderijn- en snuifdoos? Staat geheel buiten
de werkelijkheid. Een praatje uit grootmoeders tijd".
_Tijdspiegel_: "De horizon van de schrijfster is nog al beperkt".
_Herman Middendorp_ in "De Vrouw in de XXe eeuw": "Een mal boekje.
Dom, oppervlakkig, eenzijdig, grof, oudbakken en ridicuul. Zeult aan
achter alle cultuur".
Pro:
_Neerlands Damesblad_ (Red. Marie van Amstel): "Dit merkwaardige
boekje behoort in handen te komen van alle denkende vrouwen. Wij hebben
de overtuiging dat het in de hoofden en harten van allen die het lezen
zooveel licht zal ontsteken als noodig is om den weg te beschrijven dien
de denkende man en de echte vrouw in deze tijden hebben op te gaan..."
_De Hofstad_: "Een der weinige wezenlijk zuivere beschouwingen over de
vrouwenbeweging. Dit boekje van 150 blz. weegt tegen centenaarslasten
van werken over de vrouwenbeweging, met al hun wetenschappelijke en
statistische fratsen, op".
_Haarl. Dagblad_: "Zegt herhaaldelijk rake dingen. Een boekje van
beteekenis".
_Maçonniek Weekblad_: "Onderhoudend en niet zonder talent geschreven"
_Schied. Crt._: "Een bizonder, 'n belangrijk boekje".
_Ned Kerkbode_: "'t Is wat hartstochtelijk hier en daar, maar, afgezien
van enkele bijzonderheden, heeft de vrouw die het schreef, _gelijk_".
_Goudsche Crt._: "Ik heb dezer dagen een merkwaardig boekje gelezen. Ik
heb daarin veel leerrijks, veel interessants gevonden en veel dat ons
zoo kalm voor ons weg doet denken: dat heb je 'm nou eens flink gezegd".
_Onze Eeuw_: "Een merkwaardig, een moedig boekje".
_De Avondpost_: "Men weet van ouds dat het "enfant terrible" wonderlijk
juiste dingen kan zeggen, omdat het dingen zegt die een ander geleerd
heeft voorzichtiger te formuleeren, zoo niet voor zich te houden. Er is
in de boutades van K.S. een jeugdige frischheid welke prettig aandoet".
_Soerabaiasch Handelsblad_: "Een "brutaal" boekje, dat juist door deze
eigenschap bekoorlijk wordt en den lezer sympathiek. Die arme Käthe
Sturmfels wordt natuurlijk door veel dames "met den nek aangezien". Maar
de zuiver denkende mannen met een gezond idealisme drukken die Käthe
bemoedigend de hand".
_Vragen van den Dag_: "een met overtuiging, warmte en talent geschreven
pleidooi".
_Dordr. Crt._: "Een flinke daad".
_Leidsch Dagblad_: "Ons moet de opmerking van 't hart, dat wij wenschten
hoe er meer van dit soort boeken geschreven werd".
_Bredasche Crt._: "Een interessant, origineel boek".
_Controleur_: "Stond het ons vrij naar believen een plaats te zoeken, we
zouden in het gezelschap van deze Käthe wel behagen scheppen".
_Nieuwsblad v.h. Noorden_: "Een eigenaardig boek, waarvan we de
overplanting op Nederlandschen bodem niet betreuren.... Het doet hier en
daar denken aan freule de Savornin Lohman. Het zegt heel dikwijls
gezonde dingen in eenvoudige taal en heeft de verdienste dat het tot
nadenken dwingt".
_Nieuwe Haagsche Crt._: "Een voortreffelijk boek. Neem en lees, is de
beste recensie die men schrijven kan".
* * * * *
NIEUW
HAVELOCK ELLIS
De Wereld der Droomen
Met toestemming van den Schrijver in het Nederlandsch vertaald onder
toezicht van en met een inleiding voorzien DOOR Dr. A.W. VAN RENTERGHEM
f 1.90 ingenaaid
f 2.40 gebonden