My dear Miss Addams,
I warmly appreciate your kind letter about Dr. Aletta Jacobs. You
may be sure that it gave me great pleasure to meet so interesting a
woman.
Cordially and sincerely yours
(w.g.) Woodrow Wilson.
Miss Jane Addams
Hulls Cove, Maine.
De „Nieuw Amsterdam” van de Holland-Amerika Lijn waarop ik mij den
13den Augustus naar New York had ingescheept, zou mij den 5den October
naar het vaderland terugvoeren. Behalve dat wij bij het begin van de
reis nauwkeurige instructies kregen hoe te handelen als het schip
onverhoeds op een mijn mocht loopen, gebeurde er niets bijzonders tot
wij in de haven van Falmouth voor anker lagen. Daar werden wij om een,
door de Engelsche autoriteiten nooit volkomen opgehelderde reden, een
week lang vast gehouden. Herhaaldelijk werd in dien tijd de boot
doorzocht, van de machinekamer tot het want. De kolenvoorraden haalde
men onderst boven, de kajuiten werden in elk hoekje en gaatje
gerevideerd en onze papieren werden herhaaldelijk van A tot Z
bestudeerd.
Nadat wij zeven dagen achtereen een behoorlijk eind uit den wal voor
anker hadden gelegen, zonder dat het een der opvarenden vergund werd de
boot te verlaten, weerklonk ten langen leste het vertreksignaal. Toen
bereikten wij zonder verdere incidenten de haven van Rotterdam. Zóó
vroeg waren wij binnen, dat ik nog dienzelfden dag aan onze Ministers
van Binnen- en Buitenlandsche Zaken verslag van mijn reis naar Amerika
en mijn bezoek aan President Wilson kon uitbrengen.
Nadien heb ik tijdens de oorlogsjaren mijn krachten in samenwerking met
Rosa Manus gegeven aan den arbeid, voortspruitende uit het in stand
houden van de Liga voor duurzamen vrede.
Nauwelijks echter was de wapenstilstand gesloten of van allen kant
drong men aan op een bijeenkomst van vrouwen. Hoewel ik persoonlijk
meende, dat het niet wel mogelijk zou zijn, zoo spoedig als men
wenschte een goed bezochte conferentie te doen houden, hielp ik van
ganscher harte mede aan het voorbereiden eener bijeenkomst, welke op 5
Mei 1919 te Zürich werd uitgeschreven. Een week voor dien datum begaf
ik mij in gezelschap van de dames C. Ramondt-Hirschmann en F. W. van
Wulfften Palthe-Broese van Groenou naar Zwitserland.
’t Was nog in de dagen dat vooral in Duitschland geen geregelde
treinenloop bestond. Werkstakingen en opstootjes waren aan de orde van
den dag. Vandaar dat wij gaarne van de gelegenheid gebruik maakten, om
in den specialen trein, die in verband met een te Bazel georganiseerde
jaarmarkt, van Arnhem naar Zwitserland zou loopen, plaatsen te
reserveeren. Des ochtends om zes uur vertrokken wij uit Arnhem. In ’t
midden van den vollen trein was voor de drie dames die in gezelschap
van ik weet niet hoeveel heeren, den tocht zouden ondernemen, een coupé
gereserveerd. Wij rekenden al uit dat wij den volgenden ochtend
Zwitserland zouden hebben bereikt, toen de reizigers elkander
vertelden, dat in Duitschland weer eens spoorwegstakingen waren
uitgebroken, met het gevolg dat vooral in de omgeving van het station
Frankfort alles in disorde was.
Toen wij het grensstation Elten bereikt hadden, werd aan de passagiers
medegedeeld, dat de berichten omtrent de werkstaking en de
baldadigheden langs de spoorwegen van dien aard waren, dat de
Hollandsche trein in geen geval verder zou gaan. Men liet de reizigers
de keus, terug te keeren naar de plaats van vertrek of op eigen risico
verder te reizen. Wij drieën, onbewust van wat ons te wachten stond,
waren de eersten die verklaarden de reis te willen voortzetten. Eenige
heeren sloten zich bij ons aan, de groote meerderheid echter keerde
naar Arnhem terug.
