ik ben hier van middag om 2 uur gezond en wel aan ge koome en ik
hoop als dat ge deze ook in gezondheid mag ont vangen toen ik hier
aan kwam ben ik eerst naar de schouw burg gegaan maar Jan had
Repetiete dus kon ik hem niet spreken toen ben ik na Door ge gaan
waar zij woone en dat was een goede ontvangst al hoe wel Door er
slegt aan toe is daar na ben ik weer eens naar het theater ge gaan
en toen kwam Jan van de Repetiete wat stond hij te keike toen hij
mij zag dat kan je begrijpe zoo op eens, nu wij zijn dadelijk naar
huis ge gaan alwaar hij dan voor mij een kamer heeft ge huurt voor
een gulde vijfentwin tig voor 8 dagen anfein alles is zoo ver goed
maar Door die is er slegt an toe, van af don der dag ligt zij al op
bed en ziet er uit als een ge raamte, onder ons ik geloof niet als
dat zij nog twee maan de leeft, ik hou het voor tering. [2] Zij kon
niet eens regt op zitte in bed, het is slegt met haar, nu moet ik
hier het huis houding doen, ik staa morgens om 8 uur op om dat Jan
om 10 uur alle morgen Repetiete heeft en ge weet hij houd van lang
slaapen, zoo moet ik de kachel aan leggen kopjes wasche de kamer in
orde bren gen voor het mid dag eeten zorgen. Anfein ik moet alles
doen, maar dat doe ik graag dat weet ge wel. Anfein het is hier
slegt gesteld met Door daar bij komt nog dat er geen Geld is, ge
vraagt om Reis geld, ik kom zoo eeven van den Berg waar ik Door
haar japon heb verpant voor twee gulde en veiftig centen. Jan heeft
al vijf en twintig gulde voor schot ge had van de maand en de
eerste is eerst zijn maand om. Zoo dat hij niets meer kan voor uit
kreige. Jan heeft ge zegt als ge het geld kan te leen kreigen dan
kan ge hier komen en dan zal ik wel wat vinde, ik kan je zeggen ik
ben nog nergens ge weest niet eens met Jan naar de opera ik kom
niet verder als de straat waar wij woonen om bootschappen dan
woonen wij hier 2 hoog waater op hale of drooge kolen van be neden
haalen, anfein ik doe het voor Jan en Door, dus wat moet er gedaan
worde. Jan die heeft niets, niet voor den eersten februari dus
lieve vrouw ziet wat ge doet ziet dat ge het geld voor de Reis
krijgt en kom dan hier, dan ga ik zien dat ik wat kreig, in de hoop
op een spoedig antwoord nu lieve vrouw in de hoop als dat ge deze
in ge zondheid mag ont van gen zoo als wij het zijn en na vele
groete van Jan en Door aan Alfred en Georgine je liefhebbende
man—Arie Casper”...
„Maar weet je wàt ’t vuile is,” pakte mama Casper uit, die al dien tijd
zenuwachtig had zitten wiebelen; „da’s da’k ’r niks van geloof Net ’n
dag later krijg ’k ’n brief van Door sellef. Nou às se d’r sóó slecht
an toe is, as se niet kan opsitte in d’r bed—hoe kan se dan
schrijve?—Da’s weer soo ies van je vader. Die denkt daar nou is lekker
te swàbbere. Die is seker èlleke avond half of héél. Maar ’k ga
morrege.—’k Heb me belletjes weggebracht...”
„Met de steentjes ’r in?”, vroeg Georgine meelijdend.
„Precies.—En hìj mee terug of ik blijf ’r ook.—Lees nou is van Door...”
Weer circuleerde ’n brief.
Beste jufrouw.
u zal wel denken nou van Door hoor ik ook niets maar ach ik ben zoo
ziek geweest het is van daag de eerste dag dat ik op ben wat ik
gemankeert heb begrijp ik niet ik ben zoo zwak geweest dat ik niet
loopen kon jan heeft toen 3 daagen beneeden bij die mensche
gegeeten maar och u weet hoe of dat dan gaat nu ben ik weer gaan
kooken maar geloof mij kruipende en toen jan beneeden at wier ik
heelemaal vergeeten dat hoef u niet te vraagen de menschen zijn
hier heel aardig maar o Got als je iets mankeert geen water gooije
ze voor je leeg nu beste jufrouw u man heef hier een heel lief
kamertje en nu maar te hoopen dat hij iets krijg maar ik moet wel
eens lachen als ik ziek ben dan leg ik mij een ongeluk te bidden
maar ik kan mij zelf niet dat ik weer wat her stelt ben nu dag
beste jufrouw doet u de groete aan u dochter o ja wij hebben
erggens gewoond en daar aten wij zoep toen denk ik ik zal voor jan
het boovenste er af scheppen dat is lekker en ver beel u, het was
kaaremelk u begrijp jan was woedent en niet opgegeeten ik heb het
in godsnaam maar gebruik want dat anderen was ook niets nu dag
jufrouw in gedachten gekus van Door groeten van jan die zal ik eens
voor u kussen dag jufrouw Georgine hou jullie maar goed hoor dag
schrijf eens gauw
gekust
Door.”
„Ze mot nóódig de komplemente doen,” mopperde Georgine: „zij en Jan
zijn nog niet bij me geweest, zóólang ik met Alfred ben.”
„Nou dáár weet je de reden wel van,” verontschuldigde moeder Casper:
„Eérst wou Jan je man waarschuwe. Dat heb ’k ’m toen uit s’n hoofd
gepraat. Jòùw sake sijn sijn sake niet, maar hij wou toch niet bij je
komme voor Isaac. Daar het-ie nou sóo’n ongelijk niet in...”
„Laat ’m wegblijve! ’k Heb ’m nóódig!”
„Tja... En je vader an ’t pierewaaie. Ik ga morge naar De Haag. Dan
sùllè wij is sìèn. En Door die mot méé naar Amsterdam terug. As sij bij
Jan achterblijft krijge wij geen cent, dat begrijp je, hè? Met je vader
sijn gesmoes dat-ie niet verder komt dan de straat om boodschappe te
doen! ’n Lekker dier! Dan sijn d’r seker ses en dertig kroege in die
straat!”
„Nou-nou-nou,” zei Georgine, verveeld: „wat heeft Alfred nou met al
onze verhàle te make!... Zeg u ’t mij dan als we alleen zijn.—Doe uw
hoed nou af en wees is ’n beetje gezellig.”
„Wel ja,” zei ik: „’n vól uur lang mag u praten, dan moet-u wat gaan
lezen, want om half negen móét ik iets schrijven, niewaar Georgine?”
„En dan is-die om half tien klaar en legge we’n kaartje.”
„Ja ja—jullie hebbe goed prate—maar die... Door is ’n stràf—’n nagel an
me doodkist...”
Tegen half negen begon ik te schrijven. Schoonmama had veel zin in
Wereldvrede van Couperus, Georgine bladerde voor de vierde of vijfde
maal in Kloos. Het gas suisde. Het klokje tikte. De koffie pruttelde.
