Wederom vier-en-twintig uren vervlogen!--wat zeg ik--met den gang van
een door jicht en podagra verlamde huisjesslak, waren ze ons tergend
voorbijgekropen, en, spottend met ons snelzeilend clipperschip en onze
voortvarende wenschen, had hun trage vlugt ons niets gebragt, dan regen,
koû en snerpend guren tegenwind.
* * * * *
En 't was Zondag heden, de derde dien we aan boord zouden doorbrengen--:
Zondag, de lieve Sabbathdag, dien men eerst regt leert op prijs stellen,
als men zes lange dagen gespit en gezwoegd heeft in den onvruchtbaren
wijngaard des levens.
Maar voor ons was de Zondag geen dag van welverdiende en welbestede
rust. Wél had de tweede stuurman, die een dandy was, zijn haren gekamd,
en, van onder zijn gevulcaniseerden regenjas, een paar duim schoon
linnen doen uitgluren;--doch de onvermoeibare Zuidwester blies er niet
minder om: de wind en golven weten niet van Christelijke feestdagen: de
Natuur, in haar koude onverbiddelijkheid, volbrengt haar taak, in spijt
van menschelijke belangen en menschelijke aandoeningen: zij rust en
arbeidt, zij bouwt op en vernietigt--alsof ze den dwerg niet kende, die
zich »Heer der Schepping" durft noemen.
Zoo moesten we ook heden kruisen, gelijk gister en eergister; en, zou
geen psalmtoon ons tegenruischen, geen klokgebrom ons tempelwaarts
roepen--de magtige stem van den orkaan zou ons stichten, en ons des
Heeren lof voorzingen, met toonen, die weêrklank vinden in 't diepst der
ziele!
* * * * *
Mijn slaap was onrustig geweest--of liever, ik had niet geslapen: de
hevige schommeling, 't vreeselijk razen van wind en golven, 't kraken
van 't houtwerk, en 't onophoudelijk schreeuwen, smijten en bonsen, dat
de snel opeenvolgende manoeuvres vergezelde, dreven ver van ons de kans
tot 't genieten van die zoetste aller verkwikkingen.--Ik stond daarom
bij tijds op, en ging aan 't dek.
De zon rees juist boven de kim, en kleurde 't stormachtig zwerk met den
vurigen blos harer eerste stralen. Er hing een zware, zwarte nimbus in
't Westen, die, bloedrood verlicht, voor den wind optrok, de zon te
gemoet--als een van toorn gloeijende reus, ten strijde snellend tegen de
Koninginne des Daags. Loodgraauw spiegelde zich 't dreigend gevaarte in
den ziedenden golfkuil; als met vuur en diamanten overgoot Phoebus de
toppen der stuivende brekers--: 't was of de magten van licht en
duisternis optogen, om elkaâr te vernietigen, hoog boven 't bruisend
slagveld van wind en wateren. En zie--waar de zwarte wolkenmassa in
schuinvallende regenstrepen zich scheen vast te hechten aan den
horizon--teekenden zich, scherp en dreigend als ijsbergen, de witte
krijtklippen van Engelands zuidkust.
Hoe zal ik weêrgeven wat ik gevoelde in die ure! Ik vreesde niet--neen,
mijn hart was te vol--daar was geen plaats voor angst of vreeze in mijn
boezem;--ik bewonderde, ik aanbad--ik gaf mijn lot over in de handen van
mijn Schepper, met 't innig vertrouwen, met de blijde, ontembare,
zelfverloochenende vervoering, die de aangrijpende poësie van 't
verhevene in ons doet spreken, en die ons--helaas, voor een oogenblik
slechts--waarlijk doet zijn wat Hij ons maakte: »een weinig minder dan
de Engelen."--Ik vreesde niet;--maar dan ook--dacht ik weêr aan mijn
huis, aan mijn moeder en hen die ik lief had, en die ik misschien niet
zou weêrzien--: want er was gevaar: dáár, op geringen afstand, was de
kust; de vuren van Wight flikkerden bleek doch helder in 't morgenlicht;
wit als sneeuw omschuimde een kokende branding de rotsen, die, zonder
Gods hulp, straks onze lijken zouden opvangen en terugwerpen.