Het gezelschap waarmede wij aanvankelijk den tocht voortzetten, werd
aan elk station kleiner, zoodat wij ten slotte met slechts drie heeren
te Frankfort aan kwamen. Wel was de reis bezwaarlijk. Telkens moesten
wij op de koude, tochtige perrons wachten en wachten, tot ten langen
leste een treintje kwam opdagen dat ons weer een eindje verder bracht.
En nooit kon men ons te voren zeggen hoe ver wij zouden komen. Dat hing
geheel af van de willekeur van het personeel. Eindelijk, na vijf dagen
sporens, hadden wij Zürich bereikt. Toen wij ’s middags om vijf uur het
station binnen stoomden, werden wij door onze Amerikaansche vriendin,
Miss Balch, en eenige vrouwen uit Zürich, hartelijk welkom geheeten.
Zij vertelden ons dat in verband met de ontstane moeilijkheden waardoor
het postverkeer totaal ontwricht was, het congres een week was
uitgesteld. Zoowel aan de voorbereidende werkzaamheden als aan die
welke uit het Congres zelve voortvloeiden, heb ik mijn volle kracht
gegeven. Toen echter na afloop der bijeenkomst, volgens een vroeger
genomen besluit, het bureau van Amsterdam naar Genève, den zetel van
den Volkenbond, werd verplaatst, beschouwden Rosa Manus en ik, die
beide verklaard hadden geen bestuursfunctie meer te kunnen aanvaarden,
onze taak in het bestuur als geëindigd.
Intusschen had ik mijn domicilie van Amsterdam naar Den Haag
verplaatst. Nauwelijks uit Zürich in de Nederlandsche residentie
teruggekeerd, bereikte mij de semi-officieele uitnoodiging om met een
of twee door mij zelf aan te wijzen reisgenooten een tocht door
Duitschland te maken, ten einde mij te overtuigen van de funeste
gevolgen, welke de nog steeds niet opgeheven blokkade voor de
volksgezondheid had. De omstandigheid dat men mij allerlei
faciliteiten, waaronder vergoeding van reis- en verblijfkosten aanbood,
was oorzaak, dat ik de invitatie nog even in beraad hield. Wilde ik mij
inderdaad een juist beeld van de heerschende toestanden kunnen vormen,
dan moest ik onafhankelijk mijn onderzoek kunnen instellen.
Terwijl ik nog overlegde hoe ik, zelfstandig optredend, goed
gedocumenteerde gegevens zou kunnen bijeenbrengen aan de hand waarvan
dan eventueel later een hulpactie op touw gezet kon worden, vroeg Miss
Jane Addams mij of ik er iets voor voelde om mij te voegen bij een
commissie, bestaande uit haar zelf, Dr. Alice Hamilton en Miss Carolina
Wood uit Amerika, die in Duitschland gegevens omtrent den heerschenden
voedselnood wilden verzamelen. Tegelijk met dit Amerikaansche
gezelschap zou een commissie van vier leden, gekozen uit de Engelsche
„Society of Friends”, voor hetzelfde doel een reis door Duitschland
maken. Gaarne nam ik dat aanbod aan.
Den zevenden Juli kwamen wij te Berlijn aan en ontmoetten er Dr.
Elisabeth Rotten, de Duitsche vertegenwoordigster van de „Society of
Friends”, die ons als gids en raadgeefster zou dienen. Drie weken
duurde onze tocht. Het mateloos wee van zoovele duizenden, de zee van
ellende waarin gansch een volk was gedompeld, troffen mij zoo, dat ik
niet den moed had om, zooals aanvankelijk in de bedoeling had gelegen,
na Duitschland, ook Oostenrijk-Hongarije te bezoeken. Ik voelde dat
mijn krachten te kort zouden schieten en vond het daarom beter naar het
eigen land terug te keeren en, zoo mogelijk door publicatie van hetgeen
ik had aanschouwd, het publiek te bewegen op uitgebreide schaal aan de
hongerende en uitgemergelde menschen hulp te bieden.
