Zacht-vingertjesgeklop.
„Mamma!... Màm-ma!”
„Ja-aa!”
„Mamma me toffels staan bij u!”
Georgine ’t bed uit, kijkend onder de stoelen en de pantoffels
aanreikend:... „Hier.” De deur op slot en zij weer in bed, bibberend
van kou.
„Mamma!”
„Nou! Wat is ’r nou weer!”
„Me kóúse legge d’r niet in!”
„Kan je me dat niet dadelijk zegge!”
„Nou-ou! Nou-ou, ik kan toch niet op me bloote voeten naar beneje
loopen!”
„Hè! Lastig kind!”
Voor de derde maal springt ze ’t bed uit, zoekt naar de kousjes: „Nou
mamma late legge, hóór!”
„Ja mamma.”
We probeeren nog wat te tukken, ’t Gaat niet. ’t Huis is wakker
geworden. Telkens wordt er gescheld, hooren we juffrouw Thomas aan de
trap boodschappen opgeven an d’r kruidenier, groenteboer,
vleeschhouwer. Op straat schreeuwen de venters en bòven is een behanger
bezig een zeil of ’n kleed spijkertje voor spijkertje vast te zetten.
Wéér gescheld: „Niks noodig!” en ’t dichtslaan der deur. Dan ’n man met
kolen, die ’n zak naar boven draagt—plomp—plòmp—plómp—en ’n aanmanen om
niet te morsen en de kinderen die weer beginnen te knikkeren en ’n
geroep „Voddè.—Vohidde.—Vohidde!” van ’n joodje en ’n orgel dat Behüt
dich Gott piengelt. Tot bij elven hou ’k ’t uit in bed, gekookt,
korzelig, niet gewend om vóór twaalf wakker gemaakt te worden. ’t Water
frischt op. ’t Water maakt me héérlijk frisch, akelig optimistisch,
àkelig sterk van dag-voornemens. Georgine en juffrouw Thomas dekken de
tafel—ik sta op ’t balkon, kijk over ’t grasveld naar ’n half
opgebouwde kerk, naar morsige huisjes aan de eene zij en kazernehuizen
aan de andere. De lucht is zachtblauw met zwanenwit—boven de linksche
daken heelemaal sneeuwblank. Hier zullen we ’n gezellig hokje hebben,
zonder overburen, zonder benauwende ramen, daken, gevels, gordijntjes,
bloempotten. Da’s wel iets buitengewoons.
„Wat ’n goed ontbijt, hè?” zegt Georgine.
„Jongen, jongen... ’n juffrouw in de Pijp, die worst, koek, kaas en
eieren geeft... da’s wel wat verdacht... Zoo Kaatje ben je daar
eindelijk?”
„Dag oome... Kijk is wat ’n knikkers!”...
„Van wie heb je die?”
„Van Koosie... Die maggik houe tot vanmiddag.”
„Wil ik is met je knikkere?”
Voor ’t eerst sinds jaren, eeuwen, hou ’k ’n kalkigen knikker tegen m’n
duim, mik, raak natuurlijk niet. Knikkeren, algebra en jaartallen uit
de geschiedenis verleer je gauw.
„Nee, oome... nèè... nèè-èè—zóó mot u ze houe!”
„Zoo?”
„Hè-jasses wat ben u toch stom!”
„Zoo dan?”
„O mamma! O mamma kijk oome is... die kan niet knikkere... en Koosie
wel!”
„Pas op Alf, schiet de ruiten niet stuk... Kommen jullie an tafel?”
„Jongen, jongen... wat zal ’r hier gauw ruzie komen:... eieren, kaas,
koek, worst, brood, krentebrood!” herhaal ik. Georgine houdt niet van
die malligheid. Als je met die dingen spòt, zul je altijd zien, dàt ’t
gebeurt. Die juffrouw is ’n trèf—zoo vin je d’r één op duizend.—Ze
heeft vanmorgen ’t kind keurig-netjes angekleed.—Jammer dat ze zich nou
herinnert dat Kaatje stukkende kousjes an had.—Wat ’t mensch van d’r
denken zal!—’n Goddelijke kamer, hè?... Zoo ruim, zoo frisch met die
openslaande deuren.—Of Karel nou nog in z’n bed zou liggen?—Nee hij was
op.—An z’n waschtafel hoorde j’m scharrelen.—Wat ’n zwabber om zoo laat
thuis te kommen.—Zeker weer bij Guus en Dirk en dronken Duif
gezeten.—Gister had-ie nog zoo opgesneje dat-ie ’s morgens om zeven uur
al an ’t werk was.—O, dat was zeker de man van de juffrouw die thuis
kwam om koffie te drinken.—Wat of ’k vanmiddag doen ging?—Werken
natuurlijk en liever thuis.—Overdag was hier te veel leven.—Of Georgine
ook gelijk had gehad toen ze me gewaarschuwd had om niet samen te gaan
wonen in mijn huis.—Hadden ze benejen geen ruzie?—Ja ze hàdden ruzie,
Thomas en d’r man.—Hoe moppig om is te luisteren.—Nee, niet luisteren
Georgine.—Je kon ook niks hooren. Hij scheen woedend en haar hoorde je
haast niet spreken.—Bom, nou sloeg die met z’n vuist op tafel.—Nou,
maar ze moesten zich ’n beetje geneeren en ruzie maken als wij er niet
waren. Wat drommel, betaalden we niet voor de kamer en voor wat
rust?—Zeker z’n koffie niet naar z’n zin, zei Georgine: Wat hè’k ’n
meelij met ’t goeie mensch, dat zoo gesappeld heeft den heelen morgen
en nou van zoo’n vent de complimente mot afwachte.—’t Werd weer
stil.—Zeker was-ie uitgebromd.—Juffrouw Thomas kwam de trap op, klopte
bij Karel an.—Of-die effen bij d’r man wou kommen.—Zeker Karel z’n huur
nog niet betaald.—Geweldig veel aten we alle drie van ’t smakelijk
ontbijt.—Beneden was de ruzie nóg eens begonnen.—Onduidelijk klonken de
stemmen van juffrouw Thomas, mijnheer Thomas en Karel.—Als ze elkaar
maar niet te lijf gaan, zei Georgine.—Wat kan óns ’t ook schelen...
„Hè, wat hè’k vannacht beroerd geslapen. Je moet an d’r zeggen da’k dat
bed niet meer hebben wil.”
„Ja, wat ’n deuke, hè... en wat ’n schrik vanmorgen om halfvijf...”
„Dat wil ik ook niet meer. Als ze wéér gewekt moet worden, moet ze maar
’n bel naar d’r eigen kamer laten maken of ’n wekkertje koopen... Da’s
geen manier om menschen die je betalen uit d’r slaap te halen.”
„Heb-u bij mamma geslape, oome Alfed...” vroeg plots Kaatje weer.
„Wat zeur jij toch nest!” schrikte Georgine.
„Nou-òù.”
„Wat nou-òù! Je mot niet zoo zangerig prate en niet zoo dikkels nou-òù
zegge!... Wie vertel je zulleke onzin!”
„Nou-òù... De laarze van oome stonde voor de deur... en toen zei de
juffrouw... niet an de laarze van je pa komme... en toen zei ik: nou me
pa zit in Amerika en van me oome hou ’k véél meer dan van me pappa...
Niet-e mamma!”
„Kind je ben krànkzinnig met je geklets! Praat nou nóg is met de
juffrouw, hoor je! Jij groeit op voor de galg met je lange tong! stoute
meid!”, knorde Georgine.
„Nou-ou... nou-ou!”
„Is ’t úít met je lijzige nou-ou!”
Beneden klonk de ruzie gedempter.
„Het ze je nog meer gevraagd?”
„Nee-eé.”
„Gister avond hè-je ook al met de juffrouw gebabbeld... Je mag niks van
mamma vertelle!... Heeft ze je nog méér gevraagd?... Als je alles zegt
krijg je ’n stukkie koek met boter”...
„... Nou ze zei... wie is je pappa... toen zei ik me pappa heet Isaac
Davidson, niewaar mamma?... En toen zei ze hoe hiet je zèllef... en
toen zei ik, ikke hiet Kaatje Davidson, oud vijf jaar en ’k woon bij
juffrouw Bok, niewaar mamma”...
„Nou en vèrder? Heeft ze nìks méér gevraagd?”
„Nou-òù, ze vroeg of die meneer... oome Alfed noemt ze die meneer,
mamma, hoor-u mamma—wat gèk hè, mamma?... Hoor u mamma!... Nou en
toen”...
„Wàt en toen!... Kind wees toch niet zoo stom!... Wat vroeg ze van oome
Alfed?”...
„Van oome Alfed... niks mamma”...
„Wat zei ze dan van ’n meneer... Denk nou is goed na, dan krijg je twee
stukkies koek en ’n cent”...
„... Nou-ou of die meneer nie me pappa was...”
„Dat weten we al”...
„Nou-òù en toen... en toen vroeg ze of ’k ’n jodinnetje was... Ben ’k
’n jodinnetje mamma? Néé-wèl?... Ajassus, nee-wèl?”...
„Anders niks?”...
„... En toen zei ze dat Koosie véél mooier onderbroeke had... Dat jokt
ze hè mamma... Ik heb veel mooier onderbroeke, niewaar mamma?”
„Ja, ja.”
„Enne ben ik nou ’n jodinnetje, mamma?”
„Nee... En wat zei ze verder?”
„Da-weet ik niet. Ben-u nou boos? U ben altijd boos op me...”
„Nee, ik ben niet boos. Maar als ze je weer wat vrage van mamma, hoor
je, moet je zegge: ik weet niks van mamma, hóór je?”
„Ja mamma.”
„Als opoe je nou vraagt: wat doet mamma, wat zal je dan zegge?”
„Ik weet niks van mamma, hè mamma?... en dan zal ’k ’r zegge...”
„Wat ’n onmogelijk kind, toch, hè!”
„Je ben ’n heerlijke snoet, hoor,” schaterde ik.
„Ja, jij heb precies de manier om kindere te bederve! Da’s toch
ongepermitteerd dat-ze achter je rug ’n kind uithoore!”
„Kom maar binnen Karel! Binnen!” riep ik, daar er geklopt werd. Maar ’t
was Karel niet, ’t was ’n heer met ’n kantoorklerkachtig gezicht. Van
de haast van ’t oogenblik heb ’k alleen onthouden dat-ie vieze, zwarte,
verteerde tandjes had.
„... Meneer Spier?”...
„... Wat blieft u?”... vroeg ik verbaasd.
„... Ik kom u maar zegge dat de juffrouw”—even kijkt hij Georgine an—,
„vóór vanavond ’t huis uit mot.”
’n Korte, zonderlinge stilte—’n bleek achteruit leunen van Georgine—’n
opkolkink van dikke woede bij mij.
„... Wie ben jij godverdomme!”
„... Laten we allebei asjeblief fatsoenlijk blijve meneer en geen
godverdomme spele... Mijn naam is Thomas... Mijn vrouw heeft u de kamer
verhuurd zònder mijn voorkennis”...
„Zoo-zoo. Zoo-zoo,” zeg ik met ingehouden woede.
„Ik wil de juffrouw niet beleedige, maar zùlleke getrouwde mense als u,
wil ik niet in mijn huis—en dus kort en bondig vóór van avond”...
„Wie heeft ’r hier wat te kommandeere, jij of ik? ’k Heb de kamer
gehuurd voor ’n maand, heb tien gulde vooruit gegeve en daarmee
basta”...
„Mijn vrouw heeft geen recht”...
„... O gebruikt u zulke streekjes?”...
„Streekjes? Streekjes?... ’k Weet niet of de màn van de juffrouw”...
„Als je nog een woord zeg,” adviseer ik, „smijt ik je van de trappen,
versta je!”...
„Hou je kàlm Alf, hou je kalm,” smeekt Georgine.
„Ik ben niet degeen, meneer, die met grofheden begonnen is,” zegt
Thomas verstandig: „ik zeg u alleen de kamer op en uw tien gulden kunt
u terug krijgen na aftrek van de kosten van gister en vandaag. Da’s nèt
en fatsoenlijk, niet waar? Maar de koffers moeten voor zés van de
kamer.”
„Zoo? Nou daar denk ik niet an. Mijn vrouw en ik hebben gehuurd en we
blijven. We hebben eerlijk aan uw vrouw gezegd hoe de verhouding was.”
„Nee mijnheer. Dat heb u niet en al hàd u het, ik wil zoo een
schàndelijke verhouding niet onder mijn dak.”
„Daar zal ’k toch geen notitie van nemen, waarde vriend. Als u denkt
da’k uw kwajongen ben, dan bedriegt u zich,” zeg ik.
De eerste woede is gaan liggen. Kalm, vriendelijk, sarrend begin ik hem
te antwoorden.
„Geweld is niet in uw belang,” zegt hij nu driftiger.
„Och goeie man dat zou ’k je heelemaal niet anraaien. Je ben hier
ploertig komen binnenvallen en denkt m’n vrouw en mij af te blaffen, en
dat lukt je niet.”
„Dàt zullen we eens zien. Vóór zés úúr heb ik gezegd.”
„Jij kunt mij de bout haggelen,” zeg ik rustig.
Dit schoone argot schijnt hij niet te begrijpen.
„... ’k Zal gotbeterme van me huis ’n rendez-vous make!”
„Mag ik u beleefd verzoeken op te rukken?”, inviteer ik, glimlachend.
„Vóór zes uur of ik laat de juffrouw door de politie....”
„D’r uit godverdomme! D’r uit, verdomde ploert!”
Hij was al buiten toen ik pas voorbij den stoel van Kaatje was.
Georgine zat te huilen, verweet me dat ze me gewaarschuwd had, dat ’t
mìjn schuld was, dat ze binnen ’n uur d’r boel zou pakken.
„Néé. Dat zul je niet!”
„Dat zal ik wel!”
„Denk je da’k voor zoo’n kerel an de haal ga? ’k Heb voor heeter vuren
gestaan. Verrekken kan die. En z’n dreigementen daar lach ik om. ’k Heb
Karel voor getuige en z’n vrouw zal ’k op ’n eed vergen....”
„Sla jij maar door, sla jij maar door,” huilde zij: „en denk je da’k in
zoo’n huis ’n seconde alleen wil blijve. Wil-je hebben dat-ze me
beleedigen, als jij niet thuis ben? Nee, ik blijf geen uur langer hier,
geen half uur!”
„Ik sta op m’n recht!”
„Ach, wat doe je met récht! Ik als vrouw kom toch telkens met die vrouw
en met die man in aanraking!”
Er viel weinig tegen te redeneeren. De omstandigheden waren anders
geworden. Ik moest aan hààr denken. Als ’k uit móést, wat dan? Nee, ’t
was hier onmogelijk geworden. Die beroerde Karel! Die lammeling! Net
klopte-die an. Of ’k nou maar niet wou opspelen, want Thomas had ’m
gezegd, dat-ie geen ongetrouwde paren in huis nam al kon die d’r goud
mee verdienen. En tegen z’n vrouw had-ie zóó’n bek opgezet, dat ze in
’n toeval lag. Je hoorde ’r ’t heele huis door gillen!.... Of-die
helpen wou an de koffers? Hij had zijn kamer ook opgezegd. Hij verdomde
’t ook bij zoo’n lamstraal van ’n vent. Voor zijn part kreeg die Thomas
’n afgedriedubbelde kouwe koorts. Georgine lachte om de vervloeking.
Voor háár part zonk die in den grond. En dan Karel weer: voor zìjn part
kreeg die ’n steenpuist op elk plekkie waar die op wou gaan zitten. Van
den zolder sjouwden we de koffers naar beneden. Raar, nòg geen vier en
twintig uur hadden ze er gestaan. We dachten er niet aan àf te
ontbijten. Op ’t bord van Georgine lag ’n boterham met één hap er in,
op ’t mijne ’n half sneedje met kaas. Ka zat onbewogen hapjes te bijten
uit ’t stukje koek. Ik nam het goed uit de linnenkast, Georgine lei ’t
ordelijk in de gapende koffers.
„Wat heb je ’n mooie broeken, Mol,” schertste ik.
„Maak nou geen gekheid.... Pak die doos voorzichtig an. De bodem zit ’r
los in.... Heb je alles.... ’t Kastpapier òòk en de kastranden?”
„Laat die maar leggen.”
„Nog geen kruimel schenk ik ze.”
Karel hielp haar mee aan de andere kasten, terwijl ik de platen weer
begon af te nemen—de Saxoléíne dame van Chérêt, de prenten, ’t
boerinnetje van Veth, Steinlen. Kaatje stond naast me met het doosje,
pakte de punaises an. Er kwam weer ruimte voor Willem II en Willem III
in hun oorlogsgewaden, voor Rebecca met de schoone voetjes, voor den
heiligen Joseph, de loopsche Potiphar, voor de lieve herderinnetjes,
den lucifershanger en voor fatsoenlijke menschen.
„Is ’r niks meer... niks?... O, de waschtafel nog én je toffels onder
’t bed... Pak is an... Rol de zeep in ’n stukkie papier... Kijken
jullie nou allemaal nog is rond... Niks vergeten?”... vroeg Georgine.
Van benee krijschte harder gegil der dame in toeval.
„Nee niks”...
„Wat ’n jammer da’k ’r ’n nieuw lint heb gegeve,” zei Georgine... „van
vijftien stuiver de el... Wat zit jij nou nog met die knikkers te
spelen, Ka? Van wie zijn die knikkers?”
„Van Koosie Thomas”...
„Weg met de knikkers van Koosie!”, schreeuwde driftig Georgine, ruw de
knikkers van de tafel smijtend. Als zwaar hagelgekletter striemden ze
neer op den grond.
„Nou-òù...”, zei Ka huilerig-verschrikt.
„As je gaat húíle!... Pas op hoor!”
De zwarte koffer stond naast de groote mand, die Karel aan ’t sluiten
was met ’n dik pluistouw. Op de zwarte koffer lag ’n reisdeken met twee
hoededoozen. Dat was alles.
„Wat nou?”
„Nou laten we ’t boeltje hier staan en gaan kamers zoeken.”—Van benee
klonk met snerper lawaai het gegil.
„En als we ’r geen vinden...”
„We vinden er een,” zei ik, kalmeerend.
„Zal ’k me hoed opzetten?”
„Ja.”
„Kaatje, klee je an.”
„Gaan we uit, mamma?”
„Ja.”
„En als ’k nou tegen ’n uur of vijf ’n kruier zend—dan let jij wel op
Karel, dat alles meegaat. Zie je: met de parapluie mee zés stuks.”
„Ja.”
„Jij blijft zeker thuis?”
„Ja, ik ga nog wat werken.”
„Dààg.”
„Veel succes. Geef an de kruier ’t adres mee, dan kom ik je van avond
opzoeken.”
Georgine en Kaatje gingen de trap af—even keerde ik me om bij de deur,
zag de doodsche wanorde, de tafel met de drie borden, de boterham met
één hap, ’t sneedje met kaas, de linnenkast met openstaande deuren, ’n
vuilen handdoek, proppen papier en knikkers op den grond, de holle,
leege blommetjeswanden, stoelen met servetten over de leuningen, de
zwarte geeuwende alkoof met wit geschemer van kannen en ’n half volle
po en de wit-ziltig triestige reflectie van het zwanendons der
najaarslucht op den kleinen stapel naast de tafel, op de zwarte koffer
met de grauwe initialen G. C., op de mand met het pluistouw, op de
reisdeken, de ouwe hoededoozen, de schuinhangende parapluie.
Beneden wachtten Georgine en het kind. Op straat hoorden we nog het
gegil, het drensend lamenteeren als van een vrouw die in weeën ligt.
„Weet je waar ’k de mééste spijt van heb,” hèrklaagde Georgine, „van
dat nieuwe lint... ’n prachtig end van vijftien stuiver de el...”
Wij liepen de stad in—zij bleek-betrokken met ’t kind an de hand—ik er
naast, als ’n heer, die zoo is toevallig meeliep—voor de mènschen, voor
de ménschen...