Deze is, volgens het recht van erffenisse, in 's vaders plaats
gekomen; na dat zyn broeder Hendrik zyn recht aan hem by verdrag had
over gedaan.
In den jaare 1501 hebben de Groningers 2000 soldaaten aangenomen,
onder voorwaarde, dat zy hen den Dam zouden helpen winnen, waar
voor zy dan zouden genieten, behalven de plondering, 7000 guldens,
en al het geene dat zy tot dien aanslag noodig zouden hebben. Daar
op zynze den 18de van May met malkander uitgetrokken, en berenden
voorts den Dam aan drie kanten; neemende ondertusschen Delfzyl weg,
en sloegen het daar binnenleggende guarnisoen dood. Vervolgens deeden
zy verscheiden stormen op den Dam, en schooten 'er den brand in:
maar die van binnen zich mannelyk kwytende, sloegen hen t'elkens
af. Ondertusschen quam Graaf Edzard met 4000 mannen over de Eems,
regt uit naar den Dam, stellende zyn krygsvolk, in drieën verdeelt, in
slagorde, met het geschut vooraan, en marcheerde alzo op den weg van
Jukwert, regts tegens hunne vyanden in; waar op het bloedvergieten
aanging, en wierd 'er zo gruwelyk onder de Groningers geslagen,
dat ze den Dam moesten verlaaten, en de vlugtende tot aan Groningen
nagezet; die zo droevig verslagen of in de Damstervaart verdronken,
dat 'er, naar 't zeggen van zommige, 3000 mannen wierden verlooren,
waar onder vier Burgemeesters zoonen van Groningen, als Albert Jarges,
Harmen Jarges, Gosen Schaffer, en Johan Mepsche. Daar na namen de
Saxen het Huis te Mude in, en verbranden eenige molens en kapellen
aan de noordzyde voor Groningen; ook op een na alle de molens en
huizen aan de zuidkant, tot aan de gragtswal.
In den jaare 1502 quam de jonge Hertog van Saxen in Groningerland, by
hem hebbende zes Graaven, veele Edelen, 200 ruiters en 300 soldaaten,
met allerlei veldstukken en bagagie. De eerste nacht bragt hy door
te Aduard, mits naauwe wacht houdende voor de Groningers, hoewel
't bestand noch liep. Van daar trok hy naar den Dam, alwaar hem
de burgers met kruissen en vaanen te gemoet traden, en met veele
eeretekenen in haalden. Zy droegen altemaal vellen op hunne knieën,
ten teeken van onderwerping: waar op de hovelingen uit de Ommelanden,
in den Dam wezende, hem mede huldinge en eed hebben gedaan.
In dezen tyd hebben de Groningers met Hertog Karel van Gelder een
verbond gemaakt; mits dat de wederzydsche burgers in elkanders land
een vryen koophandel zouden mogen dryven.
In den jaare 1504 heeft Graaf Edzard, by de punterbrug, een zeer
sterk kasteel laaten bouwen; 't welk naderhand Weerdenbras genaamt
is geworden.
In den jaare 1505 was te Harlingen een zwaare nood van water, waar door
veele dyken doorbraken. Daar op volgde een groote droogte in den lande,
waar door zwaare branden in de veenen wierden veroorzaakt: als ook
te Hindeloopen, dat met 'er kerk voor 't meerendeel geheel verteerde.
In dit zelve jaar, den 8ste van April, trok een party Groninger burgers
en soldaaten naar Onderdendam, en bragten by hunne te rugkomst 14
Saxische soldaaten en twee boeren gevankelyk mede in Groningen;
waar door het oorlogsvuur weder ontstooken wierd.
Den 20ste dito quam een troup Saxischen uit Aduard, in den nacht, by
de Aa Poort, en verbranden aldaar 8 a 9 huizen. Daar tegen zonden de
Groningers 4 a 500 mannen naar Oosterwyrum en de omleggende plaatzen,
brandende het dorp Heveskes geheel af, en haalden een grooten buit van
ossen, koeyen en schaapen van Wytwert, enz.; alwaar de kerken wierden
aangetast, de goederen daar uit gehaalt, en naar Groningen gevoert.
