MIJNE BEMOEIINGEN OP PACIFISTISCH EN ANTI-MILITARISTISCH TERREIN

Antimilitaristische neigingen.—Mijn aanraking met Bertha von

Suttner.—Ontmoeting van William Stead en Björnsterne

Björnson.—Tijdens den Zuid-Afrikaanschen oorlog.—De groote

ontgoocheling.—Het internationale Vrouwencongres in 1915 in Den

Haag gehouden.—Bezoeken bij de regeeringen van verschillende

landen.—Reizen in oorlogstijd.—Naar Amerika.—Congres te Zürich (Mei

1919).—Een studiereis door Duitschland.—Werk ten bate van de

krijgsgevangenen in Siberië.—Nieuwe indrukken in Duitschland in

1920.—Voorstel tot actie voor een herziening der

Vredestractaten.—Het internationale Vrouwencongres in 1922 in Den

Haag.

Hoewel ik noch op pacifistisch, noch op anti-militaristisch gebied

pionierswerk heb verricht, kan ik in alle oprechtheid getuigen, dat ik

steeds van ganscher harte den oorlog heb verfoeid en dat ik nimmer van

het militarisme ook maar iets goeds verwachtte. Waarschijnlijk heb ik

die gevoelens van mijn goeden vader meegekregen. Als kind reeds kon ik

volkomen begrijpen, dat hij de verbintenis, welke hij na het voltooien

van zijn medische studies met het Rijk had aangegaan om als militair

geneesheer op te treden, zoodra de gelegenheid zich daarvoor bood,

verbrak. Het eenig motief trouwens, dat hem er toe had geleid zich

tijdelijk in dienst van het militarisme te stellen, was de hoop om

spoediger dan anders het geval zou zijn geweest, te kunnen trouwen.

Intusschen bleek al aanstonds dat zijn levensbeschouwing met die der

militaire autoriteiten niet de minste overeenkomst bezat en hij zijn

verbintenis zoo spoedig mogelijk moest verbreken.

Nu is het wel merkwaardig, dat niettegenstaande hij zijne kinderen

anti-militaristische ideeën trachtte bij te brengen, drie van zijn zes

zonen de militaire loopbaan hebben gekozen, hoewel hij voor alle zes de

mogelijkheid van een wetenschappelijke opleiding had geopend.

’t Begon met Johan die, door en door militaristisch van aanleg, de

studie in de philosophie liet varen om zich voor den krijgsdienst te

bekwamen. Hij was het die, volkomen te goeder trouw, de jongere broers

en ook de zusters trachtte te doen gelooven, dat bij de gewapende macht

voor een groot deel het heil van het vaderland berustte. Zijn woorden

maakten indruk op twee jongere broers. Staande onder Johan’s invloed en

op een dwaalspoor gebracht door de schoolboeken, waarin immers alleen

militairen als helden werden vereerd, veronderstelden zij dat geen

loopbaan eervoller en voor de gemeenschap heilzamer kon zijn dan de

militaire.

In den aanvang van dit boek vertelde ik reeds, dat één broer, die

aanvankelijk architect zou worden, later te Kampen voor den militairen

dienst werd opgeleid, en dat mijn jongste broer na verloop van tijd dat

voorbeeld volgde.

Hoe dikwijls heb ik met die broeders gediscussieerd over hunne

levensopvatting. Vaak voelde ik mij gedrongen mijn verontwaardiging uit

te spreken over de in mijn oogen menschonteerende militaire discipline,

die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan den meerdere eischt, ook dan

wanneer de lagere in rang, geestelijk verre de meerdere van den

superieur genoemd moest worden.

Dat blindelings gehoorzamen, die onpersoonlijke devotie, was absoluut

in strijd met mijn begrip van eigenwaarde. Mijn toen nog onbewust

democratisch voelen kwam er tegen in opstand, mijn sterk geprononceerde

drang naar vrijheid kon er zich niet mede vereenigen. Telkens wanneer

ik er getuige van was, dat zelfs in de ouderlijke woning de sergeant

gehoorzaamheid eischte van den korporaal, bracht het mijn bloed aan het

koken.

Dat er verband bestond tusschen militarisme en oorlog werd mij

langzamerhand duidelijk tijdens den Fransch-Duitschen oorlog (1870–71),

toen ik, als zooveel andere kinderen, avond aan avond oud linnen

uiteenrafelde dat als pluksel naar de lazaretten van beide landen werd

gestuurd voor de gewonde soldaten. Hoe primitief waren toen nog de

geneeskundige hulpmiddelen, vergeleken met die in den jongsten oorlog.

Toch hebben de mannen der wetenschap bitter weinig kunnen doen om de

mokerslagen van het bruut geweld te verzachten.

Sterk voelde ik in die dagen het onmenschelijke dat aan den oorlog ten

grondslag ligt. Toen later Nederland Atjeh bestookte, heb ik mijn

sympathie voor de Atjehers nooit onder stoelen of banken gestoken en ik

heb steeds geweigerd dien oorlog als een door de omstandigheden

gerechtvaardigd gebeuren te beschouwen.

In dit verband wensch ik gaarne weemoedige hulde te brengen aan wijlen

mijn oudsten broeder Dr. Julius, die reeds in 1895 te Makasser is

overleden. Als officier van gezondheid heeft hij het oorlogsbedrijf in

Atjeh van nabij meegemaakt, maar hij was, desondanks of waarschijnlijk

juist daardoor, vredelievend gezind. Reeds in den tijd toen er geen

woorden genoeg waren om den Atjeher, dien „vuilen sloeber”, neer te

halen en te verguizen, was hij met bewondering voor den heldhaftigen

vijand bezield. Van die oprechte waardeering voor den inlander, zelfs

in oorlogstijd, heeft hij trouwens,—laat het mij even mogen

herinneren,—duidelijke blijken gegeven door een geschrift als „Eenigen

tijd onder de Baliërs” (1883), maar inzonderheid nog door een groot,

medisch-ethnographisch werk, dat door het Kon. Ned. Aardrijkskundig

Genootschap is uitgegeven, over: „Het Familie- en Kampong-leven in

Groot-Atjeh” (Leiden E. J. Brill, 1894). Ik heb hem niet weergezien,

maar ik ben steeds in geregelde briefwisseling met hem gebleven en zoo

kende ik zijn gedachten. Welnu, hij was diep overtuigd dat de onnoodige

oorlog met Atjeh ons land onwaardig was en dat hij alleen om zekere

belangen was doorgedreven.

Pionierswerk, ik zeide het reeds, heb ik als pacifiste niet verricht.

De hier te lande bestaande vredesvereenigingen eischten van hare leden

niet veel meer dan een kleine jaarlijksche contributie. Veel propaganda

werd er niet gemaakt.

In 1898 werd voor het eerst hier te lande een Internationaal

Vredes-Congres gehouden, waarvan ik lid werd. Op dit Congres ontmoette

ik voor het eerst persoonlijk,—briefwisseling had er tusschen ons reeds

bestaan,—de Oostenrijksche vredes-apostel, Bertha von Suttner. Bij die

eerste ontmoeting met de schrijfster van het toen alom gelezen boek

„die Waffen nieder”, verklaarde zij mij onomwonden dat ik haars inziens

op den verkeerden weg was. Aan het vredeswerk moest ik mijn volle

kracht geven, de vrouwen-kiesrecht-propaganda kon ik gevoeglijk aan

anderen overlaten. Dien arbeid achtte zij mijner onwaardig.

Ik voerde daartegen aan, dat Bertha von Suttner’s idealen eerst

werkelijkheid konden worden, als de vrouw hare politieke rechten ten

volle had veroverd. Eerst als niet alleen de stem van den man in de

parlementen werd gehoord zou de vredesgedachte bij de regeeringen

ingang kunnen vinden. Naar mijne meening moesten de vrouwen den

kiesrechtstrijd tot het behalen der overwinning ten einde voeren,

alvorens zij met vrucht aan de vredespropaganda konden medewerken.

Wie het werk van Bertha von Suttner heeft gevolgd en daarnaast ook mijn

staat van dienst kent, zal begrijpen, dat wij elkander niet hebben

overtuigd. Zij bleef het prediken van den wereldvrede als haar taak

beschouwen, ik volgde den eenmaal ingeslagen weg, die naar het

vrouwenkiesrecht leidde.

In den zomer van het jaar 1899 vergezelde ik mijn echtgenoot naar

Christiania, waar hij het congres van de Interparlementaire Unie

bijwoonde. Wij logeerden in hetzelfde hotel waar het echtpaar von

Suttner zijn intrek had genomen en al dadelijk aan het ontbijt

hervatten Frau von Suttner en ik de in Den Haag begonnen discussie over

de vraag, welke kwestie als de meest urgente beschouwd moest worden:

die van het vrouwenkiesrecht of die van den vrede.

Als wij eens een compromis sloten, stelde ik voor. „Gij kunt bij het

propageeren der vredesideeën gemakkelijk een lans breken voor het

vrouwenkiesrecht, terwijl ik bij het verdedigen van het goed recht der

vrouw op politieke gelijkstelling met den man, kan wijzen op het nauwe

verband tusschen dit vraagstuk en dat van den wereldvrede.”

Mijn eminente tegenstandster bleek voor een dergelijk accoord niet te

vinden. Dat was, volgens haar redeneering, een vertroebelen van twee

idealen. „Of gij strijdt voor het vrouwenkiesrecht, of gij strijdt voor

den wereldvrede,” luidde haar opvatting. „Elk dezer ingrijpende

vraagstukken eischt den ganschen mensch, en beide zijn ze te belangrijk

dan dat wij ze en passant kunnen behandelen.”

Zoo bleef de kloof die ons scheidde onoverbrugd. En toen ik tijdens het

Congres de gelegenheid te baat nam om in den kring der vredesapostelen,

waarvan velen invloedrijke regeeringspersonen waren uit verschillende

landen, voor vrouwenkiesrecht te pleiten, haalde ik mij daardoor zelfs

den toorn van Frau von Suttner op den hals.

