AAN NONNA FLORA.

(GABRIËL'S HULDE- EN MINNEZANG.)

Dusky like night, but night with all her stars.

_Byron_, »_the Island_."

_Con fuoco._

Kon ik schilderen met de kleuren van uw gloeijend morgenland, 't

heerlijk, zongekroond Sumatra; kon ik mijn pen doen overvloeijen van 't

vuur, dat tintelt in uw donkere oogen--hoe zou ik U beschrijven, Flora,

nonna Flora, bruin meisje uit 't rijk Menang-kabau[73]!

Hoe zou ik U beschrijven; met welke beelden uw schoonheid prijzen?--Zal

ik _pantons_[74] rijmen ter uwer eer? Zal ik uw lof verkonden, met de

minnenamen van Hafiz?--Of, klinkt een toon uit Gabriël's speeltuig U

zoeter, dan de lierzang van hem, die Schiraz' tuinen deed sidderen van

wellust--?

* * * * *

Toen men U ontrukte, een teeder spruitje, aan den milden schoot der

moederaarde, om U over te planten op den killen bodem van 't vreemde

vaderland--toen hebt gij niet getreurd om uw verloren paradijs; geen

zucht naar 't land der palmen heeft U doen kwijnen, geen traan van

heimwee bedauwde den rozeblos uwer wangen. Gij hebt getierd en gebloeid,

geschitterd hebt ge in den Elfenkring uwer blonde zusters--als de hel

glorende papaver, die 't hoofd opheft tusschen bleeke korenbloemen.

Wél zijt ge vreemd geworden aan den _soekoe_[75] uwer moeder. Ge kent de

taal niet meer van 't lied, waarmeê Kadidsja U in slaap suste. En de

jongelingen van Tanahdatar, als ze U zien mogten, zouden opstaan van hun

spel, en vragen: »wie is zij, wier aangezigt blinkt als

_pisang-maas_[76], en wier gang is als van een Koningsdochter?"--En ge

hebt 't lief gekregen, 't stormig duinstrand, dat U gastvrij opnam, als

een eigen kind. Ze zijn U dierbaar geworden, die uw jonkheid gevormd

hebben en geleid; die, waar uw stoute geest te wild vloog, en uw bloed

te vurig bruiste--met wijze hand die vaart beteugeld hebben: gelijk de

dessaman 't dartel beekje bedwingt, opdat 't, vruchtbaarmakend, de

_sawah's_[77] besproeije, huppelend in duizend takjes, zegenbrengend, en

liefelijk voor allen.

Maar toch, Flora, toch heeft de koude mist van 't noorden geen ijs doen

vloeijen in uw aderen. Toch zijt ge niet verbasterd van den stam die U

voortbragt. En vrijer straalt uw oog, en hooger zwelt uw boezem, als ge

't voelt met iederen polsslag: hoe 't fiere bloed der Padri's warm

opwelt uit de reine levensbron, die uw hart doet bonzen, sneller en

heviger, dan dat van de blonde speelnooten uwer jeugd.

* * * * *

We staan zamen, in den vroegen morgen. We hebben 't Oog des Daags[78]

zien opgaan over de hoogten van Poeloe Panitan[79]. Alles rust nog; de

blaauwe wateren sluimeren in de diepte.

Zie--Straat Soenda ligt voor ons open! Hoe prijkt in bonten dos de

breede wal van Bantam's heuvelen; hoe trekt 't ons, met toomeloos

begeeren, naar 't groen der eilanden, die opdoemen uit de kalme

watervlakte, en ons toelagchen, als in Mirza's droom de woningen der

eeuwige vreugde! Zóó wenken den matten reiziger de dadelboschjes der

oäse; zóó verkwikt _ons_, na een droeven zwerftogt, de afgebeden aanblik

van land, land!

En Noordelijk--ver weg, als nevelbeelden aan den trillenden

horizon--teekenen zich schemerend de graauwe uitlijnen van twee hooge

bergen--: dat zijn de bergen van de Lampongs, dat is Sumatra,

Flora--Sumatra, uw rijk geboorteland!

----------------------------------

Hoort ge den klang van _boenji-boenji-an_[80]; ruischt U heimelijk een

wiegelied tegen, weemoedig zingend, zacht verstervend, in den wijden

blaauwen aether, als een stem uit Wishnou's hemel!--Voelt ge U vleugels

aangebonden: stijgt ge omhoog als een ligte Déwi; jaagt ge vlug door de

zonnige ruimte----Flora, waarheen?--Over zee en bergen, ver van hier;

over de kruin van Radja-Basa, over de Piek van Indrapoera--tot aan 't

land waar de kamferboom[81] bloeit!

