De hoogste belooning voor mijnen arbeid echter zal ik _dan_ meenen

deelachtig te worden, wanneer het door uwe toejuiching der wereld zal

blijken, dat de door mij betoonde vlijt U ten goede gekomen is,

wanneer de roep van den voorspoed uwer studiën aan deze hoogeschool

meerderen zal verlokken, onder hare leerlingen plaats te nemen.

Slechts als deze mijn wensch in vervulling getreden zal zijn,

zal ik, Edel Groot Achtbare Heeren Curatoren, Edel Achtbare Heeren

Burgemeesters[8], de resultaten van mijn onderwijs, onder uwe

bescherming aan uwe hoogeschool gegeven, met vertrouwen aan uw oordeel

mogen onderwerpen.

[Voetnoot 8: Hiermede worden de vier burgemeesters van Leiden

toegesproken. (Vertaler).]

Dit beschouw ik als het eenige waardige geschenk, waarin uw verheven

geest behagen zal kunnen scheppen.

Op deze wijze hoop ik, zonder eenige valsche vleierij maar met niet

minder oprechtheid van zin U den dank, waartoe ik mij jegens U

verplicht gevoel, metterdaad te toonen!

Gij toch hebt mij, na mij tot het leeraarsambt te hebben geroepen

en gedurende de twee jaren, waarin ik dit ambt bekleedde, mijne

werkzaamheden aandachtig gadegeslagen te hebben, onverwacht door

hoogst vereerende beloften en nieuwe bewijzen uwer mildheid tot nog

meer ijver geprikkeld.

Onder de vele deugden, die ik in U vereer, is er ééne, die volgens het

mij ter oore gekomen oordeel van wijze mannen hooger dan alle andere

gesteld moet worden: het is de strikte onpartijdigheid, waarmede gij

bij het betoonen van uwe gunst te werk gaat.

Eene voortreffelijke en der wetenschappelijke wereld het allermeest

ten goede komende eigenschap noem ik haar; U door haar latende leiden,

hebt gij slechts belooningen voor werkelijke verdiensten over; alle

gunstbejag stuit op haar af.

Wanneer ik dan ook naar uwe hoogheid van karakter de waarde afmeet

van de onderscheiding, welke gij mij verleend hebt, dan voel ik eenen

onweerstaanbaren drang in mij, om, aangevuurd door zulk een eervol

getuigenis, onverwijld op den ingeslagen weg met frisschen moed voort

te gaan!

Met terzijdelating derhalve van allen ijdelen woordenpraal, die bij

eene dankbetuiging het teeken van onoprechtheid pleegt te zijn en

volstrekt geen genade kan vinden in de oogen van wijze mannen, wil

ik U slechts het volgende plechtig beloven!

Ik zal mij steeds bevlijtigen, uwe waardigheid door het betoonen van

den diepsten eerbied en de uiterste dienstwilligheid hoog te houden!

Ik zal zorg dragen, mijnen ijver tot zulk een hoogte op te voeren,

dat het blijke, dat ik uwe gunst op den hoogsten prijs stel en mij

haar door gepaste middelen steeds in meerdere mate wil trachten te

verwerven.

Ik zal er naar streven, de juistheid van het welwillend oordeel, dat

gij over mij geveld hebt, der geheele wereld door mijne daden te doen

blijken!

IK HEB GEZEGD.

* * * * *

* * * *

_Nobilissimis et Splendidissimis Viris_

ACADEMIAE BATAVAE CURATORIBUS,

_Den Edel Groot Achtbaren Heeren_

CURATOREN DER LEIDSCHE UNIVERSITEIT,

D. JACOBO, BARONI WASNARIAE, Toparchae Opdami, Hensbroek, Wochmeer,

Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, etc. Ordinis Equestris

Nobilium Hollandiae Primo Assessori, Illustris Ordinis Equestris

Danici, Cujus insigne Elephas, membro, Equitum Foed. Belgicae Magistro.