Wèlbekende burgermansgezelligheid èn huiselijkheid. Het had veel van
een litterair avondje. Schoonmama sloeg met mudjes-handen Couperus om,
twintig, dèrtig bladzijden tegelijk. Dan làs ze ’n endje, knipperde
slaperig achteruit, schokte met ’n kleinen schrik rechtop, sjokte met
de mollige mudjeshanden ’n hoofdstuk verder, làs, làs met ’n soezerig
welwillend kijken van oud vrouwtje dat den bijbel beslaapt. Na ’n
kwartier kón ze niet meer, werden de kamerstilte, het koffie-gepruttel,
het gasgesuis, het klokkegetik haar te machtig. Maar ze geneerde zich
voor schoonzoon, nam ’n aanloop voor haar dutje... „’t Is toch wel héél
mooi,” zei ze, wijs-knipperend naar de lamp kijkend: „héél mooi,” héél
mooi... Wat is ’t hier stil, hè?” En in dien sluwen overgang, als in
bepeinzing der lectuur, leunde ze achteruit, tukte, met ’t hoofd
slap-wiegelend, tot de lorgnet afviel, aan ’t kettinkje bengelde. Na ’n
paar minuten snurkte ze hàrdop. Georgine keek me angstig aan, wetend
dat ik geen geluiden kon velen bij ’t werk, maar schoonmama werd met
een schrik wakker, zei suf slaperig... „Heb ’k geslàpe?... ’k Dacht
da’k sliep—” en vervolgde Couperus, die voor schoonmama’s geknipt is,
telkens weder omslaand met mudjeshanden, zoekend een hoofdstuk van
spanning tot ze ganschelijk wegknuffelde in zacht snurkend
slaapgeknikkel.
Georgine las Klóós. Wèrkelijk het was een litterair avondje, Kloos en
Couperus, bestudeerd door mijn vrouw en mijn schoonmama. Van Eeden
ontbrak nog om het heelemaal modern te hebben. Georgine las Klóós,
terwijl schoonmama met Wereldvrede in haar schoot vrindelijk snurkte.
Georgine wóú Kloos begrijpen, meespreken over verzen àls over verzen
gesproken werd. Kloos hanteerde haar. Ze wou ìn hem komen, las, herlas,
voelde wel een ènkel gezegde van volle openheid, maar wàt een vers was
stond nog buiten haar teer-vrouwelijk-huismoedertjes-doen. Móói vond ze
De ledige stoel—van hoe-heet-die-kerel-ook-weer—, móói vond ze De twee
broeders voor Bommel van Bilderdijk, vóóral in gedeelten als:
„„Zijn naam””—„o Meld hem!”—„„Van der Zaan””
Gerechte Hemel! hoe!
Mijn bróéder!—Heb ik wel verstaan?
Mijn God, waar kwam ik toe!”
Daar valt hij, zwijmende, als versteend,
Den Spanjaard op het hart;
Zijn armen klemmen om zijn borst;
En deze staat verward.”
In een van mijn „Bloemlezingen” had ze het gevonden. Bij het slot:
„Hij sprak. Het flikkert van den wal,
En eer men ’t buldren hoort,
Heeft de eigen kogel uit één slang
Hun beider borst doorboord.”
kreeg ze rooie oogen. Dát was nou een gedicht. Dát pakte haar. Maar die
Klòòs, die vertelde niet; dat was allemaal zoo hoogdravend, zoo
sentimenteel. Of ’k ook niet vond dat Bij de wieg van Jan van Beers
goddelijk was? Dat kon je je vóórstellen. Dat was ten minste waar:...
„Doch spoedig worstelt gij door al den rouw,
Die uwe jeugd bedreigt, en wordt dan vrouw
En moeder—Moeder! o dat woord klinkt schoon,
Niet waar?... Dat is gelijk een hemeltoon”...
Als in een „vers” niks gebeurde was ’t geen vers. Maar mijn stille
geglimlach irriteerde haar. Wéér las ze. En die póging zèlf voelde ik
als iets hóógvrouwelijks, als een zeer mooi gebaar, als een lief tasten
naar de schemering waarin ik voor hààr stond. Zachtkens zoende ik haar
op de oogen, wat schoonmama snurkend goedkeurde, het geluid van Kloos
ging door ’t kamertje en Wereldvrede wiegde op schoon mama’s schoot...
„Gelijk een bloem bij avond nauw beweegt,
Maar in de windlooze atmosfeer zich heft,
Klaar-schijnend op het kristallyn der lucht,
Rees Afrodite vóór ’t onmeetlijk ruim
Van licht, dat om haar was, één reine eindloosheid,
En danste zacht, maar danste niet, bewogen
Maar even door het beven van haar ziel,
En wat daar schoonst in school”...
Ik leerde haar, voor zoover ik het zelf wist, hóé te lezen, maar zij
werd boos.—„Nou zoen je me, omdat je me uitlacht!”—„Wel nee, ik vin ’t
juist allemaal zoo frisch van je... zoo éérlijk... hoe zal ’k ’t je
zeggen... zoo kinderlijk...”—„’k Vin ’r niks kinderlijks an!”—„Dat weet
je zèlf niet, Mol!”—„’k Merk wel dat je spot... Je keek moeder ook
zoo...”—„Wàtte? Watte? Heb ik gesnurkt?”, kwam schoonmama wakker,
Wereldvrede opnemend.
„Welnèe,” lachte ik terwijl zij het laatste hoofdstuk begon.
„Dat heb u gàùw geleze”, lachte ook Georgine: „schei u nóú maar uit.
Alf is klaar.”
„Als ’k ’s àvonds lees”, lei schoonmama uit: „krijg ’k altijd soo’n
slaap... hoe sou ’k nou an soo ’n slaap komme, hè? ’n Móói boek, hè?
Vin je niet, hè? D’r komme passages in, precies as ’t nieuwe
testament... Wat lache jullie nou?... Is ’t nou sóó gek wa’k zeg?... As
je nou lees: „Sulle wij die wonde plek van ons land ooit kenne
balsemen? Of sal het toch van daar altijd blijfe voortkankere?”—Nou, as
je dàt lees... is dat niet precies ’t nieuwe... Hè wat ’n onsin van jóú
om soo te lache!”
„Maar moe!... Lach-nou nìèt! ’k Zou er ’t óúwe testament ook bijhale!”
„’t Ouwe testament is niks dan flàùwe kul.—Daar spreek ’k niet van!—’t
Ouwe Testament! Adam en Eva dat ware de eerste mense, niewaar?—Waar
sijn díé vandaan gekomme? Allemaal flàùwe, èrreg flàùwe kul. Daar komt
nooit geen mens achter!—Krijg je geen brieve van Isaac?”
„Nee.”
„Sendt-ie je geen geld meer?”
„Néé. Late-we nou maar over wat ànders prate... Kaartje make, Alf?”,
zei Georgine onrustig.
„Ga eens bij Ka kijke, Georgine, ’k hoor ’r zoo hoeste,” zei ik.
