September 23, 1915

My dear Miss Addams,

I warmly appreciate your kind letter about Dr. Aletta Jacobs. You

may be sure that it gave me great pleasure to meet so interesting a

woman.

Cordially and sincerely yours

(w.g.) Woodrow Wilson.

Miss Jane Addams

Hulls Cove, Maine.

De „Nieuw Amsterdam” van de Holland-Amerika Lijn waarop ik mij den

13den Augustus naar New York had ingescheept, zou mij den 5den October

naar het vaderland terugvoeren. Behalve dat wij bij het begin van de

reis nauwkeurige instructies kregen hoe te handelen als het schip

onverhoeds op een mijn mocht loopen, gebeurde er niets bijzonders tot

wij in de haven van Falmouth voor anker lagen. Daar werden wij om een,

door de Engelsche autoriteiten nooit volkomen opgehelderde reden, een

week lang vast gehouden. Herhaaldelijk werd in dien tijd de boot

doorzocht, van de machinekamer tot het want. De kolenvoorraden haalde

men onderst boven, de kajuiten werden in elk hoekje en gaatje

gerevideerd en onze papieren werden herhaaldelijk van A tot Z

bestudeerd.

Nadat wij zeven dagen achtereen een behoorlijk eind uit den wal voor

anker hadden gelegen, zonder dat het een der opvarenden vergund werd de

boot te verlaten, weerklonk ten langen leste het vertreksignaal. Toen

bereikten wij zonder verdere incidenten de haven van Rotterdam. Zóó

vroeg waren wij binnen, dat ik nog dienzelfden dag aan onze Ministers

van Binnen- en Buitenlandsche Zaken verslag van mijn reis naar Amerika

en mijn bezoek aan President Wilson kon uitbrengen.

Nadien heb ik tijdens de oorlogsjaren mijn krachten in samenwerking met

Rosa Manus gegeven aan den arbeid, voortspruitende uit het in stand

houden van de Liga voor duurzamen vrede.

Nauwelijks echter was de wapenstilstand gesloten of van allen kant

drong men aan op een bijeenkomst van vrouwen. Hoewel ik persoonlijk

meende, dat het niet wel mogelijk zou zijn, zoo spoedig als men

wenschte een goed bezochte conferentie te doen houden, hielp ik van

ganscher harte mede aan het voorbereiden eener bijeenkomst, welke op 5

Mei 1919 te Zürich werd uitgeschreven. Een week voor dien datum begaf

ik mij in gezelschap van de dames C. Ramondt-Hirschmann en F. W. van

Wulfften Palthe-Broese van Groenou naar Zwitserland.

’t Was nog in de dagen dat vooral in Duitschland geen geregelde

treinenloop bestond. Werkstakingen en opstootjes waren aan de orde van

den dag. Vandaar dat wij gaarne van de gelegenheid gebruik maakten, om

in den specialen trein, die in verband met een te Bazel georganiseerde

jaarmarkt, van Arnhem naar Zwitserland zou loopen, plaatsen te

reserveeren. Des ochtends om zes uur vertrokken wij uit Arnhem. In ’t

midden van den vollen trein was voor de drie dames die in gezelschap

van ik weet niet hoeveel heeren, den tocht zouden ondernemen, een coupé

gereserveerd. Wij rekenden al uit dat wij den volgenden ochtend

Zwitserland zouden hebben bereikt, toen de reizigers elkander

vertelden, dat in Duitschland weer eens spoorwegstakingen waren

uitgebroken, met het gevolg dat vooral in de omgeving van het station

Frankfort alles in disorde was.

Toen wij het grensstation Elten bereikt hadden, werd aan de passagiers

medegedeeld, dat de berichten omtrent de werkstaking en de

baldadigheden langs de spoorwegen van dien aard waren, dat de

Hollandsche trein in geen geval verder zou gaan. Men liet de reizigers

de keus, terug te keeren naar de plaats van vertrek of op eigen risico

verder te reizen. Wij drieën, onbewust van wat ons te wachten stond,

waren de eersten die verklaarden de reis te willen voortzetten. Eenige

heeren sloten zich bij ons aan, de groote meerderheid echter keerde

naar Arnhem terug.

