Ik: (het geval breedelijk uitleggend—de advocaat breedelijk luisterend)

....!....?....??...!!!!!....?....?....?....?....?....?....?

De advocaat:—U is zeer onvoorzichtig geweest.

Ik:—Waarom?

De advocaat:—Ik zou u in de eerste plaats den raad willen geven u zoo

spoedig mogelijk te retireeren.

Ik:—Te retireeren?

De advocaat:—’t Kan uw bedoeling toch zeker niet zijn, wat men noemt,

te blijven hàngen aan die juffrouw, niet waar?

Ik:—Ik bemin de dame in kwestie, wil haar natuurlijk voor mij behouden.

De advocaat:—Jawel. Dat neem ik aan. Maar u komt om raad. En nu is mijn

eerste advies dat het voor iemand van uw stand heel gevaarlijk is een

liaison zóó te laten inwortelen. Dat noemen wij collage. Of wil u de

dame trouwen?

Ik:—Ik heb haar getrouwd.

De advocaat:—Waarde heer, laten we ons niet van woordspelingen

bedienen. De wet kent maar één huwelijk. Ik licht u over die wetten in.

Voor iemand met uw reputatie als auteur...

Ik:—Laat u dàt rusten. Letterkundigjes zoo als er in Holland vijftig in

het dozijn gaan, hebben geen meerdere reputatie dan ’n schoenlapper of

’n bakker.

De advocaat:—Mag ik voleindigen, waarde heer?... Voor iemand met ùw

reputatie kan ’t toch niet gewènscht zijn met een gewezen chanteuse te

trouwen, met de gescheiden vrouw van ’n diamantslijper. Ik vermoed dat

uw ouders...

Ik:—Waarde heer, laten wij voet bij stuk houden en eens recht zakelijk

spreken over de Wet. Mijn vrouw beweert dat haar vorige man nog

„rechten” op haar en de kinderen heeft. Is dat waar?

De advocaat:—Waarde heer, u maakt op mij den indruk dit geval niet au

serieux te behandelen. U spot er mee. Hoe heet die man?

Ik:—Isaac Davidson.

De advocaat:—En de dame?

Ik:—Georgine Casper.

De advocaat:—Het zal dus worden Davidson contra Casper, tenzij de dame

zelf redenen heeft haar man aan te vallen. In dàt geval zou de zaak

voor mij gemakkelijker zijn en zou ’t natuurlijk Casper contra Davidson

zijn. Heeft hij haar ooit geslagen?

Ik:—Nee.

De advocaat:—Heeft hij haar kwaadwillig verlaten?

Ik:—Nee.

De advocaat:—Heeft hij haar in bijzijn van getuigen gescholden,

beleedigd?

Ik:—Nee.

De advocaat:—Heeft hij overspel gepleegd?

Ik:—Natuurlijk.

De advocaat:—Zijn daar bewijzen van?

Ik:—Nee.

De advocaat:—Leg u mij dat eens uit. Misschien vind ik bewijzen.

Ik:—’n Man die jaren van z’n vrouw weg is scharrelt àltijd òf in

bordeelen òf met hoeren van den publieken weg.

De advocaat:—Waarde heer, dat zijn vermoedens. Ik geef toe dat ’n

man... Maar judiciair beteekent dat niets. De man zal dus aanvallen,

tenzij hij mogelijk, te oordeelen naar uw afschildering, een zoodanig

karakter heeft, dat er met hem te pràten valt—ik bedoel dat hij op

zekere voorwaarden zijn vrouw toestaat hèm aan te vallen waardoor zij

de kinderen behouden kan...

Ik: ... Dat ik u in de rede val: waarom spreekt u van de kinderen? Zijn

die niet van de vrouw?

De advocaat: (hartelijk lachend)... U is werkelijk grappig. De kinderen

zijn van den man. Natuurlijk van den vader.

Ik:—Waarom?

De advocaat:—De wet kent alleen vaders. ’n Man is eigenaar van z’n

kinderen.

Ik:—En van z’n onechte kinderen?

De advocaat:—Die kent de wet niet. Onechte kinderen behooren aan de

moeder. ’n Vrouw heeft geen bezittingen wanneer zij in gemeenschap van

goederen gehuwd is.

Ik:—Géén bezittingen?

De advocaat:—Nee. Davidson kan alles van z’n vrouw, haar koffers, haar

goederen laten weghalen—tenzij de kamer op ùw naam gehuurd is.

Ik:—Heb ìk óók rechten op de bezittingen, op de koffers, op de goederen

van mijn vrouw?

De advocaat:—Uw vrouw?... Uw vrouw?... O ja!... Nee!... Zooals u lééft,

heeft uw vrouw eigen rechten.

Ik:—Welke rechten heeft dan de wettelijk gehuwde vrouw?

De advocaat:—Haar man moet haar en haar kinderen onderhouden, mag geen

overspel plegen—en zoo voorts.—Maar in het algemeen kent de wet alleen

vaders, vaders, vàders. Bijvoorbeeld, waarde heer—Davidson kan uw

„vrouw”—u ziet ik spreek in uw termen—dwingen in zijn woning terug te

keeren en als zij of u of ’n ander niet op eerste aanvrage de kinderen

uitlevert, kan zij of u of die ander een zware straf ondergaan wegens

onttrekking van minderjarigen aan het vaderlijk gezag...

Ik:—gezag?

De advocaat:—gezàg.

Ik:—gezag??

De advocaat:—aan het vàderlijk gezag.

Ik:—En als de dame in kwestie van mij een kind had?

De advocaat:—Dan bestaat, zooals gezegd, het vaderlijk gezag niet.

