Erasmus kon zich niet vinden in Luthers wijze van doen. Omdat zij van

een gansch anderen geestes-aanleg waren, viel beider streven maar voor

een klein deel samen. Dat was: de bestrijding van het bederf en de

ontaarding in de kerk. Hierin ging Erasmus onvermoeid voort, zij het dan

niet met eenzelfde kracht, met gelijken gloed van heilige overtuiging

als Luther. Tot handelen kwam hij niet. Hij puntte zijn pijlen, om ze

tegen de vele misbruiken te richten, die hem ergerden. Zoo verscheen in

deze periode, waarin de Reformatie doorwerkte, één zijner geschriften,

dat een ontzaglijke bekendheid verwierf, n.l. de "Samenspraken"[9].

In den vorm van een latijnsch leerboek, (dat in vele scholen gebruikt en

van buiten geleerd is), behandelen deze samenspraken de meest

verschillende onderwerpen; hierdoor is dit geschrift voor de kennis der

cultuurgeschiedenis, van zeden en gewoonten uit het begin der 16e eeuw

van groot belang. In vloeiend latijn geschreven, vol humor, spot en

sarcasme, maakt het nu eens een woord uit een der classieken, dan een

Schriftwoord, de éene maal een dwaas gebruik, de andere maal een

bijgeloovige dwaasheid, tot onderwerp van bespreking. Niet zelden treft

men toespelingen aan op voorvallen, uit Erasmus' eigen leven, of

toespelingen op bekende tijdgenooten. En ook in dit werk keert zijn spot

en sarcasme zich, zonder haar te sparen, tegen de R. kerk: het vasten,

de zinnelijkheid en baatzucht van vele geestelijken, het bijgeloof, de

heiligen-vereering, en wat niet al, moeten het ontgelden!

Het werk trok sterk de aandacht en werd gretig gelezen door vriend en

vijand. De bekendheid van den schrijver, de meesterlijke wijze waarop

hij het wapen van den spot hanteert, de kettersche meeningen, door de

personen die in de samenspraken optreden, vrijuit verkondigd, werkten

tot de geweldige verbreiding mede. Ongetwijfeld heeft het bijgedragen

tot en zijn beteekenis gehad in de geestelijke worsteling, waardoor

Europa werd geschokt.

Door Erasmus' vijanden werd het beschouwd als een gevaarlijk, kettersch

geschrift. In 1526 werd het door de Parijsche Sorbonne veroordeeld; en

ook de Inquisitie plaatste het op de lijst van verboden boeken.

Aan wien kon Erasmus het wijten, anders dan aan zichzelven, dat hij door

de tegenstanders der Hervorming onder de vrienden van Luther werd

geschaard, ja gerekend onder de aanstichters van deze door de kerk

zoozeer verfoeide beweging?

Erasmus, zoo zeiden zij, had het ei gelegd, door Luther uitgebroed. En

toch, Erasmus wilde tot geen prijs zijne zaak met die van Luther vermengd

zien. Hij was voor de gevolgen daarvan bevreesd, en zag ook voor zijn

eigen persoon gevaar. Hij is niet gesneden van het hout, waarvan

martelaars gemaakt worden. "Anderen mogen", zoo schrijft hij, "het

martelaarschap begeeren, ik acht mij zulk eene eer niet waardig" (Dec.

1520). Elders beklaagt hij zich, dat de Duitschers hem in Luthers zaak

willen betrekken, "een dwaas plan; want des te eerder zouden zij mij van

hem vervreemd hebben. Wat toch zou ik Luther hebben kunnen helpen, indien

ik, als hij gevaar liep, aan zijne zijde was gaan staan, alleen dat er in

plaats van één, twee zouden zijn ondergegaan? Al had hij alles in beter

geest en toon geschreven, ik had toch geen lust mijn hoofd voor de

waarheid te wagen. Niet allen zijn sterk genoeg voor het martelaarschap"

(Juli 1524).

Doch dit is niet het eenige. Hij beseft zelf, en spreekt het soms ook

uit, dat Luther en hij maar weinig gemeen hebben, iets anders bedoelen.