Het gezelschap waarmede wij aanvankelijk den tocht voortzetten, werd

aan elk station kleiner, zoodat wij ten slotte met slechts drie heeren

te Frankfort aan kwamen. Wel was de reis bezwaarlijk. Telkens moesten

wij op de koude, tochtige perrons wachten en wachten, tot ten langen

leste een treintje kwam opdagen dat ons weer een eindje verder bracht.

En nooit kon men ons te voren zeggen hoe ver wij zouden komen. Dat hing

geheel af van de willekeur van het personeel. Eindelijk, na vijf dagen

sporens, hadden wij Zürich bereikt. Toen wij ’s middags om vijf uur het

station binnen stoomden, werden wij door onze Amerikaansche vriendin,

Miss Balch, en eenige vrouwen uit Zürich, hartelijk welkom geheeten.

Zij vertelden ons dat in verband met de ontstane moeilijkheden waardoor

het postverkeer totaal ontwricht was, het congres een week was

uitgesteld. Zoowel aan de voorbereidende werkzaamheden als aan die

welke uit het Congres zelve voortvloeiden, heb ik mijn volle kracht

gegeven. Toen echter na afloop der bijeenkomst, volgens een vroeger

genomen besluit, het bureau van Amsterdam naar Genève, den zetel van

den Volkenbond, werd verplaatst, beschouwden Rosa Manus en ik, die

beide verklaard hadden geen bestuursfunctie meer te kunnen aanvaarden,

onze taak in het bestuur als geëindigd.

Intusschen had ik mijn domicilie van Amsterdam naar Den Haag

verplaatst. Nauwelijks uit Zürich in de Nederlandsche residentie

teruggekeerd, bereikte mij de semi-officieele uitnoodiging om met een

of twee door mij zelf aan te wijzen reisgenooten een tocht door

Duitschland te maken, ten einde mij te overtuigen van de funeste

gevolgen, welke de nog steeds niet opgeheven blokkade voor de

volksgezondheid had. De omstandigheid dat men mij allerlei

faciliteiten, waaronder vergoeding van reis- en verblijfkosten aanbood,

was oorzaak, dat ik de invitatie nog even in beraad hield. Wilde ik mij

inderdaad een juist beeld van de heerschende toestanden kunnen vormen,

dan moest ik onafhankelijk mijn onderzoek kunnen instellen.

Terwijl ik nog overlegde hoe ik, zelfstandig optredend, goed

gedocumenteerde gegevens zou kunnen bijeenbrengen aan de hand waarvan

dan eventueel later een hulpactie op touw gezet kon worden, vroeg Miss

Jane Addams mij of ik er iets voor voelde om mij te voegen bij een

commissie, bestaande uit haar zelf, Dr. Alice Hamilton en Miss Carolina

Wood uit Amerika, die in Duitschland gegevens omtrent den heerschenden

voedselnood wilden verzamelen. Tegelijk met dit Amerikaansche

gezelschap zou een commissie van vier leden, gekozen uit de Engelsche

„Society of Friends”, voor hetzelfde doel een reis door Duitschland

maken. Gaarne nam ik dat aanbod aan.

Den zevenden Juli kwamen wij te Berlijn aan en ontmoetten er Dr.

Elisabeth Rotten, de Duitsche vertegenwoordigster van de „Society of

Friends”, die ons als gids en raadgeefster zou dienen. Drie weken

duurde onze tocht. Het mateloos wee van zoovele duizenden, de zee van

ellende waarin gansch een volk was gedompeld, troffen mij zoo, dat ik

niet den moed had om, zooals aanvankelijk in de bedoeling had gelegen,

na Duitschland, ook Oostenrijk-Hongarije te bezoeken. Ik voelde dat

mijn krachten te kort zouden schieten en vond het daarom beter naar het

eigen land terug te keeren en, zoo mogelijk door publicatie van hetgeen

ik had aanschouwd, het publiek te bewegen op uitgebreide schaal aan de

hongerende en uitgemergelde menschen hulp te bieden.

