HET DINER.

Nadat men mw. Jacobs bij haar binnenkomen een welkomstlied had

toegezongen begaf men zich aan tafel. Voor de disch een aanvang nam

verscheen de figuur van Thorbecke op het podium, die met een enkele

toespeling op de actueele politieke verhoudingen, een lofdicht op

de jubilaresse reciteerde, dat veel bijval vond. Vervolgens droeg

mw. Van Wulfften Palthe een berijmd welkom voor, dat eveneens luide

werd toegejuicht.

De tafelpresidente, mej. Rosa Manus, deed voorlezing van een

telegram van gelukwensch van het gemeentebestuur van Sappemeer.

Spr. deelde verder mede dat er een heele stapel telegrafische

gelukwenschen was ingekomen, o.a. van Lady Aberdeen, presidente van

den Internationalen Vrouwenraad, van tal van internationale en Ned.

vereenigingen, van Suze Groeneweg, mevr. Marie van Eysden-Vink,

Rosa de Guchtenaere en vele andere figuren en organisaties uit de

vrouwenwereld in binnen- en buitenland.

Aan dit verslag heb ik weinig meer bij te voegen. Het aantal

telegrammen dat op den feestdag werd ontvangen was zoo groot, dat het

zelfs niet mogelijk bleek om aan den feestdisch meer dan de

allervoornaamste voor te lezen. Enkele zijn hierboven reeds vermeld,

maar laat mij nog mogen verzekeren dat ik bijzonder was getroffen door

de gelukwenschen van den Senaat der Groningsche Universiteit, van het

gemeentebestuur van Sappemeer, en dan van doctoren uit verscheidene

plaatsen, groepsgewijze of afzonderlijk. De toespraak van Dr. Deknatel,

den voorzitter van de Afdeeling ’s Gravenhage van de Maatschappij tot

Bevordering der Geneeskunst, heb ik ten zeerste gewaardeerd, evenals

het mooie bloemstuk dat daarmede gepaard ging. Voor zoover zij niet

reeds op de receptie vertegenwoordigd waren, hadden de meisjesstudenten

aan de verschillende Universiteiten telegraphische gelukwenschen

gezonden. Zoo deden ook bekende persoonlijkheden van wie ik extra

vermelden wil: Mr. J. Limburg, een leider bij zoo menige hervorming

door welke ik mij zijn geestverwante gevoel; van den leider der

S.D.A.P., Mr. P. J. Troelstra en zijne echtgenoote; en van den Heer D.

Hans, voorzitter van den Nederlandschen Journalistenkring. De

voorzitter der Haagsche afdeeling van dien kring, Mr. J. J. van

Bolhuis, was mij persoonlijk komen gelukwenschen. Onder de vele

telegrammen van bekende vrouwen in Nederland, vermeld ik nog

inzonderheid dat van Dr. Mia Boissevain. Zij noemde zich een der velen

die mijn levenswerk in dankbaarheid herdachten en zij sprak daarbij de

hoop uit, dat wat in mijn leven bitter was geweest, door de hulde op

mijn 70sten geboortedag mocht worden verzoet. Buiten de vereenigingen

welke zich lieten vertegenwoordigen, waren er nog vele andere daartoe

niet in de gelegenheid geweest, maar hadden schriftelijk blijken van

sympathie en waardeering gegeven. Onder deze denk ik nu met

ingenomenheid aan organisaties tot welke ik, noch in politieke noch in

godsdienstige overtuiging, kan worden gerekend. Daarbij het

hoofdbestuur van de Vrouwengroep in den Vrijheidsbond, het bestuur van

de Christelijke bewaarschoolhouderessen en de Joodsche Vrouwenraad.

Van de telegrammen uit het buitenland noem ik vóór alle die van: Mrs.

Chapman Catt, die gedurende twintig jaren presidente is geweest van den

Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, en van hare opvolgster in de leiding

van die groote internationale organisatie, Mrs. Corbett Ashbey, van

Lady Ishbel Aberdeen, de presidente van den Internationalen Vrouwenraad

en van het bestuur van dien raad in zijn geheel; van Miss Jane Addams,

de presidente van den Internationalen Vrouwenbond voor Vrede en

Vrijheid, evenals van het bestuur van dien bond. Voorts nog van

tallooze vereenigingen, uit Finland, Denemarken, Noorwegen, van de

Vlaamsche vrouwen uit Gent, uit Hongarije, Tsjecho-Slowakije, uit

Duitschland, Frankrijk, Spanje en Italië.

De stroom van brieven uit ons land en uit den vreemde bevatten

dankbetuigingen voor mijn werk in het algemeen, of voor hetgeen ik in

het bijzonder voor bepaalde organisaties had kunnen doen.

Toen ik den volgenden dag dit alles overzag, vroeg ik mij verwonderd

af: is het wáár dat gij dat alles hebt gedaan? Toen viel mijn oog op

het schilderij dat mij was geschonken, de afbeelding van mijn ouderlijk

huis met de kamer waarin ik als meisje had gestudeerd en had zitten

peinzen over de onzekere toekomst. Was het werkelijk waar, dat alles

wat ik had doorleefd,—en nog veel meer wat in dit boek geen plaats kan

vinden,—zich had afgespeeld? Aldus geheel alleen zittende, na al de

drukte en de overstelpende emoties van den vorigen dag werd ik,

starende naar de afbeelding van het ouderlijk huis, plotseling bevangen

door de innig weemoedige gedachte, dat noch mijne ouders, noch een van

mijn vele broeders en zusters, die zoo dikwijls angst en bezorgdheid

hadden getoond over mijn toekomst, getuigen hadden mogen zijn van dien

voor mij grooten dag! En starende naar de kamer, waarin ik zoo menige

goede les van mijn vader had ontvangen, riep ik hem in gedachte toe:

„Wees gerust, beste vader! Dikwijls hebt U over mij in zorg verkeerd en

gevreesd dat mij door mijn optreden zelfs ernstige gevaren bedreigden.

Voor hetgeen mij thans nog te doen overblijft, is daarvoor waarlijk

geen reden meer. Dank zij Uw hulp en voorlichting, is mijn werk

geslaagd. De vrouwen gaan een betere toekomst tegemoet!”

Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs · 第 32 / 47 题