Wij zaten aan de ontbijttafel, toen Frits een brief binnen bracht.
Georgine werd bleek, scheurde het couvert open, las, frommelde het
papier in woede saam, viel snikkend met ’t hoofd op tafel. Ik nam het
propje papier, streek het glad, làs:
Philadelphia.
Lieve vrouw en kinderen.
„Ofschoon ik nog altijd niet op tijd brieven van u ontvang, zoo
moet ik u toch melden, dat ik verschenen Zaterdag een brief van u
ontvangen heb en wel een brief zonder envelop ik begrijp u manier
van brieven zenden in de laatste tijd niet enfin dit zal zich naar
ik hoop wel ophelderen gij schrijft dat weinige wat gij mij
schrijft zoo koud en gevoelloos dat ik er geen begrip van heb ik
ben een heele week ziek geweest ziek was ik eigenlijk niet maar ik
was zoo neerslachtig en koortsachtig gejaagd dat ik niet werken kon
ik ben nu wel nog niet op streek maar ik kan ten minste weder een
beetje werken de docter weet niet wat het is en ik kon hem
natuurlijk niet vertellen wat ik gevoelde hij vroeg mij schertsend
of ik verliefd was ik vertelde hem toen dat ik getrouwd was toen
zijde hij nu begrijp ik het al je moet of je vrouw gaan halen of je
moet in europa blijven, natuurlijk kon ik hem daar geen antwoord op
geven, doch lieve Georgine ik ben besloten als ik over veertien
dagen weder geheel op streek ben om je dan te komen halen lieve
Georgine, het is dan ongeveer je verjaardag en dan breng ik je
meteen een mooi goud horloge mede hoor en dan gaan wij een paar
dagen uit de stad en dan gaan wij te samen hier naar toe het zal je
uitstekend bevallen hier dat verzeker ik je nu lieve Georgine in de
hoop dat ik u later meer daar van zal schrijven omhels ik u alsmede
de kinderen
je liefhebbende
I. DAVIDSON.
Georgine snikte, Ka begon van angst te huilen.
„Hij is al in de stad, Georgine,” zei ’k, met ’n plotseling voelen dat
dit een leugenbrief was, dat hij àlles wist, dat hij géén veertien
dagen gewacht had.—„O God, néé. Maak me niet angstiger”—„O mamma ...
waarom huil u nou zoo?”—„Stil Kaatje”—Ik dacht na en ’n groote woede
bonsde als ’n vloedgolf in me op.—„.... Georgine.... Heb je je man
geschreven ... van òns?”....—Ze bleef snikken.—„.... Hoor je
me!”....—Ze antwoordde niet.—M’n vuist stompte zoo driftig op tafel dat
de kopjes en bakjes rinkelden.—„.... Heb je geschrèven, ja of
nee?”....—Haar oogen keken me verschrikt an.—„.... Begin jij nou ook,
Alf ... jùìst da’k je zoo nóódig heb?”—„.... Geef me
antwoord!”....—„.... Ik hèb ’m geschreve”....—„Je liegt! Je liegt! Je
liegt!” schreeuwde ik.—„O oome!.... O mamma!”—Huilerig klonk ’t
kinderstemmetje, dat me nòg sterker irriteerde.—„Stil Ka! Hou je
mond!.... Waarom belieg jij me?”—„Ik lieg niet”....—„Je liegt! En máák
’t niet erger!—Versta je! Versta je!”—„O God, wat ben ’k ongelukkig!