Hoewel ik mijn rapport zoo sober mogelijk had opgesteld, moest ik het,

alvorens het gepubliceerd te krijgen, hier en daar verzachten. Dat de

ellende in Duitschland zulke afmetingen had aangenomen, kon en wilde

men ten onzent toen nog niet begrijpen.

Van alles wat ik had gezien, trof mij het meest den totaal ondermijnden

gezondheidstoestand van het komende geslacht. Wat moest er van die

lichamelijk volkomen uitgeputte kinderen terecht komen? Hoe zou na

verloop van jaren het nageslacht wezen van een natie, voor veertig

procent bestaande uit individuen, die op de een of andere wijze tot de

lijders aan tuberculose moesten worden gerekend?

Behalve dan dat ik overal waar ik mijn schreden richtte, het spook der

ellende moest ontmoeten, had ik in Duitschland het treurig feit

vernomen, dat zeker nog wel een half millioen krijgsgevangenen in

Siberië verbleven. Van velen hunner was sinds maanden, soms zelfs sinds

jaren, geen bericht meer ontvangen. Of zij nog op dit ondermaansche

waren, bleef voor echtgenooten of ouders onbeantwoord. Vervuld van

alles wat ik in het naburige rijk had aanschouwd, was ik in den beginne

mij het tragisch lot dier krijgsgevangenen niet ten volle bewust

geworden. Toen echter enkele maanden later, bij het naderen van den

winter, al de misère waaronder de wereld gebukt ging, mij meer en meer

bezig hield, toen kwam ook bij mij de herinnering op aan die

ongelukkigen, die in de koude, onherbergzame streken van Siberië,

oogenschijnlijk door ieder vergeten, hunne levensdagen sleten.

In November 1913 had mijn weg mij van Japan naar Duitschland gevoerd.

Ik doorkruiste op die reis Siberië en duidelijk stond mij den

ontzettenden aanblik voor oogen, welke op een der stations een

transport gevangenen, slachtoffers van de toenmalige Russische

regeering, opleverde. Duizenden en duizenden jonge mannen, slachtoffers

van den krankzinnigen oorlog, verkeerden nu in denzelfden toestand. De

gedachte dat voor deze ongelukkigen iets moest worden gedaan, drong

zich steeds sterker aan mij op.

In die gemoedsstemming verkeerde ik, toen eenige vrouwen mij

voorstelden een actie op touw te zetten ten behoeve dier ongelukkigen.

Wij zouden trachten hun thuiskomst te bevorderen. Ik verklaarde mij

bereid de leiding van een dergelijk comité op mij te nemen. Bij de

daaraan verbonden werkzaamheden werd ik van den aanvang af krachtig en

daadwerkelijk gesteund door de dames baronesse W. van Lijnden-von

Schmidt auf Altenstadt en L. Eschauzier-Pabst. Het kostte ons

aanvankelijk veel moeite om de menschen te overtuigen dat in het

onherbergzame Siberië, een jaar nadat de oorlog officieel was

geëindigd, nog minstens een half millioen Duitschers, Oostenrijkers,

Hongaren, Tsjecho-Slowaken en Turken, in ballingschap leefden. Bijna

niemand wist het en toen wij er iets over wilden publiceeren, weigerde

men eerst onze mededeelingen te accepteeren. Dat kon niet waar zijn,

meende men.

Uit Duitschland en Oostenrijk had ik ondertusschen de officieele

gegevens daarover ontvangen en wekelijks werd ik van daar op de hoogte

van den stand van zaken gehouden.

Ons eerste werk was om over de geheele wereld de verschillende

vrouwenorganisaties van de feiten op de hoogte te brengen, en aan te

dringen om in eigen land een actie te beginnen teneinde de ongelukkigen

zoo spoedig mogelijk huiswaarts te doen keeren. Vele buitenlandsche

vereenigingen gaven aan onze roepstem gehoor, andere berichtten dat zij

haar aandacht reeds op het vraagstuk hadden gevestigd.