’t Gebeurde tijdens het groote afscheidsdiner dat het Noorsche bestuur

van de Interparlementaire Unie de buitenlandsche gasten aanbood. Mij

viel de eer te beurt door den Minister van Binnenlandsche Zaken, den

heer Quam, aan tafel te worden geleid, een voorrecht dat ik voor een

niet gering gedeelte dankte aan mijne bekendheid met Mevrouw Quam, die

toen reeds aan het hoofd der vrouwenkiesrechtbeweging in Noorwegen

stond. Waarschijnlijk was mijn positie aan den feestdisch oorzaak, dat

men mij verzocht den dronk te beantwoorden door den president van het

Odelsthing, den heer Horst, gewijd aan de vrouwen, die door hare

aanwezigheid niet alleen blijk hadden gegeven met het doel der

conferentie in te stemmen, maar ook luister hadden bijgezet aan de

feestelijkheden, voortvloeiend uit het Congres. Mijn poging om Bertha

von Suttner de mij opgelegde taak over te dragen, mislukte. Op het

briefje, waarin ik haar verzocht namens de aanwezige vrouwen te

bedanken, volgde een weigerend antwoord. Er restte mij dus niet anders

dan de taak te aanvaarden. Ik begon met den heer Horst dank te zeggen

voor zijn hoffelijke woorden en met de Noorsche commissie voor

ontvangst de erkentelijkheid te betuigen van de vrouwen, die in de

bovenloges van de congreszaal de besprekingen konden volgen en daarbij,

dank zij de vriendelijke attentie der heeren, konden snoepen van

allerheerlijkste bonbons. Daarna wees ik er op, dat geen der

congressisten bij het beramen van middelen om den wereldvrede te

handhaven, gedacht had aan het uitnemende middel, dat invoering van het

vrouwenkiesrecht heette. „Hoe gaarne” zeide ik, „zouden wij vrouwen

zelfs afstand hebben gedaan van de ons ter beschikking gestelde

lekkernijen, indien het ons vergund was geweest om als

gelijkgerechtigden op politiek gebied aan uwe beraadslagingen deel te

mogen nemen.” En ik eindigde met de hoop uit te spreken, dat, wat de

politieke ontvoogding der vrouw betreft, Noorwegen aan de andere

Europeesche rijken een voorbeeld zou geven. Daarmede ware dan tevens

een element in de politiek gebracht, waarvan men veilig mocht aannemen,

dat het eventueele geschillen tusschen de landen niet door het zwaard,

doch door een scheidsgerecht zou laten beslechten.

Mijn speechje oogstte véél bijval. Bertha von Suttner echter toonde mij

onomwonden hare ontevredenheid, omdat ik op een feestmaal van leden

eener vredesconferentie propaganda had gemaakt voor vrouwenkiesrecht.

In haar oogen was ik buiten mijn boekje gegaan. Degenen, wien het

voorrecht ten deel mocht zijn gevallen met Bertha von Suttner in direct

contact te zijn gekomen, behoef ik niet te zeggen, dat haar ontstemming

van voorbijgaanden aard was. De feiten hebben het haar trouwens geleerd

en zij schroomde niet mij dit later ronduit te verklaren, dat alleen

dan wanneer vrouwen directen invloed zouden hebben op de regeering van

het land, oorlogen konden worden voorkomen.

Toen zij, een jaar vóór haar dood, in 1913 in Nederland een

vredesconferentie bijwoonde, mocht ik de voldoening smaken, dat Mevrouw

von Suttner, haar toen reeds wankele gezondheidstoestand ten spijt,

desgevraagd zich bereid verklaarde te Amsterdam op een openbare

vergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht als spreekster op

te treden. Wie zich toen onder haar gehoor bevonden, zullen zich

ongetwijfeld haar schitterend pleidooi voor de politieke ontvoogding

der vrouw herinneren. Die zullen ook weten, dat zij toen volmaakt

geloofde in de kracht waarmede de oorlog zou kunnen worden bestreden,

zoodra de vrouwen op politiek gebied niet meer als onmondigen zouden

worden beschouwd.

Onder degenen die mij te Kristiania over mijn speechje kwamen

complimenteeren, bevond zich ook de toen reeds wereldberoemde

journalist William Stead. Millioenen lezers in binnen- en buitenland

volgden in die dagen, volgden ook in latere jaren, steeds met de

grootst mogelijke belangstelling zijn vurige, welsprekende pleidooien

voor een duurzamen vrede, zoo goed als zijn artikelen ten behoeve van

betere strafwetten, of zijn essays over het feminisme.

Mij is Stead een goed vriend geworden met wien ik van onze eerste

ontmoeting af in briefwisseling heb gestaan. De meesten mijner lezers

zullen zich herinneren, dat deze krachtige vredesapostel behoorde tot

de vele passagiers, die op weg van de oude naar de nieuwe wereld, in

1912 op den geweldigen stoomer „Titanic”, tengevolge van het in botsing

komen met een drijvenden ijsberg, schipbreuk leden en op den bodem van

de zee hun laatste rustplaats vonden.

Schrijvend over de mannen en vrouwen die aanzaten bij het feestmaal te

Kristiania, verrijst voor mijn geestesoog de figuur van niemand minder

dan Björnsterne Björnson, den grooten Noor, die aan tafel de eigenlijke

feestrede uitsprak, gebaseerd op de leuze: „Wilt gij den oorlog

tegengaan, begin dan met de leugen in de politiek en in de diplomatie

te bestrijden.”

Mijn echtgenoot en mij viel het voorrecht ten deel, dien avond met den

heer en mevrouw Björnson in persoonlijk contact te komen. In den loop

van het gesprek vertelden wij, dat het in onze bedoeling lag na afloop

van het congres nog eenigen tijd in Noorwegen te blijven. Wij wilden

het wondermooie land, dat wij reeds van een vroeger bezoek kenden,

opnieuw bereizen. Nauwelijks had het echtpaar Björnson dat gehoord of

de vriendelijke uitnoodiging volgde om op hun buitenplaats,

boerenhofstede is eigenlijk een betere kwalificatie, in Olestad, te

komen logeeren. Daar onze weg ons eenigen tijd later inderdaad naar het

Gausdal voerde, waarin Olestad ligt, schreven wij den heer en mevrouw

Björnson, dat wij van die gelegenheid gebruik wilden maken hen te

bezoeken.

Stel U onze verrassing voor toen wij bij onze aankomst niet alleen de

Nederlandsche vlag van het huis zagen wapperen, maar ook in de eigen

taal, bij de poort vóór het huis, door twee kleinkinderen van onzen

gastheer welkom werden geheeten.

Hoe hartelijk was de ontvangst en hoe heb ik genoten in de woning van

de familie Björnson. Daar, in dat ruime buitenhuis, leerden wij den man

die in Kristiania voortdurend het middelpunt van aller belangstelling

was geweest terdege kennen en waardeeren, niet het minst door de lange

gesprekken welke wij voerden over onderwerpen, die den grooten Noor en

ons even na aan het hart lagen. En juist in die dagen was er zooveel

waardoor deze man die de waarheid boven alles lief had, diep werd

getroffen. Engeland’s optreden in Transvaal maakte de verontwaardiging

gaande van al wie streefden naar waarheid en vrede. In Rennes voerde

men het door Emile Zola aanhangig gemaakte proces tegen den Jood

Dreyfus, op losse gronden beschuldigd van hoogverraad. Eenige keeren

per dag werd Björnson door het Reuter-bureau te Kristiania per telefoon

van den stand van zaken op de hoogte gehouden.

„Hoe staat het in Rennes?” vroeg ik op een keer, nadat hij de hoorn van

de telefoon had opgehangen. En vol verontwaardiging luidde toen het

antwoord: „Geen van de generaals of ex-ministers heeft nog den

zedelijken moed gehad te verklaren, dat hij werd misleid of zich

vergiste. Door in de leugen te volharden trachten zij hun figuur te

redden.”

De leugen was het, die volgens Björnson aan het Dreyfus-proces ten

grondslag lag; ook door de leugen zou de ongelijke strijd tusschen het

machtige Britsche rijk en den kleinen Boerenstaat ontbranden.

Met innig genoegen denk ik nog steeds terug aan mijn verblijf in

Björnson’s omgeving, en gaarne neem ik nu en dan de boeken ter hand die

hij mij bij het afscheid schonk en waarin hij eenige hartelijke woorden

neerschreef.

Nog slechts korten tijd waren wij in het vaderland terug, toen de

oorlog tusschen Engeland en Zuid-Afrika uitbrak. Van mijn sympathie

voor het handjevol dappere Boeren heb ik steeds in het openbaar

getuigd. Zoo vaak de gelegenheid zich voordeed, heb ik in woord en

geschrift hunne belangen bepleit. Toen in dien tijd de Vereeniging

„Vrede door Recht”, die om de vredesboodschap van den toenmaligen Tsaar

van Rusland te herdenken, in alle groote steden van ons land openbare

vergaderingen belegde, mij uitnoodigde om in de hoofdstad zulk een

bijeenkomst voor te bereiden en te leiden, heb ik terstond de

gelegenheid aangegrepen om sterk tegen Engeland’s optreden te

protesteeren. Als zichtbaar resultaat hiervan beschouw ik de weigering

van de Engelsche regeering om mij een pas te geven, toen ik op eigen

kosten en eigen risico naar Zuid-Afrika wilde gaan om aan de vrouwen en

kinderen in de concentratie-kampen medische hulp te verleenen. Ernstig

heb ik mij toen afgevraagd of het niet verstandiger zou zijn geweest

mijn gevoelens minder duidelijk kenbaar te maken. Dan had ik de vrouwen

en kinderen in Transvaal wellicht daadwerkelijke hulp kunnen verleenen,

maar .... honderd tegen één zou men mij toch een paspoort hebben

geweigerd. Engeland had er alle belang bij, zoo weinig mogelijk

buitenstaanders tot de concentratiekampen toe te laten, waar toestanden

heerschten die het Britsche rijk eeuwig tot schande zullen zijn.