Nou gaat hij ook nog tegen me opspelen! O, o, o! Was ’k maar dood,
dóód!”—„.... Dat je nòù nog liegt!”, vervolgde ik driftig: „Dat je me
àl dien tijd zoo gemeen, zoo godsgruwelijk gemeen belógen heb! Wat vin
’k dat beroerd en laag van jou!.... En de brief van die màn, die hier
komt, niks van jóú weet, alles van ànderen!.... En ik, die hier sta als
’n inbreker, als ’n ploert, als ’n dief!.... Heb je daarom al zijn
brieven verscheurd, zoodra je ze kreeg!.... Bah! Bah! Bah!”—„Ik was zoo
bà-ang—zoo schrikkelijk ba-ang.”—„Voor wie? Voor wat?”—„Voor hèm.... ’k
Dorst niet schrijven”.... „Je dorst niet! Je dòrst niet? Wèl dorst je
mij beliegen vier, vijf, zesmaal, da’k je gevraagd heb, of je éérlijk
met díé man omging”....—„Ach God—schei nou uit! Schei nou uit! Heb je
dan geen meelij met me.... Ik was zoo ba-àng. Dat kun jij niet
begrijpen.... Ik was àltijd zoo ba-ang ... dat-ie me zou kommen
vermoorden!.... Ach-God, lieve Alf ... vergeef ’t maar ... vergeef ...
’t... maar”...—Zij zoende mijn hand, mijn hand, die nat van heete
tranen werd.—„Nou geloof ’k je nooit meer,” zei ik ontmoedigd, diep
terneergeslagen, „in niks meer! Gèk, die ik was! Gèk om te meenen da’k
jou opgeheven had.”
„.... O! O!”, huilde zij, hartstochtelijk-snikkend: „schei nou uit!....
’t Leven is toch zoo náár.... Hou nou op!.... Laat me niet in de
steek!”—„Wie spreekt ’r van in de steek laten?.... Wat zeg je nóú weer
voor viesheden?.... ’k Zou ’r om kunnen huilen dat je me zoo belogen
heb—dat je me zoo nàkend laat staan.... Als die man nóú, dàdelijk,
binnenkwam ... zou ’k met m’n houding geen raad weten ... zou ’k staan
als ’n gewone, scharrelende pàtser!.... En jij die weet hoe ’k liegen
háát, háát, háát, dat ’r niks èrger voor me op de wereld is!....”—Zij
snikte met ’t hoofd in de handen. Ka zat met angstig
pruil-bakkesje.—„.... Alf!.... Alf!.... Waarom zeggie me dat alles
nóú,” weende ze: „.... Wil je da’k me dan verdrink!....”
Mijn woede zakte. Kijkend door de ramen hoorde ik haar snikken, snikken
als zuchten uit een grijze verte. Goor zwart lag ’t kippenhok in ’t
zwart kale tuintje. Kippen kakelden, bepikten den zwarten grond. De
hond van den barbier met drillende, platte, weeke tepels snuffelde
rond. Aan de overzij, triestig in de fletse lucht, stompte de
roode-steentjes-muur op, ramen, kozijnen èn horretjes èn roode
gordijntjes èn tuindeuren....—„Ik was zoo ba-ang,” begon zij weer
achter me: „zoo vreeselijk ba-ang.... Dat vat jij niet... Als ’k ’m
schreef dacht ’k dat ’r ’n end zou kommen an àlles....”—„Had je dan zoo
weinig vertrouwen in me....”—„Ach, ach, ik vertrouw je álles ... maar
’k ben zoo bàng voor de dingen....”—„Wèlke dingen?”—„.... Voor dè
dingen ... dé dingen.... ’k Kan ’t je niet zeggen....’k Weet ’t
niet.... La-me nou niet in de steek, Alf!.... ’k Ben toch góéd voor
je.”—„Daar dènk ’k niet an.... Huil toch niet zoo!.... Is ’r nou zòò
iets verschrikkelijks gebeurd?.... Geef me ’n zoen.... En lieg niet
meer ... nóòit meer! ... nóóit meer!.... Hoor je me?”—„Nooit meer!