Ons comité belegde openbare vergaderingen, publiceerde telkens opnieuw

de gegevens die wij daartoe uit het buitenland ontvingen en zamelde

geld in, dat zoowel voor warme kleederen als voor den terugtocht der

bannelingen zou dienen.

Toen ten laatste het Internationaal Bureau van het Roode Kruis, tot wie

wij ons ook herhaaldelijk hadden gewend, zich met de zaak ging bemoeien

en Fridjof Nansen, de groote Noor die later zoo oneindig veel voor

hongerend Rusland heeft gedaan, zich tot taak stelde de Siberische

krijgsgevangenen aan hunne gezinnen terug te geven, toen was onze taak

geëindigd en zonden wij de door ons bijeengebrachte gelden aan het

Intern. Bureau van het Roode Kruis.

Mij van deze vrijwillig op mij genomen taak ontheven ziende, nam ik mij

voor, in de toekomst geen arbeid van dergelijken aard meer op mij te

nemen. De jaren deden meer en meer hun invloed gelden. Ik voelde dat

mijn werkkracht, maar meer nog mijn uithoudingsvermogen, gaandeweg

verminderd waren. De vele en sterke emoties welke gedurende de

oorlogsjaren en wellicht nog meer gedurende het daarop onmiddellijk

gevolgde tijdperk, van alle kanten op mij waren aangestormd, hadden

veel te veel van mijn krachten gevergd. In de rustige studeerkamer zou

ik wellicht nog iets kunnen presteeren, in het openbaar leven echter

niet meer. En zoo achtte ik dan den tijd gekomen om wat „herinneringen

uit mijn leven en werken” op papier te zetten. Die arbeid zou mijn

levensavond eenig relief geven; en wellicht konden jongeren met mijne

ervaring hier en daar hun voordeel doen.

Evenwel, wie gedurende vele tientallen jaren aan den weg heeft

getimmerd, verlaat maar al te gaarne het rustige pad dat naar de

afzondering leidt. En zoo kon ik dan ook geen weerstand bieden aan de

verleiding, om deel te nemen aan het in den zomer van dat zelfde jaar

(1920) te Kristiania uitgeschreven Internationaal Congres van den

Internationalen Vrouwenraad. Op deze bijeenkomst, de eerste van den

Internationalen Vrouwenraad sinds het uitbreken van den oorlog, zouden

vele mijner oudere en jongere vrienden uit alle deelen der wereld

bijeenkomen. Toen ik mij dat voorstelde, toen ik dacht aan de velen die

ik zou ontmoeten, besloot ik er heen te gaan. Daardoor zou ik tevens in

de gelegenheid komen om op de doorreis enkele dagen in Duitschland te

blijven, teneinde mij omtrent de economische en hygiënische toestanden

daar te lande opnieuw te oriënteeren.

Zeer duidelijk heb ik toen begrepen, dat dit Rijk met zijn meer dan

zestig millioen inwoners met philanthropie alleen niet te redden was.

Ik vond de bevolking, ik vond ook het land zelf, sinds mijn laatste

verblijf sterk achteruitgegaan, ondanks het feit, dat men overal in de

wereld trachtte den door den oorlog in Duitschland ontstanen nood te

lenigen. Maar tegenover dien inderdaad goed bedoelden steun, stond het

vredesverdrag van Versailles, waaraan haat en wraakzucht ten grondslag

lagen.

Zonder te willen beseffen, dat Duitschland’s vernietiging tevens den

ondergang van het eigen land zou beteekenen, hield het chauvinistische

Frankrijk vast aan den dwazen wensch om Duitschland ten onder te

brengen, omdat het zich anders niet veilig voelde. Wilde er inderdaad

vrede heerschen, dan moest, dat voelde ik in die dagen heel sterk, de

te Versailles gesloten overeenkomst herzien worden.

Het wilde mij voorkomen, dat ook in deze kwestie voor de

vrouwenorganisaties der verschillende landen een taak was weggelegd.

Als zij begonnen met een herziening van de vredesverdragen te eischen,

zouden andere, krachtiger bonden en vereenigingen, daardoor wellicht

worden wakker geschud.