Aan pacifistischen arbeid heb ik, in de jaren volgende op dien oorlog,

weinig gedaan. Wel vergezelde ik mijn echtgenoot, zoo vaak hij deelnam

aan de congressen van de Interparlementaire Unie, maar dan was mijn

doel toch steeds het aanknoopen van relaties met parlementsleden in de

verschillende landen, ten einde bij hen het vrouwenkiesrecht te kunnen

propageeren. De excursies en de feestelijke bijeenkomsten, aan die

congressen verbonden, boden daarvoor een geschikte gelegenheid.

Ook een andere reden maakte dat ik voor pacifistische propaganda in

dien tijd niet zoo heel veel voelde. Mijns inziens viel er beter en

vooral urgenter werk te verrichten. De groote mogendheden, dacht ik,

zouden immers geen oorlog durven ontketenen, daar op de medewerking van

het volk als massa niet meer gerekend kon worden. Zóó idealiseerde ik

de volkspsyche, dat ik zelfs in den militairen-staat bij uitnemendheid,

in Duitschland, het volk te ontwikkeld waande om deel te nemen aan een

Europeeschen oorlog. Dat op den Balkan, dat in het Oosten nu en dan nog

oorlogen werden gevoerd, beschouwde ik als een natuurlijk gevolg van de

geringe ontwikkeling in die landen. Door vredespropaganda zou men den

toestand daar niet kunnen veranderen. Daarvoor moest de bevolking eerst

een hoogere trap van beschaving hebben bereikt.

Van het verkeerde mijner opvatting in dezen heeft de droeve

werkelijkheid mij overtuigd. Geen oogenblik nog geloofde ik in de

mogelijkheid van een wereldoorlog, toen een vriendin uit Rusland mij in

het begin van April 1914 schreef, dat men daar te lande bezig was het

volk te mobiliseeren en dat in de politieke kringen, waar zij hare

relaties had, de naaste toekomst met angst en vrees tegemoet werd

gezien. Zóó weinig nam ik haar sombere voorspellingen au sérieux, dat

ik haar in antwoord op haar schrijven, uitnoodigde met mij naar

Scheveningen te gaan. „Door den frisschen zeewind,” schreef ik haar,

„zullen de muizenissen wel uit uw hoofd waaien”.

Ook toen mij omstreeks dienzelfden tijd uit Weenen de raad werd gegeven

de Oostenrijksche papieren, die ik eventueel mocht bezitten, van de

hand te doen, omdat een oorlog dreigde, heb ik dat advies eenvoudig

voor kennisgeving aangenomen.

Het eerste angstgevoel bekroop mij, toen ik kort daarna als

gedelegeerde het internationaal congres van den internationalen

Vrouwenraad te Rome bijwoonde. Met andere afgevaardigden kreeg ik de

waarschuwing om ons op straat bij voorkeur niet van de Duitsche of de

eigen taal, die voor buitenlanders zooveel overeenkomst heeft met het

Duitsch, te bedienen, omdat wij ons daardoor wellicht aan minder

aangename bejegingen zouden blootstellen.

Een verblijf daarna van eenige weken te Capri en Anacapri in gezelschap

van nu wijlen Miss Anna Howard Shaw uit Amerika, de eminente

predikante, van wier welsprekendheid de Hollandsche vrouwen meer dan

eens mochten genieten, en hare huis- en reisgenoote, Miss Lucy E.

Anthony, deed mij intusschen elke gedachte aan een op handen zijnden

oorlog vergeten.

Verkwikt door de Italiaansche reis keerde ik huiswaarts, om spoedig

daarna weer naar Londen te vertrekken, waar begin Juli het

internationaal bestuur van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht met de

presidenten van de vereenigingen uit de aangesloten landen, zou

vergaderen. Geen woord werd op die bijeenkomst over een naderenden

oorlog gerept, zelfs op de thee op het terras van het parlementsgebouw,

ons door Engelsche parlementsleden aangeboden, deed niets aan de

mogelijkheid daarvan denken.

Bij mijn thuiskomst uit Londen vond ik een telegram, meldende dat Olive

Schreiner, uit Zuid-Afrika, de schrijfster van „A story of an African

farm”, „Dreams” en andere wereldberoemd geworden boeken, op de

terugreis van Duitschland, waar zij eenigen tijd had vertoefd, bij mij

voor dien avond en eenige volgende dagen gastvrijheid vroeg. Wat Olive

Schreiner voor haar land is geweest, zullen de ouderen onder mijn

lezers zich ongetwijfeld herinneren. Haar wereldbekenden naam dankt zij

niet alleen aan hare vele belangrijke geschriften, maar ook door haar

moedig gedrag in den Zuid-Afrikaansch-Engelschen oorlog, waarmede zij

zich de sympathie van ontelbaar velen verwierf, doch tevens den haat

der toenmalige Engelsche regeering. Het gevolg was, dat zij door de

Engelsche autoriteiten jaren lang naar een ongezond en onherbergzaam

oord werd verbannen, waar zij het leven van eene gevangene moest leven,

en dat daardoor hare gezondheid werd geknakt.

In plaats van ’s avonds tusschen tien en elf uur, het tijdstip waarop

de trein werd verwacht, kwam mijn gast des nachts te één uur in

Amsterdam aan, zoo hypernerveus, dat ik mij ernstig ongerust maakte

over haar geestestoestand. In Creisau (Silezië) waar zij bij Graaf en

Gravin Von Moltke had gelogeerd, was de aanstaande oorlog het gesprek

van den dag geweest. Bij haar gastheer, neef en erfgenaam van

Duitschland’s grooten veld-maarschalk, werd over niets anders gesproken

dan over de vreeselijke gebeurtenis die onvermijdelijk scheen. Op reis

naar Nederland had de trein aan elk station een lang oponthoud gehad,

omdat de mobilisatie allerwege in vollen gang was. Daardoor had mijn

vriendin in gedachten de verschrikkingen van den oorlog, waarvan zij in

haar vaderland van zoo dichtbij getuige was geweest, als het ware

opnieuw doorleefd.

De kalmte die in mijn woning heerschte, de afleiding die Amsterdam haar

bood, brachten mijn gast langzamerhand weer tot haar zelf, maar toen de

avondbladen van den 31sten Juli 1914 het alarmeerend bericht brachten,

dat ook het Nederlandsche leger mobiel werd gemaakt, besloot zij

onmiddellijk naar Engeland te vertrekken, bevreesd als zij was, haar

vaderland anders niet meer te zullen bereiken.

Den volgenden ochtend vroeg reeds bracht ik haar naar den Vlissingschen

trein. Aan het anders op dien tijd nog stille station heerschte leven

en bedrijvigheid. Mannen die reeds lang den militairen dienstplicht

hadden volbracht, echtgenooten en huisvaders, moesten gevolg geven aan

de roepstem der regeering, moesten huis en hof verlaten om naar de

grenzen te trekken. Diep onder den indruk van den ernst der situatie

namen zij afscheid van hunne gezinnen, die maar al te vaak onverzorgd

achter bleven.

Toen de trein uit het gezicht was verdwenen, wendde ik mij tot de

weenende vrouwen met de bedoeling haar moed in te spreken. Nauwelijks

bemerkten zij dat ik belangstelde in haar lot, of ik werd van alle

kanten met vragen bestormd. In vele gevallen had de man en vader, die

toch niet geheel zonder zakgeld kon heengaan, het den avond te voren

ontvangen weekloon meegenomen, vertrouwend op de overheid, waarvan

immers was gezegd dat zij voor de achterblijvende gezinnen zou zorgen.

En nu vroegen de vrouwen mij, geheel te goeder trouw, waar zij het

toegezegde geld konden halen. Anderen weer wenschten te weten of bakker

en slager, of melkboer en kruidenier haar in afwachting van de eerste

uitkeering, op crediet zouden leveren. De vragen die men mij stelde, de

opmerkingen die werden gemaakt, brachten mij tot het besef dat niet

alleen troost in zieleleed moest worden geschonken, maar dat het wel

degelijk noodig was, middelen te vinden, waardoor terstond in de

allernoodzakelijkste levensbehoeften dezer lieden kon worden voorzien.

Diep onder den indruk van hetgeen ik dien ochtend had aanschouwd en

vernomen, riep ik, thuisgekomen, mijn medebestuursleden van de

Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht terstond voor een dringende

bespreking bijeen. Ik vertelde wat ik enkele uren te voren had

medegemaakt en allen waren het met mij eens, dat getracht moest worden

directe hulp te verleenen. De steun van overheidswege, dat wisten wij

maar al te goed, zou, zelfs indien terstond de voorbereidende

maatregelen werden getroffen, nog wel geruimen tijd op zich laten

wachten.

Ons eerste werk was een brief op te stellen aan de besturen van alle

afdeelingen der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Den leden wijzend op

onzen plicht om zooveel mogelijk de door den oorlogstoestand in Europa

ook ten onzent ontstane ellende te helpen lenigen, verzochten wij haar

de propaganda voor vrouwenkiesrecht voorloopig te staken en zich geheel

te wijden aan het werk tot steunverleening. Wij gaven in die circulaire

de bestuursleden ten deze verschillende wenken. Hoewel het Zondag was,

slaagden wij er in dit schrijven nog dienzelfden dag te laten

multipliceeren, waarna het terstond werd verzonden.

Den volgenden ochtend ging een strooibiljet naar de drukkerij, dat

later op den dag door padvinders en padvindsters in de volksbuurten

werd verspreid. Het was een manifest, gericht aan alle vrouwen die in

moeilijkheden verkeerden, doordat de kostverdiener onder de wapenen was

geroepen. Wij deelden haar mede dat zij zich tot ons konden wenden om

raad en steun, dat wij zelfs bereid waren haar zoo noodig financieel te

helpen.

In de dien dag verschijnende couranten wezen wij op de

noodzakelijkheid, om vrouwen en kinderen die het noodig hadden, zoolang

de overheid nog geen vergoeding uitkeerde, bij te staan en we vroegen

voor dit doel financieele hulp.