„O niks—’n kou—warrem houe,” adviseerde schoonma: „’n hééle gewone
hoest.”
We begonnen een kaartje, dat bij de eerste ronde al gestoord werd.
Juffrouw Doedelaar kwam nòg eens klagen. Al zesmaal had ze nou gevraagd
om d’r handdoek en d’r servet en wàt of daar nou mee gebeurd was.
„Gut, juffrouw, mot u me daar om komme lastig valle, terwijl me moeder
hier is?” zei Georgine vinnig.
„Nou jáwel,” pruttelde juffrouw Doedelaar: „maar aan àlle geduld komt
’n end. Wèke lang vraag ik d’r om. Wèke lang. En ’s morgens kan ’k hier
nooit terech. U begrijpt da’k niet sóóveel handdoeke en servette
heb”...
„In elk geval,” zei ik uit m’n humeur: „heb u d’r nòù niet om te
vrage.”
„Seker—u heef gelijk, meneer, maar de juffrouw scharrelt tèlkes met ’t
goed dat in de wasch mot”...
„Wát schárrel ik?” viel Georgine uit, zéér verontwaardigd.
„Goed. Goed. Kom u morgen maar terug,” zei ik weer.
„As ik ’t dan maar krìjg,” brompruttelde juffrouw Doedelaar: „pàs ’n
tafellaken met ’n gat ’r in... en twee koppiesdoeke stuk...”
„’t Zìjn me d’r koppiesdoeke na,” zei Georgine ruzieachtig.
„En u mishandelt ’t goed,” bruiste juffrouw Doedelaar in eens
rood-van-kwaadheid op: „Da’s geen manier! Da’s geen manier! Zoo kan je
alles runiweere... En nou mòt ’k morrege me handdoek en me servet
hebbe!... Is me dat ’n geval! Is me dàt ’n geval!...”
Driftig nakakelend sloeg ze de glazen voordeur dicht.
„Wat ’n vàlderappus,” zei schoonmamma.
„Dat komt nou alléén, Alf,” zei Georgine, wit van boosheid: „dat je ze
van de maand niet héélemaal heb betaald. Nou krijge ze praats!”
Beneden hoorden we een twistend bromgesprek.
„Ze hebbe rùzie,” meende Georgine.
„Sst... Sust!” zei schoonmama, luistergraag.
De vrouw was het geschil beneden aan ’t uitleggen. Doedelaar vond ’t
ongetwijfeld zóó erg, dat-ie z’n stem in hysterische woede uitzette...
„Nou en wij mòète oens goet terug!... Zijn die lui oben heelemaal
belazerd!... Iemand zijn goet ruiniere... en telkens stroent met ze...
Laat hij erst betale en dan praats hebbe!...”
„Zeker dronken,” meende ik.
„Sust, sust!”—susten de twee vrouwen, verzot om te hóóren.
„... En die kakkie over dat schoonhoue van die plee... en telkens die
emmer mit vuil voor die tuindeur... en dat spektakel van laatst met die
Sienger-machien... Sind die Leute bedoendert!... Iek ben zijn knechtje
niet... Iek ben wel zoo goet mijnheer als hij!... En jij laat jou nieks
meer zegge... Nieks meer! Nieks meer!”
„’k Zou ’m morge de huur opzegge,” raadde schoonmama aan.
„Ach wel nee,” zei ik kregel, met een benauwde krop in m’n keel: „wel
nee... Late we dòòrspele... Als die vuilik wat te zeggen heeft, kan-ie
hier kommen... Ik ben niet verplicht af te luisteren wat-ie beneden
vertelt. Als Georgine die handdoek en die servet op tijd had
teruggegeven...”
„Jawel!... Nou krijg ik weer de schuld!... Trek maar de partij van
vreemde mense... Heb jij die servet niet verschroeid met ’t glas van de
lamp?...”
„Was dat dan voor jóú ’n reden...” verweet ik.
„Krijge júllie d’r nou geen rusie om,” vroeg schoonmama, zenuwachtig.
’n Schoonmama is een erg aangenaam ding.
„Bemoei u d’r niet mee!” adviseerde Georgine, haar kaarten opnemend:
„In elk geval zulle de kindere niet meer sáme slape!... Klaveren!... Is
me dat ’n huis!... Vanmorge lag d’r weer ’n plek hondepies van die vent
bòve... Ruite heer!... Zóó’n plas... Dáár bij ’t kastje... en op ’t
brood was ’n haar van d’r... Die vieze moffin!...”
Beneden zoemde stemgebrom, niet meer verstaanbaar. Ik begon te
neurien... „To-ré-a-dor-en-ga-á-à-à-ààrde... To-ré-ádor!...
Tor-é-a-dor!...”
„Wat ’n sar ben jij,” lachte Georgine, terwijl ik voortneuriede,
immens-triestig. Zimmerschmerz-kamertjesklamheid. We maakten onze
twééde ronde, wéér gestoord door Dirk, die met een bons kwam
binnenvallen.
„Wat zie jij d’r uit!” riep ik.
„Wat is ’r?”
„Jezis, ik ben kapot! kapòt!” schreeuwde hij.
„Wat is ’r dan?”
„Stientje legt op sterve!”
„Ach got!”
„Stientje van Duif?”
„Wat zeg je, Stien?” Het was een koor van angststemmen.
„Ga je even mee, Alf?” vroeg hij.
„Ik ga òok mee,” zei Georgine.
„Neé. Je blijft thuis!”
„Nee, Georgine, ga jij niet mee. We moeten d’r vader nog zoeke!”
„Kan ik dan niet zoolang bij Duif gaan?”
„Ach nee kind, wat heb je ’r mee noodig!”
Ze wóú mee en er moest héél wat geredeneerd worden, voor ’t haar uit ’t
hoofd gepraat was. Ik moest beloven voor twaalf uur thuis te zijn.
„Da’s óok ’n mislukt kaaretje,” meende schoonmama—Kloos opnemend...
Een dik uur zochten we de stad af. Meijer was nergens te vinden, bij
Mast niet, in de Quelle niet, in De groote Slok niet, bij Suisse
niet.—„Late we naar Duif gaan,” zei Dirk: „je zult ’m van avond nèrgens
vinde. Voorstelling heeft-ie niet. Gòd weet waar die met z’n getrouwde
vrouw uithangt.”—„Nee. We móéte ’m hebbe”—„We moete! We moete!... Me
geduld is op.”—„Hij zal wel èrgens zitte.”—„’t Is over elve.”—„Weet je
niet waar die getrouwde vrouw woont?”—„Die ’s ook goed van je, zèg, nee
dìè is verdomd goed!... Bel jij maar is an en vraag om ménéér te
spreke!”, lachte Dirk.—„Ik geneer me ’r niks voor.”—„Onzin.”—Zulle we
nog is kijke bij Kras?”—„Daar komt-ie nóóit.”—„’n Geringe moeite... Is
die dààr niet, dan gaan we naar Duif.”