Hoewel ik mijn rapport zoo sober mogelijk had opgesteld, moest ik het,
alvorens het gepubliceerd te krijgen, hier en daar verzachten. Dat de
ellende in Duitschland zulke afmetingen had aangenomen, kon en wilde
men ten onzent toen nog niet begrijpen.
Van alles wat ik had gezien, trof mij het meest den totaal ondermijnden
gezondheidstoestand van het komende geslacht. Wat moest er van die
lichamelijk volkomen uitgeputte kinderen terecht komen? Hoe zou na
verloop van jaren het nageslacht wezen van een natie, voor veertig
procent bestaande uit individuen, die op de een of andere wijze tot de
lijders aan tuberculose moesten worden gerekend?
Behalve dan dat ik overal waar ik mijn schreden richtte, het spook der
ellende moest ontmoeten, had ik in Duitschland het treurig feit
vernomen, dat zeker nog wel een half millioen krijgsgevangenen in
Siberië verbleven. Van velen hunner was sinds maanden, soms zelfs sinds
jaren, geen bericht meer ontvangen. Of zij nog op dit ondermaansche
waren, bleef voor echtgenooten of ouders onbeantwoord. Vervuld van
alles wat ik in het naburige rijk had aanschouwd, was ik in den beginne
mij het tragisch lot dier krijgsgevangenen niet ten volle bewust
geworden. Toen echter enkele maanden later, bij het naderen van den
winter, al de misère waaronder de wereld gebukt ging, mij meer en meer
bezig hield, toen kwam ook bij mij de herinnering op aan die
ongelukkigen, die in de koude, onherbergzame streken van Siberië,
oogenschijnlijk door ieder vergeten, hunne levensdagen sleten.
In November 1913 had mijn weg mij van Japan naar Duitschland gevoerd.
Ik doorkruiste op die reis Siberië en duidelijk stond mij den
ontzettenden aanblik voor oogen, welke op een der stations een
transport gevangenen, slachtoffers van de toenmalige Russische
regeering, opleverde. Duizenden en duizenden jonge mannen, slachtoffers
van den krankzinnigen oorlog, verkeerden nu in denzelfden toestand. De
gedachte dat voor deze ongelukkigen iets moest worden gedaan, drong
zich steeds sterker aan mij op.
In die gemoedsstemming verkeerde ik, toen eenige vrouwen mij
voorstelden een actie op touw te zetten ten behoeve dier ongelukkigen.
Wij zouden trachten hun thuiskomst te bevorderen. Ik verklaarde mij
bereid de leiding van een dergelijk comité op mij te nemen. Bij de
daaraan verbonden werkzaamheden werd ik van den aanvang af krachtig en
daadwerkelijk gesteund door de dames baronesse W. van Lijnden-von
Schmidt auf Altenstadt en L. Eschauzier-Pabst. Het kostte ons
aanvankelijk veel moeite om de menschen te overtuigen dat in het
onherbergzame Siberië, een jaar nadat de oorlog officieel was
geëindigd, nog minstens een half millioen Duitschers, Oostenrijkers,
Hongaren, Tsjecho-Slowaken en Turken, in ballingschap leefden. Bijna
niemand wist het en toen wij er iets over wilden publiceeren, weigerde
men eerst onze mededeelingen te accepteeren. Dat kon niet waar zijn,
meende men.
Uit Duitschland en Oostenrijk had ik ondertusschen de officieele
gegevens daarover ontvangen en wekelijks werd ik van daar op de hoogte
van den stand van zaken gehouden.
Ons eerste werk was om over de geheele wereld de verschillende
vrouwenorganisaties van de feiten op de hoogte te brengen, en aan te
dringen om in eigen land een actie te beginnen teneinde de ongelukkigen
zoo spoedig mogelijk huiswaarts te doen keeren. Vele buitenlandsche
vereenigingen gaven aan onze roepstem gehoor, andere berichtten dat zij
haar aandacht reeds op het vraagstuk hadden gevestigd.
