SHAKSPEARE.

Wederom vier-en-twintig uren vervlogen!--wat zeg ik--met den gang van

een door jicht en podagra verlamde huisjesslak, waren ze ons tergend

voorbijgekropen, en, spottend met ons snelzeilend clipperschip en onze

voortvarende wenschen, had hun trage vlugt ons niets gebragt, dan regen,

koû en snerpend guren tegenwind.

* * * * *

En 't was Zondag heden, de derde dien we aan boord zouden doorbrengen--:

Zondag, de lieve Sabbathdag, dien men eerst regt leert op prijs stellen,

als men zes lange dagen gespit en gezwoegd heeft in den onvruchtbaren

wijngaard des levens.

Maar voor ons was de Zondag geen dag van welverdiende en welbestede

rust. Wél had de tweede stuurman, die een dandy was, zijn haren gekamd,

en, van onder zijn gevulcaniseerden regenjas, een paar duim schoon

linnen doen uitgluren;--doch de onvermoeibare Zuidwester blies er niet

minder om: de wind en golven weten niet van Christelijke feestdagen: de

Natuur, in haar koude onverbiddelijkheid, volbrengt haar taak, in spijt

van menschelijke belangen en menschelijke aandoeningen: zij rust en

arbeidt, zij bouwt op en vernietigt--alsof ze den dwerg niet kende, die

zich »Heer der Schepping" durft noemen.

Zoo moesten we ook heden kruisen, gelijk gister en eergister; en, zou

geen psalmtoon ons tegenruischen, geen klokgebrom ons tempelwaarts

roepen--de magtige stem van den orkaan zou ons stichten, en ons des

Heeren lof voorzingen, met toonen, die weêrklank vinden in 't diepst der

ziele!

* * * * *

Mijn slaap was onrustig geweest--of liever, ik had niet geslapen: de

hevige schommeling, 't vreeselijk razen van wind en golven, 't kraken

van 't houtwerk, en 't onophoudelijk schreeuwen, smijten en bonsen, dat

de snel opeenvolgende manoeuvres vergezelde, dreven ver van ons de kans

tot 't genieten van die zoetste aller verkwikkingen.--Ik stond daarom

bij tijds op, en ging aan 't dek.

De zon rees juist boven de kim, en kleurde 't stormachtig zwerk met den

vurigen blos harer eerste stralen. Er hing een zware, zwarte nimbus in

't Westen, die, bloedrood verlicht, voor den wind optrok, de zon te

gemoet--als een van toorn gloeijende reus, ten strijde snellend tegen de

Koninginne des Daags. Loodgraauw spiegelde zich 't dreigend gevaarte in

den ziedenden golfkuil; als met vuur en diamanten overgoot Phoebus de

toppen der stuivende brekers--: 't was of de magten van licht en

duisternis optogen, om elkaâr te vernietigen, hoog boven 't bruisend

slagveld van wind en wateren. En zie--waar de zwarte wolkenmassa in

schuinvallende regenstrepen zich scheen vast te hechten aan den

horizon--teekenden zich, scherp en dreigend als ijsbergen, de witte

krijtklippen van Engelands zuidkust.

Hoe zal ik weêrgeven wat ik gevoelde in die ure! Ik vreesde niet--neen,

mijn hart was te vol--daar was geen plaats voor angst of vreeze in mijn

boezem;--ik bewonderde, ik aanbad--ik gaf mijn lot over in de handen van

mijn Schepper, met 't innig vertrouwen, met de blijde, ontembare,

zelfverloochenende vervoering, die de aangrijpende poësie van 't

verhevene in ons doet spreken, en die ons--helaas, voor een oogenblik

slechts--waarlijk doet zijn wat Hij ons maakte: »een weinig minder dan

de Engelen."--Ik vreesde niet;--maar dan ook--dacht ik weêr aan mijn

huis, aan mijn moeder en hen die ik lief had, en die ik misschien niet

zou weêrzien--: want er was gevaar: dáár, op geringen afstand, was de

kust; de vuren van Wight flikkerden bleek doch helder in 't morgenlicht;

wit als sneeuw omschuimde een kokende branding de rotsen, die, zonder

Gods hulp, straks onze lijken zouden opvangen en terugwerpen.