Ik:—Staat dat allemaal in ’n huwelijkskontrakt?

De advocaat:—Als u wilt: jà.

Ik:—Als de menschen dan niet vóélen, welke logica is er dan in dit

alles?

De advocaat:—Mag ik nu ook eens vragen om voet bij stuk te houden?—Als

Davidson wìl en de mogelijkheid is niet uitgesloten dàt hij wil—dan kan

hij u en de dame aanklagen en u een gevangenisstraf van ten hoogste zes

maanden doen ondergaan. Zoo is de wet.

Ik:—Is zóó de wet?

De advocaat:—Ofschoon weinig fatsoenlijke advocaten van dat artikel

gebruik maken.

Ik:—Dat valt mee.

De advocaat:—En denk u er aan dat wanneer hij echtscheiding gaat

pleiten, uw dame alleen wettig domicilie heeft bij haar man. Er is geen

verplichting een exploot aan haar persoonlijk te beteekenen. Alle

stukken kùnnen door den man ontvangen worden. Het is volstrekt niet

zeldzaam dat een vrouw die op reis is, bij haar thuiskomst in de krant

leest dat zij van tafel en bed gescheiden is. De wet kent alleen den

man [3].

Ik:—Dus een vrouw die in dezen tijd „wettelijk” trouwt, versjaggert

haar lichaam, haar kinderen, haar eigendommen, haar vrijen wil aan een

man?

De advocaat: ..... Dat zijn wat sterk-gekleurde uitdrukkingen. Wie in

het huwelijksbootje stapt moet rijpelijk overwegen.

Ik: .... Huwelijksbootje?.... Rijpelijk....

De advocaat:—Ja, ja.

Ik:—Maar ’k meende te weten....

De advocaat:—Waarde heer, u weet absoluut niets van het huwelijk. U zit

in ’n leelijke strik waar wij u moeten uithelpen.

Ik:—Zit ik in ’n leelijke strik? Wéét ik nìèts van het huwelijk?

De advocaat:—Absoluut niets.

Ik:—Vin u ’t leven geen gekke boel?

De advocaat (vrindelijk):—Ik vin u een weinig geëxalteerd. Als we ons

nu tot het geval bepaalden?

Ik:—Met genoegen. Het geval. Het geval. Ik wist niet dat de regel Servi

et feminae inepti ad dicendum testimonium van vóór Christus nòg

bestond.

De advocaat:—Die bestaat ook niet meer.

Ik:—O, O. Mag ik nog ’n paar vragen doen, waarde heer?

De advocaat.—Wat wou u weten?

Ik:—Denkt u dat wat ze ziel noemen bij ’n vrouw ànders is dan bij ’n

man?

De advocaat:—Waarde heer, er wachten meerdere cliënten in de

wachtkamer. Op ’n andere keer, wanneer ik meer tijd heb, wil ik wel

eens met u over de vrouwenkwestie—u is zeker feminist?—debatteeren—maar

nu dienen we ons tot het geval te beperken....

Ik:—Nog een páár inlichtingen. Tusschen haakjes met feministerij hou ’k

me niet bezig.—Ik begin te begrijpen dat de vrouw onder brave curateele

staat: ’k heb ’n achterneef—die is ook idioot.—Dus ik heb niets in te

brengen in ons geval?

De advocaat:—U?.... U?.... Van u is geen spràke. Als Davidson vúíl

tegen u wil optreden, laat hij u ’n tijdje brommen.

Ik:—Dus ik, de man die de genegenheid van de vrouw, ook die van het

oudste kind heb,—ben ’n quantité négligeable?

De advocaat:—Precies. Maar laten we nu eindelijk eens practisch worden.

U wilt dus per se aan de zij van de dame blijven en het geval niet

beschouwen als ’n jeugdig uitstapje?—Als u zich bijtijds retireert

krijgt u geen vrouw (misschíén ’n vrouw met twee kinderen) op uw

dak....

Ik:—Mijn dak is voorzien van een borstwering opdat er geen bloedschuld

op mij kome, wanneer er iemand afvalt [4].

De advocaat:—Héél aardig. Heel aardig gezegd. Dat kunt u in een uwer

boeken te pas brengen. U wilt dus ridderlijk aan de zij van de dame

blijven. Dan raad ik u het vonnis bij verstek te laten gaan: nìèt op te

treden voor de kinderen.

Ik:—??

De advocaat:—Dat u voor de vrouw wilt zorgen ... à la bonne heure ...

ik zou ’t niet doen ... maar dat u—permiteer mij als raadsman met véél

levensondervinding, de uitdrukking—dat u óók de kinderen wilt

behouden—is ’n dwáásheid, is jeugdige overmoed. Als u na ’n jaar of na

’n paar jaar die liaison verbreken wilt om die of die reden, zit u met

de kinderen opgescheept!.... Kinderen waarvoor u dan ’n moreele

verplichting hebt aangegaan. We zullen dus èlk idee om voor de kinderen

op te treden laten schieten.

Ik:—Waarde heer: ik stel u nóg eens de feiten, dat ik raad verlang om

de vrouw èn de kinderen te behouden. Laten wij dus van dàt idee en van

niets anders uitgaan.

De advocaat:—Mij wel. Ik meende u vrindschappelijk te moeten wijzen

op.... Mag ik nu vragen of de eischer eventueel bewijzen zal hebben van

het overspel?

Ik:—Natuurlijk. Wij hebben maanden lang samengeleefd op één kamer.

De advocaat:—Jawel. Maar zijn er getùìgen dat u er ’s nachts gebleven

is?

Ik:—De barbier en z’n vrouw.

De advocaat:—Zijn die te bewerken om d’r mond te houden, zoolang ze

niet onder eede gevraagd worden?

