(EEN FRAGMENT UIT GABRIËL'S DAGBOEK).
_The road of Spithead._--Van hier, dacht ik, zeilden Marryat's
_midshipmen_ uit, om er--na 't verrigten van tallooze exploiten tegen
Franschen en Hollanders, en 't stoven van onnoemelijke koolen aan hun
wettig gestelde superieuren--met lauweren gekroond terug te keeren. O,
schim van Percival Keene, en gij, veelgetrouwe Jacob Eerlijk--hoe
benijdenswaard was uwlieder lot op aarde: gij, die als contrabande of
als vondelingen werdt in 't leven geschopt, en voor wien uw schepper
toch steeds rijkdom, rang en een lieve vrouw in 't vat hield--!--En ik,
Gabriël, van onberispelijke ouders, onder een welwillende constellatie
geboren, met de bevalligste talenten toegerust--ik, Gabriël, die nooit
schulden maakte, nooit bloed vergoot, en nooit jongejufvrouwen den
zielenvrede stal--zie mij gedwongen, in den gehaten Oost een sober
bestaan te zoeken--ja, moest onlangs juist dáárom, _mirabile
dictu!_--ofschoon ik niet aan den drank, doch gereformeerd ben, en geen
knevels, doch nette blonde bakbaardjes draag--bij een dom burgerkind,
dat ik met mijn naam, rang en traktement--van mijn persoon sprak ik
niet--'reis regt gelukkig woû maken, een ijskoud blaauwtje
oploopen.--»Wee mij," riep ik, in de bitterheid mijner ziele--»wee
mij!--Gerrit Witse mogt wenschen, een stommeling te zijn--en hij had
regt. Doch ik, Gabriël, die een stommeling _ben_--ik zou kunnen bidden:
och, dat ik een Carlo Moor, een Gustaaf de Losbol--dat ik een Percival
Keene, een Jacob Eerlijk--och, dat ik een romanheld ware!"
* * * * *
Onder deze en dergelijke hartverscheurende overdenkingen, wandelde ik,
half wakend, half droomend, de campagne op en af; en niemand kan
berekenen, tot welke gruwelijk antisociale gevolgtrekkingen mijn
alleenspraak me zou geleid hebben, noch, in hoe korten tijd mijn geest,
zoo speculerend, van Spithead tot aan Tawaï-Poenamoe was
verdwaald--indien niet tijdig mijn aandacht ware afgetrokken door de
machine, die, steunend en blazend, onze »Meermin" van de buitenreê naar
de haven ging slepen.--Ik schudde den nevel mijner overpeinzingen van
me, en overtuigde mij alras, dat mijn vleeschelijk oog, meer nog dan
mijn geestelijk, hier stof tot opmerking kon vinden.
* * * * *
't Was een regt levendig panorama, dat zich vóór en rondom ons
uitstrekte. Vrolijk scheen de winterzon over de tot rust gebragte
wateren, lustig dreunde 't geschut van batterij en oorlogsbrik--de
kogels huppelden over de golven, gelijk steentjes waarmeê we als jongens
den vijver scheerden; en honderd bonte vlaggen wapperden van steng en
gaffel, als zooveel huldetolken van de verschillende natiën, die aan
Albion's kust een veilige schuilplaats hadden gevonden.
Toch stonden de aangezigten onzer scheepsgenooten droeviger dan ooit:
hun oproerige woede van gister had, even als de storm, uitgeraasd, om
plaats te maken voor een stille, mokkende onderwerping, die zich 't
duidelijkst--in een somber, dreigend, onheilbroeijend, angstverwekkend
zwijgen, had geopenbaard, toen de kapitein, gedurende 't ontbijt, op
officiëlen toon had meêgedeeld, 't geen elk reeds wist doch niemand
hooren wilde, namelijk, dat, volgens artikel _zooveel_ van de
scheepvaartwet: »de passagiers van een schip gehouden zijn, op eigen
kosten een onderkomen aan den wal te zoeken, ingeval en gedurende den
tijd, dat meergemelde bodem in eenige haven wegens averij binnenloopt en
vertoeft."