Bakkers, kruideniers, melkleveranciers, leiders van gaarkeukens en wie

daarvoor verder in aanmerking kwamen, bereikte het verzoek om

medewerking te willen verleenen, in zooverre dat zij op door ons

geteekende bons artikelen zouden verstrekken, voor welks betaling wij

ons verantwoordelijk stelden.

Tot diep in den avond waren wij met dit werk bezig. Toen wij den

volgenden ochtend den arbeid wilden hervatten, verzocht een andere

groep vrouwen die soortgelijk werk wilden verrichten ons, met haar over

een eventueele samenwerking te confereeren, welke dan ook tot stand is

gekomen.

Eenige maanden heb ik mijne krachten aan dat groote vrouwencomité

gegeven, maar hoewel het niet te loochenen valt dat daardoor veel leed

is verzacht, kon ik mij met dit soort philanthropisch werk op den duur

niet vereenigen. „Hielpen wij, door de gevolgen van den oorlog zooveel

mogelijk te verzachten, eigenlijk niet mede aan het bestendigen van den

gruwelijken, den menschonteerenden toestand?”, vroeg ik mij vaak in

wanhoop af. Dan dacht ik aan de eeuwenoude kathedralen, aan de

kunstschatten en waardevolle bibliotheken, in dollen overwinningsroes

vernield. Dan dacht ik meer nog aan de dooden en verminkten, aan de

duizenden gezinnen, wreed uiteengerukt, aan de kinderen die hun vader,

aan de vrouwen die den echtgenoot verloren door den ijdelen waan van

wie de volkeren regeerden. Steeds duidelijker besefte ik, dat, daar de

mannen door zich in den aanvang van den oorlog tot den militairen

dienst te leenen, het vreeselijk gebeuren mogelijk hadden gemaakt, de

vrouwen wellicht in staat zouden blijken de menschenslachting te doen

eindigen, indien zij eendrachtig weigerden om den door den krijg

ontstanen nood te lenigen en het raderwerk der maatschappij gaande te

houden. Als de vrouwen niet de hand aan den ploeg sloegen, als zij

overeenkwamen géén arbeid, vroeger door mannen verricht, op zich te

nemen, zouden de regeeringen dan niet gedwongen worden het heilloos

bedrijf te staken?

De vrouwen van alle landen wilde ik bijeenroepen voor een gezamenlijk

protest tegen den gruwelijken oorlog. Aan haar was het misschien

gegeven de middelen te vinden, die aan den krijg een einde konden

maken. Als ik, die leefde in een land dat slechts indirect onder de

gevolgen van den wereldstrijd leed, zoozeer de angsten voelde van de

vrouwen in de oorlogvoerende rijken, hoe moesten die dan wel gebukt

gaan onder haar schier ondragelijk lot.

Terwijl ik peinsde over dit probleem en op middelen om mijn plannen te

verwezenlijken, ontving ik einde October 1914 een brief uit Berlijn,

met de mededeeling, dat de Duitsche vrouwen de uitnoodiging om in Juni

1915 in de hoofdstad van haar land bijeen te komen op een congres van

den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, tengevolge van de thans

heerschende omstandigheden, hadden ingetrokken.

Aangezien mij in mijn hoedanigheid van presidente der Vereeniging voor

Vrouwenkiesrecht het bovenstaande werd gemeld, vond ik het noodig

terstond het comité voor buitenlandsche aangelegenheden, uit leden

onzer vereeniging gevormd, bijeen te roepen. Aan de hand van het uit

Berlijn ontvangen schrijven, wees ik op de noodzakelijkheid om zoo

spoedig mogelijk de vrouwen uit de verschillende landen op neutraal

terrein samen te brengen. Na eenige discussie kon het comité zich met

die zienswijze vereenigen. Als resultaat der bespreking, werd begin

November tot het bestuur van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht en

den presidenten der aangesloten vereenigingen een oproep gericht,

waarvan de slotalinea luidde:

„In deze verschrikkelijke tijden, waarin tusschen de verschillende

volken zooveel haat gezaaid wordt, moeten de vrouwen toonen dat zij

ten minste hare solidariteit behouden hebben, en dat zij in staat

zijn wederkeerige vriendschap gaande te houden.

Nu het onmogelijk schijnt het voorgenomen Congres in Berlijn te

houden, stellen wij voor, een bijeenkomst van den Wereldbond in een

neutraal land te houden, waarin alleen de zaken van den Bond

besproken worden, doch waaraan openbare avondvergaderingen worden

verbonden, waarin het vrouweninzicht over den huidigen toestand in

Europa uiteengezet kan worden. Daar Holland een der landen is dat

door de verschillende naties het gemakkelijkst bereikt kan worden,

noodigen wij den Wereldbond uit, dat Congres in ons land te houden.

Wij zijn bereid alle voorbereiding op ons te nemen.”

In een particulier schrijven, dat tegelijk met den officieelen brief

werd verzonden, ondersteunde Miss Crystal Macmillan te Londen, een der

secretaressen van den Wereldbond, ons verzoek. Zij stelde tevens voor,

alle internationale vrouwenorganisaties van onze plannen op de hoogte

te brengen en uit te noodigen tot het bijwonen van het congres, waar

h.i. de vredesvoorwaarden, door verschillende vredesvereenigingen

voorgesteld, ook een punt van bespreking dienden uit te maken.

Al de hiergenoemde brieven en berichten werden in het December-nummer

1914 van „Jus Suffragii” (het maandblad van den Wereldbond voor

Vrouwenkiesrecht) gepubliceerd.

De antwoorden, die ik de eerstvolgende maanden op mijn uitnoodiging

mocht ontvangen, waren weinig bemoedigend. De meeste bestuursleden van

den Wereldbond noemden een congres als door mij werd voorgesteld, een

politieke fout. Anderen spraken van een onzinnig plan. „Wachten tot na

den oorlog” was wel het meest bezadigde advies dat men meende te moeten

geven. Met uitzondering van Miss Macmillan, viel van dien kant op geen

hulp te rekenen. En ook de besturen der aangesloten vereenigingen gaven

weinig hoop, al schreef meer dan één lid: „Persoonlijk voel ik veel

voor Uw denkbeeld, mijn organisatie wil er echter niets van weten.”

Met dat al bracht de in „Jus Suffragii” gepubliceerde uitnoodiging mij

zooveel adhaesiebetuigingen, óók van vrouwen uit de oorlogvoerende

landen, dat ik begreep mijn doel veel eerder en beter te zullen

bereiken, wanneer het congres niet door een bepaalde organisatie, maar

door een aantal vrouwen, los van vereenigingen, werd voorbereid.

Een dergelijke bijeenkomst zou dan volkomen dienstbaar gemaakt kunnen

worden aan een anti-oorlog propaganda, terwijl indien de Wereldbond er

zich voor spande, zakelijke vrouwenkiesrechtbelangen de hoofdschotel

der bespreking moesten vormen, zoodat het protest tegen den oorlog

slechts als bijkomstige omstandigheid zou worden beschouwd. Toen ik dit

denkbeeld ontvouwde, verklaarde het bestuur der Nederlandsche

Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht mij in dezen niet te kunnen steunen,

al voelden enkele bestuursleden individueel véél voor mijn streven.

Ik stond intusschen niet alleen. Zoowel Dr. Mia Boissevain als Mw. Rosa

Manus, twee vrouwen die zich te Amsterdam bij het organiseeren der

belangwekkende tentoonstelling „De Vrouw 1813–1913” bijzonder

verdienstelijk hadden gemaakt, kwamen haar hulp aanbieden. Wij drieën

besloten eenige vrouwen uit de dichtstbij gelegen neutrale en

oorlogvoerende landen, van wier sympathie wij ten volle verzekerd

waren, uit te noodigen tot een op 12 en 13 Februari 1915 te Amsterdam

te houden vóórbespreking. Drie Belgische, vier Duitsche en vijf

Engelsche vrouwen gaven aan onzen oproep gehoor. Bovendien waren uit de

Skandinavische landen vele sympathiebetuigingen ingekomen. Met de

gekomen buitenlandsche vrouwen en eenige landgenooten bereidden wij de

plannen voor. Spoedig bleek ons uit de vele sympathiebetuigingen, welke

van binnen- en buitenlandsche organisaties tot ons kwamen, en toen tal

van vrouwen uit de ons omringende rijken zich tot medewerking bereid

verklaarden, dat een congres als wij hadden beoogd, veel kans van

slagen had. Vandaar dat wij besloten de internationale bijeenkomst zoo

spoedig mogelijk in Den Haag te doen houden. Dr. Anita Augspurg en Lyda

Gustava Heymann, twee voorname figuren uit de Duitsche vrouwenbeweging,

verklaarden zich met Crystal Macmillan en Kate Courtney uit Engeland

bereid om zoo spoedig hare particuliere omstandigheden het

veroorloofden, naar Nederland te komen, ten einde zich met een deel van

het voorbereidende werk te belasten. Van de eigen landgenooten waren

het vooral Jeanne van Lanschot Hubrecht, Cor Ramondt-Hirschmann en

Hanna van Biema-Hijmans, die ons in al het werk trouw ter zijde

stonden. Niet het minst aan deze energieke en talentvolle medewerksters

is het te danken, dat wij ondanks alle moeilijkheden, voor een groot

deel veroorzaakt door het vertraagd postverkeer en doordat de censuur

in de buitenlandsche staten telkens brieven verminkte, zoek maakte of

achterhield, in twee maanden tijds een internationaal Congres konden

voorbereiden, hetwelk door talrijke vrouwen uit niet minder dan twaalf

verschillende landen werd bijgewoond.