Ik:—Dàt geloof ik niet en dat wil ik niet.

De advocaat:—U móét meewerken anders is u de kinderen positief kwijt,

let wel kwijt. Wat ik tot nu toe hoor doet me gelooven dat de zaak

reddeloos verloren is. Alleen door handigheid kunnen we misschien wat

bereiken. Hebben de barbier en z’n vrouw behalve hun vermoedens éénige

zekerheid dat u ’s nachts daar bleef? U hebt me straks verteld dat de

huisdeur altijd open stond. Hoe kunnen ze dus onder eede verklaren dát

u ’s nachts in de kamer van de juffrouw gelogeerd heeft? Nietwaar, dat

is een punt van strategisch belang.

Ik:—Elke morgen poetste de barbiersjongen m’n laarzen.

De advocaat:—Die kunnen wel van de juffrouw geweest zijn.

Ik:—Nee. Ik heb maar één paar met scheefgeloopen hakken. Ze hebben ze

me zien aantrekken.

De advocaat:—Lastig. Lastig. Hebben ze meer bewijzen—hebben ze u wel

eens in bed gezien of in uw hemd?

Ik:—Eens in me hemd, toen ’k ’n agent van de Singer-naaimachine uit de

deur wou smijten.

De advocaat:—Wat artisten toch ráre menschen zijn.

Ik:—’k Ben geen artist. Asjeblìèf geen artist!

De advocaat:—Zijn die barbier en z’n vrouw u goedgezind?

Ik:—Ze zouen ons kunnen vergiftigen. Dat helpt.

De advocaat:—Enfin het geval lijkt mij hòpeloos. Er zal misschien

kunnen bedongen worden dat uw naam niet in de stukken genoemd wordt,

wat voor u aangenamer is, wanneer u later eens trouwen wilt.... Ik

veronderstel maar! Mijn hemel, ’t is ’n suppositie!.... Of wanneer u

later de dàme in kwèstie huwen wilt. Anders zie ’k ’r weinig in. We

moeten afwachten. Afwachten wat de tegenpartij doet. Wilt u niet bij

verstek laten gaan, wilt u procedeeren om de kinderen, dan zult u voor

kosten als anderszins ’n vier honderd gulden dienen te deponeeren.... U

begrijpt ... u begrijpt ... het is geen zaak van wantrouwen ... maar

... máár.... Wilt u nog trachten wat te doen voor het behoud van de

kinderen?

Ik (strak):—Alles.

De advocaat:—Dan moet u niet meer bij de dame komen tot de man wèg is.

Dan kunnen we hèm misschien attakeeren.

Ik:—Niet mèèr bij mijn vrouw komen?

De advocaat:—Het is om de kinderen te doen.

Ik:—En wat nog meer?

De advocaat:—Vóóral, onder geen omstandigheden u meer vertoonen bij den

barbier. De mogelijkheid bestaat dat de tegenpartij u zal bespieden als

u er ’s avonds heengaat.

Ik:—Dat kàn. We kunnen verhuizen.

De advocaat:—Nee, waarde heer, niet „we”. U moet zoolang voorloopig

apart gaan wonen. De dame mag u óok niet bezoeken. Denk toch eens aan

flagrant délit.

Ik:—O ja.

De advocaat:—En dan afwachten, afwachten.

Ik:—Ja, afwachten, afwachten.

De advocaat:—Anders is u in ieder geval de kinderen kwijt. We moeten

het teerste stroohalmpje aanvatten. Zoo. Nu zijn we wat meer practisch

geworden.

Ik:—Dus in wat de wet huwelijk noemt mag ’n man stom, idioot, ziek,

verslaafd aan drank, onanist, ruw zijn, mogen man en vrouw elkaar met

anderen bedriegen als ze ’t maar hándig doen, wordt van liefde niet

gesproken? Ook niet van vrije wil?

De advocaat:—De wet bemoeit zich alleen met maatschappelijke

verhoudingen, met den rechtstoestand, met....

Ik:—En over de kinderen heeft de vrouw niets te zeggen?

De advocaat:—Als de man onwelwillend is, néé.

Ik:—Dus het matriarchaat is gereduceerd tot de speen, tot de luren, tot

het bàren....

De advocaat (wijs):—Precies.

Ik:—Dan hebben bastaards ’n moeder, stadhuiskinderen ’n vader. Kijk, al

mogen bastaards dan niet in de vergadering des Eeuwigen komen tot in

het tiende geslacht [5]—dan zijn zij en hunne moeders te benijden—vin u

niet, waarde heer?

De advocaat:—Weer héél spitsvondig. Maar houdt ù zich nu aan mijn

advies, om tenminste een kánsje te hebben in deze verloren zaak.

Ik:—.... Gek!.... Gek! (opstaand en den stoel verzettend gelijk een

niais doet)... Ik dàcht wat af te weten van het huwelijk....

De advocaat:—Nee u weet er hoegenaamd niets van.

Ik:—Dat zie ik.

De advocaat:—U had er niet het flauwste begrip van. Is u nu wat wijzer

geworden, waarde heer?

Ik:—Ja, ik ben wijzer geworden.

Aldus was het gesprek met den correcten, welwillenden advocaat.

Onderweg, met mezelf pratend, ré-dé-née-rénd, besloot ik „àlles” te

doen voor Kaatje, voor Toosje. Het leek mij een wreed, grùwlijk doen in

’n man om baldadig kinderen aan eene moeder te ontnemen.

Even aanwippen bij Doedelaar om met Georgine te overleggen. Maar hòè?