Vóór was-ie niet. Achter, zoekend, tafeltje na tafeltje, zagen we hem
zitten, gelukkig—, in gezelschap van de ouwe dame, die hem
„mentineerde” zooals Duif ’t noemde en van den man dezer dame als
facheux troisième. Dirk riep hem even weg van zijn halve gebraden
eendebout. Hij schrikte. Zijn mond werd spits-klein in het geverfd
gelaat.
„... Wat zè-je! Wat zè-je! ’k Ga dadelijk mee—’k Zal me even
excuseere”...
Met z’n servet veegde hij het eendeboutenvet van z’n mond, praatte
radjes met de dame, wier ouwelijk-sentimenteel gezicht spijtig vertrok.
Zij wees met ’n glimlach van zou-je-niet-eerst-afeten? naar de halve
eendebout. De meneer spreidde z’n handen in vragend gevouw, maar Meijer
schudde driftigjes ’t hoofd, wees op ons, boog een paar maal, trok z’n
pels aan.
„Wel godverdomme, Dirrek, is ’t zóó erg?”
„Bàr erreg.”
„En nou woue die mense me nog niet eens late gaan—Zij, die dame, was
jarig.—Ik had geen lust de reden te zegge—begrijp je? Begrijp je? Dat
geeft allemaal nutteloos gedonderjaag... Is ’t zoo èrreg?... ’t Zal wel
overdrijving zijn, hè?... ’k Zou om den dood niet wille dat mijn
kind...”
Bij het „mijn” schoot z’n stem met lichte pathos de hoogte in. Het
tooneel liet hem niet los.
„... De dokter heeft ’t opgegeve.”
„... Wèlke dokter?” vroeg hij gejaagd.
„Smid.”
„Smid?... Opgegeve? Wat zeg je me daar?... Ben je goddoome gèk!
Opgegeven?... mijn éngel van een kind!... Voor veertien dagen zag ’k ’r
nog gezond en wel”...
„Hartkwaal Meijer... De laatste maande was ze al niet goed.”
„We zulle ’n aapie neme, hè? God, God, mijn èngel van ’n meid!... En is
Duif d’r ook?”
„Natuurlijk,” zei Dirk.
„Da’s vervloekt spijtig... Dat serpent... Dat kreng!... Maar bij een
sterfbed niewaar! Bij een sterfbed!... De dood doet je àlles vergete...
Opgegeve?... Opgegeve!... Wel afschùwelijk—Afschuwelijk—Hallo!... Ben
jij vrij?... Zit goddoome niet te slape kerel!... Vlug rijje naar...
naar... Geef jij ’t adres is op, Dirrek!”
Hij zat naast Dirk op de achterbank. Van uit het schemerdonker onder
mijn hoedrand, zat ik hem aan te kijken, telkens als we voorbij een
lantaarnpaal reden. Op het bruin geverfd haar spiegelzwartte de
glimmende, hooge hoed. De pelskraag sloot om zijn gladgeschoren, mager
gezicht. Hij zag er gentlemanlike uit in z’n dure pels, die „de dame”
hem gegeven had. ’n Zoete vrouwen-odeur ging van hem uit, mal van
contrast met ’t stalluchtje van het rijtuigje. Soms zag ’k hem minuten
lang niet, dan plonsde hij op uit den donkeren hoek, welgedaan in z’n
pels, gedistingeerd onder z’n glimhoed. Z’n oogen waren tot bezorgde
droomoogjes verkleind. Zoolang we op asfalt reden, praatte hij,
informeerde hij, tot de rammelende straatkeien en ’t glasgerinkel het
gesprek overbeukten.
„Hoe laat was de dokter ’r?”
„Tien uur.”
„Maar met goeie versterkende middele... is ’r toch wel wat te doen,
hè?”
„Niks... Ze kàn misschien al dood zijn.”
„Wat zè-je! Bè-je godverdomme krankzinnig, Dirrek!”
„’k Zou me maar op alles voorbereide... Als ’r ’n tweede benauwdheid
gekomme is...”
„Maar die ìs niet gekomme... Zoo zwaar zal God mij niet straffe!...
Mijn arreme Stien... Mijn éénig kind!”
Uit den zak van z’n pels kreeg-ie ’n zakdoek, snoot z’n neus. Het was
opmerkelijk hoe in-vàlsch èn tòch hoe geméénd z’n smart was. Hij zat
zich waarschijnlijk volkomen te goeder trouw de eigen smart als een te
leeren, te intoneeren rol voor te stellen, trachtte in de „stemming” te
komen, daar de overgang van een halve gebraden eendebout met witte wijn
naar ’n sterfbed zelfs hèm te sterk was.
„Ja—ja,” zei Dirk, die mogelijk ook dat valsche voelde.
„... Veertien dage gelede ging ze nog voorbij Mast en kwam
binneloope... ’k Heb d’r nog van me gebakke aardappels late proeve...
Pa zegt ze: ik speel over veertien dage bij Van Lier... En nou zoo
ziek!... Nee-éé. Nee-éé-éé! God zal niet mijn eenigste bezitting
wegneme!... Stien is de eenige die van me houdt. Míjn kind!... Mijn
dochter... Wille jullie geloove dat-ze ’n hart van goud heeft—dat-ze
honderdmaal tegen me zei: pà, van al ’t kwaad dat ma van u vertelt
geloof ik geen woord, ik hou alleen van u!... Zoo’n èngel! Zóó’n
èngel!... Dat kind is m’n alles, da’s nou n’n liefste op aarde.—Als
jullie wiste hoe ’k om dat kind geleje heb—wat ’n smart ik heb uitgesta
aa-aan...” Ratatata...
Het rijtuig schobberde over de keien van het Rembrandtplein.
In de Utrechtschestraat begon-ie weer.
„Wàt voor hartkwaal heeft ze?”
„Rhumatiek.”
„Wat zè-je?... Rhumatiek?... Je zult zien dat ze ’r van opkomt... Mijn
schatje... Mìjn ooge had ze, hè?... En wat ze verdomd goed Veltman en
Frenkel en Frits Bouwmeester kon nadoen, hè? Dat heb ik ’r geleerd...
En nou zoo ziek!... Waarom neemt God mij niet weg als ’r iemand moet
worde weggenomen?... Ik ben een groote en sterke man.—Ik kan tegen
lijje, niewaar?—Ik heb alles van ’t leven genote.—Maar zoo’n èngeltje,
zoo’n hart! Van dat kind hield ’k toch zóó, hè!... Zoo innig-veel...”
Het was precies of ’k hem op ’t tooneel hoorde—zin voor zin—woord voor
woord.
„Ja ’t was ’n lief kind,” zei Dirk—: „werkelijk ’n door en door goed
kind.”