----------------------------------

Dáár zoudt ge U neêrlaten, moêgetogen, om te rusten aan den zoom van 't

beekje, waarin Kadidsja gebaad heeft--Kadidsja, die uw moeder was--!

* * * * *

Ik wil mét U gaan, Flora--mét U naar Agam's eeuwig groene hooglanden.

Ik weet er een koele vallei, ringsom tusschen steile bergen gelegen.

Dáár, onder den geurigen boog der _pandan-rampei_, in de schaduw der

benzoëbosschen--zullen we ons een hutje bouwen. Ik zal uw leger spreiden

van _melati_[82] en blaauwe _tjampaka_[83]; uw dorst zal ik lesschen met

frisschen sherbet; uw honger stillen met de kostelijkste vruchten des

wouds.

En als uw oog zal schitteren bij den herkenningsgroet van uw bergen en

bosschen; als uw mond zal juichen en uw hart opspringen van verrukking

over den Eden dien ik U weêrgeef----Flora--lesch dan ook den dorst

_mijner_ ziele--stil dan ook den honger die _mij_ verteert!

* * * * *

Want zóó bemin ik U, bloem van Indalus--: als ge mij vóórzweeft in al de

weelde van uw Oostersch feeënschoon! O, mijne Sultane, mijne Odaliske,

zóó bemin ik U--: als ik met U wandel in den droom, aan de boorden van

Euphraat en Tigris, in de tooverlustwarand der hemelsche Sheherezade:

waar sappige granaten lokken, smachtend neêrgebogen over beddekens van

rozen en anjelier; waar kristallen vlietjes murmelen, tusschen kelk en

blad van dauwgedrenkte lotos; waar de lucht zwaar is van geur; en

Bulbul, in zangerige toonen, zijn leed klaagt aan de volle maan, die

stralend opdaagt over Bagdad's gouden transen.

* * * * *

Wie is de man, dien gij bezaligen wilt met een sprekenden blik, uit 't

zwart der levende diamanten, die de spiegels zijn van uw gevoel--?

Wie zal de tressen mogen opbinden van uw golvende haren; of met stouten

arm de volheid omspannen van uw fijn gevormde leest--?

Wie zal roemen op den kus uwer lippen: den eersten, die een zoeten bond

bezegelt: den warmen, rijpen, albelovenden kus uwer jonge liefde--?

* * * * *

Zeg, Flora--zal _ik_ 't zijn? Zeg, mijne Balsora--zal Gabriël uw

Abdallah wezen--?

* * * * *

Hoe zou ik U beschrijven, bruin meisje uit 't morgenland!--En kon ik

schilderen met de kleuren van uw gloeijend Oosten; en kon ik mijn pen

doen overvloeijen van 't vuur, dat tintelt in uw donkere oogen----hoe

zou ik U beschrijven, U, en mijn liefde voor U--Flora--dochter van de

slanke Kadidsja--zoet bruidje mijner droomen!

In Straat Soenda.

Maart, 1866.

[Footnote 73: Vroeger een magtig rijk in de Padangsche bovenlanden.]

[Footnote 74: Maleische balladen, meestal van erotischen aard.]

[Footnote 75: Stammen, waarin de Maleijers der Padangsche bovenlanden op

eigenaardige wijs verdeeld zijn.]

[Footnote 76: Een schoone, goudkleurige banaansoort.]

[Footnote 77: Natte rijstvelden.]

[Footnote 78: Zóó heet in 't Maleisch de Zon.]

[Footnote 79: Prinsen-eiland.]

[Footnote 80: Speeltuig, inlandsche muziek.]

[Footnote 81: De beste kamfer komt uit 't Noorden van Sumatra.]

[Footnote 82: Een zeer welriekende en geliefde Indische jasmijnsoort.]

[Footnote 83: De blaauwe _tjampaka:_ een bloem, die voorondersteld wordt

alleen in 't Paradijs te bloeijen, doch die, volgens Marsden, ook op

Sumatra gevonden wordt. Zie: Th. Moore. »_Paradise and the Peri_."

_Note_.]

Ontboezemingen · 第 59 / 83 题