Nooit meer!”—We zwegen even. Toen zei ik rustig, in zèkere
voor-voeling: „Hij is in de stad.”—„Wel néé,” schrikte ze.—„Hij is ’r,
zeg ’k je.... Die veertien dagen is niks dan ’n smoesje.”—„Geloof
je?”—„Zèker.”—„Dan blijf ik hier geen minuut meer.... Hij weet ’t
adres.... En die huisdeur die altijd òpen staat.... Is de voordeur op
slot?” riep ze angstig.—„Als je zóó begint, ben je goed op weg! Je
blijft híér. We zullen kalm afwachten....”—„Als je maar geen oogenblik
van me weggaat,” smeekte ze, bleek van angst.—„Malligheid.”—„Ach toe,
Alf!”—„Dwaasheid. Die man doet je niks. Die màn-mèt-het-kontrakt!....
Wil je me nog ’n boterham snijden?....”—„Hoe kún je nou eten!”—„Ik heb
trek. Wat zeg jij Ka?”—„Ikke ook, oome.”—„Niet met twee hande eten,
groote meid.”—„Is pappa terug, oome?”—„Je pappa....?”—„Hou je mond,
nest! Je mag niet meepraten als groote mensche spreken, hoor je!”,
verbood Georgine.—„Nou-ou!....”, protesteerde het kind.—„Níét zoo met
’r omgaan, Mol!... Hou je van je pappa, Ka?”—„Van pàppa?... Ja,
niewaar, mamma?... ’k Mòt van me pappa houe, niewaar, mamma?”—„... Van
wie hou je meer, van je pappa of van mij?”—„Van ù, oome...”—„... Wil je
liever van mamma en oome weg en naar pappa toe?”—„Nee-èe. Nee-ée!...
Bij ù en mamma blijve.”—„Als ’k je nou ’n prachtige pop geef,” hield ik
aan: „zóó één, kijk is: zóó een: wil je dan niet liever naar je pappa
en van ons wèg, hè?... Wil je dan?”—„Nee-éé!... Nee-éé! Bij u
blijve!...”—„Hou nou op, Alf, anders gaat ze nog huile.”
’s Middags kwam ik terug van ’n boodschap, klopte aan de deur die op
slot was. Georgine keek door ’n kier naast het gordijntje, maakte open.
Haar oogen waren rood-gezwollen van huilen.—„Wat is ’r? Wàt heb
je?”—„D’r is zóó’n scène geweest! Zoo’n scène... ogotogot!”—„Met
wie?”—„Met dat krèng, met die Stengevis!”—„Is die hier geweest?”—„...
Waarom ben je niet thuis gebleven!...”—„... Wat is ’r dan!... Dag,
Toosje... Kom jij weer is met Ka spelen?”—„Nee, Toos blijft ook
hier.”—„Blijft Toos hier?”, vroeg ik verrast.
„Ja. Ze blijft, ’k Wou niet meer hebben dat zij d’r meenam. ’k Heb
zoo’n meelijden met jou! Zoo’n meelijden met je!... Da’k je al die last
andoe!... Twee kinderen!... O, wat is ’t leven toch èrg!”—„Wil je me
nou liever vertellen wat ’r gebeurd is!”—„... Vreeselijk!...
Verschrikkelijk!... De politie is ’r an te pas gekomen!... Nou zie je
hoe droomen uitkommen!... Jij, die in niks gelooft!... Hè’k tóén niet
gedroomd van paarden van de tram die me wouen bijten!... Zoo’n
schandelijke herrie!... We kunnen hier niet blijven wonen, hoor! Als je
dàt maar weet!.... We moeten weg, hoor?.... ’t Is hier onmogelijk
geworden...”
„Vertel ’t nou asjeblief kálm. Niet zoo opgewonden...”
Zij probeerde rustig te vertellen, maar bij momenten werd ze gejaagd,
moest ’k haar wenken om kalmer te zijn.
„... Nou moet je verbeelden... Hè, ’k kan haast niet praten van
zenuwen... Nou moet je verbeelden dat ze om twee uur met zoo’n
opgestreken zeil komt om d’r geld... Ze most ’n week of vier of zoo
iets hebben. ’k Zeg tegen d’r me man is d’r nou niet, kom van avond
terug. Hé’k ’r nòg niet twee weken geleden vijf dollars gegeven?...
