We zaten nog vrij laat bij elkaâr, in dien gedenkwaardigen nacht van 24
op 25 October. Reeds driemaal was Judocus sluikelings in zijn kooi
gekropen, en had geronkt als de Hond der Zeven Slapers; maar ook
driemaal reeds had men hem er bij de ooren weêr uitgetrokken; een pijp
was hem in den mond en een glas onder den neus gestopt; zóó, dampend en
gapend alle drie, als Etna, Hekla en Vesuvius, hadden we ons nog een
uurtje verplaatst in 't oude Delftsche leven, en voor korten tijd 't
vreemde en onhuislijke van onzen toestand vergeten.
»Jongen," riep Josua, bij 't goênachtwenschen, »'k mag lijden dat we
toch ook 'reis een storm bijwonen!"--»O wee," kermde Judocus, van achter
't kooigordijntje--.
»_Glücklich der Mann, der den Haven erreicht hat,_
_Und hinter sich liesz das Meer und die Stürme,_
_Und jetzo warm und ruhig sitzt_
_Im guten Rathskeller zu Bremen._"
Vijf minuten daarna sliepen we als regtvaardigen, snorkten als
bandieten, en droomden als poëten bij maneschijn.
* * * * *
Naauw hadden we zoo, in volle gerustheid des gewetens, een zekeren tijd
geslapen, gesnorkt en gedroomd,--lang kon 't niet wezen, want onze
kajuitslamp brandde nog,--toen ik, Gabriël, gewekt werd door----ja, door
iets dat me wakker maakte; ik luister: een onbeschrijflijke mengeling
van trommelvliesscheurende klanken vult mijn oor;--daar volgt een
slag--een gerinkel als van brekend glas;--ik spring mijn kooi uit, loop
naar de tafel, en--zie daar vooreerst Josua, juist 't zelfde doende wat
ik deed, d. w. z.: zich angstig vastklemmend aan 't deurtje van zijn
hut, en in 't wilde rondstarend als een uitgebroken Meerenberger.
De gewenschte storm was gekomen. De woeste Favonius had zich losgerukt
van Labrador's ijsvelden, en had, de zee beroerend, en over onze
»Meermin" blazend, in ons tusschendek al dadelijk een verwarring te weeg
gebragt, waarvan ik niet gemakkelijk een denkbeeld geven kan.
Een vreeselijk kraken overstemde elk ander geluid: knarsend en donderend
ging 't bij iedere schommeling door de planken beschotten van ons
lokaal. We konden ons dus niet dan door schreeuwen verstaanbaar maken;
doch, waren onze ooren ons van weinig dienst--we zagen beiden nog zeer
goed uit de oogen, en--wat we zagen was verschrikkelijk. Alles lag 't
onderst boven: koffers en kisten bonsten tegen elkaâr--want nog niemand
had er aan gedacht, de noodige klampjes te slaan--, een flesch jenever
was met eenige glazen van 't schommelbord geslagen, en had 't geklimper
veroorzaakt, dat ons deed ontwaken; stoelen en pijpen, boeken en
inktkokers hotsten in bonte mengeling dooreen; daar was een rollen en
rommelen, een glijden en glibberen, een wippen en wiggelen, een stooten
en stommelen--als waren de gebroeders Davenport met al hun klopgeesten
los. Bij alle krachten en resultanten--hier had Galileï zijn hellend
vlak kunnen bestuderen! Zelfs Judocus was uit zijn kooi gejoept, en
wedijverde in rolvermogen met zijn wijnkist en vuillinnen-mand!--We
trachten een-en-ander wat op te rapen, de koffers vast te zetten, en 't
breekbaar tuig in veiligheid te stellen. Josua bemerkte tot zijn vreugd,
dat de schiedammerflesch aan alle schokken had weêrstand geboden; in de
gaauwigheid vergewiste hij zich tevens van den inhoud, en bevond ook
dien onveranderd. Ikzelf redde nog, juist bij tijds, mijn vioolkist en
huisapotheek van een wissen en noodlottigen val. Dat alles hield ons wel
een half uur bezig; we waren koud en slaperig, en oordeelden 't dus
best, 't voorbeeld van Judocus te volgen, die, met ware Oost-Friesche
kalmte, besloten had, 't hem beschoren fatum liever liggend dan staand
te blijven afwachten;----maar, toen ik mijn bed wil instappen, trap ik
in een killen waterplas: ik vloek, zie rond,--hemel, hebben we een lek
gemaakt, gaan we te gronde!--neen, Goden en Tritons: 't receptaculum van
mijn waschwater is omgevallen, de daarin besloten vloeistof heeft zich
naar alle kanten een weg gebaand, besprenkelt mijn legerstede, doorweekt
mijn sloffen, en deelt zich overvloediglijk mede aan mijn kleêren, die,
mét 't krukje waarop ik ze neêrlegde, zijn omgesmeten--!