Persoonlijk richtte ik tot verschillende leidende vrouwen en voorts tot

alle mij bekende organisaties van vrouwen, een oproep, waarin ik mijn

denkbeeld uiteenzette. Andere resultaten dan dat verscheidene vrouwen

mij haren individueelen steun toezegden, mocht ik niet bereiken. De

organisaties durfden het plan niet aan. Toch was ik overtuigd dat de

actie véél kans van slagen zou hebben. Ware ik eenige jaren jonger

geweest en had ik mij, wat mijn financiën betreft, ruimer kunnen

bewegen, dan zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben om het risico en

den arbeid voor eigen rekening te nemen. Nu moest ik, noodgedwongen, de

zaak laten rusten, in de hoop dat op het in 1921 te Weenen

uitgeschreven Internationaal Congres van „the Women’s International

League for Peace and Freedom”, mijn denkbeeld een punt van bespreking

zou uitmaken.

Een poging om het plan als voorstel van de Nederlandsche Vereeniging

voor duurzamen vrede op de Congres-agenda geplaatst te krijgen,

mislukte. Vandaar dat ik besloot naar Weenen te gaan, om te zien wat ik

persoonlijk zou kunnen doen. Het toeval was mij gunstig. Op een der

vóórvergaderingen toch wees de presidente, Miss Jane Addams mij aan, om

op het Congres een inleiding te houden over de middelen tot het

voorkomen van oorlog. Beter aanleiding om met mijn denkbeeld voor den

dag te komen, had ik moeilijk kunnen vinden. In een betrekkelijk korte

rede zette ik dan ook uiteen, dat de op dat oogenblik geldende

vredestractaten den duurzamen vrede ernstig bedreigden. Vandaar dat ik

het als den plicht der aangesloten organisaties beschouwde, met alle

ten dienste staande krachten en middelen te ijveren voor een herziening

dier tractaten. Zóó urgent achtte ik deze kwestie, dat m.i. alle andere

arbeid er voor moest wijken.

„Laten wij”, stelde ik voor, „na een jaar lang in alle aangesloten

landen voor ons denkbeeld propaganda te hebben gemaakt, een

internationale conferentie beleggen, waar alle mogelijke organisaties

die in dezen onze opvatting deelen, hun stem kunnen doen hooren”.

Vol geestdrift werd mijn voorstel te Weenen aangenomen, maar daarbij

bleef het. In geen enkel land, ook ten onzent niet, werd aan het plan

een begin van uitvoering gegeven. En tot mijn groote spijt moest ik

constateeren, dat mijn lichamelijke krachten te kort schoten om zelf de

hand aan den ploeg te slaan.

Intusschen werd de toestand in Centraal Europa met den dag hachelijker.

Staatslieden van erkende reputatie, zoo goed als toonaangevende bladen

in alle landen, voorspelden onomwonden dat Europa tot ondergang gedoemd

was. En als een der voornaamste oorzaken van de catastrophe noemden zij

de vredesverdragen met de daaruit voortspruitende consequenties.

Het was in die dagen dat het bestuur van the Women’s International

League for Peace and Freedom, voor zijn jaarvergadering te Freiburg

bijeenkwam. De presidente van de Nederlandsche afdeeling, tevens lid

van het Centraal Bestuur, kreeg de opdracht om er bij de andere

bestuursleden op aan te dringen, zoo spoedig mogelijk een

Internationaal Congres bijeen te roepen met het eenige agendapunt:

Herziening der Vredes-tractaten. De woorden van Mevrouw

Ramondt-Hirschmann vonden weerklank. Na eenige discussie werd besloten

een congres bijeen te roepen, dat evenwel niet herziening der bestaande

tractaten, waarvan men ook bij een eventueele wijziging weinig goeds

verwachtte, maar het sluiten van „een nieuwe vrede” zou bepleiten. Als

plaats van samenkomst werd Den Haag gekozen.