Men moet beider zaak niet in één adem noemen; men wil beiden tegelijk

gaarne treffen, maar hij heeft met Luther niets uitstaande: "wat heeft

de studie en wetenschap met het geloof van doen?" (Nov. 1519).

Hoe meer de toorn tegen Erasmus ontbrandde, en hij, met het toenemen van

de Luthersche Reformatie, voor medeschuldig aan deze beweging werd

aangezien, des te talrijker en krachtiger worden zijne verzekeringen,

dat hij met Luther noch met diens boeken bekend is. In zijne drukke

briefwisseling uit deze jaren, met den paus en allerlei hooge kerkelijke

personages door hem gevoerd, kan men dergelijke betuigingen

herhaaldelijk aantreffen. Aan den paus, Leo X, schrijft hij (Sept.

1520): "Luther ken ik niet, nooit heb ik zijn boeken gelezen, behalve

misschien enkele bladzijden, en dan nog maar terloops, ze doorbladerend".

Wel komt hij, met eenigen schroom, en zonder kracht, eenigszins voor

Luther op. Hij vestigt de aandacht op de ongerijmdheid, dat uitspraken

van Luther als kettersch worden veroordeeld, die in de werken van

Augustinus en Bernhard als rechtgeloovig, ja als vroom gelezen worden.

Hij zegt, in dezen man, die liever terecht gewezen dan vernietigd moest

worden, toch enkele schitterende vonkskens eener evangelische leer te

hebben gevonden. Hij wijst er op, wat, naar zijne meening, eigenlijk

bedoeld wordt met dat woeden tegen Luther; zij die dit doen "kunnen niet

verdragen, dat de letteren en de taalstudie weer tot bloei komen, dat de

classieken weer opleven, die totnutoe van de motten gegeten werden, en

bedolven waren onder het stof".

Doch tegelijk beijvert hij zich, zijne gehoorzaamheid aan de kerk en aan

den paus te betuigen, vooral aan Leo X, aan wiens vroomheid hij

verklaart veel verschuldigd te zijn, en wiens liefde voor de letteren

hij roemt.

Het ligt voor de hand, dat de geestelijkheid gaarne een klaar bewijs zou

zien van deze gezindheid van Erasmus. Hoe kon hij ze beter bewijzen, dan

door tegen Luther te schrijven? Doch daarin toont hij weinig lust. Hij

maakt zich hiervan af: dan zou hij eerst Luthers geschriften met

aandacht en meer dan eens moeten doorlezen; daartoe ontbreekt hem de

tijd, wijl hij met zijn studiën meer dan bezet is. Bovendien zou het

voor zijn geringe geleerdheid en geest een te zware taak zijn, en wilde

hij aan de Academies, tot wier terrein zoo iets zou behooren, die eer

niet ontrooven. En eindelijk hij was bevreesd, den haat van zoovele

machtige mannen zich op den hals te halen, voornamelijk daar niemand hem

met zulk een werk belast had.

Toch zou het oogenblik kunnen komen, dat hij zich hieraan niet kon

onttrekken. Indien de keizer het hem opdroeg, zou hij niet kunnen of

durven weigeren. De mogelijkheid hiervan, en ook de bestrijding, die hij

te Leuven had te verdragen van de zijde der geestelijkheid, baarde hem

zorg. Om zich hieraan te onttrekken, en om de kans te ontloopen,

gedwongen te worden tot het opnemen van de pen tegen Luther, verliet hij

Leuven, en vertrok in het najaar van 1521 naar Bazel.

Maar ook daar zou eene gewenschte rust zijn deel niet zijn. Hevige

aanvallen van zijn kwaal, een ziekte van de spijsverteringsorganen,

kwelden hem, en deden hem sterk vermageren. Een reis naar Rome, waarheen

hij op weg was, moest hij om een dergelijken aanval opgeven; van

Constanz keert hij weer naar Bazel, in plaats van door te reizen naar Rome.

Intusschen blijft hij onvermoeid aan den arbeid. Maar voor een schrijven

tegen Luther was hij nog niet te vinden. Paus Adriaan VI, na Leo's dood

tot paus verkozen, en uit Leuven met Erasmus bekend, deed hem het

verzoek de pen tegen Luther op te nemen, en naar Rome te komen. Het

laatste wijst Erasmus af met beroep onder anderen op zijne gezondheid,

en ook van het eerste weet hij zich met zeer vernuftige redenen te ontslaan.