Ons comité belegde openbare vergaderingen, publiceerde telkens opnieuw
de gegevens die wij daartoe uit het buitenland ontvingen en zamelde
geld in, dat zoowel voor warme kleederen als voor den terugtocht der
bannelingen zou dienen.
Toen ten laatste het Internationaal Bureau van het Roode Kruis, tot wie
wij ons ook herhaaldelijk hadden gewend, zich met de zaak ging bemoeien
en Fridjof Nansen, de groote Noor die later zoo oneindig veel voor
hongerend Rusland heeft gedaan, zich tot taak stelde de Siberische
krijgsgevangenen aan hunne gezinnen terug te geven, toen was onze taak
geëindigd en zonden wij de door ons bijeengebrachte gelden aan het
Intern. Bureau van het Roode Kruis.
Mij van deze vrijwillig op mij genomen taak ontheven ziende, nam ik mij
voor, in de toekomst geen arbeid van dergelijken aard meer op mij te
nemen. De jaren deden meer en meer hun invloed gelden. Ik voelde dat
mijn werkkracht, maar meer nog mijn uithoudingsvermogen, gaandeweg
verminderd waren. De vele en sterke emoties welke gedurende de
oorlogsjaren en wellicht nog meer gedurende het daarop onmiddellijk
gevolgde tijdperk, van alle kanten op mij waren aangestormd, hadden
veel te veel van mijn krachten gevergd. In de rustige studeerkamer zou
ik wellicht nog iets kunnen presteeren, in het openbaar leven echter
niet meer. En zoo achtte ik dan den tijd gekomen om wat „herinneringen
uit mijn leven en werken” op papier te zetten. Die arbeid zou mijn
levensavond eenig relief geven; en wellicht konden jongeren met mijne
ervaring hier en daar hun voordeel doen.
Evenwel, wie gedurende vele tientallen jaren aan den weg heeft
getimmerd, verlaat maar al te gaarne het rustige pad dat naar de
afzondering leidt. En zoo kon ik dan ook geen weerstand bieden aan de
verleiding, om deel te nemen aan het in den zomer van dat zelfde jaar
(1920) te Kristiania uitgeschreven Internationaal Congres van den
Internationalen Vrouwenraad. Op deze bijeenkomst, de eerste van den
Internationalen Vrouwenraad sinds het uitbreken van den oorlog, zouden
vele mijner oudere en jongere vrienden uit alle deelen der wereld
bijeenkomen. Toen ik mij dat voorstelde, toen ik dacht aan de velen die
ik zou ontmoeten, besloot ik er heen te gaan. Daardoor zou ik tevens in
de gelegenheid komen om op de doorreis enkele dagen in Duitschland te
blijven, teneinde mij omtrent de economische en hygiënische toestanden
daar te lande opnieuw te oriënteeren.
Zeer duidelijk heb ik toen begrepen, dat dit Rijk met zijn meer dan
zestig millioen inwoners met philanthropie alleen niet te redden was.
Ik vond de bevolking, ik vond ook het land zelf, sinds mijn laatste
verblijf sterk achteruitgegaan, ondanks het feit, dat men overal in de
wereld trachtte den door den oorlog in Duitschland ontstanen nood te
lenigen. Maar tegenover dien inderdaad goed bedoelden steun, stond het
vredesverdrag van Versailles, waaraan haat en wraakzucht ten grondslag
lagen.
Zonder te willen beseffen, dat Duitschland’s vernietiging tevens den
ondergang van het eigen land zou beteekenen, hield het chauvinistische
Frankrijk vast aan den dwazen wensch om Duitschland ten onder te
brengen, omdat het zich anders niet veilig voelde. Wilde er inderdaad
vrede heerschen, dan moest, dat voelde ik in die dagen heel sterk, de
te Versailles gesloten overeenkomst herzien worden.
Het wilde mij voorkomen, dat ook in deze kwestie voor de
vrouwenorganisaties der verschillende landen een taak was weggelegd.
Als zij begonnen met een herziening van de vredesverdragen te eischen,
zouden andere, krachtiger bonden en vereenigingen, daardoor wellicht
worden wakker geschud.