Veel sympathiebetuigingen vielen ons in die dagen ten deel, maar

daarnaast, hoe kon het anders in zoo’n felbewogen tijd, stonden wij

voortdurend onder verdenking, door een der oorlogvoerende landen, in

casu Duitschland, te worden betaald. Toch hadden de Engelsche en

Nederlandsche vrouwen zich evengoed als hare Duitsche zusteren

aansprakelijk gesteld voor de congreskosten, voor zoover die niet uit

vrijwillige bijdragen bestreden konden worden. Ondanks dat werd meer

dan eens de legende verkondigd dat wij in dienst van de Duitsche

regeering stonden. Toen het bleek dat wij deze en soortgelijke

verdachtmakingen langs onzen kant lieten gaan, trachtte men ons streven

in een belachelijk licht te plaatsen. Ook dat verminderde onzen ijver

en onze hoop op succes niet. Van den vroegen ochtend tot den laten

avond gaven onze secretaressen zich aan haar waarlijk niet gemakkelijke

taak. Stapels brieven en telegrammen werden elken dag ontvangen en

verzonden en voortdurend gingen nieuwe uitnoodigingen om deel te nemen

aan de besprekingen, de wereld in.

Toen gepubliceerd kon worden, dat een vrouw met wereldreputatie, dat

niemand minder dan Jane Addams, de stichtster van „Hull House” in

Chicago, het congres zou leiden en dat deze bekende pacifiste op haar

reis naar Den Haag door een groote groep Amerikaansche vrouwen

vergezeld zou worden, begrepen onze tegenstanders dat ons streven toch

nog zoo dwaas niet was.

Hoezeer in sommige landen de invloed die van ons congres zou kunnen

uitgaan, werd gevreesd, bleek wel heel duidelijk toen de Engelsche

regeering, acht dagen voor de eerste samenkomst in Den Haag zou plaats

hebben, elke scheepsverbinding met Nederland verbrak, waardoor niet

minder dan 180 Engelsche vrouwen haar besluit om aan de besprekingen

deel te nemen, moesten laten varen. Ook de Fransche vrouwen die over

Engeland ons land moesten bereiken, zagen zich daardoor in hare plannen

gedwarsboomd. Toen het bleek, dat ook de „Noordam” van de

Holland-Amerika Lijn, aan boord waarvan de uit veertig vrouwen

bestaande Amerikaansche delegatie zich bevond, door de Engelsche

maatregelen werd opgehouden, begonnen wij voor het welslagen van het

congres te vreezen. Gelukkig konden echter deze afgevaardigden de

Nederlandsche residentie nog juist vóór de opening van het congres

bereiken. Trouwens, ondanks allen tegenstand van Engeland, was ook dat

land op het congres vertegenwoordigd, niet alleen door Crystal

Macmillan en Kate Courtney die immers aan den voorbereidenden arbeid

hadden deelgenomen, maar ook door Mrs. Pethick Lawrence, die uit

Amerika tot ons was gekomen. Volkomen beseften allen die aan het

congres deelnamen, dat het een heilige plicht was alle krachten in te

spannen om de menschenslachting te doen eindigen, en mee te werken om

het algemeene vernielingswerk tot staan te brengen. Hoewel nog steeds

de oorlogsfakkel werd gezwaaid en alom in de wereld de hartstocht

laaide, werd op het congres geen wanklank vernomen. In volkomen

harmonie werkten de vrouwen uit de oorlogvoerende landen samen,

elkander de zusterhand reikend.

Een speciale commissie voor dat doel ingesteld, had tot taak gekregen

om de resoluties samen te stellen, welke het congres zouden worden

voorgesteld. Aan die werkzaamheden heb ik gaarne deelgenomen. De

resolutie, bevattende den eisch een einde te maken aan den oorlog en

vredesonderhandelingen te openen, gebaseerd op alleszins rechtvaardige

beginselen tegenover alle volkeren, was mij uit het hart gegrepen. En

ook het denkbeeld om afgevaardigden uit neutrale landen te vereenigen

tot een comité van bemiddeling, ’t welk onverwijld aan de

oorlogvoerende landen zijn tusschenkomst zou aanbieden, had mijn

volkomen sympathie. Van de resoluties door ons congres aangenomen,

resoluties gebaseerd op het principe van een rechtvaardigen vrede,

hebben wij later in de bekende veertien punten door president Wilson

gepubliceerd, véél teruggevonden.

Aan het einde van het congres werd besloten, dat een vrouwen-deputatie

de resoluties aan de regeeringen der oorlogvoerende en neutrale landen

zou aanbieden. Een groot gedeelte van dien arbeid zou komen voor

rekening van Miss Jane Addams en mijn persoon. Ons werd opgedragen om

eerst den Nederlandschen Minister-President en het hoofd van het

departement van Buitenlandsche Zaken te bezoeken, en om daarna de

regeeringen van Engeland, Duitschland, Oostenrijk en Hongarije,

Zwitserland, Italië, Frankrijk en België persoonlijk de bedoelingen van

het vrouwencongres kenbaar te maken. Daar ik mij tengevolge van een

ietwat verwaarloosde influenza-aanval minder sterk gevoelde, aanvaardde

ik dankbaar het aanbod van Mevrouw F. W. van Wulfften Palthe-Broese van

Groenou, mijn vriendelijke gastvrouw gedurende den Congres-tijd, om ons

op onze reizen te vergezellen, teneinde zooveel mogelijk voor mijn

comfort te zorgen. En Dr. Alice Hamilton, professor in de sociale

hygiëne aan de Harvard Universiteit (Noord-Amerika), werd bereid

gevonden als gezellin van Miss Jane Addams, den tocht met ons te

ondernemen.

Den vijfden Mei 1915 werden wij door den toenmaligen

Minister-President, Mr. Cort van der Linden, en den Minister van

Buitenlandsche Zaken, Jhr. Loudon, in audiëntie ontvangen. Miss Addams

zette den regeeringsvertegenwoordigers het doel van onze komst uiteen.

Zij legde vooral nadruk op het feit, dat wij het als den plicht der

neutrale landen beschouwden, om aan de strijdende mogendheden hunne

interventie aan te bieden. Wel héél duidelijk bleek in den loop van het

onderhoud, dat Mr. Cort van der Linden tot de meest oprechte pacifisten

mocht worden gerekend. Hoe eerder de oorlog tot een eind gebracht kon

worden, hoe aangenamer het den eerbiedwaardigen grijsaard zou zijn. Aan

die audiëntie terugdenkende, hoor ik Neerland’s toenmaligen

Minister-President op eenigszins korzeligen toon vragen: „Maar zijn in

de oorlogvoerende landen de vrouwen niet even krijgszuchtig als de

mannen,” waarop Miss Macmillan onmiddellijk antwoordde: „De vrouwen in

de oorlogvoerende landen hebben geen stem in de regeering. Van de stem

der vrouwen kan men in dezen dus moeilijk spreken. Wat door de pers

wordt verspreid, is slechts de stem van eenige schreeuwsters”.

Den dertienden Mei 1915 werden wij door den Engelschen Minister van

Buitenlandsche Zaken, Sir Edward Grey, ontvangen. Belangstellend

informeerde deze staatsman naar het aantal Duitsche vrouwen, die aan

het Congres hadden deelgenomen. En ook interesseerde het hem of de

Duitsche regeering deze afgevaardigden geen moeilijkheden in den weg

had gelegd. Ik zette den Minister uiteen dat het in Duitschland de

plaatselijke autoriteiten waren, die over het al of niet verstrekken

van paspoorten beslisten, met het gevolg dat sommige vrouwen wèl en

anderen niet de reis naar Nederland hadden kunnen ondernemen. Ik voegde

er bij dat ik bewondering had voor den moed van haar die uit

Duitschland tot ons waren gekomen, omdat haar ongetwijfeld bij hare

terugkomst een hard lot wachtte.

Sir Edward Grey, nu Viscount Grey, gaf ons zijne meening te kennen, dat

president Wilson, het hoofd der Vereenigde Staten van Noord-Amerika,

bij de vredesonderhandelingen een taak van beteekenis zou kunnen

vervullen.

Nadat Miss Addams den volgenden dag den Minister van Binnenlandsche

Zaken, Mr. Asquith, van onze zending op de hoogte had gebracht, terwijl

ik in een vrouwenvergadering over het Congres en de daar genomen

besluiten het woord had gevoerd, vertrokken wij den vijftienden Mei

weder naar Nederland. Op de boot kregen wij weer eens gelegenheid ons

te overtuigen van de ellendige toestanden welke uit den oorlog

voortvloeiden. Tegelijk met ons reisden eenige jonge vrouwen, sommigen

met babies in den arm en kinderen van drie, vier, vijf jaar bij zich,

enkelen in hoogst zwangeren toestand. Hoewel deze vrouwen geen andere

taal machtig waren dan de Engelsche en zij gedurende haar geheele leven

het Britsche Rijk nooit hadden verlaten, werden zij door haar huwelijk

met Duitschers beschouwd als onderdanen van een vijandig land en

dientengevolge uit haar geboorteland verbannen. Hunne echtgenooten

waren, voor zoover zij zich niet bij het Duitsche leger hadden gevoegd,

op last van de Engelsche regeering naar een der interneeringskampen

gezonden. Eerlijkheidshalve dient in dit verband er op te worden

gewezen, dat ook in andere oorlogvoerende landen soortgelijke

maatregelen ten opzichte der vrouwen waren genomen. Indien ooit dan is

bij deze gelegenheid wel overtuigend gebleken, hoe onhoudbaar een

wettelijke bepaling is, volgens welke de vrouw hare nationaliteit

verliest als zij met een buitenlander trouwt of haar echtgenoot tijdens

het huwelijk van nationaliteit verandert. Verschillende regeeringen

hebben het onrechtvaardige dezer bepaling intusschen ingezien en in

verband daarmede trachten zij de wetten des lands te wijzigen.