Munitissimae Urbis Sylvae Ducis Gubernatori. Ad Potentissimos Poloniae

et Borussiae Reges, ad Serenissimum Electorem Hanoveriensem, et ad

Plures Germaniae Principes, Legato Extraordinario, etc. etc.

Den Heere JAKOB, BARON VAN WASSENAER, heer van Obdam, Hensbroek,

Wochmeer, Spierdijk, Zuydwijk, Kernchem, Twikelo, Lage, enz., oudste

lid van de ridderschap van Holland, ridder in de Deensche koninklijke

orde van den Olifant, kolonel van de ruiterij der Vereenigde

Nederlanden, gouverneur van 's Hertogenbosch, buitengewoon gezant

bij H.H.M.M. de Koningen van Polen en Pruisen, bij Z.H. den Keurvorst

van Hannover en bij onderscheidene Duitsche vorsten, enz. enz.

D. HUBERTO ROSENBOOM, JCto, Toparchae in 's Grevelsregt, Supremae

Batavorum Curiae Praesidi, etc. etc.

Den Heere Mr. HUBERTUS ROSENBOOM, heer van 's Grevelsregt, voorzitter

van den Hoogen Raad der Nederlanden, enz. enz.

D. HERMANNO VAN DEN HONAART, JCto, Viro Consulari in Senatu primae

in Hollandia Dordrechtanorum Urbis, ejusque Voto in Delegatos

Praepotentium Ordinum Hollandiae adscripto, Comiti Aggerum

Alblasserwaarde, etc. etc.

Den Heere Mr. HERMAN VAN DEN HONAART, burgemeester van Dordrecht en

afgevaardigde dezer stad in de Staten van Holland, dijkgraaf van

Alblasserwaarde, enz. enz.

Eorumque collegis,

_Amplissimis, Gravissimisque Viris_,

_Den Edel Achtbaren Heeren_

D. JOHANNI VAN DEN BERG, JCto, Consulum hoc anno Praesidi, et

Amplissimi simul Consessus Curatorum Academiae Actuario,

D. CONRADO RUYSCH, JCto.

D. ABRAHAMO VAN ALPHEN, JCto.

D. PETRO VAN DORP.

Den Heere Mr. JAN VAN DEN BERG, eersten burgemeester van Leiden en

secretaris van het college van Curatoren.

Den Heere Mr. COENRAAD RUYSCH,

Den Heere Mr. ABRAHAM VAN ALPHEN,

Den Heere PIETER VAN DORP,

Hanc Orationem

Ea, qua par est, veneratione

Sacrat

Virtuti, et Nomini Eorum

Devotissimus

draagt deze redevoering

met verschuldigden eerbied op

de hun toegewijde

HERMANNUS BOERHAAVE.

HERMAN BOERHAAVE.

HERMANNI BOERHAAVE

De Usu ratiocinii Mechanici in Medicina

ORATIO.

REDEVOERING

van

HERMAN BOERHAAVE

over

Het nut der Mechanistische Methode in de Geneeskunde.

Qui corporum vires ex mole, figura, et velocitate, vel assumtis, vel

deprehensis observatione, calculo aestimant Geometrico, Mechanici

appellantur. Quos ipse Artis usus, claraque demonstratae veritatis lux,

Sapientibus adeo commendavit, ut aliam omni aeque laudatam seculo, omni

aeque comprobatam suffragio, temere non inveneris. Miram profecto, et

insperato rei eventu humana fere altiorem Sapientiam!

Zij, die de krachten der lichamen naar hun massa, vorm en snelheid,

hetzij na een korter of langer onderzoek vastgesteld of door directe

waarneming gevonden, mathematisch berekenen, worden Mechanisten

genoemd. Dezen hebben zich door de practische resultaten hunner

wetenschap, welke op schitterende wijze de waarheid hunner stellingen

aantoonden, zoozeer de achting der weldenkenden verworven, dat men

niet licht eene andere wetenschap zal vinden, die zich ten allen tijde

in gelijke mate in ieders toejuiching mocht verheugen. Is zij niet een

wonderbaarlijk gewrocht van den menschelijken geest, dat door zijne

alle verwachting te boven gaande uitkomsten aan het bovenmenschelijke

grenst?