Persoonlijk richtte ik tot verschillende leidende vrouwen en voorts tot
alle mij bekende organisaties van vrouwen, een oproep, waarin ik mijn
denkbeeld uiteenzette. Andere resultaten dan dat verscheidene vrouwen
mij haren individueelen steun toezegden, mocht ik niet bereiken. De
organisaties durfden het plan niet aan. Toch was ik overtuigd dat de
actie véél kans van slagen zou hebben. Ware ik eenige jaren jonger
geweest en had ik mij, wat mijn financiën betreft, ruimer kunnen
bewegen, dan zou ik geen oogenblik geaarzeld hebben om het risico en
den arbeid voor eigen rekening te nemen. Nu moest ik, noodgedwongen, de
zaak laten rusten, in de hoop dat op het in 1921 te Weenen
uitgeschreven Internationaal Congres van „the Women’s International
League for Peace and Freedom”, mijn denkbeeld een punt van bespreking
zou uitmaken.
Een poging om het plan als voorstel van de Nederlandsche Vereeniging
voor duurzamen vrede op de Congres-agenda geplaatst te krijgen,
mislukte. Vandaar dat ik besloot naar Weenen te gaan, om te zien wat ik
persoonlijk zou kunnen doen. Het toeval was mij gunstig. Op een der
vóórvergaderingen toch wees de presidente, Miss Jane Addams mij aan, om
op het Congres een inleiding te houden over de middelen tot het
voorkomen van oorlog. Beter aanleiding om met mijn denkbeeld voor den
dag te komen, had ik moeilijk kunnen vinden. In een betrekkelijk korte
rede zette ik dan ook uiteen, dat de op dat oogenblik geldende
vredestractaten den duurzamen vrede ernstig bedreigden. Vandaar dat ik
het als den plicht der aangesloten organisaties beschouwde, met alle
ten dienste staande krachten en middelen te ijveren voor een herziening
dier tractaten. Zóó urgent achtte ik deze kwestie, dat m.i. alle andere
arbeid er voor moest wijken.
„Laten wij”, stelde ik voor, „na een jaar lang in alle aangesloten
landen voor ons denkbeeld propaganda te hebben gemaakt, een
internationale conferentie beleggen, waar alle mogelijke organisaties
die in dezen onze opvatting deelen, hun stem kunnen doen hooren”.
Vol geestdrift werd mijn voorstel te Weenen aangenomen, maar daarbij
bleef het. In geen enkel land, ook ten onzent niet, werd aan het plan
een begin van uitvoering gegeven. En tot mijn groote spijt moest ik
constateeren, dat mijn lichamelijke krachten te kort schoten om zelf de
hand aan den ploeg te slaan.
Intusschen werd de toestand in Centraal Europa met den dag hachelijker.
Staatslieden van erkende reputatie, zoo goed als toonaangevende bladen
in alle landen, voorspelden onomwonden dat Europa tot ondergang gedoemd
was. En als een der voornaamste oorzaken van de catastrophe noemden zij
de vredesverdragen met de daaruit voortspruitende consequenties.
Het was in die dagen dat het bestuur van the Women’s International
League for Peace and Freedom, voor zijn jaarvergadering te Freiburg
bijeenkwam. De presidente van de Nederlandsche afdeeling, tevens lid
van het Centraal Bestuur, kreeg de opdracht om er bij de andere
bestuursleden op aan te dringen, zoo spoedig mogelijk een
Internationaal Congres bijeen te roepen met het eenige agendapunt:
Herziening der Vredes-tractaten. De woorden van Mevrouw
Ramondt-Hirschmann vonden weerklank. Na eenige discussie werd besloten
een congres bijeen te roepen, dat evenwel niet herziening der bestaande
tractaten, waarvan men ook bij een eventueele wijziging weinig goeds
verwachtte, maar het sluiten van „een nieuwe vrede” zou bepleiten. Als
plaats van samenkomst werd Den Haag gekozen.