»Josua," sprak ik, half lagchend, half bevend, terwijl ik hem naar
beneden volgde, om een weinig mijn kleêren te droogen--"Josua,
onbedachtzame sterveling, uw boude wensen is vervuld: _nu_ wonen we een
storm bij." Doch Josua antwoordde niet op mijn gedwongen
aardigheid;--Josua zette zich neêr, plat op den grond, en kroop weg
achter den grooten mast, om geen gevaar te loopen, een losrakend
voorwerp op de teenen te krijgen.
Plotseling doet een donderend gekraak ons ineenkrimpen; de splinters
hout vliegen door 't vertrek, en 't weinige dat nog was blijven staan,
rolt ons tegen 't lijf. Daar wordt ons luik opengerukt: de tweede
stuurman valt meer dan hij loopt naar omlaag--»we zijn naar de haaijen!"
roept hij, en de verwilderde blikken van een paar kerels die hem
volgen, schijnen niet veel beters te zeggen.--Groote God, we hebben
gestooten!--Ik spring op;----o, ik was bedaard--maar, pijnlijk als een
hartewond, doorvlijmde mij inwendig de schok van een nog ongekenden
doodsangst;--ik zie rond: Josua is verdwenen; onwillekeurig vlieg ik
mijn hut binnen: ik woû mijn geld en papieren bij me steken--dan zou ik
een reddingsboei pakken--ik kon zwemmen--of neen, liever zou ik mij in
de boot trachten te bergen--als er maar plaats was--en niet de hooge
deining----
----»Gabriël, hier, help meê!" klinkt op eens de stem van
Josua----------
----dát bragt
me tot bezinning;--»lafaard", sprak mijn hart, »zijt ge alléén
hier--wilt ge uzelf 't eerst helpen--voelt ge niet in u de kracht van
een man, om met de mannen meê te werken, en te redden wat ge kunt--?"
En de gedachte aan nonna Flora, en aan Kareltje en Josephientje gaf me
den moed van een Frans Naerebout;--haar, hen allen te redden--met haar
in de armen de branding te doorklieven, en den lieven bezwijmden last
aan land en leven weêr te geven----dan naar Gretna-green--een hutje in
de bergen--met haar, met haar te wonen tusschen de _dens_ en
_glens_ van Rob Roy's »_Land o' Cakes_"----!
Gelukkig werd mijn heroïsme niet op zóó zware proef gesteld.
't Bleek alras, dat--ofschoon er wezenlijk gevaar bestond--de roep erger
was geweest dan de daad.--Een der groote ijzeren waterketels was over de
klampen heengegleden, had een planken beschot dóórgerammeld, en was
tegen den wand van 't schip geraakt, met een schok, die 't ergste deed
vermoeden; hij stond nu los, en een tweede hevige beweging kon hem doen
terugvallen, om met dubbele vaart, en zeker met noodlottig gevolg, tegen
de andere zijde te botsen.--Hier was spoedige hulp noodig. Al 't volk
dat aan de zeilen kon gemist worden, bragt blokken hout bijeen, die voor
den losgeschoven ketel werden opgestapeld; elk die kon, droeg aan; en,
zóó duurde 't geen tien minuten, of 't gevaar voor een tweede buiteling
was voorkomen.
* * * * *
Ná dit voorval scheen de storm eenigzins te bedaren--een voorkomendheid
zijnerzijds, waarvan men menigvuldiger in Fransche melodramas dan in de
werkelijkheid staaltjes aantreft. De golfslag evenwel verminderde niet,
en maakte onzen toestand nog immer hoogst bedenkelijk. En, wat slimmer
was: 't schip had door 't hevig stampen en door dien stoot in de ribben
een lek bekomen, zóó erg, dat 't volk onophoudelijk aan de pompen moest
staan.--Dit laatste was dan ook de beslissende slag. Van 't voortzetten
der reis kon geen sprake zijn. Janmaat werd naar achter geroepen; en,
met algemeene stemmen--voor zoover die gehoord werden--besloot onze
scheepsraad, de naaste Engelsche haven, Portsmouth, binnen te loopen, om
dáár, indien 't oordeel van heeren reeders en assurantiers conform zou
luiden, onze zwaar geteisterde arke in 't drooge dok te doen halen, te
doen lossen, kalefateren, koperen en verder repareren.