»Geduld is zulk een schoone zaak"!--Juist, mijn brave Sancte Hieronyme,
uw kindervaersjens zijn allerliefst, wat ook de Genestet en onze
geëmancipeerde schooljeugd er van zeggen--maar, als ge mij de daarin
vervatte waarheden toen waart komen voorrijmelen, geloof ik, dat ik U,
ondanks mijn ouderwetschen wansmaak, met uw vermakelijken »bondel
gedichtjens," regt smakelijk om de ooren had geslagen--!
* * * * *
's Morgens vonden we den wind naar 't Zuidwesten geloopen, doch in
hevigheid nog toegenomen. We kleedden ons zoo goed mogelijk, en klommen
naar boven.--Dáár wachtte ons een prachtig schouwspel.
De zee stond hol, en vloog met stoute golven te loever aan.--Hoe ze
steigeren en ploffen door elkaâr, jagend voortgestuwd door den magtigen
Zuidwester; als rollende zandheuvels, stuivend en door een onderaardsche
kracht geschud, vormen ze dalen en puntig opschietende toppen; dreunend
beuken ze den zwakken scheepswand; werpen keer-op-keer den in schuim
gehulden boegspriet ten hemel, of doen den scherpen voorsteven wegzinken
in den kuil, dien ze zooeven berghoog vulden!--Hoe klein vond ik alles
aan boord, hoe nietig 't gansche trotsche zeekasteel! Maar hoe groot en
sterk scheen me, in anderen en mijzelf, de mensch die 't naar zijn wil
bestuurde: hoe dacht me de man aan 't roer een held; hoe straalde er
moed uit die kloeke, harde trekken; hoe lustig en bezig waren ze allen,
als voelden ze zich nu eerst op hun plaats! En ook _mijn_ aanzijn als
»Koning der Schepselen »gevoelde ik sterker en magtiger dan ooit: want
ook _ik_ had moed, ook ik was rustig en vertrouwend te midden der woeste
wateren--gelijk een kind, in moeders armen gewiegd! O, 't was wel zooals
ik verwacht had: die omgeving deed mij goed. Dat huilen van den wind,
die geheel bewogen natuur rondom mij, 't opwekkend denkbeeld aan
mogelijk gevaar--alles prikkelde mijn verbeelding, en deed mijn bloed
weêr eens warm en jeugdig vloeijen--ja, voor de eerste maal sints 't
smartlijk scheiden, zweeg de stem van knagend heimwee in mijn borst, en
voelde ik een fantastische, half onzinnige vreugd, dat ik mijn
moederlijk huis verlaten had: een vreugd, zooals ze Robinson Crusoe moet
bezield hebben, toen hij voor 't eerst zich op de groene golven naar de
verre kust zijner droomen zag heengedragen.--Lang stond ik zóó, me
vastklemmend aan een touw. En ik telde 't niet, dat de storm me bijna
omblies, en dat plassen zeewater mij in 't gezigt spatten--: opgetogen,
boven al 't aardsche verheven, was 't me of ik dien mast had kunnen
omrukken; of _ik_ 't was, die den wind gebood, en de golven wenkte, en
als meester bevel voerde over den strijd der elementen--!
* * * * *