Maar de experimenten, die over eenigen tyt bygebragt syn, dat het Bloet

tot de contractie der Spieren nootwendig is, die syn van gansch geen

gewight, alsoo het principaalste argument daar van is de toebinding van

de groote Slagader, volgens de manier van de Heer STENONIS, dat daar

niet te pas komt, als maar een Argument synde, dat niet als in syn

eerste aansien ons sou kunnen overreden. Want soo men wel aanmerkt, dat

de Wervelbeenen, verscheyde Senuen, en selfs het Ruggemerg, die alle in

de Bant van de Heer STENONIS begreepen worden, op die tyt te samen

werden gedrukt en geforceert; soo volgt daar van selve uyt, dat daar

niets determinatifs uyt kan beslooten worden. En veel minder nog uyt het

experiment, waar door het Bloet uyt de Spieren, door het indryven van

water, gespuyt wort, dat t'eenemaal de bewegende Vesels der Spieren

kwetst: en daarom soo is dit rouwe experiment niet als voor een

onbedagte redencaveling te agten, die geen fondament heeft, als maar om

het eerste experiment van de Heer STENONIS te bevestigen. Daarom moet

men gewigtiger argumenten hebben, om een saak van gewigt te bewysen:

gelyk men dat omtrent de Slagaders in de Dye, en in die van de

Kikvorsch, toe te binden, sou kunnen experimenteeren.

De Heer STENO is seer voorsigtigh geweest, in dat hy sig heeft

onthouden, van de manier te determineren, op welke dat de beweeging der

Spieren geschiede; en daarom heeft hy het ook voor onseker geoordeelt,

dat deselve sou geschieden door een invloejing van een nieuwe materie.

Maar naa dat ik hem myne voorgestelde experimenten, nu eenige jaaren

geleeden synde, getoont had, soo heeft hy my determinatief gesegt, dat

hy nu dorst staande houden, dat 'er in de contractie der Spieren geen

nieuwe materie ingevoert wiert; soo dat wy in dit gewigtig point

t'eenemaal accordeeren.

En ik kan nu ook makkelyk uyt de gewigtigheid van myne voorgestelde

experimenten staande houden, dat een spier in syn contractie niet

opblaast of opswelt, door de gesupposeerde invloejende en opbruisschende

dierlyke geesten; maar dat een Spier in syn contractie veel eer

ontswelt, of om myne gedagten beter uyt te drukken, dat hij minder

plaats beslaat.

En dit blykt meer als kennelyk, wanneer het Hart met lugt, in plaats van

met bloet, gevult is, of ook dat het ongevult en leeg is. Alwaar dan

omtrent het eerste verscheyde Zaaken in aanmerking komen, die alle in de

contractie der Spieren kunnen plaats hebben. Als 1. dat de lugt inwendig

in het Hert gecondenseert of in een geperst wort. Ten 2. dat dan de lugt

rontsom het Hert gedilateert wort. Ten 3. dat de Vesels van het Hert,

in die actie, dan seer vast komen in een te sluyten, haare holligheeden

tusschen beyden toegedrukt te worden; en soo daar eenige lugt tusschen

beyden is, dat deselve daar uyt komt bewoogen te worden. Het welk alles

als dan voornamelyk blykt, wanneer het Hert als voor een ogenblik in syn

contractie ophoud. Wanneer ten 4. de inwendige lugt in het Hert weer

verdunt wort. Ten 5. de uytwendige verdikt, of van syn plaats gestooten.

En ten 6. dat de Vesels van het Hert weer uytgerekt of gedilateert

worden.

Maar alsoo men my kan voorwerpen, dat dit tegennatuurlyk is, soo kan ik

daar op antwoorden, dat ik ook somtyts wel lugt in de Herten der

Menschen, die even gesturven waren, heb aangemerkt. Maar alsoo dit meede

niet ordinaar is, soo moet men in de plaats van de lugt, die in het Hert

van my gestelt wort, het Bloet neemen, dat in de contractie van het Hert

aldaar geschud, verdikt, en uytgestooten wort, als ook het Bloet, dat in

de Kroonaders van het Hert selfs is, en dat aldaar uytgedrukt wort;

waarom het Hert ook op die tyt merkelyk bleeker wort. Ten anderen, als

het Hert soo in syn selven inkrimpt, soo heeft de verdunning van de

uytwendige lugt meede syn plaats, en eyndelyk soo sluyten de beweegende

Vesels van het Hert dan meede vast in malkanderen, als dadelyk van het

opgeblase Hert gesegt is: en welkers contrarie men ook hier in de

volgende dilatatie van het Hert moet considereeren.

Uyt alle het welke dan blykt, dat daar vry meerder saaken in de

contractien der Spieren moeten geconsidereert worden, als tot nog toe

gedaan is. Synde voor al wel in aanmerking te neemen, hoe sterk dat de

bewegende Vesels der Spieren in haare contractie in een krimpen, soo dat

ik se wel bykans driemaal dikker in sommige Dieren op die tyt heb sien

worden, als wanneer sy in haare geduurige en naturelyke contractie

waren. Waar door dan alle haare inhoud, die in de vaten, dewelke daar

door liepen, ingevloeit was, met kragt uytgeperst wierd. Waarom ook een

gecontraheerde Spier in een bloetryk Dier veel bleeker is, als een

Spier, die niet gecontraheert is, als ook van de Heer STENONIS is

aangemerkt.