Ik zal niet naar woorden zoeken om te beschrijven, wat al klaagliederen,
ja, verwenschingen er, na 't vernemen van dit besluit, uit de
heiligdommen der familiehutten werden opgezonden tegen de hemelsche en
aardsche magten, die ons zoo jammerlijk van streek hadden geleid;--neen,
't barsche stormgeloei versmoort al die uitroepen van pygmeïsche
verbittering. Wij hooren 't dan ook niet, hoe Grogmeijer buldert: »dat
hij voor Batavia passage heeft betaald, en niet voor een Engelsche
kolenhaven"; hoe de Majoor zijn ega troost, die zoo bang is voor de
winterkoû, en voor dronken Engelsche matrozen; hoe Lepidus zweert bij
zijn penaten, dat hij zijn promotie zal missen, en zijn neef Asinus hem
zal voorgaan; hoe Hupman en Judocus, nonna Coba en nonna Keetje----doch
neen, nogmaals neen--we hooren 't niet: de zang van den storm
alleen--niet 't gejank dier teleurgestelde myrmidonen--is onzer aandacht
waardig.
* * * * *
En, was nu met dit alles de maat van onzen rampspoed vol?
Neen, lezer--ik zal 't u verhalen, hoe dezelfde storm, niet tevreden, 't
kaartenhuis onzer plannen en berekeningen te hebben omgeblazen, zich
bovendien nog aan onze personen en roerende goederen vergreep: hoe hij,
weinig oogenblikken ná 't houden van den scheepsraad, terwijl men begon
koers te zetten naar Portsmouth, en wij, arme passagiers van 't
tusschendek, om een weinig lucht in ons vunzig hol te doen stroomen,
even 't luik hadden opengemaakt--een stortzee bij ons binnenjoeg, die 't
water een voet hoog in onze kerk en hutten neêrplaste, bij de hevige
beweging van 't schip in ons lokaal op- en afspoelde, en alles wat ligt
genoeg was, kleêren, schoenen, enz. op den vloed deed wegdrijven.
Men lacht om zulke voorvallen, als men droog en warm bij 't vuur zit;
en, ik beken 't--'t zijn geen rampen, waarvoor men een extra-gebed
behoeft te doen aflezen, of een dames-commissie en
liefdadigheids-loterij behoeft in 't leven te roepen;--maar zie, toch is
't niet om te lagchen, ten minste voor hem, die op dat
oogenblik--terwijl 't water hem over de knieën spat, en hij te vergeefs
tracht zijn evenwigt te bewaren op de steigerende, glibberige
planken--die, zeg ik, rillend van koû en blazend van ergernis, zijn
éénigen jas en broek uitwringt; zijn sigaarkistjes dobberend ziet op de
baren van een in zijn hut woedend Zirknitzer-meer; en, erger dan ooit,
wanhopen moet aan 't behoud van zijn boeken en kleêren, slechts van 't
nat gescheiden door den dunnen wand van een houten koffer--!
Nog werd, terzelfder gelegenheid en door de eigen stortzee, een drietal
jeugdige biggen over boord geslagen; en 't droevig lot dezer in den
bloei huns levens weggerukte viervoetigen, ontlokte aan aller mond de
hartelijkste betuigingen van sympathie en deelneming.--»Bl..........
stommerik!" schold de kapitein den timmerman, daar hij 't hok niet vast
genoeg gesjord had.--»Verduiveld jammer!" meende 't echtelijk paar der
Grogmeijers.--»_Schade, schade!_" zuchtte Fräulein Einheit, die veel
hield van worst zonder trichinen.--»_Kasihan!_"[4] lispelde nonna Flora,
toen de angstkreet der drenkelingen in de verte wegstierf--»_Kasihan_,
stomme diertjes!"--En _ik_ zweer, Hoogvliet's goddelijke lankmoedigheid
had met eigen mond dat _kasihan_ niet zachter, niet gevoelvoller, niet
lankmoediger kunnen uitspreken, dan 't klonk van de rozelippen mijner
zoete nonna Flora!--Gelukkige biggen, nog te jong om uw geluk te
beseffen----om harentwille, om nonna Flora's wille, wijd ook de nooit
spek etende Gabriël u een traan, en snuit, weemoedig snikkend, zijn
verkouden neus--u, biggetjes, en uwer arme zielen ten requiem--!
* * * * *
Intusschen beletteden zóó talrijke en veelzijdige aandoeningen ons niet,
dien nacht, geruster dan den vorigen, ons bedwaarts te
begeven.--Morpheus ontfermde zich over onze vermoeide ledematen. Aeolus
over ons afgebeuld clipperschip; en 't gulden ochtendrood vond ons
veilig voor Spithead ten anker.
November, 1865.