Den negentienden Mei gingen wij weder op reis, eerst naar Berlijn. Na

aankomst begaf ik mij terstond naar onzen gezant, teneinde hem mijne

aanbevelingsbrieven te overhandigen. Mijn reisgenoote ging intusschen

naar het Amerikaansche gezantschap. Dank zij de bemoeiingen onzer

officieele vertegenwoordigers, werden wij den daarop volgenden dag

ontvangen door den Minister van Buitenlandsche Zaken, den heer Von

Jagow. Evenals Sir Edward Grey verklaarde ook deze bewindsman, dat

niets hem liever zou zijn dan een spoedige vrede en dat de neutrale

staten met President Wilson aan het hoofd, daartoe het initiatief

dienden te nemen. Uiterst neerslachtig zeide de minister o.a., dat het

thans levend geslacht zijns inziens wel nooit weer aan een oorlog zou

denken, maar dat de militante aard van den man op den duur langs dien

weg toch weder bevrediging zou gaan zoeken.

„Tegen dien tijd”, merkte ik op, „zullen de vrouwen waarschijnlijk wel

overal de macht verkregen hebben om samen met de mannen de regeering te

leiden.”

Onomwonden gaf de heer Von Jagow toe, dat hierin inderdaad hoop voor de

toekomst lag. „Als de betere gevoelens der vrouw tot uiting kunnen

komen in de regeeringskringen, dan zal voor de wereld een betere

toekomst aanbreken”, meende hij.

Den volgenden dag, Zaterdag 22 Mei, verleende de Minister van

Binnenlandsche Zaken, Von Bethmann Hollweg, mijn reisgenoote audiëntie.

Ik kon haar niet vergezellen, omdat onze Gezant daartoe de noodige

stappen nog niet had gedaan. Een „ehrenvollen Frieden für alle Staaten”

achtte Von Bethmann Hollweg het ééne noodige en ook zijn hoop was

daarbij gevestigd op de interventie der neutrale staten.

Den avond te voren, toen Miss Addams een vergadering van den Duitschen

Vrouwenraad bijwoonde, had ik een bezoek gebracht aan den braven,

eerlijken sociaal-democraat, Eduard Bernstein. In zijn grooten

familiekring werd ik hartelijk welkom geheeten. In hem mocht ik een

Duitscher ontmoeten die onbevooroordeeld den toestand bekeek, en zich

daarbij plaatste op een internationaal standpunt.

Den drie en twintigsten Mei vertrokken wij naar Weenen. Dien zelfden

dag was bekend geworden, dat Italië aan de Centrale Mogendheden den

oorlog had verklaard. Onnoodig te zeggen dat geheel Weenen in een staat

van opwinding verkeerde.

Ofschoon het Pinkstermaandag was, meldden wij ons toch den volgenden

dag bij onze Gezanten, die beloofden alles in het werk te zullen

stellen om zoo spoedig mogelijk voor ons een audiëntie te verkrijgen

bij de Ministers van Binnenlandsche en Buitenlandsche Zaken, Graaf von

Stuergkh en Baron Burian. Nog diezelfde week verleenden beide Ministers

ons gehoor. De heeren bleken zeer onder den indruk van de pas ontvangen

oorlogsverklaring. In tegenstelling met staatslieden als Von Jagow en

Sir Edward Grey, waren zij van meening dat niet van President Wilson,

wien de toestanden in de oude wereld vreemd waren, een eventueele

interventie moest uitgaan, doch dat dit op den weg lag van de neutrale

Europeesche Staten. Vooral Graaf von Stuergkh verklaarde onomwonden,

niet te kunnen begrijpen hoe de wereld maar werkeloos kon blijven

toezien, terwijl Europa bezig was zichzelf te vernietigen. Hij dankte

ons voor onze komst en zeide o.a.: „Voor het eerst sinds acht maanden,

heb ik in mijn kabinet weer eens verstandige taal gehoord”.

Dienzelfden avond vertrokken wij over Salzburg en Innsbrück naar Bern,

echter niet dan nadat wij in de Frauenclub een vijftigtal

Oostenrijksche vrouwen, die ons de meest mogelijke belangstelling

schonken, van ons pacifistisch streven op de hoogte hadden gebracht.

In de Zwitsersche hoofdstad zorgde Dr. Gertrud Woker, een in

wetenschappelijke kringen alom bekende vrouw, er voor, dat wij zoowel

door den Minister van Buitenlandsche Zaken, den heer Hoffmann, als door

den President der Republiek, den heer Motta, werden ontvangen. Vooral

met het hoofd van den Zwitserschen Bondstaat, die een uiterst

intelligent en beminnelijk man bleek te zijn, hadden wij een langdurig

en voor ons zeer belangwekkend onderhoud. „Hoe is het mogelijk”, zeide

hij o.a. in den loop van het gesprek, „dat vrouwen in alle

oorlogvoerende landen niet reeds sinds lang in opstand zijn gekomen

tegen het feit, dat hunne mannelijke landgenooten bij duizenden

verminkt en gedood worden!”

Toen wij afscheid namen, drukte de heer Motta ons op het hart in Rome

vooral met den Paus te gaan spreken. „Benedictus XV is een vriend van

mij”, zeide hij, „ik ken hem en ik weet dat hij U zeer gaarne zal

ontvangen”.

Daar het in Zwitserland verboden was in het openbaar den vrede te

propageeren, vroegen wij verlof om in een voor ieder toegankelijke

vrouwenvergadering het woord te mogen voeren over „die Frauen und der

Krieg”. Dit werd niet alleen toegestaan, maar wij kregen zelfs de

Stadthalle tot onze beschikking en mochten de voldoening smaken dat wij

daar door een zeer talrijke schare werden aangehoord.

Na Bern werd Rome het doel van onzen tocht. Op den ochtend van den

dertienden Juni begaven wij ons naar de eeuwige stad. Nauwelijks had de

trein het Zwitsersche grensstation verlaten, of in den trein werden

alle ramen potdicht afgesloten, zoodat wij van de streek waardoor wij

reisden niets konden zien. Als wij aan een station stopten, merkten wij

dat er de grootst mogelijke drukte heerschte. Zingend en juichend

trokken de jonge mannen ten oorlog. Italië stond nog aan het begin van

den oorlog, zoodat de bevolking de daaruit voortvloeiende ellende nog

niet aan den lijve had gevoeld. De achterblijvenden daarentegen waren

minder vroolijk gestemd. Op ons, die in Duitschland en Oostenrijk de

gevolgen van den moorddadigen krijg in al hun wreedheid hadden

aanschouwd, maakte de opgewonden stemming waarmede de jonge lieden hun

dood of erger tegemoet gingen, een hoogst pijnlijken indruk.

Een overvolle trein bracht ons den volgenden dag naar het doel van onze

reis. Ruim een etmaal waren wij onderweg geweest. Niettemin zochten wij

nog dienzelfden morgen onze Gezanten op, aan wier bemiddeling het te

danken was, dat de Ministers van Binnen- en Buitenlandsche Zaken, de

heeren Salandra en Sonnino, ons weldra een onderhoud toestonden. Dat

bevredigde echter niet, omdat beide bewindvoerders den roes waarin de

oorlog de staatslieden aanvankelijk doet verkeeren, nog niet te boven

waren. Dat stadium schijnen de meeste staatslieden pas te bereiken als

zij met al de funeste gevolgen van het oorlogvoeren hebben kennis

gemaakt. In welk een opwinding verkeerde Rome’s bevolking! Hoe laaide

de oorlogspsychose bij de honderden en duizenden die zich in de straten

der hoofdstad verdrongen. Caricaturen van Minister Giolitti, de man die

den zedelijken moed had gehad om zich tegen den oorlog te verklaren,

werden overal te koop geboden, zelfs zagen wij in een der straten, dat

een juichende schare een houten pop, dien toen zoo geminachten

bewindsman voorstellend, aan de galg hing.

Hoe gemakkelijk het is de groote massa van een bepaalde opinie te

doordringen, en ook hoe onverantwoordelijk het is om een uitsluitend

uit mannen bestaand parlement te laten beslissen over het al of niet

voeren van een oorlog, heeft het verblijf te Rome ons geleerd.

„Slechts twee dagen waren noodig”, vertelde men ons, „om de publieke

opinie voor den oorlog te winnen”. Wat onware berichten, gelanceerd in

de dagbladen van alle richtingen, omtrent de landen waartegen men zich

wenschte te keeren, berichten van daar getolereerde euveldaden, eenige

artikelen, waarin de vrees werd geuit dat ook Italië van hetgeen elders

gebeurde de dupe zou worden, indien de regeering niet tijdig

ingreep,—en klaar was de opvatting dat werkeloos toezien het vaderland

in ellende zou storten. Zoo sterk werkte de suggestie, dat ook de

overgroote meerderheid van het parlement zich er niet aan kon

onttrekken.

Ook bij de Italiaansche vrouwen vonden wij voor onze vredespropaganda

geen willig oor.

Meer succes hadden wij in dat opzicht bij het hoofd der Katholieke

kerk. Niet alleen Jane Addams en ik, maar ook onze beide gezellinnen

werden in een particuliere audiëntie door den Paus op het Vaticaan

ontvangen. In het onderhoud, dat meer dan een half uur duurde, deed

Benedictus XV zich kennen als een man van hooge beschaving en groote

wetenschappelijke ontwikkeling. Intusschen bleek al spoedig, dat deze

hoogwaardigheidsbekleder, wiens leven geheel aan de wetenschap was

gewijd, zich omtrent de samenleving in al hare geledingen, niet altijd

een juist oordeel had gevormd. In volle oprechtheid verzekerde de Paus

ons, dat elke poging om den vrede te bevorderen, op zijn steun kon

rekenen, dat hij bereid was ieder denkbeeld dienaangaande in ernstige

overweging te nemen. Wat de maatschappelijke positie der vrouw betreft,

bleek de kerkvorst van oordeel, dat zij, in het algemeen gesproken,

meer invloed moest kunnen uitoefenen op de opvoeding der kinderen, dat

zij meer dan tot dusver de richting van het onderwijs op de scholen

moest aangeven.

Toen Mevrouw Van Wulfften Palthe in dit verband vroeg of Z.H. het ook

wenschelijk achtte, dat de vrouw op ’s lands regeering haar directen

invloed kon doen gelden, verklaarde de Paus daarop niet ineens een

antwoord te kunnen geven.