Toen begint ze me op te spelen... Net of ’t mensch gek was. „Wèlke man,
wèlke man,” zegt ze: „jij houdt ’r zoo’n bóél mannen op na.”—„Zeg is,
ben jij dol, zeg ik—waar bemoei jij je mee? Is ’t je niet genoeg àls
jij je cente krijgt?” Daar begint ze me te schèlde, te schèlde te
gemeen om te herhalen—die koppelaarster!—en te schrééuwen! Hou je
smoel, zeg ik. Denk ’n beetje an de mense?... Maar ze déé ’t ’r om, die
vuilik, ze smeet ’r alles uit. Ze had gehoord dat Isaac weer naar
Holland kwam en nou wou ze d’r cente.—Van wie zou ze ’t gehoord hebben?
Van wie? Daar maak ’k me ongerust over? Van wíé zou ze ’t weten? Van me
schoonmoeder? Of zou hij d’r zelf geschreven hebben? Wat denk je? Vin
je ’t niet vreemd? Wàt dénk jij?”...
„Vertel eerst af”...
„... Ze wóú d’r cènte hebben. Ze was bang dat ze ze anders van de een
en van de ander niet zou krijgen... Mensch, zeg ik: hou je fatsoen,
denk toch an de bùren. D’r is vóór ’n winkel... Kom van avond, dan zal
Spier je betalen!... Nee, ze ging niet weg. En weer an ’t schelden en
an ’t schelden op jou, dat jij zoo’n kale rot was, dat ik te stom was
om voor de duvel te danse da’k met zoo’n armoedzaaier de hoer
speelde—dat waren d’r eigen woorde! Hoe vin je ’t? Wat zeg j’r van? Is
’t niet beestig! Hè?—da’k ’t zoo goed had kunnen hebben als ’k met die
resident—hoe heet die vent ook weer?—die Vermeulen als huishoudster
naar Indië was gegaan!... Toen wer ik woedend en schold ik háár uit...
en háár man... die lummel die d’r helpt om de wasch te boenen!... En
toen zij d’r bovenop!... Alles flapte ze ’r uit! Alles wat ze maar van
me wist!... Want ze wist àlles, àlles... En daarvoor was ’k bang...
Maar nou bèn ’k niet meer bang voor d’r!... Nou hè’k ’r ook de waarheid
gezegd!... Van Barend... van die bankierszoon! Van die officier van de
marine, alles schreeuwde ze hard op, expres-hardop, dat ze ’t benejen
zouen hooren, dat ze ’t zouen hóóren... Dat serpent... Dat varken!...
Dat me half op de verkeerde weg heeft geholpen met d’r raadgevingen!...
En toen die vuilik benejen, die pestmof alles goed had afgeluisterd,
toen kwam-die binnen en begon ook op te spelen, dat ’r klanten in de
winkel waren, dat ’t ’n schandaal was!—Geen énkele klant was ’r! Op me
woord van eer—’r was ’r niet één. Dat loog-die. Dat zoog-die uit z’n
duim om binnen te kunnen komen. En toen ging die Stengevis nog is an ’t
vertellen en an ’t schreeuwen en toen zei ik dat als ze me kamer niet
afging, ’k ’r d’r af zou smijten. God, ’k was zoo woedend. ’k Had ’r
kunnen vermoorden. Die Judas. Dat wijf. Dat kreng om alles zóó te
schreeuwen dat die vuiliken benejen ’t konden hooren!... En toen die
mof weer. Of ’t nou god-hier-en-daar gedaan was, dat z’n heele affaire
verliep—’n affaire!—Wat heeft-ie te doen? Anderhalve klant! ’n affaire!
Og ’n affaire! ’k moet lachen als ’k ’r an denk!—dat-ie van z’n huis
geen hoerekast maakte! Wat zeg je dààr van? Nou wat zeg je dààr van?