Illa enim certis quidem, sed paucis admodum, iisque vulgatis ubique

principiis fundamenta debet subtilissimi cujusque et difficillimi

inventi.

Het zijn immers slechts zeer weinige, algemeen verbreide, zij het dan

ook onbetwistbare, grondbeginselen, op welke haar meest subtiele en

ingewikkelde uitvindingen gebaseerd zijn.

Postulata ideo Scientiae hujus sordent his, qui fronte prima decepti

rebus pretium statuere, vel obscura tantum suspicere solent. Artium

vero severissimae successum quisquis spectat, summo eam ingenii cultu

dignissimam habet, quia fundamento subnixa tam plano Hominum robur longe

supra vires Generis Humani evexit. Ejus quippe effectu nulla datur

immobilis moles, licet moturus minimo valuerit agendi momento.

Dit is dan ook de reden, waarom menschen, die gewoon zijn, de dingen

op het eerste gezicht, dus veelal verkeerd, te beoordeelen, of slechts

eerbied te hebben voor beweringen, die in een duister waas gehuld

zijn, voor de grondstellingen dezer wetenschap minachtend de schouders

ophalen. Wie echter op de resultaten van die strengste aller

wetenschappen let, acht haar de hoogste vereering waardig, omdat zij,

op zoo eenvoudigen grondslag opgebouwd, den mensen krachten verleend

heeft, die zijne eigene verre overtreffen. Aan haar immers hebben wij

het te danken, dat geen massa meer onbewegelijk is, hoe gering ook de

beweegkracht zij, waarover wij beschikken.

Quare utilitatem ejus ommis civilis, omnis agnoscit militaris

disciplina. Hanc aliis artibus necessariam non tantum idonei judices,

sed et vanae gloriae ex ignara laude aucupes imperiti celebrant. In

sola medicina spernitur, vel praetervisa nihil boni praestare vulgo

censetur.

Haar nut wordt dan ook door alle, zoowel burgerlijke als militaire,

wetenschappen erkend. Zóó algemeen wordt zij gevierd als eene voor

andere wetenschappen onmisbare hulpwetenschap, dat zelfs onkundigen,

als naar gewoonte zichzelf willende verheerlijken door het prijzen van

dingen, welke zij niet verstaan, den bevoegden beoordeelaars dien lof

nazeggen. De geneeskundigen alleen versmaden haar of zijn gemeenlijk,

opzettelijk verzuimend haar nader te bestudeeren, van oordeel, dat zij

niets goeds vermag tot stand te brengen.

Quod ipsum tamen adeo ego alienum a rei veritate, adeo calamitosum fundo

medico habeo, ut dicendi argumentum hac mihi hora aliunde non petiverim.

Neque Vestram exspectationem, neque mea me vota fefellisse crediderim,

si plani sermonis perspicuitate evicero, _Mechanices in Medicina usum

esse summum, necessitatem maximam_.

Deze meening is nu echter mijns inziens zóó geheel en al bezijden de

waarheid en tevens zóó verderfelijk voor de geneeskunde, dat ik

gemeend heb, geen beter onderwerp te kunnen uitkiezen, om in dit uur

voor U te behandelen. En ik geloof, dat ik zoowel aan uwe verwachting

als aan mijnen wensch voldaan zal hebben, als ik in eenvoudige taal

duidelijk zal hebben aangetoond, _dat de Mechanica voor de Geneeskunde

van buitengewoon belang en ten eenenmale onontbeerlijk is_.