„Goed, meneer!” stoof het geluid van Meijer op: „gòèd, meneer? Niet d’r
gelijkenis op de wereld!... Als ’k ’r is ’n kwartje gaf—je begrijpt:
méér dorst ’k ’r niet geve voor ’t keelgat van d’r moeder—vroeg ze nòg
of ’k ’t wel misse kon... En wat ’n móóie ooge, he!... Wat ’n
goddelijke ooge voor ’n meisje van die leeftijd... Wat ’n ooge van ’n
engeltje!... Heb je óóit zùlke ooge gezien?... En ik die an niks
dacht—ik die daar rustig zat te soupeere met meneer en mevrouw Van
Burksen en van god en de wereld geen kwaad wist... Wat ’n toestande...
of je midden in ’n drama”...”
Ratatatatata...
We reden over het Frederiksplein naar de Pijp. Wel probeerde Dirk nog
wat te schreeuwe, maar ’t keiengerommel maakte ’t gesprek
onaangenaam-hard. Soezend keek ik naar den man over me, die,
geheimzinnig, télkens met z’n dure pels en z’n hoogen hoed uit ’t
rijtuig donker opleefde, weer onzichtbaar werd,—tèlkens een was mom met
droomoogjes,—donker—wèèr het mom—wèèr het rijtuigdonker—’t rinkelend
glaslawaai, ’t gerommel benee, ’t geschok van de koets om ons zwijgen,
om onze drie onbewogen levens.
De deur werd opengetrokken, toen het rijtuig stilhield.
„Ben jij ’t, Dirk?” riep ’n stem.
„Ben je weer met Guus verzoend, Dirk?” vroeg ik, verbaasd. Hij scheen
niet gehoord te hebben, wipte met breede sprongen de trap op. Meijer,
deftig, voorzichtig, betastte de treedjes met zijn gelakte laarzen. Ik
kwam achteraan.
In de achterkamer hing de lamp laag op de tafel, half-afgedraaid. Duif,
in ’n vuil-bruinen ochtendjapon, zat rood-van-huilen in den armstoel,
suf van oogenkijken. Op ’t nattig tafelzeil was ’n víés gewar van
fleschjes, vuile kopjes. Er mufte een lucht van roet en medicijnen.
Naast Duif, in de matschemering der lamp, zat ’n burgerjuffer met een
zwarten omslagdoek om het hoofd.
De roode-blommetjes-gordijnen voor de bedstee waren dichtgeschoven.
Meijer met den hoed in de geglaceerde hand, kwam schuw-angstig binnen,
zocht in de kamer, vroeg voor-het-eerst-éénvoudig-aarzelend in z’n
doen... „Hoe is ’t met ’t kind, Anna?”
Duif antwoorde niet.
De burgerjuffrouw naast haar lei ’n mageren vinger op den mond, wees
naar de bedstee.
Guus zei zachtjes:... „Dood”...
De hoed beefde in de geglaceerde hand.
Zenuwachtig-druk zette Meijer ’m op de tafel, tusschen het gewar van
fleschjes en kopjes, liep op de bedstee toe, scheurde een gordijn
halfweg, snikte in de stilte der kamer, waarin we allemaal stonden te
huilen. Zijn zwarte pels sloot de bedstee-openheid af. Maar hij zakte
op de knieën, vatte een klein, wit handje in zijn handschoenen, begon
dat zoo hartstochtelijk te zoenen, dat de zoenslaagjes in de
kamerbenauwdheid als zachte klukjes klonken. Van het bed was ’n tip
laken te zien; tegen de achterwand een plank met ouwe hoedendoozen.
Meijer, gehurkt in de builende pels, bleef roerloos liggen. Duif snikte
met neusproestingen achter haar zakdoek. Guus huilde tegen Dirk an, die
bot stond te kijken met z’n bril in de eene en ’n zakdoek in de andere
hand. De burgerjuffrouw—van tweehoog—keek naar de bedstee, schudde
làng-aanhoudend ’t hoofd.
Guus, snikkerig, groot van vrouwelijk meelijden, liep op Meijer toe.
„...Kom nou, Meijer!”...
Hij snikte weer, luidòp, zoenend ’t klein marmerhandje met de
dof-bleeke vingertjes.
„Ogotogot... dat scha-ààp... dat scha-ààp,” snikte hij: „dat àrreme
wurm... me niet eens goeie dag gezegd... geen woordje meer... niks
meer... Ogotogot!”
„... Kom nou... D’r valt niks an te doen...”, snikte Guus: „Z’is nou
bij God”...
Meijer stond op, leunde tegen de bedsteeplank, droogde z’n oogen, keek
naar dood meisje dat met ’t wit gezichtje, doodswitter nóg door den
rossen schijn der lampekap, te rusten lag in de zwarte warring der
haren. Duif en Guus snikzuchtten, wat Meijer nòg eens dee losbarsten,
maar nu was hij al over zijn natuurlijk gevoel heen, lag de emotie voor
hem als iets bezonkens dat in wóórden gezegd kon worden. Bijna werd ’t
’n grove monoloog... „Mijn arm kind... Mijn arm dochtertje... Nou kijk
je uit den hemel op je rampzalige vader neer, die je zoo graag had
wille houe!... O God—’k kan ’t haast niet gelóóve dat je dood ben!—Zeg
me dat ’t niet wáár is!—Ogotogot arreme stakker, wat hé’k ’n meelij met
je! En zoo in eens dood! En niemand die me gewaarschuwd heeft!—Je eigen
moeder niet, kind!—Je éígen moeder, die me niet gegund heeft je oogen
toe te drukke...”
„Dat líég je, godverdomme!”, kwam Duif ingehouden-woest los, „ik heb
Dirrek na je toegezonde...”
„Sust!...”
„Sust, Duif!”
„Laat ’m dan z’n smoel houe...”
„Sust! Sust!...”
„Juffrouw d’r leit ’n dooie...”, vermaande de de juffrouw van twee
hoog.
Meijer hield op. Niemand snikte meer. De lamp roodde sufjes op hoofden
en vormen. Boven begon ’n kind zeurig te blerren.
„U mot mijn effe ekskuseere,” zei de burgerjuffrouw, verlegen. De trap
kraakte tree voor tree onder ’t gestomp van haar voeten.
„Arme, arme Stien”—begon Meijer opnieuw—„àrm ongelukkig kind.—Ik vraag
je vergiffenis als ’k je iets misdaan heb—als ’k niet goed voor je
geweest ben.—Bid bij God voor je ongelukkige vader.—Stakker, stakker,
’k zie je nog vóór me, an ’t tafeltje bij Mast—toen je me zag zitte...
Ogotogot!”
Hij zweeg even, snotterend in een van de gebloemde bedgordijnen:...
„... Arrem schaap!... Hoe ze de gebakken aardappels van me vorrek
at!... En nou dóód!... doo-oo-óód!... doo-ood!... En ik niet bij d’r
sterfbed—ik d’r vader—d’r vader—d’r vader—van wie ze àlles hield.—Ik,
die d’r nog is ’n gelukkig uurtje bezorgd heb...”
„Kijk ’m nou huilè,” fluister-siste Duif, kwaadaardig: „jij heb nog al
’t recht om te huile... stinkende egoïst... Je hèb wat voor d’r
gedáán!”