Doch nu zou een andere moeilijkheid hem ontmoeten. En wel door toedoen

van den bekenden humanist Ulrich von Hutten, die telkens poogde Erasmus

tot een krasser optreden tegen den paus en de kerk te bewegen. Reeds had

von Hutten een schrijven aan den aartsbisschop van Mainz, door Erasmus

hem ter bezorging toebetrouwd, zonder diens medeweten openbaar gemaakt.

Dit had den voorzichtigen en vreesachtigen Erasmus zeer ontstemd, die

van het heftig en ruw optreden van von Hutten bovendien een afkeer had.

Tijdens Erasmus' verblijf te Bazel kwam ook von Hutten daar; doch op een

bezoek van den berooiden, door een nare ziekte bezochten edelman was hij

in 't minst niet gesteld. Waarschijnlijk mede door de dubbeltongigheid

van een zekeren von Eppendorf, die zich in Erasmus' gunst had weten in

te dringen, en zijne zeer hoffelijke boodschappen bij von Hutten

verkeerd overbracht, werd deze zeer verbitterd. Hij liet zich, ook door

Erasmus' verzoek, dat trouwens eer geschikt was om hem te prikkelen dan

hem te kalmeeren[10], niet weerhouden van het schrijven van een heftig

geschrift tegen Erasmus, waarin diens verzaken van de Reformatorische

beweging werd aan de kaak gesteld, en in krasse taal zijn vleierij jegens

den paus, zijn vriendschap met mannen als Alexander, den vijand en

tegenstander der Reformatie, over wien hij zich vroeger zoo schamper had

uitgelaten, zijn heulen met de vijanden der nieuwe beweging werden

gehekeld.

Erasmus bleef het antwoord op dezen in Juli 1523 verschenen aanval niet

schuldig. Reeds in September van datzelfde jaar kwam het van de pers,

zeer kort nadat inmiddels von Hutten overleden was, waarvan Erasmus

echter eerst bericht ontving nadat hij zijn antwoord had neergeschreven,

en onmiddellijk vóór de uitgave ervan.

De omstandigheden drongen Erasmus steeds meer terug naar de zijde, die

sommigen hadden gehoopt, dat hij te eeniger tijd zou verlaten, naar den

kant nl. der Roomsche Kerk. Toen Clemens VII in 1524 tot paus was

verheven, schreef Erasmus hem een brief vol vleierij. Wat hij te Bazel

aanschouwt van de werking van "het nieuwe evangelie", doet hem verlangen

naar een plaats, die vrij mocht zijn van menschen, "onbeschaamd,

huichelachtig, verraders, als dit nieuwe evangelie voortbrengt". Wist

hij zulk een plaats, hij zou er heengaan.

Steeds duidelijker wordt, dat voor de Reformatie van Erasmus niets is te

verwachten: hij zal haar zijde nimmer kiezen. Ja, ten laatste wordt hij

nog genoopt tegen Luther en zijn werk te schrijven. Hij doet het in het

geschrift "Van den vrijen wil", waarin hij, tegenover Luthers

voorstellingen, de Pelagiaansche opvatting der wilsvrijheid verdedigt,

(1524), en waarop deze met zijn "Van den knechtelijken wil" antwoordde

(1525). Erasmus' repliek volgde in nog twee geschriften.

Almeer komt hij tusschen twee vuren. In de Nederlanden hield men hem

voor een Lutheraan, in Duitschland voor 'n hevig Anti-Lutheraan. "Ik

zie", zoo schrijft hij, "dat het mijn lot is, terwijl ik beide partijen

van nut tracht te zijn, dat ik door beide gesteenigd word".

Want ook van Roomsche zijde wordt tegen hem gewoed, zóó, dat het hem

verbittert. Van de "theologen en monniken", zegt hij: "dat vee woedt zoo

hardnekkig en dom tegen mij, dat ik, had ik geen steenen gemoed gehad,

door hun haat zelfs in het kamp van Luther had kunnen gedreven zijn".