Quae agitanti ubertas rei verborum apparatum praecidere videtur. Sed

reficit me Vestra in judicando spectata satis sinceritas, quae damnata

dudum exordii demulcentis lenocinia ab loco hoc, qui soli veritati

sacer, relegavit. Rem itaque ipsam libere exordior; maxime quum severa

veritas patientiam quidem et attentionem imploret, gratiam vero repudiet

et odia.

Door de uitgebreidheid van het onderwerp word ik wel genoodzaakt, elke

rhetorische verfraaiing der rede ter zijde te laten. Dat mij dit

echter niet behoeft te verontrusten, daarvoor staat mij de zoo

welbekende strikte eerlijkheid van uw oordeel borg, waarmede gij reeds

lang de vleitaal eener streelende inleiding door uwe afkeuring uit

deze slechts der waarheid gewijde plaats verbannen hebt. Ik ga dus

terstond onbeschroomd tot de behandeling van mijn onderwerp over, daar

hij, die strenge waarheid verkondigt, zich om geenerlei vooroordeel,

het moge hem gunstig of ongunstig zijn, bekommert; slechts geduld en

aandacht vergt hij van zijne hoorders.

Generalem corporis naturam nullos definivisse verius quam Mathematicos

tam clarum habeo, ut litem de fide hujus asserti exspectem plane nullam.

Quae vero singulari cuique, prout in rerum natura existit, corpori

propria sit indoles, ex universali hac Geometrarum idea a priori nullus

rite deduxerit.

Dat de beste algemeene bepaling van het begrip lichaam door de

Wiskundigen gegeven is, acht ik zóó evident, dat ik van niemand eenige

tegenwerping tegen deze bewering verwacht. Den individueelen aard

echter van elk lichaam in het bijzonder, zooals het zich in de natuur

voordoet, zal niemand alleen door logische redeneering uit deze

algemeene definitie der Wiskundigen kunnen afleiden.

Illa enim ex sola collectione communium nata, secluso accurate

omni eo, quod unum ab alio distinguit, justo ratiocinio non dabit

conclusionem unquam, quae peculiarem corporis naturam explicet. Ab hac

ipsa tamen pendet primario vis agendi, qua unum prae alio corpus pollet;

adeoque illa ignorata et haec incognita lateat necesse est.

Daar deze immers voortgesproten is uit de samenvatting van die

eigenschappen, welke alle lichamen gemeen hebben, met zorgvuldige

uitsluiting van alles, wat het eene lichaam van het andere

onderscheidt, zal daaruit met nog zoo logische redeneering geen

enkele gevolgtrekking kunnen afgeleid worden, die over den

bijzonderen aard van eenig lichaam opheldering geeft. En toch hangt

juist van dezen in de eerste plaats de grootere of geringere

werkingskracht der verschillende lichamen af, zoodat de kennis van

deze laatste zonder de kennis van het eerstgenoemde onbestaanbaar is.

Ignota igitur haec detegere quisquis amat, ex ipsa re singulari

conditiones eruere debet, quae procacem aliter ratiocinii libertatem

in indaganda rei indole exacte determinet. Has vero certo nullus novit,

nisi ille, qui sensuum experimento observandos corporis cujusque

effectus perspexit. Habent sc. hi rationem eorum, quae ex natura propria

rei indagandae fluunt; singula ergo horum unam hujus proprietatem,

collecta vero simul integram ejus naturam absolvunt, qua sensibus patet.

Wie derhalve tot de kennis hiervan wenscht te geraken, moet uit het te

bestudeeren voorwerp zelf de bijzondere voorwaarden putten, die zijn

anders onbeteugelde vrijheid van redeneering bij het opsporen van den

eigenaardigen aanleg van het gegeven object nauwkeurig omgrenzen. Deze

voorwaarden echter kunnen slechts door hem gekend worden, die de met

de zintuigen waarneembare werkingen van elk lichaam in het bijzonder

heeft nagegaan. Deze werkingen zijn namelijk het zichtbaar gevolg van

de bijzondere hoedanigheden, welke uit den eigen aard der te

onderzoeken zaak voortkomen; elke nu van deze afzonderlijk maakt ééne

eigenaardigheid dezer zaak uit, en alle te zamen genomen maken zij

haar geheele wezen uit, voor zooverre dat voor de zintuigen

waarneembaar is.