Zoo’n vuilik!... En z’n vrouw ’r ook bij en hèm an ’t opwarremen. God,
god wat ’n schandaal!—Toen begon die Stengevis mijn partij op te
nemen—heb je ooit zoo’n geschiedenis gehoord?—en de mof uit te schelden
dat-ie ’r geen bliksem mee te maken had, dat ’t in alle geval mijn
kamer was en dat als zij ’m gehuurd had, zij wel zou weten wat ze zou
doen. Dat zal ik jou dan is late zien, zei de mof en toen zond-ie Frits
om ’n agent. O Jezis, Alf! O God, Alf! Die krèngen. Om zoo tegen me op
te staan als jij ’r niet ben—om me zoo de dampen an te doen. Ka en
Toosie an ’t huilen toen de agent kwam. Toen zei de agent: wíé is hier
de baas. Dat ben ik zei Doedelaar. Dat liegt-ie zei Stengevis: ’t is de
kamer van de juffrouw. Nou toen wer ik woedend. Was ik begonnen? Had ik
de herrie uitgelokt? Had ik ’r niet zesmaal verzocht om op te donderen.
Nou toen zei ik—en daar heb ik nou nóg plezier van—in godsnaam, de
kogel is door de kerk: „Agent, zet dat wijf van me kamer!” Toen
vroeg-die eerst nog an Doedelaar of ’t goed was en Doedelaar—die man
was half-krankzinnig van drift—die schreeuwde: D’r aus! D’r aus! D’r
aus met de heele hoereboel!—Stengevis die was zoo wit als ’n lijk—als
’n lijk!—En weer an ’t schelden. Maar toen moest ze weg voor de agent
en toen ik de deur op slot gesmeten!... O! O! wat ben ’k ’n ongelukkige
vrouw!... Alles komt op één dag!... Wat ’n ellende!”
Ka en Toos zaten stil in ’n hoekje, beduusd door ’t gesnik van
Georgine. Ik bracht haar tot kalmte, klopte den barbier op. Wit van
ingehouden angst-opwinding, met blauwige zenuwtrekken onder de oogen,
kwam-ie binnen. Volmaakt-rustig, uit de hoogte, met iets in m’n stem
dat ’m op ’n afstand scheen te houden, zei ik: „... Meneer
Doedelaar—mijn vrouw vertelt me dat ’r straks ’n kleine onaangenaamheid
gebeurd is...”—„Kleine onaangenaamheid,” zei hij verrast... „kleine
onaangenaamheid! Noem u dat...”—„Pardon. Ik verzoek u mij te laten
uitspreken... U is te veel man van de wereld om niet te weten hoe ’t
hoort. Straks is ’r ’n kleine scène geweest...”—„Iek hab die partij van
die joefrou auf genommen.”—„Daar dank ik u wel zeer voor. Wil u ’r nota
van nemen dat ’k u de huur opzeg tegen eind van de volgende
maand”...—„Dadelijk, Alfred” viel Georgine mij in de rede—„Stil... we
zullen eind van deze maand vertrekken... dan kunt u twéé maanden
ontvangen... Tot zoolang zult u wel zoo beleefd willen zijn de vormen
tegenover mijn vrouw geheel in acht te nemen, niewaar?”—„Natuurlijk.
Wel zeker. Iek moet”...—„Pardon. Ik verlang ’r niet over te redeneeren.
U heeft me góéd verstaan: volkomen de vormen in acht te nemen,
tegenover deze dame, anders zou ’k verplicht zijn... Maar u is te veel
man van de wereld om mij niet tout à fait te begrijpen”...—„Alle
respekt voor ù mijnheer. Alle respekt. Van u zal iek altijd met lof
spreken, maar die joefrou, die joefrou...”—„Permiteer me te zeggen, dat
’k nìèts benieuwd ben naar uwe opinie over mijn vrouw”...—„Laat u mijn
nou ook eens uitspreke, asjeblief mijnheer”—„Ik zeg u dat u eind van de
maand twee maanden huur betaald krijgt. Anders heb ik met ú niets te
bepraten.”—„Ja maar, jawel mijnheer... iek wou u toch ook eens
zeggen”...—„Mag ik u verzoeken?”—„Mijn goed! met die kale kakkie! Als
iek mijn huur maar bekom!”