„Hou je smoel,” zei Meijer, z’n vuist ballend: „Hou je smoel bij ’n
sterfbed!”
„Wat gedáán!... Wat gedáán!... Wat gedáán,” herhaalde Duif
nerveus-koppig, altijd in denzelfden gedempten angstigen toon... „d’r
late verrèkke... d’r late verrèkke, gemeene sodemieter met je pèls!...
Mijn voor alles late opdraaie! Mijn alleen!”
„Toe nou Duif, maak nou geen hérrie,” smeek-fluisterde Guus...: „hoe
kàn je dat nou doen—waar je kind leit... Wi-je wat drinke?... Toe drink
nou wat?”
Duif slobberde van ’n glas, begon tegen Guus àngeleund zachtjes
toeval-achtig met bedwongen hysterische gillen te snikken...
„Hè, tòè-nou Duif! Je maakt ons allemaal zoo àkelig.”
Meijer—om geen nieùwe ergernis te geven, stond stil bij de
bedsteeplank, kijkend naar dood-Stientje, wier zwarte wimpers te rusten
leien op ’t blauw-wit vel. Zwijgen van dood-kindje mengde zich met de
stilte waarin zwààr van plompheid de vijandschap van man en vrouw
bitste. Boven drensde zacht kindergeblèr.
„’k Dacht niet dat ’t zóó gauw zou weze,” zei Dirk—bàng voor die
stilte.
„Ze kreeg ’n tweede benauwdheid, nòg geen kwartier later,” fluisterde
Guus.
Meijer keerde zich om, snoot z’n neus breed-toeterend, nam den hoed van
de tafel, streek hem op met zijn pelsmouw, inwrijvend de natte
striemen, vroeg zachtjes:
„... Wánneer is de begrafenis?”
„Woensdag,” zei Guus.
„Wil je me late wete, hoe láát?”
Het verschoten tapijt betastend met de kraakjes-lachende, verlakte
bottines, ging hij naar de deur, ònzeker van beweging. Maar Duif, die
’m had staan te beloeren vloog op, posteerde zich voor de deur, rauwde
hem haar haat van lànge jaren toe, pogend haar stem te dempen tot
doodekamer-gefluister.
„... Fluim! Fluim! Bè-je nou blij da-je van ons af ben, hè?... Bé-je
gelukkig da-je weer vrij ben... Fluim! Fluim! Fluim!”
„Juffrouw, ik verzoek u—”, zei Meijer heesch: „ik verzoek u...”
„Toe nou Duif... denk toch an Stientje...”
„Hóóre zal die vuile sodemieter, die stinkende makkero met z’n fijne
pels en z’n fijne hoed!... Nou ben je van ons àf, hè?... áf, hè?... àf,
hè?... Nou mijn kind dood is, hè?... Nou ’t schaap je niet meer hoeft
te gatlikken om ’n dubbeltje of ’n kwartje, nou...”
„La je me door, of niet?”
„Huilè! Huilè! Jij, huilè! Trane die ’k an me kont veeg, komedietrane!
Gemeene patser om je hande van me af te trekke!... Om me in de steek te
late met me kind, om me te late vrete van me èìge verdienste!... Ja,
ráák me is an! Raak me is an! Je ooge krab ’k uit je smoel dat je de
eerste maande niet kan optreje!... Blijf van me lijf, Dirrek... Bemoei
je d’r godverdomme niet mee!... Zoo’n judas!... Zoo’n màkkero!...
Gemakkelijk, hè, je te late voere door die ouwe hoer en mijn zèven jaar
te late opdraaie voor ’t kind!... Je ben niet waard met strònt gesmete
te worden, vuile verdommeling!... Zóó denk ik over je! Zóó!”—En in de
paroxysme van haar woede, die ze niet heelemaal te uiten dòrst door
luiduit, gillend schreeuwen, spuwde ze hem een slijmkwal tegen z’n
zwart-deftige pels.
„God-ver-dom-me!” brulde Meijer heesch, z’n geganteerde vuist
opdreigend;... „vuile hóér!”...
Dirk greep hem bij z’n arm. Verwoed rukte Meijer zich los. Met ’n
scherpe klàk viel de hooge hoed op den grond.
„La-me los, Dirrek! Godverdomme la-me los!...”
„Wees jìj nou verstandiger!”
„Toe nou! In Godsnaam, Meijer!”
„Mot ze me spóége, dat kreng, dat varreke! Ben ìk de herrie
begonne?...”
„Jij vùì-lik! Jij vùìlik!”—drensde Duif, uitraspend de woorden in
zenuw-woede-op-toeval-af—„Jij vùì-lik—durf jij je smoel nog open
doen?—Ga is bij je kind as je dúrref.—Kijk d’r is in d’r ooge!—Heb ik
’t vrete niet uit me bek gespaard?—Heb ik d’r kleere niet gekocht, d’r
grootgebracht?—Wat wou jìj... Wat wou jij?—Me vuil is nog te goed voor
jou!—Denk je dat ik van jóú nog wat mot?—’k Vreet liever me
nageboorte!—Van jòù? Van jòù?—Màkkero! Màkkero!... Bij Mast zitte en
flesse wijn bij je vrete zuipe, hè?—Je mòt me is anrake!... Puh!
Puh!”—Hijgend, nog altijd ingehouden-krijschend, spuwde ze weer naar
hem, zonder te raken.
„Toe nou Duif! Jezus denk toch an je kind!...”
„Laat ’m nou door! Wat geve die verwijte.”
„... Laat-ie dan z’n smoel houe! Laat-ie dan z’n smoel houe!...”
uitraspte Duif, opgewonden, buiten bezinning...: „wat doe ’k die mán,
wat dóé ’k ’m!... Wat-wil die kerel van me!... Die vuile sodemieter!...
Die lazersteen!... Die flikker! Die kèrel! Die kèèèèèrel!”
„Verrék jij maar!”—heeschte Meijer, driftig fluisterend, met diepe
ademhijgingen na elk zinnetje... „had’r an mij gelate!... ’k Zal jóú
onderhoue, hè?... Dat jij alles verzuipt!... Dronken hoer!... Heb je me
beste jaren niet verpèst!... Heb je Stien niet gehoue om ’r voordeel
van te trekke!... Heb ik ’r niet wille grootbrenge?... Z’is beter
zóó... God hoort me!... God zal me vloeken!... Jij had ’r ’n lèl, ’n
hoer van gemaakt... zooals jij zelf ’n hoer ben!.... zooals je zèlf
ben!.... Zeg dat ze opdondert, Dirrek, anders pak ’k ’r in d’r strot!”
„God, Meijer, hou je toch in!”
„Schame jullie je niet!”
„Ja, bij God, da’s ’n schànde!”
„.... Raak me is an! Raak me is an!.... ’t Is mijn huis, vuile
makkero!.... Kom is an me lijf!.... Kom is an me!.... Oe!.... Oe!....
Oe! Die kèè-rel!.... Die kèèèèèrel!.... Oe! Oe! Oe!”