Tegen Albertus Pius, den vorst van Carpi, tegen de Dominikaners en

Franciskaners van Spanje had hij zich in geschrifte te verweren tusschen

al den arbeid door, dien hij met stalen vlijt bleef verrichten. Zoo

vertaalde hij sommige geschriften van _Origenes_, van _Chrysostomus_,

_Athanasius_ en andere kerkvaders; schreef een dialoog "_over de juiste

uitspraak van het Latijn en het Grieksch_"; in dezen zelfden tijd (1528)

kwam zijn geestige, scherpe dialoog "_Ciceronianus_" van de pers, waarin

het overdreven classicisme der Italiaansche humanisten werd bespot;

bezorgde hij een nieuwe uitgave van _Seneca_, en, meer op aandringen van

den uitgever Frobenius, dan uit sympathie voor _Augustinus_, ook een

druk van diens werken.

Ook te Bazel zelf werd het Erasmus welhaast te benauwd. Wel waren nu

zijn geldelijke omstandigheden van dien aard, dat hij onbekommerd, in

betrekkelijke weelde kon leven. Hij kon zich nu veroorloven in een eigen

huis te wonen, en drie bedienden te houden, waarvan er steeds één op

reis was om een brief te bezorgen, of eenige andere opdracht te

vervullen. Al bleef de keizer vaak in gebreke hem zijn jaargeld te doen

uitbetalen, geldgebrek had hij in dezen tijd geenszins. Behalve geregeld

de jaargelden van zijn Engelsche vrienden Warham en Mountjoy ontving hij

talrijke geschenken, niet zelden in geld, van vorsten, kardinalen,

hertogen, bisschoppen. Twee malen zond paus Clemens VII hem 200

goudguldens. Sigismund I van Polen zond hem een vorstelijk geschenk. De

verkoop van zijn boeken bracht hem steeds meer aan. Bijna geregeld had

hij een of twee jonge mannen van aanzienlijke positie in zijn omgeving,

die van zijn omgang en geleerdheid genoten, het een eer achtten aan

zijne tafel aan te zitten, en de kosten van zijne huishouding hielpen

dragen. Onder hen noemen wij alleen den bekenden Johannes a Lasco, die

aan Erasmus veel te danken had.

Tegenover al dit licht ontbrak evenwel de schaduw niet. Vele vrienden

ontvielen hem door den dood, onder welke het verlies van Frobenius (+

1527) hem zeer diep trof.

Daarbij maakte het veldwinnen van de Hervorming te Bazel het verblijf

voor Erasmus daar niet aangenamer. In den avondmaalsstrijd, die

ontbrandde, scheen hij af te wijken van het gevoelen der R. kerk, en te

neigen tot de meening van Oecolampadius ten aanzien van de wijze, waarop

Christus in het brood en den wijn van het H. Avondmaal tegenwoordig was.

Zijne voorzichtige, soms dubbelzinnige[11] uitingen deden hem

het verwijt niet ontgaan, dat hij het met Oecolampadius wel eens was,

doch er niet voor durfde uitkomen. Aan de andere zijde vraagde de

overheid van Bazel zijn advies, of de verkoop van Oecolampadius' boek

daar al of niet zou worden toegestaan. Een en ander was oorzaak, dat hij

zich niet recht meer op zijn gemak gevoelde. En toen eindelijk te Bazel

de onrust onder het volk toenam, de mis openlijk werd afgeschaft, de

beelden uit de kerken werden verwijderd, achtte hij het beter van

woonplaats te veranderen. Hij koos daartoe _Freiburg_ im Breisgau,

waarheen hij in 1529 vertrok.

Hier bracht hij zijne laatste levensjaren door, af en toe geplaagd door

ongesteldheid en hevige ziekte. Toch rustte zijn arbeid niet. Velerlei

werken van zijne hand verschenen nog, o.a. eene uiteenzetting van de

Apostolische geloofsbelijdenis, van de tien geboden en het Gebed des

Heeren; een klein geschrift over de voorbereiding tot den dood, op

verzoek van Rochford, den vader van de ongelukkige Anna Boleyn,

vervaardigd; een breede verhandeling, aan de hand van Psalm 84, "over de

liefelijke eenheid der kerk" waarin eene uiteenzetting wordt gegeven

over de verschillende ketterijen die de kerk hadden belaagd, en Erasmus

zich, veel scherper dan hij vroeger wel gedaan had[12], over de Arianen

uitspreekt.