Bradend—vóórzichtig-bradend in de kaantjes van zijn drift, retireerde
hij. Beneden werd hij dapper, laaide z’n barbiertjespassie op,
schreeuwde hij heldhaftig dat ’t uit was, uit. Ik was in ’n te
gemoedelijke stemming. Met de twee kinderen op m’n knieën speelde ’k
van haken en oogen—tikke takke toge—goudpapier—tierelierelier.—„Wat ben
jij ’n vreemde man,” zei Georgine, voor de zooveelste maal: „trek je je
nou van niks wat an, of hoe heb ik ’t met je?”—„Malle Mol: van
barbiertjes kan ’k me vandaag niks aantrekken. Ik ben minstens ’n
halven dag wijsgeer. Ik heb ergens hónderd pop losgewerkt. Hónderd pop,
hoor je? En geen Doedelaar is in staat ’n zoo zeldzame vreugde te
bederven!”—„Heb je honderd gulden?”, vroeg zij verrast.—„Honderd! Negen
en negentig gulden vijf en zeventig cent. ’k Heb ’n kwartje sigaren
gekocht”—„Wat een uitkomst! D’r staat twintig gulden bij de kruidenier
an de overkant èn...”—„Bederf jij nou me pleizier niet!... Nà ’t eten
asjeblief!... Hoe was ’k met die mof?... Deftig, hè?... Prachtig,
hè?... Net alsof ’k mezelf in ’n boek hoorde spreken... En nou geeft Ka
me ’n lekker bittertje, hè?”—„Ja, pappa”...—„Mag je niet
zeggen”...—„Mamma het ’t me gezegd”...—„Dan heeft mamma zich
vergist”—„Hè toe, laat ’t ’r zegge... Jij ben zoo goed, zoo’n goeie
engel voor ons allemaal”...—„Nee, jongens, wel?... Ik ben jullie oome,
jullie oome met negen en negentig gulden vijf en zeventig cent... en
wil jij je wel is niet op je hoofje krabbe, Toos!”—„Kakkie...
Hoereboel”... lijsde van onder op.—„Als ’k hier wegga boor ’k ’n gaatje
in de waterleiding! Dat tuig!”, zei Georgine, wraakzuchtig.
„Kerel, wèès nou toch practisch,” zei Dirk, Guus was uit de stad. Hij
èn Karel kwamen ’n avondje verpraten, dat wil zeggen ’n avondje nà elf
uur. „Hóór je, Alf?”—riep Georgine.—„Jawel, jawel.”—„Je kunt nou
eenmaal niet alles theoretisch doen,” beredeneerde Dirk achter z’n
biertje: „je kunt wel ziekelijk droomen, maar van droomen eet je niet
en mèt droomen worden jullie àllemaal nog ongelukkig.”—„Jawel! jawel!”,
zei ik onverschillig.—„O zoo,” meende Karel: „toen ik geen engagement
had ben ik sigaren gaan maken! Jij met je eeuwig: jawel!”—„Jawel!
Jawel!” herhaalde ik.—„Wor nou is ernstig, Alf.”—„O, ik ben akelig,
volkomen ernstig.”—„Of jij rèdènèèrt”—hield Dirk aan—„of jij redeneert
als Brugman, je moet met de praktijk rekening houen... Jij zegt dat de
man-met-het-kontrakt niet zoo dwaas zal zijn z’n vrouw òp te eischen,
nou ze niet meer van ’m houdt en ’n ànderen man genomen heeft—dat is
kul! Kul! God, kerel wees toch niet zoo volslagen idioot. Je móét en je
móét naar ’n advocaat.”...—„Ach loop heen!”—„Met de politie kan-ie
Georgine èn de kinderen laten weghalen—Ja, de kinderen!”—„O, got, Alf,
de kinderen”—„Ik ga naar geen advocaat” zei ik voor de zesde maal: „Ik
dóé ’t nìèt. Denk je da’k zoo fielterig ben om ’n vrouw en kinderen te
pròcèdèèrèn?... Is ’r dan nog ’n menschenmarkt!... Zijn jullie getikt!