Haar ingehouden galmen braakten over in vette strotbrullingen. Voor de
deur viel ze op den grond, de handen krampachtig vastgewroet in de
haren. Haar oogen glansden wijd-open. Uit den vierkant-verrimpelden
vleezigen mond rauwde het gorgelend strotgebrul, dat in de halfdonkere
kamer als dierlijk gejammer rondkrijschte.
„Hòù dan toch je bèk, Duif”, smeekte Dirk, gedempt: „denk toch an de
bùre!” Z’n sterke armen schudden haar heen en weer.
„Ze heeft ’n toeval,” zei Meijer, stroef, die haar van ouds kende.
De juffrouw van boven klopte juist an, duwde de deur tegen den
vleeschklomp op den grond, wrong zich door de deurkier, knielde meê.
„Ach gotogot!.... Het de stumper ’n toeval!.... Ach Jeesis!.... Ze
hield ook zooveel van die Stíén!.... Ach gotogot!”....
Ze snoot haar neus van aandoening in haar paars schort, begon Duif in
de handen te kloppen.
„Late we d’r bij òns brenge,” zei Dirk.
Met hun vieren droegen ze Duif naar de voorkamer, waar het rauw
gekrijsch zwakker weerklonk.
Ik ging licht-bevend naar de bedstee, keek naar het waswit
doodehoofdje, vermarmerd in ’t slappe kussen, schoof de gebloemde
gordijnen voor het schemervierkant. En gaande naar de voorkamer trapte
ik tegen den hoogen hoed op den grond.
Thuis wachtte Georgine, ongerust, erg nerveus om Ka, die naast Netje in
de gangbedstee, bezweet, hoogrood te woelen lag, telkens benauwde
hoestbuien had. Doedelaar en z’n vrouw waren dadelijk na mijn vertrek
begonnen met sarren. Den heelen avond hadden ze gezongen, lawaai
gemaakt.
„Dat zal ’k ze mòrgen wel inpeperen,” dreigde ik.—„Ik ben zoo ongerust!
Zoo ongerust! De hond benede heeft strakkies zoo akelig gehuild.”—„Klee
je nu maar uit....”—„En die dood van Stientje!....—Als God mij nou eens
stràfte, Alf, voor m’n slecht gedrag!....—„Wèllek slecht gedrag? Heb je
je iets te verwijten?”—
„Ben ’k dan geen slèchte-vrouw!” huilde ze greiend-nerveus.
„Slècht? Slècht? Wàt slecht?”
„Da’k met jou lééf.... ’n Getrouwde vróúw met twee kindere!.... Als God
me is in me Kaatje stráfte!....
„Kom!.... Schei uit met je gekheidjes!.... D’r valt nìks te
straffe!.... Je ben volkòmen eerbaar! Wat zit je te prakkizeeren? Moet
ik je tèlkens weer uitpraten de stomheid van andere menschen?.... Mozes
was ’n kwibus toen-die zich zoo’n zòtte voorstelling maakte van ’n God
met tien gebodjes!.... Maak je maar niks angstig. Morgen zal ’k ’n
dokter halen, hè?.... En wat zeg je van de scène bij
Duif?—Schrikkelijk, hè?”
„Ja, vreeselijk.—Hoor je Ka hóéste? Zou ’k er bij ons in de alkoof
neme?”
„Doe dat liever morgen.... Anders vat ze nog kou. Licht uitdraaie? Leg
je?”
In bed begon ze nóg eens, tobbend, ongerust, opgeschrikt door Stientjes
dood.
„Weet je wàt ’k goddelijk zou vinde, Alf?” vroeg ze zacht-pratend onder
de dekens, de volle warmte van haar jong lichaam tegen mij aan.
„.... Nee, wàt?” vertrouwelijk-fluisterde ik.
„.... Als ’k vannacht dòòd bleef in je arme”....
„Zoo. Héél aardig”.... zei ik toonloos, met de plotselinge visie van
het lijkje—één lijkje.
„.... Dood te gaan in jouw arme, terwijl je nog van me houd....,” klonk
het diep-moedeloos.
„Heb je nog méér onzin?”
„.... En dan jij over mij an ’t huile, schrikkelijk huile.... Wat zou
me dat goed doen....”
„.... Egoïst!”....
„.... Jij zou wel weer ’n àndere vrouw vinde.... Wees nou niet kwaad,
liefje.... Ik zou ’t zoo héérlijk vinde.... in jóúw arme ... en jij
over me treure ... ’n tijdlang ... en dikwijls gaan naar me graf met
bloeme ... wat héérlijk ... wat héé-éé-éér-lijk ... niks meer te make
hebbe met die vìèze wereld ... niks met die mense benede ... niks met
de mense buiten ... niks met me màn ... niks met àlles.... Als ’t zoo
donker is, voel ’k jou als ’t éénigst ... en wat kan ’r héérlijker zijn
dan bij dat eenigst inslapen, zooals ’k nou leg ... nooit meer wakker
worde, nooit meer al die vijànden zien ... nooit meer ... nooit
meer....”
Ze kroop weekwarm tot me op, inslurpend het grijsloome van ’t
stil-liggen in nachtdonker.
„Voel je niet? Voel je niet?”—, vroeg ze vleiend, bijna stem van een
angstig kind.
„Ja ja,” zei ik fluisterend, héél zacht, héél voorzichtig-fluisterend,
pogend te antwoorden, klankjes-zeggend—om ònafgeleid achter de
voelbaar-droge oogleden te denken aan háár genegenheid die de mijne
óvergroeid scheen. Want, vaag-melankoliek, als een zwaar-droevige
aanwuiving, meende ik te voelen dat hààr doods-visie van een gelukkig,
naïef, burgerlijk-sentimenteel verlangen was—, de mijne nog geen
berustenden vorm had; dat ik voor hààr wereldcentrum geworden was,
doodsgedachte in haar armen, hier in de alkoof benauwenis, als eene
schrijning van wanhoop in m’n moe hoofd rondwaarde. Te liggen in ’n
alkoof als Stientje, als marmerkindje in grauwen kamerschemer.... En ik
trachtte, luisterend naar Georgine’s adembeweeg, óók een vorm te
vinden, ’n vorm van dood. Maar moede menschen kùnnen dat niet.
Helwakkere levensvreugde is noodig voor krachtig berusten in sterven.
In ’n alkoof, ’s nachts, met ’n barbiertje onder je, òòk in ’n alkoof,
’n barbiertje, ’n doodskoppig barbiertje, kun je niet, kùn-je-niet,
gáápt zwarte duizel-leegte met witwassen hoofdje op peluw van zwarte
haren. O néé. O alsjeblief néé. Bij dàg er over denken, bùìten, bij den
Amstel, bij watergeklots, blarengesuis ... en dan zèker
zijn—zeker—stèrk-zèker....
„Hoor je Ka hoeste?”
„Ga nou slape, kind!”
„Leg jij met je oogen òpen of toe?” vroeg zij weer.
„Wáárom vraag je dat?”, schrikte ik.