Twee nachten en één dag reizens brachten ons van Rome naar Parijs, waar

wij ons weer terstond tot de Amerikaansche en Nederlandsche Gezanten

wendden, ten einde met de hoogste autoriteiten in contact te komen. Dat

de Minister-President zoo goed als de Minister van Buitenlandsche Zaken

ons een onderhoud toestonden, was echter te danken aan het

parlementslid Longuet, kleinzoon van den wereldberoemd geworden vader

van het socialisme, Karl Marx. De heer Longuet wist zoowel bij Viviani

als bij Delcassé het pad voor ons te effenen. In dezen laatste

ontmoetten wij den bewindsman, die maanden van oorlog ten spijt,

volmondig verklaarde dat Frankrijk geen vredesvoorstel, hoe gunstig dit

ook voor het land mocht wezen, zou aanvaarden. „Wij hebben ons

voorgenomen Duitschland voor goed onschadelijk te maken en zullen dat

plan, het kostte wat het wil, ten uitvoer brengen”, luidde zijn

antwoord, en al ons redeneeren stuitte af op dien onwrikbaren muur van

haat en wraak.

Viviani, wien ons tweede bezoek gold, redeneerde kalmer en bezadigder.

Intusschen bleek dat ook hij, hoewel pacifist en feminist van aanleg,

den tijd nog niet gekomen achtte, waarin Frankrijk er aan kon denken

het ook door hem gekoesterde vredesideaal een meer vasten vorm te

geven.

Was het wonder dat het bezoek aan de mannen die het Fransche volk in

hoogste instantie vertegenwoordigden, ons diep teleurstelde? Toch zou

het verblijf te Parijs ons nog grooter desillusie brengen. Verblind als

zij door de omstandigheden waren, hadden de presidente en de

vice-presidente van den Franschen Vrouwenraad het noodig gevonden, een

met haar namen onderteekend artikel in de Parijsche pers te

publiceeren, dat geen ander doel had dan Miss Jane Addams en mij op de

schandelijkste wijze verdacht te maken, en dat op grond van valsche

berichten in de Fransche bladen over het te ’s Gravenhage gehouden

congres, een congres ’t welk noch door Madame Siegfried, noch door

Madame Avril de Sainte-Croix, de beide onderteekenaarsters van het

bewuste artikel, was bijgewoond. Tevergeefs trachtte de heer Otlet, een

Belg die wèl bij de besprekingen in ’s Gravenhage tegenwoordig was

geweest, de verkeerde voorstelling van de beide dames in de Parijsche

pers te weerleggen. De kolommen der Fransche bladen bleven hardnekkig

voor hem gesloten.

Nadat wij ons bij het bestuur van den Franschen Vrouwenraad beklaagd

hadden over de ons aangedane behandeling, verklaarde Madame de Witt

Schlumberger, presidente van de Fransche Vrouwenkiesrechtvereeniging,

zich bereid ons met de schrijfsters van het gewraakte artikel in

contact te brengen. Zoowel de dames Siegfried en Avril de Sainte-Croix

als Jane Addams en ik, werden op een thee te haren huize genoodigd.

Madame Avril de Sainte-Croix liet zich verontschuldigen, Madame

Siegfried verscheen, omringd door een aantal vrouwen, even

chauvinistisch als zij.

Men stelde ons in de gelegenheid een en ander van het congres te

vertellen, maar haar overtuigen dat zij ongelijk hadden, dat konden wij

de Fransche vrouwen allerminst. Zij waren, zoo luidde de kern van haar

betoog, in de allereerste plaats Françaises, die haar vaderland in de

ure des gevaars moeten steunen. De regeering dwarsboomen in hare

plannen stond gelijk met landverraad. Dat wij die opvatting niet

deelden, dat wij weigerden de Fransche vrouwen deswege in onze pers te

prijzen, was voor haar een groote teleurstelling. Om die reden wilden

zij van hetgeen zij in de Fransche pers hadden gepubliceerd, geen woord

terug nemen. Intusschen bleken niet alle Fransche vrouwen die opvatting

te deelen. Nadat wij den eenen dag vertoefd hadden ten huize van Madame

de Witt Schlumberger, waren wij den volgenden middag de gasten van

Madame Duchênne. Bij haar ontmoetten wij vrouwen die, oprechte

pacifisten als zij waren, den moed hadden waar zulks noodig was, het

optreden van de Fransche regeering te laken.

Van Parijs voerde onze weg naar Hâvre, waar in die dagen de Belgische

regeering haar zetel had. Hoewel onze papieren volkomen in orde waren,

vertrouwden de autoriteiten daar ons niet. Bij aankomst verdiepte eerst

de Fransche en daarna de Engelsche politie zich in onze papieren en

alles wat wij bij ons hadden. Natuurlijk konden de heeren niets

verdachts vinden, maar toch vond men het verstandig ons voor den

commissaris van politie te leiden. Die onderwierp ons aan een

uitgebreid verhoor. Wij hadden niet het minste bezwaar hem het doel van

onze komst uiteen te zetten en volgaarne gaven wij hem het adres waar

wij dachten te logeeren. In het door ons genoemde hotel hadden wij, te

Parijs vertoevend, telegraphisch kamers besteld en langs denzelfden weg

had men ons geantwoord dat de appartementen gereserveerd zouden worden.

Ondanks dat bleek men, toen wij ons kwamen aanmelden, niet bereid ons

een kamer aan te wijzen. Na veel moeite stond men ons toe in een klein

afgelegen vertrek een maaltijd te gebruiken. Nauwelijks echter hadden

wij die genuttigd of ons werd beduid, dat wij verstandig zouden doen

heen te gaan. Er was niet veel doorzicht noodig om te begrijpen, dat de

politieautoriteiten den hotelhouder te onzen opzichte de noodige wenken

hadden gegeven. Maar waarom? Was men wellicht bevreesd dat wij

pacifisten, de in het hôtel gehuisveste Engelsche militairen zouden

bewerken? Die vrees was overbodig. Wij hadden de mentaliteit der groote

massa in de oorlogvoerende landen te goed leeren kennen om niet te

weten, dat een dergelijke, op dat moment volkomen doellooze propaganda,

ons in de grootste moeilijkheden zou brengen.

„Om vijf uur vertrekt een trein naar Parijs”, had de hoofdcommissaris

ons ongevraagd ingelicht. Daar wij er weinig voor voelden om langer dan

noodig was in het ongastvrije Hâvre te vertoeven, trachtten wij

dadelijk na den eten de Belgische Ministers d’Avignon en Broqueville te

spreken te krijgen. De laatste was naar het front vertrokken, de eerste

verklaarde zich bereid ons nog dienzelfden middag te ontvangen. Tijdens

het onderhoud gaf de heer d’Avignon ons de verzekering dat een spoedige

vrede België hoogst welkom zou zijn. „Pogingen om daartoe te geraken”,

zeide de regeeringsvertegenwoordiger, „kunnen echter niet van ons

uitgaan. Daarvoor zijn wij te nauw geliëerd met Frankrijk en Engeland.”

Doodmoe kwamen wij dien avond laat in Parijs aan. Nadat wij daar nog

een dag zoek hadden gebracht met het laten controleeren en registreeren

van onze passen, vertrokken wij den achttienden Juni naar Londen, in de

stille hoop, reeds den daarop volgenden dag naar Nederland te kunnen

terugkeeren. Wij hadden daarbij geen rekening gehouden met de toen in

Engeland heerschende bepaling, volgens welke een uit Frankrijk komend

vreemdeling minstens een week in Engeland moest doorbrengen alvorens

toestemming tot het vertrek naar een ander niet-geallieerd land kon

worden gegeven.

Dank zij de bemiddeling van eenige invloedrijke kennissen, werden ons

van dien termijn twee dagen kwijt gescholden. De vijf dagen gedwongen

rust gebruikten wij om met onze geestverwanten, mannen en vrouwen

aldaar, te overleggen wat alsnog gedaan kon worden ter bevordering van

Vrede.

Ik moet nog even terugkeeren tot het in Den Haag gehouden congres om te

vertellen van het daar genomen besluit, om uit de leden van het congres

een vereeniging te stichten, die tot doel zou hebben het vredesideaal

zooveel mogelijk nabij te komen. „International League for permanent

peace” werd de naam van de nieuwe vereeniging, een naam, later op het

in 1919 in Zürich gehouden Congres veranderd in: „Women’s International

League for peace and freedom.”

Tot Rosa Manus en mij werd het verzoek gericht om tijdens den duur van

den oorlog als het ware de trait d’union te vormen tusschen de leden in

de verschillende landen. Wij waren als vice-presidente en eerste

secretaresse tot leden van het bestuur gekozen en hadden in de eerste

plaats tot taak, te zorgen voor het in orde brengen en verzenden van

het Congres-verslag, dat in druk zou verschijnen.

Gedurende de eerste maanden nam Miss Macmillan een deel van den

omvangrijken arbeid, die op ons rustte, voor hare rekening. Daarna

heeft Miss Emily Hobhouse, uit Engeland, in ons land bekend door haar

menschlievend werk in Zuid-Afrika tijdens den

Zuid-Afrikaansch-Engelschen oorlog, ons eenige maanden trouw ter zijde

gestaan. Daarna moesten Mw. Manus en ik het werk alleen klaar spelen.

Dit vergde niet weinig van onzen tijd en onze werkkracht. Uit alle

deelen van de wereld ontvingen wij brieven, die niet alleen beantwoord

moesten worden, maar waarvan de inhoud weder aan vrouwen in andere

landen moest worden medegedeeld. Ook kregen wij de berichten over het

werk der pacifisten in de verschillende landen, waarvan wij uittreksels

maakten, geregeld in een maandblad publiceerden en aan al onze leden

stuurden. Door dit en allerlei andere werkzaamheden zorgden wij dat

gedurende den langen duur van den oorlog, tusschen de pacifistische

vrouwen uit de heele wereld contact bleef bestaan, zoodat zij, zoodra

het tijdstip daartoe zou zijn gekomen, gemakkelijk tot samenwerking

konden bijeenkomen.