Daar is inderdaad van 7 tot 10 December 1922 over de mogelijkheid om op

andere dan te Versailles aangenomen eischen den vrede te baseeren,

gediscussieerd. Ondanks het slechte jaargetijde voor een zeereis, was

Miss Jane Addams onmiddellijk bereid het verzoek tot haar gericht om

het congres te leiden, in te willigen. Met een groot aantal

Amerikaansche medewerksters stak zij den Oceaan over en kwam tijdig

genoeg in Nederland aan om een deel der voorbereidende werkzaamheden

voor haar rekening te nemen.

Wat mij betreft, ik kon het congres niet veel meer schenken dan mijn

volle sympathie. Van den arbeid aan een dergelijke bijeenkomst

verbonden, kon ik slechts een zeer klein gedeelte verrichten. Ik voelde

maar al te goed, dat voor mij het tijdstip was aangebroken dat ten

opzichte van mijne bemoeiingen in en met het openbare leven, een „tot

hier en niet verder” moest gelden.

Nu ik van mijn werken en streven op pacifistisch gebied een beknopt

overzicht heb gegeven, wil ik aan het slot van dit hoofdstuk even het

voor mij heugelijke feit memoreeren, dat deze tak van arbeid mij, voor

zoover ik weet, geen enkelen vijand heeft bezorgd, maar wel veel, heel

veel lieve vrienden en vriendinnen, aan wie ik menig zonnig oogenblik

dank.

Hoe dankbaar toonen zich nog steeds velen van de vrouwen en meisjes,

die bij het begin van den oorlog op de doorreis hier te lande gestrand,

omdat hare passen niet in orde waren, of omdat zij geen geld meer bij

zich hadden om verder te reizen, of doordat de Vlissingsche booten de

eerstkomende dagen reeds overvuld waren en door tal van andere

onvoorziene omstandigheden, bij mij om hulp kwamen aankloppen. Velen

harer kenden mijn naam uit de internationale vrouwenbeweging, sommigen

hadden een aanbevelingsbrief van vrienden, weer anderen beriepen zich

op wederzijdsche kennissen.

Dank zij de vele relaties die ik in den loop der jaren mocht verwerven,

viel het mij betrekkelijk gemakkelijk aan de gestranden de noodige hulp

te verleenen. Mijn kleine woning was in die dagen vaak een overvol

doorgangshuis, waar vrouwen en meisjes van verschillende nationaliteit,

die elkander te voren nooit hadden ontmoet, zusterlijk een slaapkamer,

soms zelfs een bed deelden. Na enkele dagen toevens waren de

moeilijkheden meestal uit den weg geruimd. Soms was het ontroerend, hoe

niet alleen de belanghebbende zelve, maar later ook hunne familieleden,

uiting gaven aan hun dankbaarheid.

Het zou te ver voeren en het zou bovendien een te persoonlijk karakter

krijgen, wilde ik hier uit de toen en later ontvangen brieven gaan

citeeren. Vandaar dat ik volsta met het weergeven van de volgende

dichtregels, welke mij in het begin van 1923 door een der in de

oorlogsjaren verworven vrienden werden opgedragen, ter gelegenheid van

mijn verjaardag.

Auf neuem Schlag Dein Lebensschifflein gleitet,

Gelassen liegt am Ruder Deine Hand,

Indes ausspähend nach des Friedens Land,

Dein Blick sich höher zu den Sternen weitet.

Du zitterst nicht, und liegt auch ausgebreitet,

Um Dich der Menschen Weh, der Zeiten Schand,

Du weiszt, es löst des bangen Traumes Band,

Die Sonne, die ein Gott am Himmel leitet.

So ziehst Du stark und einsam Deine Kreise,

Ein Morgenhauch umweht Dich, zag und leise,

Und Deutung gibst Du ihm für Dein Geschlecht.

Wir wollen länger Kinder nicht gebären,

Dasz sie in Mord und Hassen sich verzehren,

Wir schaffen ihnen Weisheit, Liebe, Recht.

Frau Dr. Aletta Jacobs in Verehrung und Dankbarkeit dargebracht zum

9. Februar 1923. Franz Wegner.

Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs · 第 21 / 47 题