Wàt zou ze zeggen. Zou ze ’r niet wanhopig onder zijn? En maakte ze

zich niet véél te vroeg ongerust? Zat die man nog niet rustig en wel in

Amerika? Vlug liep ik het gangetje door, den winkel voorbij. De glazen

voordeur was wéér op slot. Nog eens klopte ik en nòg eens. Er werd niet

opengedaan. Frits, de barbiersjongen, dee de winkeldeur open, keek me

bête aan.

„Zoek u de juffrouw, meneer?”

„Is de juffrouw uitgegaan?”

„’n Dik uur geleje.”

„Wat is dàt nou, tegen etenstijd!”

„Ies mijneer Spier daar?”—, schreeuwde de barbier van beneden.

„Ja mijneer!”

Doedelaar kwam het trapje halfwege op. Z’n gezicht bleef in

schemerdonker.

„Die joeffrou die ies uitgegaan, mijneer.”

„.... Uit?.... Uit?....”

„.... Met die twee kiendere.... Of u wou komme bij die vriend van u....

Hoe heet-die mijneer ook weer?.... Bij.... Bij ... ’t ies een mijneer

die zoo gróót ies en zoo hard altijd praat—zoo een met een briel

op....”

„.... Bij Dirk van Leeuwen?”

„Juist! Juist!.... Bij von Leeuwen.... Stoem van mij.... Iek wiest dat

’t ’n Löwe was, hèhèhè!”....

„Heeft mijn vrouw niks anders gezegd?”

„Nee—zij zei alleen maar wij ete van mieddag niet thuis, want die vrouw

van die mijneer die moet jarig zijn, niewaar Friets? Heb jij ’t ook

niet gehoord?”

„Ja, daar had z’n briefie van gekrege.”

„O. Dank u.”

„Mot u niet geschore worde? U ziet ’r smèrig uit.”

„Ja da’s goed. Scheer me eventjes vlug en laat Frits wat sigaren voor

me gaan halen in de Van Wou. Dan kun je ’r zelf een opsteken.”

Terwijl Doedelaar me inzeepte, kreeg ’k ’n listig gevoel over me, zoo

iets dat ’n joodje moet gevoelen als hij sluwtjes rotte sinaasappelen

voor gàve verkoopt. Die vent en z’n vrouw moest ’k natuurlijk op mijn

hand zien te krijgen, ’t Was wel liederlijk-vernederend om zoò’n

individu ’n dienst te verzoeken—maar vòòr de kinderen—vòòr de

kinderen—en maatschappelijk zìjn in dezen benauwden tijd was nu eenmaal

rotte sinaasappelen versjaggeren.

„.... ’t Spijt me dat we weg moeten gaan, meneer Doedelaar.... Waarom

zijn jullie toch zoo raar geworden?”

„Raar?.... Met uw permissie.... Wij zijn niet raar geworde.... Maar die

joeffrou, die joeffrou die het mijn vrouw toch zóó affrontiert....”

„Ach kòm!”

„.... Ja mijnheer.... Met die kwestie van die servet en die handdoek

... en einmaal met een pannetje dat mijn vrouw schoon naar boven had

gegeven en dat zoo schmoetzig naar beneden kwam wie ... wie ... wie

drek....”

„Nou ja.—Nou ja.—Allemaal kinderachtigheden.... Je moet ’t leven niet

zoo.... Apropos.... Ik wou u wel ’n dienst verzoeken ... ’n dienst,

waarvoor ik ’n honderd pop over heb.... Niet zoo hoog inzeepen....” Als

een goddelijke ingeving viel mij het bezit der f 99.75 te binnen.

„.... Een hoendert pop?.... Een hoendert pop?.... Dat ies geen

kattepies.... Maar, als iek vrage mag ... als iek vràge mag ... met

hundert goelden smijte die mense zoo niet ... als iek vrage mag....”

„Nee, d’r zit niks verdachts achter. U is een té fatsoenlijk man om

iets ònnets te willen....”

„O zoo.... Dat wou iek ook zegge....”

„Nee, als u dàt dacht....”

„Wij zijn,” zei Doedelaar inzeepend en zeer brááf van stemgeluid:—„Wij

zijn arme lui, aber wat wij verdiene moet....”

„Natuurlijk. Natuurlijk. Ik heb u altijd een nèt man gevonden—nee dat

is zoo, zonder complimenten....”

„Iek mag wel ies ein lolletje uithale, maar alles eerlijk—alles

eerlijk....”

„Jawel, jawel.... Ik geloof toch niet dat u mij anziet voor iemand, die

u òneerlijk geld wil laten verdienen? Nee, ’t geld waarvan ik spreek is

voor ’n uitstekend werk....”

„Dan is die zaak ien orde.... Maar nou wou iek wol wete....”

„.... Hóú u van uw dochtertje?”

„Van Netje?.... Das ies ook een vraag!”

„Hou u véél van d’r?”

„Alles. Dat kiend is mijn oogappel.”

„Uw vrouw ook?”

„Die ies geregeld dol met haar. Maar waarom vraag u dat allemaal?”

„Hè, je stopt me mond vol zeep.—Wat zou u d’r van zegge als morge of

overmorge iemand kwam om Netje weg te hale?”

„Wat ik zegge zou? Dat weet iek niet. Wie zou nou oem Netje komme?”

„Stel ’t geval eens.”

„Dan zou iek iem mijn huis uittrappe.”

„Niewaar?—Nou moet u mij helpe om te voorkomen dat ze twéé kinderen van

een moeder afnemen....”

Even bleef-ie staan met de zeepkwast in de hand, keek me aan, knipte

met de oogen.

„.... Die twee kleintjes van die joeffrou?”

„Precies.”