Is ’n vrouw eigendom!... Zijn levende, ademende kinderen, die straks
d’r èìgen denken hebben eigendom?... Is ’r geen vrije wil?... Is ’r
geen liefde?... Ik verdòm ’t!... Ik pròcedèèr niet. Wat hebben ze te
maken met mijn huwelijk! Is huwelijk uit- of inwendigs?... Denken
jullie dan is na!... Maar dènk dan toch is na! Zijn onze twee vrije
willen allemansgoed?... Is liefde ’n ding dat anderen, anderen met ruwe
knobbelknuisten te doorknejen hebben?... Ik verdòm ’t!... Ik neem geen
advocaat!”...
„Allemaal kul,” zei Dirk verstandig-bot: „hou jij die redeneering tot
den commissaris van politie, als-ie Georgine en de kinderen naar d’r
man terugbrengt.”
„En zijn ’t niet zijn kinderen?” vroeg Karel, met ’n oogknippen
als:—„wat zeg je dáártegen?”
„Nee ’t zijn háár kinderen,” ontkende ik woest: „stel jij ’n vrouw
gelijk met ’n stuk land waarin je maar zaait?”
„Goed en wel”—zei Dirk: „je móét ’n advocaat nemen. Laten we annemen
dàt d’r man in de stad is, dat hij gaat rechten, dat hij wettelijk je
pooten bindt. De rotte wetten zijn ’r nou eenmaal! Wees jij ’n Don
Quichote!”...
„Ach lieve Alf, luister toch naar goeie raad!... Wees niet zoo
eigenzinnig... Mot ik me kinderen kwijt raken?... Ach lieve engel láát
je toch rajen”...
„Nee! Nee! Nee!... Genegenheid verdedigen met advocaten, deurwaarders,
exploten, vonnissen!... Laat ze stikken in d’r stratenhorizon! Moeten
we nóg eens praten over het huwelijk! Is ’t niet bedonderd genòèg dat
we vastzitten aan ’t wettenzoodje, dat ’n vrouw eigendom is zooals ’n
akker, vruchten aan den man-zaaier heeft op te leveren zooals ’n akker,
voor de rest liggen blijft voor ’t geen ze is! Ja, al schud jij nog zoo
je kop, Dirk, ’t kan me geen bliksem schelen. Ik word elken dag ’n
tikje wijzer. ’t Is om te vloeken dat je met je beetje levensgeluk
machteloos staat, met handen-en-voeten-gebonden aan de
wetten-van-het-bezit!”...
„Nou,” lachte Dirk: „jij dòèt nog al als ’n machteloos mensch! God zal
me kraken! Jij brengt jé zuivere vrije liefde in praktijk! Wat wil je
meer?”
Op dat woord „vrije liefde” viel ik aan als een stier op een rooie lap.
Máánden had ik over de verhouding van Georgine en mij nagedacht,
maanden getobd om uit den warwinkel van „theorietjes” te komen.
„Nou nog eens voor ’t laatst, Dirk,” zei ik ernstig: „nog eens voor het
àllerlaatst zal ik je mijn meening zeggen. Wie op dit oogenblik van
„vrije liefde” praat, zwetst, kletst, wauwelt den gruwelijksten
onzin”...
„Argumenten!”—viel hij in de rede.
„Die zul je hebben en plenty! Wat Georgine en ik gedaan hebben is een
zuiver revolutionnaire daad geweest tègen de drukkende huwelijkswetten.