Sinds 1534 begon hij hevig aan de jicht te lijden, zoodat hij niet zelf

kon schrijven, maar moest dicteeren. Niettemin slaagde hij er nog in een

werk "Over de kunst van prediken" te voltooien.

In verband met den druk van dit werk vertrok hij naar Bazel, met het

voornemen vandaar naar de Zuidelijke Nederlanden te gaan. Doch hiertoe

zou het niet komen. Zijne krachten waren gesloopt. Een ziekte overviel

hem, die hij niet meer kon doorstaan. Den 12en Juli 1536 overleed hij,

omgeven door een kleinen kring van vrienden, onder aanroeping van den

naam van Christus.

Hij werd in de hoofdkerk van Bazel begraven, ten grave gedragen door de

studenten der universiteit, zijn stoffelijk overschot gevolgd door al

hare professoren.

De door hem bij testament aangewezen erfgenamen zorgden voor een

grafsteen, die de plaats, waar hij begraven ligt, aanwijst, en dezen

Desiderius Erasmus van Rotterdam in een opschrift eert als een

"alleszins zeer groot man, wiens onvergelijkelijke geleerdheid in

allerlei wetenschap het nageslacht zal bewonderen en verkondigen".

* * * * *

Vragen wij thans, na deze vluchtige schets zijner lotgevallen, naar de

beteekenis van dezen groote, één der geleerdste en meest vermaarde

mannen der 16e eeuw, en trachten wij ons een indruk te vormen van den

invloed, op zijn eigen tijd en op het nageslacht uitgeoefend.

Allereerst moet dan gewezen op Erasmus' karakter en geestes-aanleg. Dat

hij een man was vol geest, een liefhebber van scherts, met een scherpe

opmerkingsgave voor het dwaze en lachwekkende in toestanden en personen,

ziet ieder terstond die zijn trekken gadeslaat, zooals Holbein de

jongere ze weergaf. Uit zijn oog spreekt het vernuft, de spotachtige

trek ligt duidelijk geteekend om den mond. Dat die spot wonden kon als

een vlijmende dolk, ondervond o.a. von Hutten, tegen wiens aanval hij

zich in een scherp geschrift teweer stelde, ondervonden ook de

geestelijken, die zich hadden aan te trekken wat hij zoo herhaaldelijk

schreef over de domheid, het formalisme, het bijgeloof, dat in de kerk

zoo velerwegen heerschte. Aan de andere zijde was Erasmus een man van

groote bedeesdheid, uiterst schuchter en verlegen, het liefst rustig

tusschen zijne boeken, de pen in de hand, of in een vertrouwelijk en

onderhoudend gesprek met enkele goede vrienden. Misschien kan zijn

zwakke gezondheid, die hem veel deed lijden en waarover hij in menigen

brief in den breede handelt[13], hierbij voor een deel in rekening

gebracht worden.

Hoe het zij, als een beeld van fieren, nobelen moed staat hij niet voor

ons. Soms durft hij onbeschroomd zelfs den paus raad te geven en te

vermanen, en toont hij tegenover één zijner beschermers, die met zijn

armoede een weinig den spot gedreven had, een fijn eergevoel. Maar bij

andere gelegenheden vloeien zijne brieven aan hooggeplaatsten over van

onwaardige vleierij. En de wijze, waarop hij een enkele maal tegen zijne

bestrijders optreedt, of over zijne tegenstanders zich uitlaat, strekt

hem niet tot eer. Over het feit, dat zijn antwoord op von Hutten's

aanval eerst verscheen na diens dood[14], kan hem geen blaam treffen.

Minder eervol echter is voor hem, dat hij ook den uitgever van von

Hutten's strijdschrift trachtte te achterhalen, en aan de overheid van

Straatsburg, waar de drukker woonde, verzocht dezen te straffen.

Dikwijls is gewezen op een trek in Erasmus' karakter, door sommigen

plooibaarheid, door anderen lafhartigheid en onoprechtheid genoemd. Een

onweersprekelijk feit is, dat hij, vreesachtig als hij was, gaarne

buiten moeite bleef, en dikwijls kans zag uitlatingen, die hem onder

verdenking van ketterij brachten, later weer te verzachten, of geheel te

verloochenen. Weinig nobel was zijn houding jegens den jongen Franschen

edelman Louis de Berquin, een vurig humanist en bewonderaar van Erasmus,

met wien hij in levendige briefwisseling stond. Ten gevolge van zijn

optreden tegen de R. kerk, werd de Berquin in 1529 te Parijs verbrand, na

een beroep gedaan te hebben op Erasmus' tusschenkomst; doch tevergeefs.

En ook dan nog laat Erasmus, in al te groote voorzichtigheid, zich zeer

koel over den vurigen strijder uit. "Over zijne zaak, die mij totaal

onbekend is, kan ik mij niet uitspreken. Heeft hij zijne straf niet

verdiend, ik betreur het; heeft hij haar wel verdiend, zoo betreur ik

het dubbel: want het is nog beter onschuldig dan schuldig te sterven!"

Niet moeilijk zou het zijn voorbeelden aan te halen van de pogingen, die

hij aanwendt, om verklaringen, welke hem gevaarlijk konden worden,

aannemelijk te doen schijnen; van de onoprechte wijze waarop hij zich

uitlaat; van de terughouding, dubbelzinnigheid en tegenstrijdigheid van

menige uitspraak. Niet zelden zijn het onoprechte uitvluchten, waarmede

hij zich tracht te vrijwaren. Wij zouden aan de waarheid te kort doen

door dezen karaktertrek geheel te verzwijgen. Hij is deels een uiting

van vreesachtigheid en deels een gevolg van gemis aan een

diepgewortelde, met heilig vuur verdedigde overtuiging.

Het is dan ook licht te begrijpen, dat men soms niet wist wat men aan

hem had; dat hij bij de Roomsche geestelijken gold voor een aanstichter

der Reformatie, en bij de Lutherschen als een hevig anti-Lutheraan; dat

een man als von Hutten hem verweet, dat hij zich uit vrees en

halfslachtigheid meer en meer aansloot bij de pauselijke partij, terwijl

hij zich toch vroeger zoo kras over den paus, de geestelijken en de

misbruiken der kerk had uitgelaten.

Toch doet men onzes inziens Erasmus geen recht, wanneer men alleen aan

dezen karaktertrek toeschrijft dat hij, naarmate de Reformatie veld won

en de door Luthers optreden ontbrande strijd heftiger ging woeden,

steeds meer zijne gehechtheid aan de Roomsche kerk, zijne gehoorzaamheid

aan den paus uitspreekt. Het is waar, in den loop der jaren en bij den

voortgang der gebeurtenissen worden dergelijke betuigingen menigvuldiger

en duidelijker. En evenzeer is het waar, dat hij door zijn tallooze

hatelijkheden tegen de geestelijkheid, door zijn meedoogenloos bespotten

van de misbruiken in de kerk, niet alleen aan die kerk veel afbreuk

heeft gedaan, maar ook den indruk kon maken aan de zijde der Hervorming

te staan. Doch het is niet juist, te zeggen, dat hij uit vrees of

lafhartigheid is teruggekeerd van een weg, dien hij, om de gevolgen,

niet ten einde durfde loopen, en dat hij, waar hij zijn verknochtheid aan

de R.-Kath. kerk uitspreekt, zijn beginsel zou hebben verloochend of zijn

diepste overtuiging geweld aangedaan. Hij verklaart zelf (in 1525), ten

opzichte van zijne houding jegens de R. kerk en de Reformatie: "tot nog

toe heb ik mij evenmin door vleierij als door dreigingen of door

scheldwoorden van beide partijen van mijn plaats laten dringen. Dat zal

iemand misschien voorzichtigheid noemen, eer dan standvastigheid... Toch,

mijn geweten heeft mij weerhouden, geen vrees". En wij mogen het ervoor

houden, dat hij hierin de waarheid spreekt.

Bovendien ligt in Erasmus' ganschen geestes-aanleg de verklaring voor de

houding, die hij aannam, en die niet aan min-edele motieven

toegeschreven, of louter uit vrees en dubbelzinnigheid mag verklaard

worden. Hem kenmerkt een zekere skepsis, waardoor hij den gloed eener

vaste overtuiging mist. Innerlijk was hij los van de leer der kerk, die

in zijn gemoedsleven geen weerklank vond, en waarvan hij voor zijn

denken evenmin de beteekenis inzag. Zoo kan het gebeuren, dat hij

telkens tot uitingen komt, die hem onder de verdenking van ketterij

brengen, een verdenking, die hij door zijne omzichtige wijze van

uitdrukking weet af te wijzen, en door betuiging van onderworpenheid aan

de kerk en hare leer neutraliseert. En niettemin bleven de monniken hem

beschouwen als hun doodelijken vijand. Zij gevoelden, als bij instinct,

alhoewel hij in zijne afwijkingen van de leer geen vat op zich gaf door

de voorzichtigheid van zijne woordkeus, dat toch de gansche geest van

hetgeen hij leerde aan Rome vijandig was.

Zoo geeselt hij wel misbruiken, en wijst misstanden aan; maar in de

ontaarding, waarop hij zijn aanvallen richt, treft hij de zaken zelf, en

werkt hij ertoe mede dat deze voor veler besef haar beteekenis verliezen.

Zeer sterk komt dit bijv. uit in zijn, in 1524 geschreven boekje over

"de wijze van biechten". Hierin somt hij eerst negen voordeelen op der

biecht, wijdt dan lang uit over de nadeelen en gevaren, die eraan

verbonden kunnen zijn, waarvan hij er eveneens negen opnoemt, om ten

slotte te spreken over de rechte wijze van biechten, en te besluiten met

de woorden: "deze opsomming van de nadeelen strekt niet om van de biecht

af te schrikken, maar opdat wij meer tot ons nut zouden biechten". Doch

de uitwerking van een dergelijke wijze van schrijven moest wel zijn, dat

hij metterdaad van het biechten afschrikte. Niet anders is het in

hetgeen hij schrijft telkens waar hij zich uitlaat over het vasten. Zeer

terecht is dan ook van hem gezegd: "niemand wist beter dan hij

bijgeloovige uitwassen, kerkelijke misbruiken zóó met zijn spot te

treffen, dat ook de zaak zelve, waaraan het misbruik zich had gehecht,

erdoor werd getroffen".

En toch is het geen onoprechtheid, wanneer Erasmus met dat al verklaart,

zich aan de uitspraken en meeningen der kerk te onderwerpen. Zeer scherp

en duidelijk karakteriseert hij zichzelf in de volgende woorden: "ik ben

zóó afkeerig van dogmata, dat ik gemakkelijk zou kunnen overgaan tot het

gevoelen der skeptici, overal waar het door de onaantastbare autoriteit

der H. Schriften en de besluiten der kerk geoorloofd is, aan welke ik

mijn verstand in alle opzichten gaarne onderwerp, hetzij ik begrijp, wat

zij voorschrijft, hetzij ik het niet begrijp".

Hij blijft n.l., al is hij innerlijk los van wat de R. kerk leert, en al

valt zijne innerlijke overtuiging met de leer der kerk volstrekt niet

samen, zich toch geheel bewegen binnen het kader der traditie. Vandaar

dat hij zich gewillig neervleit onder de autoriteit der kerk; de

traditie houdt hem gebonden; hij protesteert heftig en scherp, tast

allerlei misbruik aan, doch mist een eigen uitgangspunt, een

eigensoortig religieus beginsel, waarmede hij zich tegenover de R. kath.

kerk zou kunnen stellen. Zoo keert hij telkens meer, en naarmate hij

ouder wordt, bereidwilliger en gemakkelijker, zich af van de Reformatie,

waartoe hij niet behoort, wendt hij zich heen tot de kerk waarvan hij

zich niet losgemaakt had.

Erasmus Onze Groote Mannen · 第 2 / 4 段