„Wat kan iek daaraan toen?”

„Dat zal ik u zegge....”

„.... Met zulke zake wiel iek mijn vingers niet brande.”

„.... Dat begrijp ik. Met gebrande vingers kun je moeilijk scheren.

Kijk. Hou maar effen op met inzeepen. De man van de juffrouw zal gaan

scheiden. Dat denk ik zoo. Nu willen wij de kinderen. Begrijp je? Hij

zal hier komen of z’n advocaat of ’n ander en bij je informeeren. Dan

zeg je eenvoudig: ik weet van niks en de juffrouw heeft hier altijd

alléén gewoond...”

„Daar kan iek mijn vingers mee brande...”

„Dat kun je niet. Je bent toch niet verplicht te antwoorden. Wordt ’r

niet meer gejokt om bestwil? Denk is an je eigen Netje. An je eigen

dochtertje. Komt ’r ’n proces en wor je onder ééde gehoord dan is ’t

stilzwijgend dat je àlles wat je gezien en gehoord hebt zegt. Maar

zòòlang kun je toch zwijgen? Wat waag je ’r mee? Niks. Je verdient

honderd gulden. Ja maakt dat ’n moeder d’r kinderen houdt, nietwaar?”

„... ’n Prozes... ’n Prozes... Iek heb liever nieks met die joestizie

te make... En liege... liege... nee, iek brand niet graag mijn

vingers...”

„... Wat ben je slecht van begrip, Doedelaar!... Als ’r iemand komt en

je vraagt of hier ’n juffrouw Casper en ’n meneer Spier hebben

samengewoond, hóéf je dan te zeggen: ja?”

„Nee dat ies waar.”

„Dan kun je toch gewoon zeggen: man dat zijn jòùw zaken niet, je heb

hier alleen maar te komme om geschoren te worde en ik ben geen

verklikker...”

„... Ja dat ies waar. Iek ben geen verkliekker...”

„Nou dan?... En denk is an ’t verdriet van de juffrouw als ze d’r

kindertjes mot missen.”

„... Die joeffrou!... Die joeffrou! Neem mijn niet kwalijk mijneer,

maar met die joeffrou heb iek geen medelijde... Die heeft mijn vrouw

zóó affrontirt met die servet en die handdoek en met dat schmoetzige

pannetje en met...”

„Jawel. Dat weet ’k wel. Laten we de juffrouw dan ’r buiten laten. Denk

dan dat u ’t alleen voor mij doet...”

„Voor u àlle respek mijneer. U heeft mijn altijd netjes behandeld. U

wiel iek wol helpe... Want iek kan gerust ’n eed doen voor de

joestizie...”

„’n Eed? D’r is geen sprake van ’n eed. Voor geen miljoene zou ’k wille

dat je ’n vàlsche eed...”

„Wie spreekt van ’n valsche eed?”—, sluwlachte Doedelaar, die weer aan

’t inwrijven ging: „iek kan ’n eed doen dat iek niets weet en mijn

vrouw ook...”

„Ach loop heen...”

„... Waarachtig mijneer... Iek hoef toch nieks te wete... Heb iek ooit

gezien wie ’s avonds bij die joeffrou kwam? Iek bemoei mij niet met die

visite van die joeffrou... Iek weet niet of ’t ’n dame of ’n heer

was... U heb de huissleutel... Dus hoe wou iek wete of u ’s nachts bij

die joeffrou geweest ben?... Iek weet ’t wèl... Maar iek hóéf ’t niet

te wete... U kan wel ien die kost geweest zijn... Iek heb u nooit ien

bed zien liege, niewaar?... Iek heb zooveel heere bij die joeffrou zien

bienegaan... Mag iek dan wat van die heere veronderstelle?... Magge die

mense die bij mijn wone dan geen visite ontvange?... Dat zou wat moois

zijn... Dan zou iedereen ien Amsterdam buiten zijn bed piese... Iek heb

nooit wat oenanständigs gezien... Iek wiel dus voor u, omdat iek voor u

zooveel respek heb—voor die joeffrou nìèt—met alle pleizier ’n eed

doen”...

„Dat zou verdomd gemeen van je zijn—want je weet drommels goed dàt ’t

waar is... Heb je me niet dikkels gevraagd hoe ’k geslapen had en of

d’r niet te veel leven in den winkel was geweest?”...

„Dat ies waar... maar je kan zoo’n boel vergète...”

„Heeft Frits niet elke morge mijn laarze gepoetst?”

„... Iek weet niet wat voor soort laarze dat zijn en Frits ies

mienderjarig.”

„... Heb je me niet in me hemd uit me bed zien vliegen, dien morgen

toen ’k die kerel van de naaimachine wou...”

„... Toen heb iek wòl een hèmd gezien maar niet van wie dat hemd was...

Dat kan die kleine Ka wol geweest zijn”...

„Jezis Christus, man wat sta je te liegen!”

„Wol nee. Iek durf gerust een eed te doen. Wie kan mijn wat bewijze?

Als iek maar niet mijn vingers brand. En hoe wou iek mijn vingers

branden?...”

„Nou maar je lààt dat maar! Ben je krankzinnig!... Geen cent krijg je

als je liegt!... Ik wil niet dat je liegt... ’t Eenige wat ik

verzoek—omdat ik ’t zoo laag vin om kinderen van ’n moeder weg te

nemen—dat is om je mond te houen—je nìèt uit te laten als de man of ’n

advocaat of ’n ander komt snuffelen. We hoeven ze niet de pap in d’r

mond te geven, niewaar?”...

„En hóéveel krijg iek dan van u?”

„Honderd pop.”

„Contant. Zoo dàdelijk?”