Daar is inderdaad van 7 tot 10 December 1922 over de mogelijkheid om op
andere dan te Versailles aangenomen eischen den vrede te baseeren,
gediscussieerd. Ondanks het slechte jaargetijde voor een zeereis, was
Miss Jane Addams onmiddellijk bereid het verzoek tot haar gericht om
het congres te leiden, in te willigen. Met een groot aantal
Amerikaansche medewerksters stak zij den Oceaan over en kwam tijdig
genoeg in Nederland aan om een deel der voorbereidende werkzaamheden
voor haar rekening te nemen.
Wat mij betreft, ik kon het congres niet veel meer schenken dan mijn
volle sympathie. Van den arbeid aan een dergelijke bijeenkomst
verbonden, kon ik slechts een zeer klein gedeelte verrichten. Ik voelde
maar al te goed, dat voor mij het tijdstip was aangebroken dat ten
opzichte van mijne bemoeiingen in en met het openbare leven, een „tot
hier en niet verder” moest gelden.
Nu ik van mijn werken en streven op pacifistisch gebied een beknopt
overzicht heb gegeven, wil ik aan het slot van dit hoofdstuk even het
voor mij heugelijke feit memoreeren, dat deze tak van arbeid mij, voor
zoover ik weet, geen enkelen vijand heeft bezorgd, maar wel veel, heel
veel lieve vrienden en vriendinnen, aan wie ik menig zonnig oogenblik
dank.
Hoe dankbaar toonen zich nog steeds velen van de vrouwen en meisjes,
die bij het begin van den oorlog op de doorreis hier te lande gestrand,
omdat hare passen niet in orde waren, of omdat zij geen geld meer bij
zich hadden om verder te reizen, of doordat de Vlissingsche booten de
eerstkomende dagen reeds overvuld waren en door tal van andere
onvoorziene omstandigheden, bij mij om hulp kwamen aankloppen. Velen
harer kenden mijn naam uit de internationale vrouwenbeweging, sommigen
hadden een aanbevelingsbrief van vrienden, weer anderen beriepen zich
op wederzijdsche kennissen.
Dank zij de vele relaties die ik in den loop der jaren mocht verwerven,
viel het mij betrekkelijk gemakkelijk aan de gestranden de noodige hulp
te verleenen. Mijn kleine woning was in die dagen vaak een overvol
doorgangshuis, waar vrouwen en meisjes van verschillende nationaliteit,
die elkander te voren nooit hadden ontmoet, zusterlijk een slaapkamer,
soms zelfs een bed deelden. Na enkele dagen toevens waren de
moeilijkheden meestal uit den weg geruimd. Soms was het ontroerend, hoe
niet alleen de belanghebbende zelve, maar later ook hunne familieleden,
uiting gaven aan hun dankbaarheid.
Het zou te ver voeren en het zou bovendien een te persoonlijk karakter
krijgen, wilde ik hier uit de toen en later ontvangen brieven gaan
citeeren. Vandaar dat ik volsta met het weergeven van de volgende
dichtregels, welke mij in het begin van 1923 door een der in de
oorlogsjaren verworven vrienden werden opgedragen, ter gelegenheid van
mijn verjaardag.
Auf neuem Schlag Dein Lebensschifflein gleitet,
Gelassen liegt am Ruder Deine Hand,
Indes ausspähend nach des Friedens Land,
Dein Blick sich höher zu den Sternen weitet.
Du zitterst nicht, und liegt auch ausgebreitet,
Um Dich der Menschen Weh, der Zeiten Schand,
Du weiszt, es löst des bangen Traumes Band,
Die Sonne, die ein Gott am Himmel leitet.
So ziehst Du stark und einsam Deine Kreise,
Ein Morgenhauch umweht Dich, zag und leise,
Und Deutung gibst Du ihm für Dein Geschlecht.
Wir wollen länger Kinder nicht gebären,
Dasz sie in Mord und Hassen sich verzehren,
Wir schaffen ihnen Weisheit, Liebe, Recht.
Frau Dr. Aletta Jacobs in Verehrung und Dankbarkeit dargebracht zum
9. Februar 1923. Franz Wegner.