En soo is dit ook de reeden, dat de gedetermineerde, of de gereitereerde

naturelyke beweegingen der Spieren, een kennelyke warmte aan het lichaam

veroorsaaken, door dien sy het Bloet door over snelle contractien uyt

haar stootende, de gansche massa bloeds soo veel te veerdiger beweeging

en circulatie toebrengen. Het welk de Chirurgyns, alleen door haar

ervarentheid, wel weten te pas te brengen in het Aderlaaten; wanneer sy

ymant een stok of iets diergelyks in de hant geeven, om die met de hant

omdrayende, en de Spieren beweegende, daar door het Bloet snelder uyt de

Aderen te doen loopen. Dat ook de imaginatie selfs doen kan, die van

gelyken onse Spieren op verscheyde wysen determineert, naa dat men sig

droevige of vermakelyke objecten voorstelt, die het Hert sluyten of

samen trekken en dilateeren.

En ik heb selfs een jongen te Leyden in het Gasthuys gekent, van wiens

voeten het gegangreneerde vel en vleesch effen gesepareert waaren,

dewelke, als het hem beliefde, een groote quantiteyt Bloets door de ope

wonde, alleen door de beweeging syner Spieren, kon uytdrukken; sonder

dat hy syn aassem inhield. Gelyk dat ook in de beweegingen van veele

Dieren te sien is, welkers Bloet snelder uyt de wonde loopt, als sy haar

roeren, dan als sy stil leggen; hoewel sy selfs geen Longen hebben.

En dit gaat soo verre, dat selfs de vermoeytheid hier in bestaat, soo

dat de Spieren door het overvloedig Bloet geforceert, en onbekwaam tot

haar contractie worden: dat ik de eerstemaal heb geobserveert, wanneer

ik glas aan de lamp kwam te blasen, waar door myne Wangspieren soo dik

van het Bloet opswollen, dat ik ten laatsten geen kragt meer hadt, om

die te contraheeren, en de lugt daar door uyt de Mont te blaasen.

Het is wonderbaarlyk in de Insecten, dewelke des Winters, alsoo haar

bloet en vogtigheid als in de Vaten stolt en als bevriest, dan ook alle

de beweegingen haarer Spieren verliesen, soo dat haare leeden en voeten

in dat postuur blyven staan, als men se, sonder haar te forceeren, dan

uytwaarts buygt: en men siet, dat dese beweeging haar niet eerder weder

gegeven wort, voor dat de Lugt gematigder is; of dat men se by het vuur

brengt, daar een kleene warmte haar doet als herleeven, beweegen,

roeren, jaa lopen en vliegen: tot dat haar bloet en vogten weer een

weynig daar naa verdikt worden, dat haar onbeweegelyk maakt op een

nieuw. In dat vermaarde Kruydje roer my niet heb ik ook aangemerkt, dat

het in de Herfstmaanden sig vry minder beweegt, als in de Somertyt.

Maar mogt ymand vraagen, wat veroorsaakt nu eygentlyk de naturelyke

gedetermineerde, of ook de kunstige en uytwendige irritatie der Senuen

binnen in de Spier? Alsoo men daar niet van kan seggen, dat daar een

sensible materie, als de Senuw geraakt wort, tot de Spier over passeert,

of daar plaatselyk in beweegt wort; maar dat de Spier ter contrarie een

materie uyt sig stoot, en een minder plaats beslaat.

Sekerlyk dat is een harde en swaare questie, en mogelyk niet te

solveren, als uyt de gansche kennis van de waaragtige structuur der

Spier selve, die my nog onbekent is, en seer verre te soeken. Daarom sal

ik hier handelen, gelyk men met het gebruyk van het Oog gedaan heeft,

welkers manier, hoe het gesigt geschiet, men sonder het Oog waarlyk te

kennen, heeft aangeweesen. Daarom soo het my geoorloft was door een

rouwe gelykenis de saak te verklaren, ik sou seggen, dat het in dese

gelegentheid ging, gelyk met ymant, die seer sagt de Saadkokers van

Kruidje Roer my niet van Dodoneus, of de andere Balsamita van Fabius

Columna kwam aan te raaken, het welk door twee a drie senuw en

kruidagtige Veselkens gedilateert of geëxtendeert synde, dan door die

momentelyke irritatie de kragt verkrygt, om sig seer schielyk en geswint

te contraheeren. En in der daat, indien dese Veselkens die haar soo

schielyk contraheeren, self eer haar saat ryp is, niet in een kronkelden

en weg sprongen, maar datse, gelyk het in een gekrompe leder, haar weer

lieten dilateeren, en op een nieuw door irritatie te samen trokken; men

sou daar omtrent een seer raar voorbeelt van een Spier vinden, wiens

voorname actie in een contractie bestaat, die op de dilatatie volgt:

waar door dat de contractie, en niet de dilatatie, het eygentlyke

officie der Spieren is: dewelke haar geduurig, selfs naa de doot der

Dieren, tragten te contraheeren, jaa ik heb ondervonden, dat een Spier,

die ik eenige jaaren in een Balsem bewaart had, sig nog contraheerde,

wanneer ik hem naderhant in de selve Balsem opkookte.