„Néé... Kan ik nog spreken onder ’t mes?”

„Als u ’t maar voorzichtig doet...”

„Ik wil je geven vijf en twintig contant... en de rest... en de rest...

als de zaak... in orde is.”

„Aber, wanneer ies die zaak in orde?”

„Daar zullen ’n paar maanden mee verloopen...”

„En hoe heb iek dan... zekerheid...”

„Zeg is!... Als ik je beloof...”

„Jawol.—Aber alle mense zijn sterfelijk...”

„Best. Als je me niet vertrouwt, gaat ’t niet door.”

„Niet vertrouwen? Niet vertrouwen? Iek vertrouw u mijn heele affaire

toe... Als ù ’t mijn zegt ies ’t mijn goed. Maar iek moet ’r eerst met

mijn vrouw over spreke...”

„Met je vrouw?... Met je...”

Frits kwam binnen met de sigaren en we hielden onze monden, maar

terwijl ik me waschte en Frits mij haarschuier en borstels gaf, liep

Doedelaar naar benee en ’t zachte gebrom van z’n stem gonsde òp door ’t

kleine huis. In ’t portaaltje stonden ze me allebei op te wachten. Het

was wel héél vies, heel muf dat gemarchandeer, dat geknoei om kinderen.

O, wat had ’t ’n lucht van langgesloten vochtige kelders.

„Mijn man het me verteld,” begon zij—, maar hij viel haar in de rede.

„... Stiel. Niet ien het portaal... Friets kan alles hoore.”

Juffrouw Doedelaar haalde ’n sleutel uit haar zak, dee mijn deur open.

Heel handig. In het keukentje, in den schemer, zetten we de

onderhandelingen voort.

„... Mijn man het me verteld van honderd guldes, meneer, maar met

honderd guldes komme wij niet toe. En dan houe me man en ikke d’r niet

van om mense voor te liege zooas u wil...”

„Dat heb iek mijneer óók gezeid, Marie.”

„Enne wat heppe wij an honderd guldes... d’r is voor méér dan honderd

vijftig guldes—as ’k weinig takseer—vernield an me meubele, an me

keukengerief, an me tapijte, an me gordijne...”

„Ja dat ies op Ehrewoort waar mijneer. Daaraan had iek nog niet ééns

gedacht”...

„En wàt is ’r vernield?”, vroeg ik.

„Wat ’r vernield is? Alles meneer!... Vraag liever wat ’r héél is

geblefe!... Sulleke gate in me tapijt!... Was ’t ’n nieuw tapijt of

niet, Doedelaar?... En me gordijne van vijf en twintig guldes ’t

stel...! Met messe is d’r in gesnèje... uit baldadigheid met messe d’r

in gesneje... door de kindere... Nooit hè-’k soo ies bijgewoond!... ’n

Plank van de kast het de juffrouw an stukke gesneje om d’r fernuis an

te make... ’n stel vaassies op me schoorsteen—vaassies nog van me

grootmoeder sijn gebroke en met ’t gat na de muur geset!... En me

mahoniehoute kassie? Hoe siet dat ’r uit?... Wie het ’r de krasse in

gemaakt?... Wie het kringe in de tafel gebrand?... Nee hoor, ’k weet

niet waar de juffrouw ’t geleerd het, maar se het ’r slag van om

iemands boel te ruujeneere!... Waar sijn me handdoeke geblefe en me

servette?... En kijk u nou sellef de keukenkast is na, nou wij hier

sijn.—D’r staat kompleet geen heel stuk in!... Hou is ’n lucifer bij,

Doedelaar!... Kijk is: ’n lepel die an ’t wegfrete is in de mosterd en

’t oortje van me koffiepot af!... ’t Is om bij te huile, bij te huile!

Hou nóg is ’n lucifer bij!... Wat sèt u nou dáár van?... Nee, wat sèt u

d’r van?... Nog maar drie koppies met sès bakkies... As d’r sès bakkies

sijn, dan sijn d’r ook sès koppies geweest, niewaar? En me theepot!

Kijk me die... Steek nog is ’n lucifer an, Doedelaar... theepot is...

Ware die schilfertjes ’r af?... Sijn die ’r ooit af geweest?... En ’n

mes met soo de stukke d’r uit... Met moedwil sou je haast segge... En

as ’k de kamerdeur kon opemake dan sou u is wat sien, dan sou u is wat

sien!... Alles is veruuneweert... We motte de heele boel nieuw

anschaffe... Met geen honderd vijftig guldens kom ik toe...”

„Nee miet keen hoendert vijftig...”

„Dus om te doen wat ik uw man verzocht heb, zou u twééhonderd vijftig

gulden noodig hebben?...”

„Wij verlange geen geld van u meneer—u mot ons niet in de verleiding

brenge. Wij komme alleen op voor ons goed recht! Wij wille alleen maar

hebbe wat ons toekomt. As u ons honderd vijftig guldens schade

vergoedt, dan doe u netjes en dan sulle wij voor u ook netjes doen.”

„Ja, dan zulle wij u zoo netjes behandele dat u ’r plezier van zal

hebbe.”

„Dus niet minder dan honderd vijftig gulden?”

„Minder? Minder? Niks is meer te gebruike, ’t kleed, de gordijne, de

tafel—van een stoel is ’n poot gebroke—, de vaassies—god weet hoe ’t

bed ’r uitsiet, de keuken... Voor hoeveel hebbe wij ons boeltje

geassureerd, Doedelaar? Seg ’t maar. Seg ’t is an meneer.”

„Wij zijn verzekerd voor drie tuizend goelden...”

„Reken u nou is na! Je assureert je boel toch niet voor drieduizend

guldens of je mot ’r wáárde voor in huis hebbe. Je betaalt toch geen

premie voor niks?”

„Ja, ja. Maar ik blijf bij me bod.”

„Daar kenne wij ’t niet voor doen.”

„Meer geef ik niet.”

„Nee mijneer—wie mijn vrouw sagt: we moete hoendert vijftig goelde

hebbe en die helft contant.”

„Dan zullen we maar doen alsof ’r over niks gesproken is. Honderd

gulden wil ik geven, als je ons hèlpt voor ’n goed doel. Geen centiem

meer.”

„Dan verbiende wij oens tot nieks.”

„Uitstekend. Dan ga ik heen.”

„... Dan verbiende wij oens tot nìèks... Iek heb zooviel van u en van

die joeffrou gezien, dat iek meer praate kan dan u lief ies.”

„Ga je gang. Honderd pop en vijf en twintig contant.”

„... Iek heb u ien uw hemd gezien en nog viel meer”...

„Voor mijn part had je m’n bloote achterwerk gezien! Goeien avond.”

„Maar luister u nou nog eens!”

„Nee. Is ’t aangenomen jà of néé?”

„Mag iek ’r nog is een dág over denke met mijn vrouw?”

„Ga je gang. Zeg ’t me morge dan.”

„Uitstekend mijneer. Wiel u nog niet een vlammetje?”

„Pas u op voor de drempel meneer.”

„Goeien avond.”

Buiten was ’t avond geworden. In de winkelkasten spiegelde licht.

Tusschen de kantlijnen der daken lag ’n straat sterrenhemel, ’n straat

zwart, met lichtplasjes om èlke ster. Ik keek naar den hemel, de

sterren, de hijschbalken, de puntige oppuiling der daken. Er was iets

moe’s in me, iets verleefds, een gevoel van kleverige handen en

òngeschorenheid.

Op de stoep vóór ’t huis van Dirk liep zij heen en weer met de twee

kinderen.

„Goddank dat je komt! ’k Was zoo bang je mis te loope... Dirk was niet

thuis”...

„Wat is dat nou? ’k Begrijp niks van je! Hoe kom je op ’t idee om naar

Guus en Dirk te gaan, terwijl je weet da’k met Guus niks meer te maken

wil hebben! Hoe kom je er op!...”

„Ach toe wees niet zoo driftig,” smeekte zij. „’k Ben zoo op, zoo

zenuwachtig... Daarnet dacht ’k da’k tegen de straat zou slaan...

Heeft-ie je niks gezegd, die Doedelaar?...”

„Doedelaar? Wat dan?”

„... Hoe ze me behandeld hebben die ellendelingen!...”

„Jóú behandeld?... En ’k heb wel een half uur met hem en z’n vrouw over

koetjes en kalfjes geredeneerd!...”

„O wat ’n vuilike zijn die lui! O wat ’n tùìg! Wat ’n tùìg! O wat wor

’k gestràft!...”

„Wat is ’r dan? Huil nou niet op straat... Geef mij ’n arm; laten we

elk ’n kind nemen... Jij mij ’n handje, hé, Ka?... Wat is ’r gebeurd?

Wèèr ’n scène?”

„Ja, wèèr ’n scène. O die mense! Die mense! De mense maken me dóód!”

„Wat hebben de mènse je dan weer gedaan, Mol?”

„Ach jij ben zoo’n engel! Als ’k bij jou ben voel ik me dadelijk

gerust!”...

In eens gaf ze me ’n zoen.

„O mamma! màmma!” lachte Kaatje.

„Geef jij ’r me ook maar een, Ka.” Georgine begon te vertellen:

„... Toen je de deur uitging, wer ’k zoo angstig. Telkes as ’r iemand

’t gangetje inkwam om zich te late schere dacht ’k dat hij ’t was... en

die glaze deur! Die glaze deur!... Hoe licht trap je ’n glaze deur niet

in!... Ik kòn ’t niet uithoue... Ik had geen rust... ’k Dacht an

allemaal angstige dinge... an die vrouw die ze laatst vermoord hebbe

gevonde... an Parijs waar de manne d’r vrouwe doodschiete als ze iets

doen wat niet goed is... Tèlkes weer liepe ’r mense in ’t portaal...

Tèlkes weer... Toen dacht ’k: nee ’k blijf hier niet... ’k ga ’n andere

kamer hure...”

„... ’n Andere kamer?...”

„... Je heb toch gezegd da we zoue verhuize... Moest ’r dan niet

uitgekeke worden naar ’n andere kamer?... ’k Dee ’t om ’n loopie te

hebbe, om èrges heen te gaan... ’k Stond te beve van

zenuwachtigheid...”

„Verder?...”

„... Toen we angekleed ware, riep ’k de juffrouw bove om ’n boodschap

voor jou achter te late en toen gaf ’k Dirk op—zoomaar—zoomaar—’k wou

maar ’n uurtje uit... En toen zegt Ka in eens—wie let op zoo’n

kind?—„juffrouw we gaan lekker naar ’n huis kijke”—’k Herinner me

heelemaal niet da’k ’t ’r verteld heb, maar met me zenuwe was ’t best

mogelijk. Toen had je dat smoel motte zien! Wit werd ze van nijd! Die

had gedacht dat we nog zoue bijdraaie!... Verbeel je!... D’r kerel kwam

’r ook bij, jawel, zonder kloppe, alsof de kamer niet van òns was! En

toen had je is moete hoore wat die twee ’r uitgeflapt hebbe! Wat ze

maar voor d’r mond kwam! En dat tegenover ’n weerlooze vrouw! Ja, ze

zoue ’t gedùrfd hebbe, as jij ’r bij was geweest!... Wat ’n tuig! Ze

hebbe ons gewoon altijd beluisterd! Je kunt niks verzinne of ze wiste

’t! As me man kwam zou-die ’m wel inlichte, zou hij getúíge. Weet je

wat de schoft gedaan heeft? Raad eens? Nou raad eens? Je zult ’r van

opkijke! Je wordt ’r misselijk van als je ’t hoort: die heeft ’n paar

keer met Frits door ’n gaatje van ’t behang staan kijke als wij ’s

morges in bed leien!... Wat zeg je van zoo’n smeerlapperij?...”

„Laat je toch niks wijs maken!... Zóó patserig-vies is die man niet

geweest.”

„... Hij heeft ’t me zelf gezegd. Voor de rechtbank, als ’r ’n proces

van kwam, zou hìj getuige dat-ie door ’n gaatje van ’t behang ons in

bed heeft zien liggen.”

„Wat ’n ploert! Wat ’n schoft! Dat zwijn met z’n bediende...”

„Dus je weet wàt ons boven ’t hoofd hangt, als ’r ’n proces van komt...

We hebbe haast geen woord gesproken of ze hebbe ’t opzij of benede

afgeluisterd. ’k Stond gewoon verbluft. Ze gooiden me alles voor me

voete. Ik had op Sinterklaasnacht an jou gezegd dat ’t zonde was om

zooveel geld voor Netje uit te geve”...

„Dat heb je toen ook gezegd.”

„Wat doet dat ’r nou toe!... Ik had op die avond dat jij beneden heet

water was gaan halen gezegd dat ze lammelinge ware. Weet jij ’r wat

van? En jij had in de alkoof iets an Ka zitte vertelle dat hij en z’n

vrouw in ’t haar van Ka ware gevalle. Nou vráág ik je! En wat ze al

niet meer verweten hebben! D’r heele huis had ik geruïneerd, d’r

gordijne, d’r rotte kleed! Verbeel je dat òùwe kleed dat ik zesmaal

gestopt heb en die gordijne die ze erges bij ’n uitdrager gekocht

hadde! ’t Brief-ie van ’t venduhuis zat ’r nog an!... Dat tuig! Ik, die

d’r boeltje zoo goed onderhoue heb. Hoe zag ’t ’r bij ons uit? Zeg nou

is!”...

„Keurig—maar vèrder”...

„En dat we al z’n klante wegjoege... eerst met die ruzie met de

naaimachine—toen was z’n winkel vol klanten—die leugenaar! Die mof! Was

die maar in z’n eigen land verzopen!—z’n winkel vol klante! vòl klante!

Je hoorde d’r nooit ’n sterveling!—En toen later de herrie met

Stengevis, die ’r met de politie was afgezet. Ik was ’n hoer, ik

ontving heeren als jij niet thuis was—zoo’n schooier, alsof jij niet

weet wíé ’r kwame, Karel en Scherp en Dirk en me vader—en ’t schandaal

dat-ie ’n andere hoer d’r had moete uitgooie! Hahaha! Die óúwe

Stengevis ’n hoer! Daar mot ’k om lache! Is die goed, hè? En dan

verwete ze nog dat ze elke morge ’n boterham an Ka moeste geve als wij

nog in bed leie en dat ze telkens zoo’n last met de betaling hadde en

wie ’r de plee moest schoonhoue, zij of ik!... Je had ’r bij moete

weze. Je had wat kunne hoore.—Ik zal je maar niet zeggen waarvoor ze

jou en mij hebbe uitgescholde. Maar ik heb ze d’r vet gegeve al knikten

me knieën. Dat wil godbeter ’n sociaal zijn, die Mof, die leest De

Rooie Duivel en is zelf te stòm om voor de duivel te dansen! Ik wer zoo

nijdig! Ik heb ze gezegd da’k genoeg had van d’r hondepieskamer, da’k

wel gemerkt had zij háár op ons eten lei.—Toen werd hij door Frits

geroepen, bleef zij alleen en toen heb ’k ’r gezegd dat als ze niet

dadelijk van de kamer ging, ik ’r bij d’r hàren d’r af zou trekken. Je

begrijp wel da’k ’t niet gedaan zou hebbe. ’t Was om ’r bang te make.

En toen ging ze eindelijk... Eerst heb ’k ’n kwartier zitte huile met

de deur op slot—toen heb ik in mijn handtasch ingepakt jouw tandpoeder

en jouw borstels en je zeep en wat hemde en onderbroeke en zakdoeke en

je pantoffels en me lorgnet en je brieve en wat ondergoed van Ka—toen

heb ik de twee deure op slot gedaan en ben ’k met de twee kindere weg

gegaan—en geen voet zet ik meer in dat vervloekte huis!”...

„Arme, dikke Mol.”

„En ’k hèb al ’n andere kamer.”

„Wààr?”

„Op de Ruysdaelkade over de waskaarsenfabriek bij uitstekende mense.”

„Alweer uitstekend?”...

„’n Vroegere vriendin van me moeder. ’n Engel van ’n mensch. Die weet

alles van mijn en me man en van jou en die wou ons met plezier hebbe.

D’r kamer was juist de vorige week leeggekomme en de kindere kunnen

slape in een kamertje naast an. ’n Heerlijke frissche zitkamer.

Tienduizendmaal beter dan bij Doedelaar... Mààr... o! dat vergat ik

heelemaal... wat zei de advocaat?”

„Dat zal ik je strakjes vertelle. Niet veel bijzonders. Laten we eerst

wat gaan eten.”

We líépen weer met de kinderen.

Kamertjeszonde · 第 66 / 77 题