Den 12en Augustus 1915 kwam Miss Macmillan uit Londen tot ons met de

belangrijke mededeeling, dat Lord Crewe den tijd rijp achtte voor het

vormen van een bond van neutrale landen, waarvan vredes-bemiddeling het

doel sou zijn. Miss Macmillan had deze verklaring van den Engelschen

Staatsman schriftelijk laten bevestigen.

Nog dienzelfden middag togen wij naar onzen Minister-President om hem

hiermede op de hoogte te brengen. Minister Cort van der Linden toonde

de grootste belangstelling voor hetgeen wij kwamen melden. Hij meende

echter geen stappen in de richting van het door Lord Crewe geopperde

denkbeeld te kunnen doen, alvorens te weten hoe de regeering van

Amerika over bemiddeling tusschen de oorlogvoerende landen dacht. „Het

zou van het grootste belang zijn, zoo spoedig mogelijk te vernemen hoe

President Wilson over Lord Crewe’s plan denkt”, zeide hij in den loop

van ons gesprek.

Ik bood dadelijk aan den volgenden dag met de „Nieuw-Amsterdam” naar

Amerika te vertrekken, teneinde den President der Vereenigde Staten van

een en ander op de hoogte te brengen en zijn opinie hierover te

vernemen. Telegraphisch werd een hut op de boot besteld. Dienzelfden

avond nog ontving ik mijn pas en de noodige aanbevelingsbrieven. In

allerijl kocht ik eenige reisbenoodigdheden, en de tijd die mij toen

nog restte werd besteed om in samenwerking met Miss Macmillan een

vragenlijstje te formuleeren, dat ik President Wilson wilde voorleggen

en dat als volgt luidde:

1º. Wenscht Amerika, nu de tijd voor bemiddeling tusschen de

oorlogvoerende landen gekomen is, alleen handelend op te treden,

zonder medewerking van de voornaamste neutrale landen van Europa en

houdt President Wilson dit voor de beste methode?

2º. Wenscht President Wilson in dezen samenwerking met de

voornaamste neutrale landen?

3º. Indien ja, wil President Wilson dan de leiding nemen en de

andere landen tot samenwerking uitnoodigen?

4º. Indien President Wilson van meening is, dat de bemiddeling van

de Europeesche neutralen moet uitgaan, zal Amerika dan door het

zenden van een of meer afgevaardigden aan het bemiddelingswerk

deelnemen?

5º. Is President Wilson van meening, dat een dergelijke actie beter

van een enkele neutrale natie in Europa kan uitgaan? En zoo ja, is

hij bereid zijn medewerking te verleenen indien één enkel land hem

daartoe uitnoodigt?

6º. Indien President Wilson de in 5º geformuleerde opvatting deelt,

welke Europeesche natie is dan volgens hem aangewezen om het

initiatief tot het verleenen van bemiddeling te nemen?

7º. Zou Amerika aan het zenden van afgevaardigden bijzondere

voorwaarden verbinden? En zoo ja, welke zijn dan die voorwaarden?

In den vroegen ochtend van den 25en Augustus 1915 werd ik door de

particuliere secretaresse van Mrs. Chapman Catt te New York welkom

geheeten. Miss Heyde bracht mij terstond naar de woning van Mrs. Catt,

waar ik gedurende den tijd dat ik te New York vertoefde, een gastvrij

en rustig thuis mocht vinden.

Tot mijn groote teleurstelling moest ik, in Amerika aangekomen,

vernemen, dat President Wilson in zake vredesbemiddeling niemand meer

wenschte te ontvangen. Tot overmaat van ramp bleek de Nederlandsche

Gezant, voor wien ik een aanbevelingsbrief bij mij had, naar San

Francisco te zijn vertrokken en zelfs zijn plaatsvervanger was niet in

New York aanwezig. Opbeurend waren al deze berichten niet, maar terwijl

ik peinsde over middelen om mijn doel ondanks al deze hinderpalen te

bereiken, kreeg ik al dadelijk dien eersten dag bezoek van Miss Balch,

een bekende pacifiste uit Boston, die niet alleen aan het Haagsche

Congres haar krachten had gegeven, maar daarna ook met andere

afgevaardigden de regeeringspersonen in de Scandinavische Rijken en

Rusland van onze resoluties en plannen op de hoogte had gebracht. Miss

Balch was naar New-York gekomen met geen ander doel dan om mij zooveel

mogelijk te steunen. Zij had zich van alle te Boston op haar rustende

plichten vrij gemaakt en stelde zich volkomen te mijner beschikking.

Die onverwachte hulp werd met beide handen aanvaard.

Ons eerste werk was een brief te richten tot President Wilson, waarin

wij hem vroegen ons op een door hem te bepalen tijd een onderhoud te

willen toestaan. Het doel van onze eventueele komst werd daarbij in het

kort uiteen gezet.

Eenige dagen verliepen vóór het antwoord op ons schrijven kwam. De Heer

Wilson bleek voor een ontmoeting op White House niet te vinden, omdat

het onvermijdelijk zou zijn dat de pers daarvan notitie nam, terwijl

publiciteit in dezen volkomen uit den booze zou zijn. Vandaar zijn

voorstel ons tot den Staatssecretaris Lansing of tot Colonel House te

wenden. Zij zouden dan van ons onderhoud den President op de hoogte

kunnen brengen.

Telegraphisch verzochten wij den heer Lansing om een onderhoud. Het

antwoord luidde dat de Staatssecretaris ons den volgenden ochtend

wachtte, waarop Miss Balch en ik, na geluncht te hebben met den heer

Norman Angell, schrijver van „The great illusion”, die tijdelijk te New

York vertoefde, in den trein stapten om ons naar Washington te begeven.

Het onderhoud met den heer Lansing bevredigde ons allerminst. Hij

praatte zooveel dat ik ternauwernood gelegenheid vond onze vragen te

uiten. Wij vonden een onderhoud met Colonel House alsnog hoog noodig.

Wij zonden hem nog dienzelfden dag een telegram naar Manchester,

Massachusetts, waar hij, de vriend van den President, op zijn landgoed

vertoefde.

„Wacht U morgen middag”, luidde het bescheid, dat ons noodzaakte dien

avond om half zes Washington te verlaten. Om elf uur den volgenden

ochtend waren wij te Boston en na ons wat verfrischt te hebben,

vervolgden wij de reis. Het onderhoud met Colonel House leidde tot

betere resultaten. Hij liet mij uitvoerig aan het woord en nadat ik hem

volledig had ingelicht, gaf hij als zijn meening te kennen, dat ik

President Wilson zelf moest spreken. Hij zou trachten den President er

toe over te halen mij een onderhoud toe te staan.

In afwachting van het oogenblik dat mij de uitnoodiging om op het Witte

Huis te verschijnen, zou bereiken, verbleef ik op Bar Harbor, in Maine,

het prachtig gelegen eiland waar vele rijke Amerikanen hunne

zomerverblijven hebben. Ik was er met Miss Balch de gast van Miss Jane

Addams. Na eenigen tijd deelde President Wilson mij mede, dat hij mij

Woensdag 15 September wilde ontvangen. Ik moest echter alleen komen en

iemand uit een der oorlogvoerende landen kon hij onmogelijk ontvangen.

Maar ook dit bezoek bracht mij een teleurstelling. Wat ik ook vroeg,

steeds antwoordde de President dat Amerika zelf in moeilijkheden

verkeerde en dat hij daarom geen definitief antwoord op hetgeen ik

vroeg mocht geven. De omstandigheden konden zich elken dag wijzigen,

dus moest hij vrij blijven om te doen wat op een oogenblik het beste

zou blijken. Zelfs een zeer oppervlakkige en onofficieele verklaring

zou hem aan banden kunnen leggen, en dat wilde hij vermijden. „Ik moet

kunnen ageeren op het oogenblik dat ik het meest geschikt acht, en op

de wijze die mij dan de meest doelmatige lijkt”,—zeide hij. Intusschen

was hij van meening, dat de neutrale landen in Europa zelfstandig een

actie konden beginnen. Wat hem betrof, geen oogenblik zou hij een

dergelijk optreden beschouwen als een onvriendelijke daad tegen

Amerika.

Bij dit bezoek heb ik den indruk gekregen, dat Woodrow Wilson hooge

idealen koesterde maar dat hij de kracht zou missen om die te

verwezenlijken, als zich eens groote hinderpalen voordeden. Hij scheen

ook niet voldoende te beseffen dat zijn groote macht om iets ten goede

te bereiken ten opzichte van het beëindigen van den oorlog, belemmerd

werd door het feit, dat hij, die nooit in Europa was geweest, zich

omtrent de daar heerschende toestanden een dikwijls verkeerd denkbeeld

had gevormd.

Zoolang ik den President nog niet had gesproken, meende ik mij niet in

het openbare leven in Amerika te moeten mengen. Vandaar mijn weigering

om spreekbeurten te vervullen of interviews toe te staan. Na mijn

ontmoeting met den heer Wilson zag ik er echter geen bezwaar in te

Chicago eenige spreekbeurten te vervullen. Gedurende de vijf dagen dat

ik er de gastvrijheid van Mrs. Wilmarth genoot, heb ik elken dag een of

meer lezingen gehouden, niet alleen over oorlog en vrede, maar ook over

vrouwenkiesrecht.

Na mijn audiëntie bij den President, richtte hij een vriendelijk

briefje aan Miss Addams. Zij heeft het mij in originali afgestaan, met

de bedachtzame en hartelijke bedoeling dat het mij wellicht van dienst

kon zijn indien men, na mijn terugkeer in Nederland, het onderhoud in

twijfel mocht trekken. Steeds is dat epistel in mijn bezit gebleven.

Niet uit dezelfde overweging, maar als een sprekend bewijs voor de

uitgelezen heuschheid van den President, laat ik het hier volgen:

THE WHITE HOUSE

WASHINGTON

Herinneringen van Dr. Aletta H. Jacobs · 第 20 / 47 题