Eilaas--»stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeeren."

Ik smaakte pas in al zijn volheid 't aetherisch genot van een ongestoord

bewonderen der worstelende natuurkrachten--toen een hoogst stoffelijk

voorval mij tot mezelf en de stoffelijke wereld terugriep.

Mijn waardige Judocus, die reeds den vorigen dag zich heel onwel had

gevoeld, kwam doodsbleek en stervensbenaauwd op de campagne gekropen,

met 't loffelijk voornemen, om, in vertrouwelijke overgave des harten,

zijn maag en gemoed eens uit te storten aan den boezem zelf van de hem

teisterende baren. Juist wilde hij zich over de leuning

bukken----boem--daar vliegt hem een opspattende zee in 't gezigt, en

slaat hem, van 't hoofd tot de voeten doornat, terug.--»Hel en dood!"

vloekte de patiënt.--»Bravissimo!" lachten de omstanders.--»Voelt u zich

niet wat frisscher nu?" spotte Hupman, die zelf te beroerd was dat hij

op de beenen stond;--Judocus bromde iets afgrijselijk woedends tusschen

de tanden, en--bibberend van koû en katterigheid zette hij zich op 't

kippenhok, om wat bij te komen.--»Wil ik je wat eten boven brengen?"

vroeg _ik_ toen, welmeenend, doch misschien op wat al te meêwarigen

toon.--»Stik-jij!" siste hij nijdig.--Kort daarop, na 't trekken van

eenige allerakeligste gezigten, zag men onzen held langs touwen en

hekjes naar omlaag scharrelen--om, in zijn kooi, 't voorbeeld van

zooveel andere braven na te volgen.

* * * * *

Mij dunkt--ik hoor een afkeurend gemompel onder mijn lezers opgaan, als

ik met zoo weinig mededoogen spreek van een kwaal, waarvan ik zelf,

boven verwachting, ben verschoond gebleven. Doch 't is nu eenmaal

bekend, dat zeeziekte nimmer doodelijk kan zijn--welke overtuiging

oorzaak is, dat men, onder zeeluî, op een zeezieke ongeveer evenveel

acht slaat als op een krandjang suiker in 't ruim;--en, van dit beginsel

uitgaande, ziet men er minder bezwaar in--mits men zelf frisch en gezond

blijft--een weinig aan _schadenfreude_ toe te geven, en aan een neiging

tot lagchen ten koste van hen, die, gister nog zoo vol beweging, zoo

onbevreesd en levenslustig--nu, bleek, doodsbenaauwd, als zooveel

zieltogenden erbij neêrliggen.

Wáár bleef--vraagt men--toch de reddende kracht van de heerlijke

probaten, die men, bij stil weêr, als onfeilbaar roemde--? Wáár was die

heer met zijn gordel rond de maagstreek; wáár die andere met zijn gift

_A qua Laur. cer._; wáár die bereisde dame met haar zakje zout en

saffraan--?--Wij, Josua en ik, kenden geen enkel van die magtige

radicalen; ons zou geen _aqua mirabilis_ sterken; geen _specificium_ uit

Grootmoeders recepteboek zou ons wapenen tegen de aanvallen van de

jammerlijkste aller misselijkheden;--en juist dáárom bleven we zoo

gezond, meende Josua, in zijn overmoed;--hoe dat ook zij, 't was ons

geen kleine triomf, dat we pal stonden in 't barnen der gevaren--wij,

buiten de bemanning, naar 't scheen, de eenige levende zielen aan boord:

want alle passagiers, zelfs de reeds bevaren en dóórvaren Grogmeijer

inclus, waren naar kooi--zóó hevig was 't stampen.--Hoe kwam 't, dat we

zelf niets voelden; waren onze hoofden en magen zóó ijzersterk?--»Ik zal

't je zeggen," riep Josua; en, na eenige algemeene waarheden, aangaande

maagschudding, spijsvertering en keelverwarming te hebben vooropgezet,

begon hij, met een zaakkennis, den apothekerszoon waardig, de draden

zijner hypothese uit te spinnen, en besprak breedvoerig, met den Doktor

en mij, zijn zoo versch gevormde stellingen ter beantwoording van de

groote vraag: hoe de gevreesde zeeziekte te bekampen? Hij hield zich in

hoofdzaak vast aan 't herhaald toedienen van een dosis

pommeranzen-spiritus, met moutwijn verdund, _quantum sufficit_, en, om

de twee à drie uren, in evenwigt gehouden door een stevige gift brood,

ham, snert of ossetong.

Ik voor mij geloof--indien mij, na 't door Josua betoogde, nog iets

anders te gelooven mag overblijven--dat niets de zeeziekte kan voorkomen

of tegengaan, indien 't gestel er vatbaar voor is; en ik ben 't in dit

opzigt volmaakt ééns met Lepidus--spitsvondiger gedachtenis--die,

tusschen de buitjes van eigen ongesteldheid door, tot heil der

menschheid en der wetenschap, allergeestigst en juist meende te moeten

in 't midden brengen: »hoe _zijn_ ondervinding hem had geleerd, dat men,

in den regel, de minste gevallen van zeeziekte zag voorkomen onder zulke

personen, dewelke 't zich tot wet hadden gesteld, hun togten niet buiten

't gebied van een met voeten begaanbaren vasten bodem uit te

strekken."--Zóóveel is zeker, dat 't vóórnoemd behoedmiddel, als 't

éénig afdoend, mij der vermelding waardig schijnt. Wél mag men 't

verstandig gebruik van geestrijke dranken en mager voedsel, en 't

voortdurend verblijf in de open lucht als heilzaam aanraden--edoch, hier

vooral zal de leer gemakkelijker dan de toepassing bevonden worden:

want, is de ziekte u eenmaal in maag en hoofd geslagen--ge moogt eten

wat ge wilt--ham of brood, tong of snert--'t zal u alles opbreken als

den goeden Sancho de wonderbalsem van Ridder Fierabras--; zoodat, uit de

tien lijders, negen de gansche schoone theorie van Josua zullen in den

wind slaan: _niet_ zullen eten, _niet_ drinken--maar te kooi gaan

liggen, akelig doen, en zichzelf met zee en schip naar den duivel

wenschen.

Ontboezemingen · 第 29 / 83 题