„Ik weet ’t niet.... Ik lag al dien tijd met m’n oogen open te kijken
naar jòù—zònder dat ik je zag—en tòch dat ik je zag—gèk, hè? Gèk!”
„Ik lag met m’n oogen toe.”
„.... Dan zie je allebei éven veel, hè?.... Gèk is toch alles.... Heb
je an mij liggen denken?”
„Ja....”
„Zou ’k opstaan om Ka dicht te dekke?”
„Nee. Blijf nou rustig.... ’t Zal wel niks zijn.”
Maar ’t wàs wat. De dokter, mijn ouwe „vrind” Bax, die me gratis helpt
omdat ’k „artist” ben—Merde!—beklopte ’t borstje, Ka zat op mijn schoot
te huilen.
„O! O! Oooo!.... Niet doen!.... Mamma! Mamma!.... Niet an me komme!”
„O, wat ’n kinderachtige meid,” suste Bax vrindelijk.
„O, mamma!.... Màmma!.... Hij wil me snijje!.... O mamma!....”
„Welnèe, snoet,” zei ’k lachend, ’t bloot lichaampje vasthoudend.
„Niet kloppe!.... Oome laat-ie niet kloppe!”
„Geef ’t ’r even in d’r hande, Bax. Ze is bàng voor je hamer. Kijk nou
eens, domme meid.... ’t Is ’n hamertje.... Sla mij nou maar is....
Boem! Zie je wel dat ’t geen pijn doet?.... Nou zal ik is bij je
kloppe.... Klop, klop, klop is Kaatje thuis?.... Mamma heeft geen brood
in huis.... Binne! Binne!”
„Hè, wat ’n onzin!” lachte Georgine.
„Wat ben jij ’n huisvader geworde!” zei Bax, die met lachend-verliefde
oogjes méér naar Georgine dan naar ’t kind keek.
„En klop jij mij nou is.... Zie je wel, dat ’t geen pijn doet?”
Bax stak de gehoorbuizen der stetoscoop in de ooren, beluisterde het
borstje van voor en achter.
„.... Net wat ’k dacht.... Eene longetje wat aangedaan.... Goed warm
houen.... Mag niet uit d’r bedje komme.... En trouw poeiertjes slikke,
hóór brave meid?”
„En niet naar school?” blij-lachte ’t kind.
„Nee, zoetjes in bed blijve.”
„Hè, ja,” zei ze verheugd, met blinkschittering der blauwe oogjes:
„.... ik lèkker ziek en Netje niet!”
Ik liet Bax uit, informeerde nog even in de keuken. En ’r kwam ’n
stukje gesprek, bijna te alledaags van bruutheid.
„Is dat kind van jòù, Spier?”
„Nee.”
„Zóó. Mooie meid, zeg.... Verdòmd-knappe meid. Scharrel je al lang met
’r?”
„Ik scharrel niet. ’t Is mijn vróúw.”
„God, neem me niet kwalijk.... Wannéér ben jij getrouwd? Ik heb geen
communicatie gekregen....”
„Ik ben niet op ’t stadhuis getrouwd....”
„Verrèk dan!.... Zeg dat dan dàdelijk!.... Nee jij ben ’n goeie!....
Die laat iemand excuus maken!.... Van wie heeft ze dat kind?”
„Van haar man in Amerika.”
„Wat ben jij dan ’n gevaarlijke stiekemert!.... Jawel!.... Scharrelen
met ’n getrouwde vrouw! Brand je vingers maar niet, ouwe jongen!....
Als je ’t is uitmaakt, schrijf mij dan ’n briefje, zeg!”....
„.... Ik hou niet van zulke grappen, Bax.... al betáál ik je niet.
„.... Neem me niet kwalijk! Pardon mijneer!.... Moet je dat zoo ernstig
opnemen?”...
„Ik neem nooit iets ernstig op. Kom je morgen terug?”
„Natuurlijk.”
„Wat ’n plòèrt,” zei Georgine toen ’k binnenkwam; „ik heb staan
luisteren.”
„Dat zou ’k voortaan maar niet meer doen.”
„’k Was zoo ongerust.... ’k Wou hooren of die soms iets èrgs van Ka
zei.... ’k Wil die vent niet meer hier hebbe....”
„Of je dìè neemt of ’n ander; wàt is ’t verschil?”, glimlachte ik, „ze
denken nu eenmaal zoo. Om ’t plat te zeggen: aan ’n vrouw die met ’n
man uit genegenheid lééft, zooals jij, meenen ze állemaal wat te kunnen
doen—Lach ’r om! Voel je zelf hóóger dan dat véé. Basta. En hoe gaat ’t
met de kleine Ka?”
Ze lag op een geïmproviseerd bed op vier stoelen in ònze alkoof. ’s
Middags had ik haar verbed.
„Lèkker ziek, hè, oome?”
„Nou, wàt lekker!”
„Toe, Alf—hou in Godsnaam op!”
„Willst du dass ich das Kind bànge mache?” zei ik wéér in mijn
schoonste Duitsch.
„Vin je ’t prettig in de alkoof, Ka?”
„Nou wàtte! Netje mag hier niet komme, wél?”
„Nee. Netje mag hier niet komme.”
„Ze het me geknepe vanmorrege, oome”...
„Je mag niet klikke.”
„Nou-ou às ze me knij-ijpt!”
„Dan zal jij ’r ook wel wat hebbe gedaan.”
„Nietes... Zij liet ’n poepie... Enne toen zei ik, à jassus-kind wat
stink jij... Nou-òù en toen het ze me geknepe.”
„Nou da’s láng niet mooi van Netje.”
„Wat gezellig, hè oome, da’k u en mamma kan zien legge, hè?”
„Asjeblief.”
„As ’k nou wakker wor zeg ’k: goeie morrege... goeie mórrege, hè?”
„Precies.”
„Kijk zoo: góéie morrege mamma, góéie morrege oome.”
Hel van zilverklank sprak het stemmetje door de kamer. Haar oogjes
schitterden van koorts, de wangetjes bolden purperrood.
„Héérlijk! Dòlletjes... Zal ’k nou is zinge?”
„Nee, snoet. D’r onder blijve.”
„Effe maar, hè? Effe?...”
„Daar was is ’n mannetje, dat was niet wijs.
Dat bouwde z’n huisie al op ’t ijs;
’t Begon te dooièèèè, maar niet te vriezèèèè...
Toen most ie z’n huissie ver-lie-zèèè...”
„Nou slaapies doen.”
„Ja, mamma.”
Halftien, zachtjes loopend, kwam ’k thuis. Georgine lei met nog natte
oogen bij het kermisbedje ingeslapen. Kaatje sliep. Haar adem zaagde
pieperig uit ’t open mondje. Voorzichtig ging ’k bij de tafel zitten.
Kloos lag opengeslagen. Er naast een aantal beschreven, genummerde
velletjes. Glimlachend, dàn heel ernstig begon ’k te lezen, wat nìèt
voor me bestemd was. Boven ’t eerste velletje stond: