Het was een huis in de Pijp, een gewóón Pijp-huis. De juffrouw heette
Thomas. Maar elke beschrijving is overbodig. Het verband met het
voorgaand volgt vanzelf.
„Wat hè-je daar?”—vraagt Georgine als ik tegen vier uur de woning
betree, waar voortaan mij hoofdverblijf zijn zal. Het was de middag nà
de gezellige verjaarspartij.
„Dat zul je zien,” zeg ik geheimzinnig en tot het kind: „Dag lieve Ka.”
„Dag oome Alfed.”
„Je mag geen óóme zegge,” zegt Georgine, vermanend.
„Màg ze geen oome zeggen?”, vraag ik, verwonderd.
„Wel née. Denk toch an de mènsche.”
„Wá’s dat nou? Moet ’t kind voor de menschen liegen? Zeg maar gerust
óome, Ka, hoor je?”
„Wat ben je toch onverstandig, Alf!”, houdt Georgine aan: „Karel heeft
nou eenmaal die juffrouw Thomas wijsgemaakt, dat Ka òns kind is...”
„Dat kan me niks schelen! Laat ’t kind óóme zeggen. Dat heb je ’r
eenmaal geleerd.”
„Mamma wou da ’k páppa zei... oomè,” zegt Ka, lachend.
„Nee, dat zei mamma maar voor de grap, niewaar, mamma?”
„Pappa zit in Amerika, nìèt, oomè?”
„Ja, pappa zit in Amerika.”
„U ben me óóme, niet? Nie-iet?”
„Ja, snoetje.”
„Da’s pappa, niet?”, vraagt ze, het portret van haar vader dat op den
schoorsteen staat, aanwijzend.
„Nee, maar—die is goed, Mol!”, lach ik. „Heb je zijn portret op den
schoorsteen gezet?”
En ik begin ook zoo’n beetje op te ruimen, open het geheimzinnige pak,
waarin platen van Chéret, etsen van Bauer en Veth. Terwijl vertelt
Georgine van de verhuizing, van juffrouw Bok... „... En alles alleen
ingepakt, Alf, en dat getob om ’n kruier te vinde en dat gedráái van
die kruiers—en onderweg ’n koffer afgevalle—en hier trijsche—en
uitpakke.—Hoor is, dat doe je niet voor je plezier... Kijk de
linnenkast is.—Netjes hè?... Da’s zoo gòddelek om van die stàpels goed
te hebbe... En da’s de kast voor de kleere.—Zie je, jouw chamberloek
hangt ’r en je toffels staan ’r onder.—Wat gezellig, hè?—Wat gòddelijk
gezell’g!—Da’s ’n rommelkast.—Die hoejedooze zal ’k nog ’n ander
plaatsje geve.—Maar je mot wat meer goed van je zende.—’n Bóél goed in
de kaste staat zoo gezellig.—’k heb an de juffrouw gezegd dat jouw
koffers nog ingepakt staan, begrijp je?—Ze keek zoo raar omdat ze geen
goed van jòù zag.—Kijk nou de slaapkamer is.—Wat lekker, hè? ’k Heb
twee handdoeke voor jou gevraagd en ’n groote teil voor ’n zitbad.—Wat
goddelek, om nou is ’n heele nacht bij elkaar te zijn—de éérste, hè?—de
éérste nacht als man en vrouw, héélemaal.—Die juffrouw Thomas is een
tref.—Daar boffen we mee.—Ze speelt mevrouw voor en mevrouw nà... ’k
Heb ’r ’n nieuw lint van me gegeve. Da’s wel goed, hè?—om ’r te vrind
te houe...”—
„Niet zoo hard van stapel loopen,” vermaan ik wijs: „’t Is beter om
Pijp-juffrouwe op ’n afstand te houen. Ze worden van zèlf wel eigen...”
Op den wieblenden trijpen stoel, sta ik en licht een prachtige prent
van wijlen juffrouw Thomas’ papa uit de haak. Willem II en Willem III
glimlachen zeer welwillend naast de schoone inscriptie „Eerelid der
Nederlandsche Boekbindersvereeniging”. Hare Majesteiten komen op den
grond te staan en de plaat van Chéret: de „juffrouw met de lamp” kleurt
in eens den héélen wand. Georgine kijkt op ’n afstand of-die recht
hangt, Kaatje houdt ’t doosje met de punaises bij mijn kuit. „Nee ’n
beetje hooger. Nog ’n beetje. Nou hangt-ie recht. Neem nou geen
punaises in je mond, Alf.—Prik je niet.—Niet zoo hard t op douwen.—Als
ie doorschiet doet ’t ’n gemééne pijn.”
Dan wordt de stoel verzet, die telkens in z’n achterste pooten zwikken
wil, houdt Georgine ’m bij de leuning, mij bij ’n broekspijp en staat
’t kind er bij, heel-voorzichtig met de punaises in de handjes en met
groote droom-aandacht kijkend naar mijn bewegingen, naar de platen.
Georgine is angstig omdat ik ’n smachtend-gelikte voorstelling van
Rebecca, Rebecca met schoon-wassen voetjes èn ’n kopje van ’n Fransche
modeplaat naast Willem II en Willem III op den grond zet. Of juffrouw
Thomas ’r niet kwaad om zal zijn? De kamer begint er anders uit te
zien. Jammer dat vervloekte behang met misselijk rood-bruine
blommetjes. ’t Pendant van Rebecca: Joseph in kuische houding Potiphar
ontvliedend, komt bij Willem II en Willem III en Rebecca op den grond
te staan. ’n Kleurige prent van Steinlen, kerels en meiden uit ’t volk,
die naar een liedjeszanger luisteren, doet er duizendmaal frisscher. En
wat meer van die burgermans vunzigheid, als twee herderinnetjes op ’n
driehoekje, ’n lucifershanger van papier-maché, ’n grijs vaasje met ’n
goedkoop Makart-bouquetje verzamel ik in ’n hoek van de kamer, telkens
met protesten van Georgine, die bang is de „juffrouw te beleedigen”. Om
halfzes ben ik nog bezig, de kamer gezellig makend, met Georgine die me
broekspijp vasthoudt en Kaatje die snappend en babbelend meeloopt met
’t doosje punaises. En bij elke plaat loopen we met z’n drieën
achteruit, kijkend of-die recht hangt, of de wand niet te vol wordt en
dan versjouw ik de glimmende linnenkast, die me dáár niet bevalt,
maskeer de deur naar de alkoof met de andere plaat van Chéret.
Juffrouw Thomas komt terwijl we de tafel dekken.—Wèl heerejee—ze zou
d’r éígen kamer niet herkenne—wel wattè mooie plate.—En de linnekas
dáár?—Net zoo as mevrouw wil.—O hield meneer niet van bijbelsche
platen?—Nou ze ware toch wel mooi.—Maar over smake most je niet twiste
niewaar?—De een hield van dit, de ander van dàt.—Na de eten zou ze ze
weghale.—Die plaat was van d’r vader, die eerelid was geweest van de
Boekbindersvereeniging.—Daar had ze nog ’n krant van van ’t jaar
64.—Wou meneer de vaasies ook niet?—Die had ze getrokke in ’n
liefdadigheidsloterij.—Als ze mevrouw kon pleziere met ’s avonds ’t
Nieuwsblad voor Nederland—daar was ze op geabonneerd. Terwijl dekte ze,
kwam Karel binnen, die ook wel ’n bittertje wou. „’t Bed zal nog wel
zoo best niet zijn, hè’k al an mevrouw gezegd—morrege komt ’r ’n
spiksplinternieuw.—Da’s ’t bed van me getrouwde dochter, da’k voor één
nacht geleend heb—dan weet ’k tenminste wa’k in huis haal niewaar?”
„Wat ete we vanmiddag? vraagt Karel, weêr erg-druk.
„Schelvisch.”
„Schelvisch! Da’s ’n féést voor me!”
„Schelvisch met botersaus en aardappele.”
„Hoe kook-u de visch,” vraagt Georgine en dat geeft ’n
erg-levendig-lief vriendinnen-gesprek over koken, dat je ’n stukkie
soda moet doen bij erwten om ze gaar te krijge, dat je an boter,
waarmee je bakt dadelijk kan zien of ’t margrine is en datte de groente
zoo duur ware. Kool was schrikkelijk duur. Ze liepe wel met zes rooie
kole voor ’n dubbeltje, maar dat was ènkel water. Daar had je niks an.
Zoolang d’r geen vorst was geweest over savooie kool deugde ze niet.
Rijst?—Die most ’n paar uur langzaam prùttele... Hoe langer die stond
hoe meer ze uitdijde... Juffrouw Thomas, glunderig, helder, met de
zwarte haren vet-spiegelend onder de lamp en de bloedkoralen ketting
vinnig-vroolijk op ’t paarse schort, knikte bij alles vertrouwelijk als
’n kennis van lange jaren. De gulle-vriendinnentrek was geen oogenblik
van haar gezicht. Ze tikte ’t kind op de koontjes, knipte
langzaam-goedig de oogleden, wreef de borden en de glazen na met ’n
properen doek en ging opdoen. Met de dampende witte schilfervisch, die
bij de kieuwen zacht-bruin kleurde kwam ze terug. Op ’t helder-wit
tafelkleed, waarvan de blokjes mat glansden, tusschen de propere borden
en ’t blinkend gerij pufte de visch breede ademblazen naar de lamp. De
sauskom met bruin gebraden boter en ’t wit-porseleinen lepeltje stond
er knuf naast, naast het gewreven, blinkend olie-en-azijnstel. Toen de
aardappelen nog kwamen was ’t een feestelijk-huiselijk gezicht. Karel,
Georgine, ’t kind en ik, met in de plooien staande servetten en de
wijde opdampingen uit den aardappelschotel èn de dampkolkingen van de
visch onder de lamp en ’t vergenoegde van zóo bij elkaar te zitten en
’t kindervoetje rustend op mijn knie en de witglanzende,
licht-tintelende rust over alles—dàn de licht-spatjes-stuivende lepel
en de zilverrakettende vork in Georgine’s handen met ’t gouden ringetje
en ’n nòg sterker gedamp als de lepel en vork de blanke vischschilfers
breken.
Wel héél gelukkig is dit. Er overkomt mij een zachte sensatie van weder
opzitten na lange ziekte in ochtendzon met veel rust rondom,—iets van
zéér sterk voelen het wit van het tafelkleed, het gezilver van vorken
en messen, het kopergespat van de lamp, het wuivend spiralen der damp
om het licht,—iets dat als witte aangenaamheid zonder vormenrealiteit
tot het bewustzijn slaat, een star moment van stille gelukgolving
geeft, zóó dat het tot geen verwondring zou schokken als er geluid uit
de dingen kwam. „Wattè gezelligheid,” zegt Karel. Op ’t wit van z’n
bord kwalt een kwak mosterd. De gele saus druipt er bij en geraasmakend
wrijft hij de mosterd door de saus:—„Wat è gezelligheid. Hou jij óok
zoo van visch!—Nee geef mij nou niet alles. ’t Kan toch terugkomme.”
Kaatje knoeit met de vingertjes om graten te zoeken. We eten zonder
veel gepraat, vòèlend het vriendelijkrustige van zulk een tehuis. Bij
het licht van de lamp zijn de hoofden gebogen, de vorken rinkelden
tegen de borden en de mosterdsaus kleurt donker tegen de smijdige
schilfers van visch.—Wat is ze lekker, hè? Bij visch hoort anders de
léver.—Nou maar zùlleke visch, die zoo lòs van de graat laat.—Nog è
beetje saus?—Roojaal boter hè?—O, ’t mensch kookt zoo goed.—Kaatje pas
op de graten.—Karel wi-je nog ’n stukkie van de kop.—Wat die Alf
vandaag eet!—Maar over al de gesprekken heen ’t zilverwit, beierend
waas van rust, het toevallig gekijk in de oogen van Georgine, het
opletten van de gestijfselde blokjes van het tafelkleed, ’n gevoel van
hinder dat een boterspetje in een der blokjes gedrongen is en soms het
alleen hooren der vorken, de rust in het huis, de rust buiten.
„Wat n nàre avond gister,” zegt Karel.
„Ja dat-was de láátste,” zeg ik.
„Hóé, de laatste?” vraagt hij.
„Nou, ik ga niet meer naar Dirk en naar zulke fuifjes.”
„Ben je dan kwaad met ’m?”—vraagt hij weer.
„Heelemaal niet. ’k Mag Dirk. Maar ’k heb genoeg van dàt soort
avonde... En jij Georgine?”
Over de strakke witheid der tafel, onder het licht van de lamp kijkt ze
me aan.
„Ik? Ik maal ’r heelemaal niet om. Als ik me eigen boeltje heb kun je
me Duif en Guus en Trees gestolen krijge. Zoo gezellig gezeten als nou
hè-k in jaren niet. Vin je dat óóit bij dìè mense?”
„Ik denk da’k voortaan thuis blijf ’s avonds,” zeg ik. „’t Is hier best
uit te houen. Dáár zal ’k ’n tafel zetten, bij ’t raam en ’n lamp van
thuis meebrengen en dan blijf ik rustig werken.”
„Denk je dat jij dat uithoudt?” lacht Karel. „Die nachtpit wil
thuisblijve!... Over een paar weke zie ’k jullie wéér in de
koffiehuize, komme jullie wéér bij Guus en Dirk!”
„Jawèl!” zeg ik rustig.
„... Verwed je ook zes kistjes?”
„Drie dozijn als je wil.”
„Nee, doen maar zes.”
„Goed—als je mij en Georgine ziet boemelen—versta je: boemelen avond
aan avond—dan neem ik zes kistjes.”
„’k Maak zaken!” lacht Karel: „Da’s twaalfhonderd sigaren in twee
dagen.—Zoo’n nachtpit heeft ’t lef om te wedde!”
„Mamma mag ’k nog ’n beetje saus?”, vraagt Kaatje, heel zachtjes.
„Zit je lekker, snoet, met je beentje tegen me an?” vraag ik. Ik hou
van het kind.
„Nou-ou! ’k Heb ’t hier wàt goed, hé mamma?”
„Geef me is ’n zoen.”
De glimmende boterlipjes houdt ze op en ’k zoen haar.
„Wat he-je vandaag gedaan?”
„Ik heb mamma gehollepe, niewaar mamma?”
„Zoo. Je ben ’n knappe meid, hoor.”
„En ’k heb met Koosie gespeeld.”
„Wie ’s Koosie?”
„Nou-ou, da’s Koosie Thomas. Die ’s niet zoo ondeugend als Pietje Bok,
wel Mamma?”
„Nee, da’s ’n zoete jonge.”
„En wat hebbe jullie gespeeld?”
„Nou-ou van alles.”
„Volgende week ga je naar school, hoor!”
„Ga ’k naar school, mamma?”
„Als oome ’t zegt.”
„Ga ’k dan leze?”
„Nou! En schrijve!”
„Ga ’k dan ’n brief schrijve?”
„Natuurlek.”
„An wie?”
„An opoe en an opa.”
„En an pappa?”
„Ja, ’n groote Engelsche brief,” lach ik, „da-we vanmiddag schelvisch
gegete hebbe en...”
„Hou nou op met je onzin!”, zegt Georgine: „ze zou ’t doen ook!...”
Juffrouw Thomas brengt ’n schotel bieten, hel-rood in de witte schaal.
„Na de boter... en na de vette visch is zuur wel lekker, vin u niet
mevrouw?”
„O ja juffrouw, daar hou ’k erreg van.”
„... Lastig koke die biete—o zoo lastig.—De heele dag stonde ze op”....
„Zoo làng ... ik koop ze altijd gekookt.”
„Nou da’s wèl verstandiger... As je ’n biet met ’n vorrek prikt loopt
ie uit—wordt-ie wit, kun j’m zoo weggooie”...
„Hé! dat wist ’k niet.”
„... Je mot ’m prikke met ’n stokkie—wist u dat?—Met ’n vorrek kun j’m
weggooie.—Ik doe ’t met ’n lucifer—dan sluit ’t gaatje weer en dan nòg
oppasse, dat de biet niet breekt, anders loopt-ie wéér uit... Nou
krijgt u nog grutte met rozijne na.”
Karel begint nog eens over dat „prachtige” voornemen van ’s avonds
thuis te blijve. Als je zoo lang in koffiehuizen heb gezeten kùn j’r
niet meer buiten en of we geen lollige avondjes gehad hebben?—Nou niet
veel.—Da’s niet waar. Hoe dikkels hebbe we niet gebruld van ’t
lachen!—Of-ie, nou we zoo rustig zitten bij ’t witte tafelkleed niet
misselijk wordt als-ie bijvoorbeeld denkt an die nacht, toen Georgine
’r ook bij was, an die nacht toen we van „Apollo” naar De Mijtelaar
waren gegaan, toen Duif stomdronken naar boven moest worden
gedragen?—Of-ie zùlleke nachte niet voelde als ’n riool waarin je
gelegen had?—Bah, als je an dàt volk dacht van De Mijtelaar, an die
bénde, an bleeke Piet, Puisten-piet, an de ouwe bankier, an „die
advocaat”, an al de andren, dan kreeg je behoefte je te wasschen.—Nóú,
bevestigt Georgine.—Maar Karel vindt dat overdreven kùl. Je mot léven.
Anders niet. Of we denken dat-hij ’r zoo ernstig over geprakizeerd
heeft, toen-ie ons lijmde? Hahaha!—Ons lijmde, óns lijmde? Wat-ie
daarmee bedoelt?—Nou, nou die ons samen ziet als man en vrouw mot ie
nog lachen om de moeite die die gedaan heeft, om ons te koppele, haha!
Alf wou niet mee van Mast, was beleedigd en Georgien zat honderd maal
naar de deur te kijken in De Slok. Hij wóú toen dat ’t in orde kwam.
Want die Spier was in die dagen zoo godsluizig melankoliek! Of ik me
nog herinnerde die avond thuis na het eten en ’t gelul over vrinden en
vrindschap! Was-hij geen goed vrind geweest? Had hij m’n melankolie
niet weggebezemd? Hahaha!—en luidruchtig schaterde hij met ’n schijf
rooie biet in z’n open mond.
Na het eten leggen we Kaatje te bed. Karel is naar van Lier op ’n
vrijkaartje. Da’s wel aangenaam. Op ’t witte kussen ligt ’t blond
hoofdje met de roodgloeiende koontjes. De oogjes glinsteren van
genoegen.
„Blijf u nou de hééle avond thuis, mama?”
„Ja, hartje.”
„Oome Alfed óok?”
„Ja.”
„Ga u hèùsch niet uit?”
„Nee heusch niet.”
„Niet stilletjes ook?”
„Nee, we blijve thuis.”
„Hè-wat gezellig. En slaapt oome Karel daar?
„Ja”
„En wie slaapt ’r bij u?”
„Niemand malle meid.”
„Waarom mag ik dan niet bij u slape?”
„Omdat ’t bed zoo klein is.”
„En ’t is zoo gró-óót.”
„Welnee. ’t Is veel kleiner dan bij Juffrouw Bok.”
„Nietes. Hè—nou jokt mamma, niet oome Alfed?”
„Nee Mamma jokt nooit.”
„Mag ’k mórrege bij u in bed komme, mamma?”
„Kom ga nou slape. Je ben toch niet bang wel? Mamma is vlak bij je—zie
je: hier achter... Groote kindere motte in ’n groot bed alleen slape.”
„Wor ’k dan groot?”
„Als je zoet slape gaat wor je hier zóó’n groote meid.”
„Hoe groot?”
„Zoo groot als oome Alfed.”
„De juffrou zegt dat oome Alfed bij u in bed legt.”
„Wèlleke juffrouw?” zegt Georgine verschrikt.
„De juffrou van hier”...
„Wanneer het-die je dat gezegd?”
„Nou-ou vanmiddag toen ’k met Koosie speelde.”
„Malle meid, geloof je nou wat de juffrouw zegt? Die houdt je voor de
gek... Oome Alfred gaat strakkies weg en as je dan zoet slape gaat en
niet huilt komt mamma je hale.”
„Heeft oome Alfed ’n eigen huis?”
„Natuurlek.—Ga nou slape.—Niet zooveel vrage!”
„Ja mamma.”
„Zeg nou je gebedje.”
Lachend naar ons kijkend begon ze: „Onze vader die in de hemelen
zijt”... Wat ’n pracht van ’n kind was ’t zoo, met het kleurtje van
opwinding, het gebrabbel van ’t gebed, terwijl de schitterende oogjes
niet van ons àf waren.
„Zoo goed mamma?”
„Heel goed. Dag snoet.”
„Dag mamma.”
En dan moest ik haar zoenen—nee zóó niet—nèt zooals mamma.
In de voorkamer maakte Georgine zich ongerust over ’t praten van ’t
kind.—Als ze zoo iets zei waar d’r moeder bij was of dat pestwijf van
Stengevis, ha-je de poppen an ’t dansen. Ik had makkelek lache.
Juffrouw Thomas zette thee klaar, haalde Willem II, Willem III,
Rebecca, Jozef en de vaasjes weg. Alléén in de stilte der kamer, over
elkaar, bij de thee, die te zingen stond, alleen over háár, zoo ze zat
met goudpluimingen kransend om ’t hoofd en met ’t breede verschiet van
den langen avond, die als een lichtblauwe koepeling voor me lag, voelde
ik voor ’t eerst in de leegte der jaren, dat ik lééfde, dat ’t leven èn
hooger èn schooner was dan triestig-lange maanden van zwarte
eenzelvigheid het gedroomd hadden.
Na de thee werkte ’k. De zinnen gleden zeker en rustig op het papier,
uitvloeiend de lichte stemming van ’t oogenblik, wieglend op
klokjesgetik, op de licht-grijze, ver-wijde zee van geluk. Georgine
las. Toen mijn bladzij vol was, keek ’k over haar schouder, zag ’n
heele reeks zinnen als:—„Arme onschuldige maagd... ik heb u in het
verderf gestort... en dat alleen omdat gij mij niet bemindet.—Dan
gloorde een straal van manhaftigheid in zijne oogen en vastberaden
zeide hij: „Ik heb gezworen, ik zal mijn eed getrouw blijven. Ik zal
trachten goed te maken wat ik zoo loffelijk misdaan heb. Verder dus! O!
al ben ik thans alleen, ik zal mijn doel bereiken of... sterven” En
weer ’n eindje verder:—„Hij hoorde de ijselijke stem der wroeging in
zijn binnenste roepen: Rampzalige, gij zult leven, geen genade voor u;
wilt gij vergeven worden, vervolg dan uwen weg. En hij ging verder,
maar in welken staat: Het hoofd naar den grond gebukt, stapte hij niet,
maar sleepte zich voort. Bij tusschenpoozen beurde hij licht het hoofd
op en, immer met betraande oogen, fluisterde hij:—Nog eens wil ik u
weder zien, arm slachtoffer der jaloerschheid, u op de knieën om genade
smeeken en dan, hà, dan mag ik van deze wereld scheiden.”—Ik stoorde
haar niet in haar lectuur, ging weer over haar zitten, óngestoord in ’t
beetje rythmisch proza dat wonderlijk te gelukken schéén, wonderlijk
soepel, geluidrijk werd. Dan weer na zóóveel zinnen, luchtig op-en-neer
wandlend, leunde ik achter haar stoel.
... „Het ongelukkige meisje was binnen de kamer achter de verandah
gevlucht, meenende misschien zich hierdoor aan de afschuwelijke
tegenwoordigheid van Misri te onttrekken. Het opperhoofd heeft de
vlucht bemerkt; een afgrijselijke grimlach plooit zijne lippen; men kan
de woede op zijn terugstootend gelaat lezen.... Bij zijne verschijning
werd de maagd geweldig geschokt; zij werd doodsbleek, het koude zweet
brak haar uit; zij slaakte een tweeden gil en deinsde achteruit tot in
het diepste der kamer”....
Tegen elf uur kwam juffrouw Thomas vragen of ’r nog iets noodig was—of
’k de schoenen voor de deur wou zetten, wenschte een aangename
nachtrust. De stilte in de kamer werd volkómener. De klok rikke-tikte,
het dopje boven de lamp schommelde knerpend aan de haardspeld. Op ’n
vierkant wit porseleinen komfoortje met lichtlijnen van herderinnetjes
en schapen, klokte de koffie. De platen van Chéret, fel-rood, rose,
blauw en eigeel, brandden op ’t blommetjes-behang. De linnenkast
properde in haar breede-vlakken-geglim. ’t Boerin netje van Jan Veth
keek helder-naïf naar den liedjeszanger van Steinlen, vlammend
schitterden de nieuwe punaises. Georgine altijd nog aandachtig-gebukt
over „De lotgevallen van de blanke slavin” of „de geheimzinnige drama’s
in Afrika’s Wildernis”, schoof van tijd tot tijd, zonder op te kijken,
de hand naar de koffie, kraste den kop over het bakje om de druppels
van ’t voetbad te laten afloopen, nam ’n slok—doorlezend, doorlezend,
schoof den kop weer naar ’t bakje, hield hem een paar minuten hàlfweg,
gestoord als ze werd door een pakkende zin, zette hem neer met ’n even
zuchten van wakkerworden. Alleen ’t gekuif van ’t blonde haar en ’n
tipje van neus waren te zien. In de verte buiten, sloeg een hond aan en
wat zwak stemgeschuifel lauwde van straat op. Als ’k dan stil zat en
probeerde de intimiteit, de nog-vréémde intimiteit der kamervoorwerpen
te doorvoelen, was er weinig vijandigs, weinig dat al niet ingeschaduwd
stond in herinnering. Sommige oogenblikken leek ’t alsof ’k méér zoo
gezeten had, alsof er niets nieuws was aan dit schrijven bij de lamp,
met Georgine over me èn de rust en de glimvlekken op de linnenkast èn
de trijpen stoelen èn ’t klokjesgetik èn ’t ritselen van de lampdop aan
de haarspeld èn ’t schokjesploffen in den buik van de koffiekan.
Sommige oogenblikken doorleefde ’k ’t hérhaaldelijk, was er
zachtjes-krauwende warmte in mijn keel bij ’t herkennen van dit en van
dat, dat ik al zoo láng geleden gezien had. En ’k werkte weer verder,
zonder onaangename ópdringing van vreemde kamerzaken—,
geheel-evenwichtig, geheel in den overal éven wijden, overal éven
breeden cirkel van beweginglooze, zwevende dingen. Ik kan het niet
anders uitdrukken. Er zijn voelingen die niet te beschrijven zijn. Ik
weet bijvoorbeeld evenmin wàt het is—als Georgine me kust, de lippen
elkaar luchtig raken, dat ik heftig en scherp, in momenten van heel
licht-denken, de visie heb van iets,—jàren, jàren, jàren geleden, iets
onnoozels uit kindertijd... ’t zitten op ’n trap, ’t kijken naar een
kever... ’t staan op een stoel, ’t angekleed worden voor de
bewaarschool met een stijfselharde smul... of ’n plek kleigrond met
mannen aan ’t heien, toen we nog woonden in ’t kleine huis bij ’t
water...
Om twee uur—vróég voor mijn doen—gingen we naar bed, zachtjes pratend
voor ’t kind in de andere kamer. We lagen te fluisteren in de gezellige
zwartte der alkoof. Van uit het bed konden we de maan zien schijnen op
’t kleine balkon. Ja, ’t wàs hier ’n geschikte woning—morgen zou ’k ’n
kruier sturen met ’n kleiner werktafeltje en ’n stàànde lamp, ook wat
meer kleeren en ’n boekenhanger met studieboeken zou óók geriefelijk
zijn. Karel hoorden we thuis komen en eerst tegen vieren gingen we
slapen, zij veilig aangehurkt tegen m’n schouder. Ik bleef dommelen,
onlekker liggend in ’n deuk van ’t bed. Wat ’k dee om ’r uit te komen,
’t hielp niet en dan tóch de vreemdigheid van ’t huis, de nachtgeluiden
waaraan ik nog niet gewend was... ’n licht kraken... ’t piepen van ’n
scharnier... ’t woelen van Karel in z’n bed achter ’t houten beschot...
en vóór alles de weelderigheid van het eigen thuis, de warmte van Mol,
die gerust te maffen lag op mijn ingeslapen, prikkelig-tintelenden
arm... Zou ’k ’m wegtrekken of niet?... Nee, niet wegtrekken: ze ligt
zoo gezellig... Maar dan loomer ’t gevoel in den arm en ’n koud snijden
in de vingers... Zachies haar wegduwen... Zoo... en nou ’n koel plekkie
op ’t kussen en tot honderd tellen... Maar dan kwam in gedachten het
werk van den avond en die ééne zin—, lag ’k onrustig te tobben of het
beeld wel zuiver gevoeld was, of ’r geen hàrdere beelden voor toorn
waren... en dof van hoofd probeerde ’k een krachtiger, niet-rhetorisch
te vinden. ’t Ging niet. Wel schokte ’t getob me op tot klare
lichtroode wakkerheid, tot gejaagde onrust, knorde Georgine in d’r
slaap: „... Wat woel je toch, Ka... Leg toch is stil...” Dan was ik ’n
tijdje rustig, dee de oogen open, keek door de witte tulle naar ’t
balkonnetje, tot de oogleden knipten en ’n dompe sluier over me kwam,
die plots knapte als ’n mes dat in tweeën breekt, driftig als ’n ruit
die in stilte aan scherven rinkelt. Wat was ’t? Wàt! De schrik gaf ’n
kramp in de hersens, die te stollen leken in de kou van de beenen pan.
De oogen opengerukt herkenden niets. Het schelle rinkelgeluid hield
aan... hield aan...
„Wat is ’r?”—zei Georgine wakker schrikkend. Ik kon niet antwoorden,
zóó als m’n adem vastgeroest lag in de heeschheid der keel. Maar dan
werden we allebei klaar wakker, begrepen dat ’t heftige schellen en ’t
bonsen met een lat op de buitendeur van een porder moest zijn.
„Wat-é schrik,” zei Georgine benauwd: „Ik droomde net van me man... van
me man... die zag ik zóó voor me... Hè wat-é schrik.”
In elkaars armen, gelukkig dat we de oorzaak wisten, blij elkanders
vleeschwarmte te voelen in ’t weer verkoelde bed, sliepen we nu allebei
in—, ik met ’n wrevelig gesoes over den man met de hooge puntboorden,
den welwillenden-tevreden glimlach, de gladgeplakte haren op ’t
vierkant hoofd... Als die zoo is geluid had... als die is had staan
trekke an de bel met ’n hand in ’n bruine glacé en kamgaren strepen op
’t glacé en twee groote koperen knippen op ’t glacé en ’n witten rand
manchet op ’t bruine glacé... en ’n parelmoeren manchetknoop bij ’t
bruine glacé... en ’t geruig, ’t wollen gepluis van den mouw van z’n
winterjas... en de glacéhand met den witten manchetrand an ’t trekke...
an ’t trekke... an ’t trekke... an de vuile groenbeslagen schel... bij
de geelgore deurpost... o zoo... o zoo... o zoo... Nou maar lèkker
niet... Hè-hè... Lekker niet...
Vroeg wakker gemaakt door Kaatje en Koosie Thomas die op de gang aan ’t
knikkeren waren. Hard snoerden de knikkers over ’t hout.
„Nee jij doe valsch Koosie... Jij staat over de streep.”
„Niewaar, kijk maar naar me voet... Zie je nou wel?”
En ’t vinnig geloop van den knikker, die tegen den drempel plonsde.
Georgien ’t bed uit.
„Allemachtig pàs half negen!”
Op de bloote voeten liep ze naar de deur, draaide den sleutel om.
„Dáág mamma!”
„Dag juf-fòù,” ’t volle-neus-stemmetje van Koosie.
„Dag kindere... Niet zoo’n leven make...”
„Maggik binne komme, mamma?”
„Nee, snoet”
„Maggik nog effen bij u in bed komme?”
„Nee!... Mamma wil alléén legge... Vraag an de juffrouw of ze je an wil
kleeje en of ze je ’n boterhammetje wil geve?”
„Mag ’k op straat spele, mamma?”
„Nee... Stràkkies komt Oome Alf... en maggie met díé spelen, hóór?”
„Ja mamma.”
„Nou niet meer knikkere.”