Voorloopig had wel de Heer Hupman--geconfijt, als hij was, in
staatsbladen--velen onzer gerustgesteld met de aanhaling van zeker
Koninklijk Besluit, waarbij, in dergelijke eventualiteiten, aan
gouvernementspassagiers een tegemoetkoming van f 10.--'s daags wordt
toegestaan--edoch, niet allen waren zoo gelukkig den rang van
landsambtenaar te bekleeden--ergo: niet allen zouden de behulpzame hand
mogen vatten, die een moederlijk bezorgde Regering hier, bij
uitzondering, slechts haren goede en getrouwe dienstknechten meende te
moeten toereiken. Daar was Fräulein Einheit, particuliere, wier geheel
Hessisch vaderland bij verkoop niet zóóveel zou opbrengen, als zij in 't
dure Engeland zou moeten verteren; en Mevrouw Tripvoet, particuliere,
die »met den handschoen was getrouwd", en al haar geldje in haar
uitrusting had gestoken; daar was ook de rampzalige Lepidus,
particulier, met vrouw en kroost en bijhebbende baboe--maar hij was »van
Britsche extractie", beweerde hij, en zou in London bij een neef van hem
gaan logeren.
Na verloop van een half uur lag ons vaartuig in 't dok, en kwamen de
_custom-officers_ aan boord. »_Sic an host of idle English gaugers and
excisemen as hae come down to vex and torment us, that an honest man
canna fetch sae muckle as a bit anker o' brandy frae Leith to the
Lawnmarket, but he's like to be rubbit o' the very gudes he's bought and
paid for._"--Niet, dat de menschen onbeleefd waren--doch ze kenden hun
pligt: al onze sigaren, tabak en dranken moesten afgegeven worden, en
zagen we in een leêge hut onder zegel weggestopt. Schrijver dezes
ondervond ook hier weêr, hoe een goed woord en een gulle hand wonderen
verrigten: een honderdtal sigaren en een pond fijnen Portorico deed hij
zóó, zonder al te schandelijke machinatiën, van uit de klaauwen der wet
in de plooijen zijner reistasch overgaan. Zijn medebroeders in de
verdrukking, waarvan de meeste de tale Babylon's niet magtig waren,
kwamen er echter minder goed af; en, niet weinig waren de rond orthodoxe
verwenschingen, die naar 't hoofd werden gesmeten van een natie, zóó
barbaarsch en ongastvrij, dat ze den vreemdeling, den hulploozen
schipbreukeling, zelfs de pijp tabak en 't slokje klare, die eenige
troosters in tegenspoed, willekeurig dorst ontzeggen:--»ze waren toch
geen marskramers, geen vagebonden, die schagcheren zouden in
gesmokkelden jenever en tabak; neen--'t was niets dan nijd en afgunst
van John Bull, die zelf geen redelijke sigaar te rooken, of goeden
borrel over de lippen kreeg, doch zich met stinkenden _shag_ en slappen
_whisky_ moest behelpen: en 't daarom een ander niet gunde, dat die zich
aan beter kost te goed deed."--Zonder nu, in deze hoogst teedere
kwestie, vóór of tegen John Bull te durven beslissen, en in deze ons
geheel onderwerpend aan de nadere uitspraak van een bevoegd
staathuishoudkundig lezer, willen wij ons bepalen tot de vermelding van
't feit, dat, na aldus successievelijk ten speelbal te hebben gestrekt
aan winden, wateren en willekeurige wetten, onze reizigers vrij knorrig
gestemd aan wal stapten.
Onze eerste gang was naar den Consul, den Heer Q., een Hollander, die
tevens Consul was voor Frankrijk, Italië, Rusland, Zweden, en, de hemel
weet 't, waarschijnlijk ook voor Mesopotamië en Monomotapa. Deze Heer
was ontwijfelbaar eenige duizend jaren te laat in 't leven getreden: hij
toch had, gedurende den wereldberoemden torenbouw, onbetaalbare diensten
kunnen presteren, daar hij, volgens algemeen beweren, niet minder dan
zeventien talen sprak--hoewel geen enkele slechter dan zijn eigen
moedertaal--behalve misschien 't Patagonisch. In zijn hoedanigheid van
Consulair Agent beloofde hij ons herhaaldelijk en op 't nadrukkelijkst,
de belangen zijner landgenooten te zullen behartigen; van welke
patriotische gezindheid hij ons al dadelijk een doorslaand bewijs gaf,
door onze goede Hollandsche bankbiljetten wel, tegen een matige provisie
van 10%, te willen inwisselen.
Een tweede, nog gewigtiger pligt, bestond in 't zoeken van kamers voor
de verschillende familiën. Dit ging niet zoo gemakkelijk, daar 't
oordeel van respectieve vaders en moeders, hoofden der huisgezinnen, ten
opzigte van stand en huurprijs telkens lijnregt vijandig tegenover
elkander stond. Vooral de Heer Grogmeijer had een zwaren strijd met
zijn wederhelft te strijden, toen hij, na verscheiden woningen als
onuitstaanbaar smerig te hebben afgekeurd, ten laatste zijn zinnen
scheen gezet te hebben op de kamers van zekere _Missis_ North, die een
paar ooglijke dochters tot assistenten had. De kamp tusschen
vrouwelijken argwaan en mannelijk gezag was juist op 't vinnigst, toen
men eindelijk des geduchten Grogmeijer's haan hoorde koning
kraaijen--dank zij de plotselinge tusschenkomst van den Majoor, die
zelf, met groote waardigheid, doch in slecht Engelsch, er toe overging,
voor zich en de zijnen bij genoemde _Missis_ North kamers te bespreken:
tot loon van welke bemoeijenis hij zich, zoolang de zeereis duurde,
heeft moeten buigen onder de venijnige schampscheuten, waarmeê de
overwonnen _she_-Grogmeijer goedvond, zijn reputatie als getrouw en
onkreukbaar echtgenoot te havenen.--Hem volgden, behalve de Grogmeijers,
ook Mevrouw Tripvoet, mitsgaders de hoogst gezellige, hoogst sociale en
galante Heer Hupman.--De door 't geluk verlaten Lepidus, die zijn
stamboom even scheen nagezien te hebben, en bevonden, dat hij den
Londonschen neef toch wat al te ver bestond om op gastvrijheid te kunnen
rekenen--hij, zeg ik, met vrouw, kroost, bijhebbende baboe, en de
Hessische Einheit aan 't lijntje, sloeg zijn tenten op bij den
koekbakker Horris. Ik geleidde hem daarheen, om voor hem, tegenover den
huisbaas, 't woord te doen; en moest bij die gelegenheid 's mans bittere
klagt aanhooren: hoe hij, die nu, pas drie weken geleden, Duitsch had
moeten aanleeren, om zich bij zijn beschermelinge, Fräulein Einheit,
verstaanbaar te maken--nu weêr genoodzaakt was, zich van-meet-af-aan in
't Engelsch te gaan oefenen;--dat was dan ook waarlijk te veel voor
iemand, die zich zelfs in 't Hollandsch niet dan hoogst onvolmaakt
uitdrukte.--Wij eindelijk, Josua, Judocus en Gabriël, huurden ons een
nederigen optrek onder de vleugelen van zekere eerzame weduwe Weeks, een
stijve, puriteinachtig uitziende oude vrouw, die dan ook toonde, meer
zorg te dragen voor 't heil harer onsterfelijke ziele, dan voor 't
welzijn en comfort van haar dikwijls hongerige en verkleumde
commensalen.
* * * * *
Dús zagen we ons allen op Britsch grondgebied onder dak gebragt.--De
eerste dagen werd er veel gepreuteld, en klaagde men over verveling.
Judocus had spijt, dat we niet in een Fransche haven waren
binnengeloopen: hij haatte de Engelschen, omdat ze Engelsch spraken--'t
geen hij niet verstond, ofschoon hij 't op de school toch perfect
geleerd had; en omdat ze groenten zonder zout kookten--'t geen hij niet
lustte; en vóóral, bóvenal haatte hij ze--omdat ze Engelschen waren.
Zelfs Josua, de geboren, luchthartige wereldburger, hield nog immer vast
aan een oud-Europeesch vooroordeel, en bleef zijn sympathie weigeren aan
't geen hij noemde »stijve goddam's."--Doch, eilieve, Josua mijn
vriend--wie u een week na dato had ontmoet, toen ge rondfladderdet als
de derde Kalender, Koningszoon, in 't tooverpaleis der veertig
jonkvrouwen----zou u voorwaar eêr hebben doen gelooven aan Nederlandsche
energie, Pruissische redelijkheid, of Chineesch liberalisme--dan aan
_Engelsche stijfheid_--?
November, 1865.