Quicunque autem ex his ipsis liquidissime prius perspectis, more dein

Geometrico ea demonstrat, quae clara et individua sequela inde elici

possunt, plura longe deteget, quam sensuum auxilium revelasset unquam.

Neque tamen ipsa haec posteriora vera minus prioribus, neque minus

certa, neque minus apta usui erunt.

Gaat men nu een stap verder door uit deze duidelijk waargenomen feiten

langs wiskundigen weg alles, wat daaruit klaarblijkelijk onafwijsbaar

voortvloeit, af te leiden, dan zal men veel meer ontdekken, dan met

behulp der zintuigen alleen ooit het geval geweest ware. En toch

zullen de op laatstgenoemde wijze verkregen uitkomsten niet minder

waar, noch minder bruikbaar zijn dan de vroeger verkregene.

Praeter binas hasce, tertia non datur, quae peculiarem corporeae

cujusdam machinae constructionem reseret, clavis.

Buiten deze twee is er geen derde methode, welke de bijzondere

inrichting van het een of andere mechanisme kan helpen opsporen.

Quarum utraque id evincit unum, humanum corpus idem esse natura toti,

quam contemplamur, Universitati rerum.

Beide methoden nu leiden onveranderlijk tot dit resultaat, dat het

menschelijk lichaam in aanleg volkomen overeenstemt met de geheele ons

omringende natuur.

Sensu teste et ratione judice nil habet praeter caetera eximii, si

seria speculatione principia ejus lustraveris, nisi quod ex pluribus,

diversisque machinis influxu humorum agitatis illud possidemus

conflatum.

Zoowel zinnelijke waarneming als verstandelijk overleg leeren ons, dat

het menschelijk lichaam voor hem, die zijne samenstellende deelen met

wetenschappelijken ernst bestudeert, geen enkele afwijking vertoont in

vergelijking met andere lichamen, tenzij dan dat het samengesteld is

uit verscheidene mechanismen van verschillenden vorm, die door er

doorheen stroomende vochten in beweging gebracht worden.

Conflatum vero hac conditione, ut adunatarum partium effectus sit

plures producere, eosque varios valde, motus, qui mechanica plane

evidentia ex mole, figura, firmitate et nexu partium inter se, fluunt.

Quod confirmatur satis, quoniam solo mechanico motu destructa harum

partium una, vel soluta tantum vinculi tenacitate, frustra eundem

deinceps effectum speramus. Humanum ergo verum est, quale Mechanici

speculantur, corpus; habet adeoque id omne, quod clara hujus specie

exhibetur.

Ons lichaam is nu zoo ingericht, dat zijne vereenigde deelen het

vermogen bezitten, verscheidene en wel zeer verschillende bewegingen

voort te brengen, welke, geheel overeenkomstig de regelen der

mechanica, bepaald worden door de massa, den vorm, de vastheid en de

onderlinge verbinding der deelen. Dit blijkt reeds terstond hieruit,

dat, wanneer een dezer deelen louter ten gevolge der mechanische

beweging vernield of ook slechts de stevigheid der verbinding

verminderd is, de vroeger waargenomen werking stellig uitblijft. Het

menschelijk lichaam is dus een zuiver mechanisch lichaam en vertoont

er derhalve alle eigenschappen van.

Eadem igitur lege, qua mathematicum illud et humana haec machina

explicabilis arti geometricae erit; si modo pro datis assumuntur, non

quas arbitrium mentis ex infinita possibilium varietate pro lubidine

finxit, sed sensuum usu probe compertae dotes ejus peculiares.