»Josua," sprak ik, half lagchend, half bevend, terwijl ik hem naar

beneden volgde, om een weinig mijn kleêren te droogen--"Josua,

onbedachtzame sterveling, uw boude wensen is vervuld: _nu_ wonen we een

storm bij." Doch Josua antwoordde niet op mijn gedwongen

aardigheid;--Josua zette zich neêr, plat op den grond, en kroop weg

achter den grooten mast, om geen gevaar te loopen, een losrakend

voorwerp op de teenen te krijgen.

Plotseling doet een donderend gekraak ons ineenkrimpen; de splinters

hout vliegen door 't vertrek, en 't weinige dat nog was blijven staan,

rolt ons tegen 't lijf. Daar wordt ons luik opengerukt: de tweede

stuurman valt meer dan hij loopt naar omlaag--»we zijn naar de haaijen!"

roept hij, en de verwilderde blikken van een paar kerels die hem

volgen, schijnen niet veel beters te zeggen.--Groote God, we hebben

gestooten!--Ik spring op;----o, ik was bedaard--maar, pijnlijk als een

hartewond, doorvlijmde mij inwendig de schok van een nog ongekenden

doodsangst;--ik zie rond: Josua is verdwenen; onwillekeurig vlieg ik

mijn hut binnen: ik woû mijn geld en papieren bij me steken--dan zou ik

een reddingsboei pakken--ik kon zwemmen--of neen, liever zou ik mij in

de boot trachten te bergen--als er maar plaats was--en niet de hooge

deining----

----»Gabriël, hier, help meê!" klinkt op eens de stem van

Josua----------

----dát bragt

me tot bezinning;--»lafaard", sprak mijn hart, »zijt ge alléén

hier--wilt ge uzelf 't eerst helpen--voelt ge niet in u de kracht van

een man, om met de mannen meê te werken, en te redden wat ge kunt--?"

En de gedachte aan nonna Flora, en aan Kareltje en Josephientje gaf me

den moed van een Frans Naerebout;--haar, hen allen te redden--met haar

in de armen de branding te doorklieven, en den lieven bezwijmden last

aan land en leven weêr te geven----dan naar Gretna-green--een hutje in

de bergen--met haar, met haar te wonen tusschen de _dens_ en

_glens_ van Rob Roy's »_Land o' Cakes_"----!

Gelukkig werd mijn heroïsme niet op zóó zware proef gesteld.

't Bleek alras, dat--ofschoon er wezenlijk gevaar bestond--de roep erger

was geweest dan de daad.--Een der groote ijzeren waterketels was over de

klampen heengegleden, had een planken beschot dóórgerammeld, en was

tegen den wand van 't schip geraakt, met een schok, die 't ergste deed

vermoeden; hij stond nu los, en een tweede hevige beweging kon hem doen

terugvallen, om met dubbele vaart, en zeker met noodlottig gevolg, tegen

de andere zijde te botsen.--Hier was spoedige hulp noodig. Al 't volk

dat aan de zeilen kon gemist worden, bragt blokken hout bijeen, die voor

den losgeschoven ketel werden opgestapeld; elk die kon, droeg aan; en,

zóó duurde 't geen tien minuten, of 't gevaar voor een tweede buiteling

was voorkomen.

* * * * *

Ná dit voorval scheen de storm eenigzins te bedaren--een voorkomendheid

zijnerzijds, waarvan men menigvuldiger in Fransche melodramas dan in de

werkelijkheid staaltjes aantreft. De golfslag evenwel verminderde niet,

en maakte onzen toestand nog immer hoogst bedenkelijk. En, wat slimmer

was: 't schip had door 't hevig stampen en door dien stoot in de ribben

een lek bekomen, zóó erg, dat 't volk onophoudelijk aan de pompen moest

staan.--Dit laatste was dan ook de beslissende slag. Van 't voortzetten

der reis kon geen sprake zijn. Janmaat werd naar achter geroepen; en,

met algemeene stemmen--voor zoover die gehoord werden--besloot onze

scheepsraad, de naaste Engelsche haven, Portsmouth, binnen te loopen, om

dáár, indien 't oordeel van heeren reeders en assurantiers conform zou

luiden, onze zwaar geteisterde arke in 't drooge dok te doen halen, te

doen lossen, kalefateren, koperen en verder repareren.

Ik zal niet naar woorden zoeken om te beschrijven, wat al klaagliederen,

ja, verwenschingen er, na 't vernemen van dit besluit, uit de

heiligdommen der familiehutten werden opgezonden tegen de hemelsche en

aardsche magten, die ons zoo jammerlijk van streek hadden geleid;--neen,

't barsche stormgeloei versmoort al die uitroepen van pygmeïsche

verbittering. Wij hooren 't dan ook niet, hoe Grogmeijer buldert: »dat

hij voor Batavia passage heeft betaald, en niet voor een Engelsche

kolenhaven"; hoe de Majoor zijn ega troost, die zoo bang is voor de

winterkoû, en voor dronken Engelsche matrozen; hoe Lepidus zweert bij

zijn penaten, dat hij zijn promotie zal missen, en zijn neef Asinus hem

zal voorgaan; hoe Hupman en Judocus, nonna Coba en nonna Keetje----doch

neen, nogmaals neen--we hooren 't niet: de zang van den storm

alleen--niet 't gejank dier teleurgestelde myrmidonen--is onzer aandacht

waardig.

* * * * *

En, was nu met dit alles de maat van onzen rampspoed vol?

Neen, lezer--ik zal 't u verhalen, hoe dezelfde storm, niet tevreden, 't

kaartenhuis onzer plannen en berekeningen te hebben omgeblazen, zich

bovendien nog aan onze personen en roerende goederen vergreep: hoe hij,

weinig oogenblikken ná 't houden van den scheepsraad, terwijl men begon

koers te zetten naar Portsmouth, en wij, arme passagiers van 't

tusschendek, om een weinig lucht in ons vunzig hol te doen stroomen,

even 't luik hadden opengemaakt--een stortzee bij ons binnenjoeg, die 't

water een voet hoog in onze kerk en hutten neêrplaste, bij de hevige

beweging van 't schip in ons lokaal op- en afspoelde, en alles wat ligt

genoeg was, kleêren, schoenen, enz. op den vloed deed wegdrijven.

Men lacht om zulke voorvallen, als men droog en warm bij 't vuur zit;

en, ik beken 't--'t zijn geen rampen, waarvoor men een extra-gebed

behoeft te doen aflezen, of een dames-commissie en

liefdadigheids-loterij behoeft in 't leven te roepen;--maar zie, toch is

't niet om te lagchen, ten minste voor hem, die op dat

oogenblik--terwijl 't water hem over de knieën spat, en hij te vergeefs

tracht zijn evenwigt te bewaren op de steigerende, glibberige

planken--die, zeg ik, rillend van koû en blazend van ergernis, zijn

éénigen jas en broek uitwringt; zijn sigaarkistjes dobberend ziet op de

baren van een in zijn hut woedend Zirknitzer-meer; en, erger dan ooit,

wanhopen moet aan 't behoud van zijn boeken en kleêren, slechts van 't

nat gescheiden door den dunnen wand van een houten koffer--!

Nog werd, terzelfder gelegenheid en door de eigen stortzee, een drietal

jeugdige biggen over boord geslagen; en 't droevig lot dezer in den

bloei huns levens weggerukte viervoetigen, ontlokte aan aller mond de

hartelijkste betuigingen van sympathie en deelneming.--»Bl..........

stommerik!" schold de kapitein den timmerman, daar hij 't hok niet vast

genoeg gesjord had.--»Verduiveld jammer!" meende 't echtelijk paar der

Grogmeijers.--»_Schade, schade!_" zuchtte Fräulein Einheit, die veel

hield van worst zonder trichinen.--»_Kasihan!_"[4] lispelde nonna Flora,

toen de angstkreet der drenkelingen in de verte wegstierf--»_Kasihan_,

stomme diertjes!"--En _ik_ zweer, Hoogvliet's goddelijke lankmoedigheid

had met eigen mond dat _kasihan_ niet zachter, niet gevoelvoller, niet

lankmoediger kunnen uitspreken, dan 't klonk van de rozelippen mijner

zoete nonna Flora!--Gelukkige biggen, nog te jong om uw geluk te

beseffen----om harentwille, om nonna Flora's wille, wijd ook de nooit

spek etende Gabriël u een traan, en snuit, weemoedig snikkend, zijn

verkouden neus--u, biggetjes, en uwer arme zielen ten requiem--!

* * * * *

Intusschen beletteden zóó talrijke en veelzijdige aandoeningen ons niet,

dien nacht, geruster dan den vorigen, ons bedwaarts te

begeven.--Morpheus ontfermde zich over onze vermoeide ledematen. Aeolus

over ons afgebeuld clipperschip; en 't gulden ochtendrood vond ons

veilig voor Spithead ten anker.

November, 1865.

Ontboezemingen · 第 31 / 83 题