En we móésten wel. We móésten. We móésten. Dáár valt niet tegen te
redeneeren. Maar geloof jij dat er één liefde vrij kan zijn als het
fondament van de tegenwoordige maatschappij modderkluit blijft? Als ik
denk aan de misselijkheden, de ploertigheden, de patserigheden, waarmee
Georgine en ik dagelijks te maken hebben—zij duizendmaal meer dan
ik!—geloof jij dan dat er iets, ook maar iets, iets vrij’s is aan ons
hokken in dit of dat kamertje? Vrije liefde is een zeepbel, een
nonsenspraatje, een van die slappe, kwalachtige burgerlijke idealen,
waarover ongetrouwde juffrouwen op theekransjes leuteren. Daaraan heb
ik nóóit, nóóit geloofd. Maar jè vrije liefde, je wèrkelijk vrije
liefde krijg je eerst als de vrouw èn de man maatschappelijk
zelfstandig kunnen leven, de vrouw ònàfhànkelijk van den man, beiden
los van het Bezit, èn als de huwelijkswetten zóó vereenvoudigd worden,
dat de wil van den man òf die van de vrouw voldoende is om het
„kontrakt”—je kontrakt!—te verbreken. Laat me nou even uitpraten. ’k
Ben er dàdelijk!—De vrije liefde komt eerst mèt de overwinning der
socialisten na eeuwen. Want je krijgt géén zuivere verhouding tusschen
man en vrouw dan op zuivere economische basis. Daarom is het burgerlijk
geleuter over vrije liefde èn het geknoei van „vrije vrouwen” èn hét
wurmen van honderd en een vereenigingen voor „rechten en belangen van
de vrouw” werk van achterlijke dames, knoeiers, suffers, burgerlijke
wereld-verbeteraars. Willen we ons beetje levensgeluk niet heelemaal
vertrappen, dan móéten we wel—als ’t nóódig is voor het
huwelijk—anarchistisch, krachtig anarchistisch optreden—maar voor een
duurzame verbetering voor een ieder bestaat maar één middel: sluit je
aan bij de socialisten met de beste taktiek—sluit je aan bij de nieuwe
levensbeschouwing die de verouderde voortbrengingswijze aan den dijk
zet!—De rest, ’t prullig debatteeren over de rechten van de vrouw, ’t
blaadjes uitgeven voor de vrouw, ’t afzonderlijk ageeren voor de vrouw
is geen cent waard, verzwakt, versnipperd. Er is maar één weg, een
koninklijke weg, één weg en dien gaan Georgine en ik. En als ik ’t zou
kúnnen, zou ik ’t van de daken schrééuwen, van de daken schreeuwen: Het
socialisme is de éénige weg naar het zuivere huwelijk, de éénige, de
éénige!”...
„Nou! Nou!” stuitte Dirk mijn wijzen woordenvloed: „wàcht dan met
schreeuwen tòt je op de daken ben. De buren zullen denken dat ’r ruzie
is!”...
Wij lachten, redeneerden voort, tot diep in den nacht. Maar op een
gegeven oogenblik begon Georgine te huilen, maakte een eind aan het dor
gepraat dat wonder veel begon te gelijken op het gesprek dat ik lang
geleden met Scherp in de Bar had, vóór ik trouwde. Om háár gerust te
stellen—de angst voor den man met-het-kontrakt achtervolgde
haar—belóófde ik ten slotte te gaan hooren bij een advocaat zonder me
tot iets te verbinden. Aldus geschiedde, dat den volgenden namiddag een
onderhoud plaats had, dat men zou kunnen noemen een kluchtige
„verhandeling”, waarin ik de niais-rol speelde. Ik geef het zoo weer:
Hoe ik vernam dat ik niets van het huwelijk wist.
Gegeven een advocaat. Gewone mise-en-scène, correct, veelwetend.
Ik, onnoozel, niais, wat je in boeren-hollandsch ’n dweper noemt.