Op dezelfde wijze dus als de door de mathematici bestudeerde lichamen

zal ook het menschelijk mechanisme een object van wiskundige

behandeling kunnen zijn, indien men slechts zijne bijzondere door

zinnelijke waarneming behoorlijk vastgestelde eigenschappen als vaste

gegevens aan het onderzoek ten grondslag legt, niet echter zulke

eigenschappen, die geheel willekeurig er aan toegekend en uit eene

oneindige verscheidenheid van mogelijkheden zonder eenigen positieven

grond uitgekozen zijn.

Quarum plurimas anatome vario equidem detexit artificio, observando

majorum, quibus componimur, partium definitam structuram. Plura in

minoribus pulcherrimum detexit microscopii inventum, similem his,

majoribusque naturam demonstrans.

Zeer vele eigenaardigheden nu van het menschelijk lichaam heeft de

ontleedkunde langs verschillende wegen aan het licht gebracht, door

den bepaalden bouw van de grootere deelen, welke het samenstellen, na

te gaan. De kennis van verscheidene eigenschappen der kleinere deelen

hebben wij te danken aan de schoone uitvinding van het microscoop,

hetwelk aantoonde, dat de grootere en de kleinere deelen in aanleg

overeenkomen.

Sed et liquidorum scientia revelavit multa, quae humorum per vasa

nostra circumactorum ingenium, impetum, directionemque determinant.

Quare, aut ex omnibus his nihil lege scientiae deduci poterit unquam,

aut soli mechanicae in cognoscendo, adeoque et in gubernando corpore

humano palma tribuenda erit.

Doch ook de leer der vloeistoffen heeft ons vele factoren doen

kennen, door welke de geaardheid, de stuwkracht en de richting der

door onze vaten rondgevoerde vochten bepaald worden. Derhalve zal

aan geen andere wetenschap dan aan de werktuigkunde de voorrang

moeten worden toegekend bij het onder zoeken, ja zelfs ook bij het

naar onzen wil besturen van het menschelijk lichaam, tenzij men

misschien mocht willen aannemen, dat uit de genoemde dingen langs

wetenschappelijken weg niets valt af te leiden.

Nihil veri, nihil certi, nihil quod ex usu sit, ex tot manifestis

observatis deduci posse, sive ea quis rite expenderit singula, sive

emendatissimo ratiocinio inter se comparaverit universa, quis credet,

quis asseret?

Doch wie zal gelooven, wie beweren, dat uit zoovele duidelijk

waargenomen feiten, hetzij men elk afzonderlijk behoorlijk overweegt

of ze alle te zamen op de meest oordeelkundige wijze onderling met

elkaar in verband brengt, niets waars, niets zekers, niets bruikbaars

kan worden afgeleid?

Languentis certe animi tardum nimis torporem, et ingratum plane

pulcherrimorum, quae possidemus, inventorum neglectum, qui sic loquitur,

palam facit.

Hij, die zoo spreekt, openbaart hierdoor slechts een al te groote

traagheid en sufheid van geest en een allerondankbaarste

geringschatting voor de schoonste uitvindingen, welke wij bezitten.

Desidiosi est nihil agendo desperare semper, vel elevare verbis, facere

quae forte solus non possit.

Het is immers een eigenschap van den arbeidschuwe, uit wanhoop aan den

goeden uitslag niets te durven ondernemen of datgene als onbereikbaar

voor te stellen, waartoe misschien _zijne_ krachten alleen te kort

schieten.

Quod si ratiocinandi lege ignota quidem inde illustrari posse concedens

quis, mechanicis tamen solis id muneris denegat, aliam det quaeso, quae

corporea rectius excutiat, artem.

Mocht er echter iemand gevonden worden, die wel toegeeft, dat uit

genoemde feiten langs den weg der redeneering onbekende zaken kunnen

opgehelderd worden, doch slechts den werktuigkundigen het recht

hiertoe ontzegt, laat hij ons dan buiten de mechanica eene andere

wetenschap aanwijzen, die ons beter in staat stelt, de eigenschappen

der lichamen uit te vorschen.