Den 22ste van Augusty wierden de Groningers en Saxischen te Haren
handgemeen, alwaar de eersten 20, en de laatsten 100 mannen op het
slagveld lieten leggen.
Aldus de oorlog wederom een begin genomen hebbende, droeg de Hertog
van Saxen het veldheerschap op aan Graaf Edzard van Oostfriesland,
en Jonker Vitus, van Draaksdorf, die de Groningers 'er toegangen
zeer naauw lieten bezetten: waar door die van binnen, zich zeer
geprangt vindende, en van alle hulpe ontbloot ziende, wierd het
gemeene volk nochtans, door de onmenschelyke wreedheden der Saxen,
te meer verbittert: waarom de Groningers hunne bescherminge by iemand
wilden zoeken. Hier op verkozenze Graaf Edzard, van Oostfriesland,
voor hunnen Beschermheer; aan wien zy de stad opdroegen; waar van
de artykelen in den jaare 1506, op den 24ste van April, wierden
bezegelt, wordende in dezelve alle de privilegien en vryheden, die
Groningen met haare ingezetenen ooit gehad hadden, behouden. Daar
op quam de Graaf met zyne keurlyke krygsbenden, verzelt met veele
Edelen, naar Groningen af; gaande de Magistraat van de Stad,
benevens de jonge manschap en soldaaten, door de Poele Poort uit,
hem tot aan Ooster Hoogebrug te gemoet, en deeden hem aldaar den
eed van getrouwheid. By de Poele Poort gekomen zynde, ontfong hy uit
handen van Burgemeesteren de sleutels van de stads poorten. Vervolgens
wierd de Graaf met een prachtige staatsie, onder het losbranden van
't kanon, trommen- en trompettengeschal, luiden der klokken, enz.,
ter stad ingehaalt; rydende alzo de Poelestraat door, naar de markt,
alwaar het krygsvolk in volle wapenen, in ryen en gelederen geschaart
stond, tot aan de hoek van de Gelkingestraat, daar het logement voor
hem bereid was. Daags daar aan ging hy in St. Walburgs kerk, alwaar
de burgers hem huldinge, pligt en eed deeden, volgens inhoud van het
accoord. Daar na deed de Graaf een sterk en zwaar kasteel bouwen,
tusschen de Steenstil en Ooster Poort, zynde voorzien met zeer wyde
en diepe gragten en hooge wallen.
In den jaare 1506 quam Hertog Georg in Friesland, en wierd
ingehuldigt. Hy gebood, om over geheel Friesland te gebruiken
de Workumer ellen, het Bolswerder loopen, de Leeuwarder kanne, de
Keulsche wicht; en het Hof van Gerichte, by zynen vader te Franeker
ingestelt, liet hy naar Leeuwarden vervoeren. Daar na liet hy het
Bild allereerst bedyken, na dat het al eenige jaaren goed vast land
was geweest, en by zynen vader Albrecht in eigendom ware genomen,
zonder dat de Staaten des lands daar in bewilligt hadden.
In dezen tyd heeft gemelde Hertog ook de Floreen Rente over den
Lande gestelt, en elk naar hunne schattinge doen betaalen; waarom,
om het zo veel te gemakkelyker in te vorderen, hy het Landschap in
zyne hoofddeelen onderscheiden heeft: die wy nu Grietenyen noemen.
In den jaare 1507 heeft de Hertog van Saxen, na dat Graaf Edzard
Groningen in 't bezit had genomen, groote pretensien van den Graaf
en de Groningers gevordert. Doch deze questien zyn te Constans op
den Ryksdag gebragt, alwaar wederzydsche Gezanten wierden gezonden;
maar naderhand ook te Keulen hervat.
In dit zelve jaar is de vaart van Leeuwarden naar Franeker, en naar
Bolswert begonnen gegraaven te worden.
In den jaare 1508 is Norden, in Oostfriesland, door zyn eigen
vuur voor 't meerendeel verbrand. En op den 16de van October was de
tweede St. Gallus watervloed, welke in Oostfriesland en elders groote
schade veroorzaakte: wordende in de zelve kabeljauw en wytingen voor
Groningen gevangen.
In den jaare 1509, den 26ste van September, was 'er een hooge
watervloed over Friesland, Groningerland, en elders, waar door niet
alleen verscheidene dyken zyn weggespoelt, maar ook veele menschen
en beesten verdronken. By de Dollaart scheurde een stuk lands af, op
welke 10 a 12 zwaare beesten te weiden gingen, van het overige land
in den Oldambte, en dreef over de Dollaart, in Reiderland, alwaar
het vast en behouden bleef zitten; 't welk naderhand een oorzaak van
proces gaf tusschen die van 't verdrevene en 't aangespoelde stuk land.
In den jaare 1511 ontstond 'er te Leeuwarden een zwaare brand, die
wel 200 huizen verteerde.
In den jaare 1512 wierd Koeverden door Roelof van Munster, gewezene
Drost van 't Drenth, met verrassinge ingenomen. Doch zeer kort hier na,
heeft de Bisschop Munster hem wederom belegert, en tot verlaatinge
dier plaats gedwongen; stellende daar doe wederom tot Drost Adolf
van Rechteren.
In den jaare 1513 zond de Keizer Maximiliaan een scherp mandaat aan
Graaf Edzard, hem gebiedende, op zwaare straffe, de stad Groningen
te verlaaten, en dezelve aan den Hertog van Saxen in te ruimen:
doch vrugteloos.
In den jaare 1514, in het begin, deed de Hertog van Saxen, ziende
dat hy 't met die van Groningen niet eens konde worden, een inval in
Oostfriesland, doende allerlei wreedheden van moorden, brandschatten
en branden. Zy belegerden zelfs Lieroort; doch dat zy, na de Hertog
van Brunswyk zyn leeven daar voor had verlooren, moesten verlaaten.
Den 7de van Juny wonnen de Saxen in Groningerland het sterke klooster
Selwert, doende het zelve versterken, en met een sterk guarnisoen
bezetten. Ook hebben zy Delfzyl met geweld ingenomen, slaande aldaar
alles dood dat zy vonden, slegten de werken, en staken het plaatsje
in brand.
Voorts quam Graaf Edzard, na dat hy zyn eigen land tegen de Saxen
had verdedigt, met 700 mannen hulptroepen te Groningen; die op den
volgenden dag buiten de Bottinge Poort met de Saxen slaags raakten,
waar door veelen sneuvelden.
Den 21ste van July, trok de Hertog van Saxen met zyn leger, om
zich aan Groningen en Graaf Edzard te wreeken, voor den Dam, doende
die plaats aan drie zyden belegeren. Daar binnen waren 800 kloeke
welgewapende mannen, een goede meenigte boeren, en een strydbaare
burgerye tot bezettinge. Otto van Diepholt was Commandeur; benevens
hem waren 'er noch eenige dappere Edelen. De belegeraars damden de
slooten, en sloegen by nacht een brug over de vaart: zy aprocheerden,
werkten in de aarde, en schooten met gloeijende kogels hevig op de
stads vesten en poorten. Die van binnen queeten zich dapper: maar de
groote menigte der vyanden stormde op den 3de van Augusty op de drie
poorten te gelyk, met een afgrysselyk geweld: na dat zy t'elkens
waren afgeslagen, met den jongen Hertog van Brunswyk achter hen,
roepende vreesselyk, en dreef zyn volk alzo aan, tot dat zy eindelyk
de belegerden overwonnen, en in de stad quamen; waar op het moorden
aanging, wordende in de eerste furie noch kerken, noch autaaren,
noch kraamhuizen gespaart. De jonge Hertog rende door de straaten,
met het bloote zwaard in de hand, roepende: Sla dood, sla dood, tot
wraake van myn Vader! Veelen zyn op de autaaren, eenige met de beelden
omvat, en andere met het kruisifiks in hunne handen, omgebragt. Eylco
Lewe stond met een lang slagzwaard in zyn hand, en sloeg zo gruwelyk
onder de vyanden, dat 'er veelen met hem gedood wierden. Het getal
der dooden wierd in alles op 1136 gerekent. Omtrent 200 soldaaten
en weinige burgers wierden 'er gevangen genomen; doch 150 waren 'er
reeds in den beginne der overval ontkomen. De Commandant Diepholt,
en noch een Kapitein, wierden gekeetent en gevangkelyk naar Medenblik
gevoert. De vrouwen en kinderen wierden ook gevangen gezet en gepynigt,
om de verborgene schatten aan te wyzen; en daar na naakt en bloot
ter stad uitgejaagt. En de schoonste maagden en jonge vrouwen wierden
door de soldaaten eenigen tyd tot vuile lusten gehouden.
Hier na heeft Graaf Edzard de Regeeringe van Groningen verlaaten:
waar op de Groningers Karel van Egmond, Hertog van Gelderland, voor
hunnen Beschutsheer hebben aangenomen; doende voorts den eed aan zyn
Marschalk Willem van Ojen op den 3de van Novemb. in St. Walburgs kerk.
In den jaare 1515, omtrent Driekoningen Dag, hebben de Saxischen
uit den Dam de kerk en 't geheele dorp Farmsum geplondert en ten
eenemaal verbrand.
Den 17de van Maart namen de Groningers het kasteel of blokhuis by
Aduwarderzyl in, en hebben het ten eenemaal geraseert en geslegt. Ook
hebben zy, met hulpe Van Graaf Edzards volk, Delfzyl met geweld
ingenomen: als mede den Dam, alwaar in 't uittrekken der Saxische
troupen een groot tumult ontstond; want de burgers en eenige soldaaten,
de oude bejegeningen noch in 't hoofd zittende, vielen in hunne
achterhoede, plunderden de bagagie, en ontnamen hun vele goederen.
Daar na quam de zwarte Hoop, zynde een zamengeraapt volk van ruim
5000 koppen, in Friesland vallen; welke alle de dorpen, daarze aan
quamen, in koolen zettede, als mede de steden Workum, Hindeloopen en
Molkwerren ook afbranden.
Ook hebben de Groningers het kasteel Weerdenbras, by de Punterbrug,
ingenomen.
Na dat Hertog Georg in voorige jaaren veel moeite met de Groningers en
Graave van Oostfriesland hadde gehad, en de Graave met de Groningers
hunne gerechtigheid aan Karel, Hertog van Gelderland, overgedraagen
hadden, zo hebben de Gelderschen de Sevenwouden en 't grootste gedeelte
van Westergo met een meenigte van volk afgeloopen. Waar op Georg
van Saxen, geen middel ziende om de Friesen weêr onder zyn geweld te
krygen, uit het land vertrokken is; laatende zynen Stadhouder Everwyn,
Graave van Benthem, alhier.
Ondertusschen maakten de Gelderschen in de Zuidhoek, als te Workum,
Hindeloopen, Molkwerren, Staveren en Slooten, zeilschepen; om in de
Zuiderzee op het ontzet der Hollanders te kruizen: onder dewelke zich
Groote Pier, geboortig van Kimswert, mede begeeven heeft. Deze Groote
Pier was door de Saxischen van alle zyne goederen en welvaart beroofd,
ook hadden zy het dorp, daar hy woonde, in brand gestooken: waarom hy
met een aanhang van meer dan 500 vrienden, op gemelde schepen gegaan
was: en hebbende verscheidene gelukkige zeeslagen met de Hollanders
gehouden, en veele scheepen van hen genomen, zo maakte hy verder de
geheele Zuiderzee vry.
Hertog Georg, veel geld en moeiten te vergeefs verspilt hebbende,
om de Friesen te vermeesteren, droeg, na alle zyne nederlagen, het
erfrecht over aan den Prins van