Id qui aggreditur, necessarium est ut statuat rerum naturam optime

explicari per ea principia, quae a quaesita rei natura maxime aliena

sunt, et per eos, qui ab una omni Bono probata veri indagandi methodo

longissime aberrant. Eo autem ipso tot, tantisque se intricat absurdis,

ut, nulla ejus ratione habita, propositum demonstratum putem.

Wie dat poogt te doen, moet zich in het hoofd gezet hebben,

dat de aard der dingen het best kan worden opgespoord door van zulke

grondbeginselen uit te gaan, die daar het meest tegen indruischen,

en door zoodanige personen, die het sterkst afwijken van de

onderzoekingsmethode, die door alle weldenkenden als de eenige, welke

ware resultaten oplevert, erkend wordt. Alleen reeds daardoor echter

zou hij zich in zulk een warnet van ongerijmdheden verstrikken, dat

ik, zonder verder, rekening met hem te houden, mijne stelling bewezen

mag achten.

Sed jejuna nimis audit haec convincendi ratio, cujusque remotior ab

usu communi vis paucos in assensum cogat! Id verum quin sit, si ex

plurimorum captu aestimatur demonstrationis pondus, nullus dubito.

Maar deze bewijsvoering klinkt wat al te nuchter en moet wel, al te

zeer afwijkend van den gebruikelijken betoogtrant, weinigen tot

instemming nopen! En dat is zeer zeker het geval, indien men de kracht

van een betoog afmeet naar het bevattingsvermogen van de meerderheid

der menschen.

Quidni ergo, vel horum gratia, in liquidissima luce locatam rem ponamus

ob oculos; et in ea quidem, qua se omnes pulchre uti jactant, quibus

mederi cura est.

Waarom zou ik dan niet, al was het slechts om dezen te voldoen, U de

zaak in het helderste licht voor oogen stellen, van welk licht alle

beoefenaren der geneeskunst, als men hen gelooven mag, een ruim

gebruik maken.

Quae aggressurus vel invitus sane cogor ex historia structurae corporis

allegare ea, quae Rhetorum locis insueta plane et inaudita, puritati

defaecatae Latinitatis peregrina et barbara, intellectui tamen ipsius

rei praeprimis necessaria habentur.

Terwijl ik nu daartoe overga, zie ik mij wel, hoezeer ook tegen mijnen

zin, genoodzaakt, het een en ander uit de anatomie ter sprake te

brengen, dat, daar een dergelijk onderwerp nooit door rhetorische

schrijvers behandeld is, in minder zuiver en gekuischt Latijn moet

worden weergegeven, dat ik echter voor het goed begrip van de zaak

zelve meen niet achterwege te mogen laten.

Maximam corporis nostri partem arteriis contextam, harumque sustentatam

beneficio vigere, clarius est, quam demonstratione ut egeat. Has canales

esse cruorem qui castigant, inque suo dirigunt itinere, quorum maxima

circa cor sensim gracilescit cavitas, donec prae tenuitate aciem visus

fugiat, vel laniones norunt.

Dat het grootste gedeelte van ons lichaam met slagaderen doorweven is

en door deze in stand gehouden wordt, is te duidelijk, om betoog te

behoeven. Dat dit de kanalen zijn, die het bloed inhouden en in zijnen

loop richten, en dat hun omvang, in den omtrek van het hart het

grootst, langzamerhand afneemt en ten slotte zóó klein wordt, dat hij

niet meer voor het bloote oog waarneembaar is, dat weten zelfs de

slagers.

Neque minus vulgatum, a corde exortum unum horum truncum explicari

in ramos laterales, figura trunci similes, eadem ratione et divisos

rursus et decrescentes, hoc tamen artificio, ut truncus recta pergens,

in loco divisionis majori plerunque capacitate aperiatur quam rami, qui

ad latera trivii hujus porriguntur.

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 17 / 34 段