Maar dese gelykenissen daar latende; soo staat dit experiment

onweersprekelyk vast, dat als de Senuw van een Spier geroert wort, dat

dan ook dadelyk de Spier geroert wort. En alsoo ik heb aangewesen, dat

de Spier in syn contractie minder plaats beslaat, als in syn dilatatie,

soo volgt daar ook onweerspreekelyk uyt, dat daar dan geen nieuwe

opblaasende materie invloeyt; en dat het een onbevattelyk subtielder

materie moet syn, die op dat ogenblik, sulk een wonderbarelyke beweeging

daar in veroorsaakt. Sonder dat men seggen kan, datse yets anders in de

Spier doet, als de wint, een vinger, een stoksken, of een borstel, tot

de samentrekkende Saadkoker van het Kruidje roer my niet doet, om haare

Veselkens te doen contraheeren.

Waar uyt ik dan oordeel te volgen, als boven alreede gesegt is, dat als

een Senuw geduurig geirriteert wort, dat dan ook de Spier in een

geduurige contractie, of ten minsten in een gestadige tragting en

renttentie tot deselve sou weesen. Als ik voor deesen in myn Tractaat

van de Ademhaaling heb aangeweesen. En ik nu terstont wat klaarder sal

openen, door een manier voor te stellen, waar door men de geduurige

beweegingen der Spieren eenigsins kan considereeren.

Maar eer ik daar toe kom, en te gelyk dit discours eyndige, soo is het

seer nodig aan te merken en te sien, op wat manier de Spieren gestelt

syn, eer sy haar ooit beweegt hebben. Het welk voornamelyk omtrent de

Insecten te bespeuren is, en omtrent de begintselen der Spieren in

grooter Dieren, alwaar men dan siet, datse meesten tyt in een gedrongen

syn, en van couleur wit en vliesagtig; synde heel in haar begintsel als

uyt geleyagtige vogtigheeden bestaande. In de Insecten is dit seer

aanmerkelyk, datse in die tyt, wanneer het Dier een andere gestalte sal

aanneemen, als onsigtbaar syn, en in een geringe tyt seer toenemen en

aangroeyen, dat ook gansche leedematen doen, als voornamelyk omtrent de

Beenen en haare Spieren geschiet, die men verwonderlyk siet aangroeyen,

en door ingedronge vogtigheeden of bloet uytgeset te worden, even als

met een opspanning van overtollige vogtigheeden. Waar door dan die

deelen met 'er tyt, als tegens haar natuur, uytgerekt en als een Boog

gespannen worden: dat voornamelyk in de Insecten plaats heeft, welkers

Spieren ook veel langer beweegen, als die van eenige andere Dieren,

selfs naa dat het Hooft al eenige dagen van het lichaam gesneeden is

geweest. En men siet ook, dat als se uyt haare afgelegde huit breeken,

dat dan ook haare lichamen seer schielyk groot en uytgespannen worden.

Dat ook naa proportie stant grypt in de Dieren, die een heter bloet

hebben. En het geen te weeg brengt, dat haare Spieren sig soo veel te

sterker dan weer tragten te contraheeren, en in sig selven te krimpen.

Ook siet men klaarlyk, dat als de Spieren haar nu beginnen te beweegen,

datse door het bloet, dat zig inwendig indringt, en haar voor een

gedeelte dilateert, veel roder worden, en datse door de Bloetvaten, die

haar door loopen, en haar bewegende Vesels uytrekken, meerder werden

uytgeset.

Waar uyt blykt, dat in alle de contractien der Spieren een dilatatie

moet voorgaan, die ik driesins stelle, als eerstelyk, in natuurelyke en

vrywillige samentrekkingen der Spieren door het ingedronge Bloet, dat

haar voor een gedeelte dilateert. Ten tweeden in naturelyke

samentrekkingen door de inhoud, die de beweegende Vesels uytrekt en

dilateert, waar door haar nog meerder Bloet ingevoert wort, en sy tot

haar contractie gedisponeert worden. Ten derden in vrywillige

samentrekkingen, door de determinatie van de tegenoverstaande Spieren,

die omtrent de tegengestelde Spieren het selve effect doen, dat de

inhoud doet omtrent de Spieren, die haar naturelyk beweegen.

Maar wat nu die subtiele materie, die door de Zenuen in de Spieren

geduurig invloeit, tot haare contractien doet; en of sy de bewegende

Vesels aanstoot, en eenige Bloetvaten, die van de Senuen in de Spier

omwonden worden, opent; of wel, datse haar met het Bloet vermengende,

dat schielyk doet opwellen, opbruisschen, en de eerste beweeging geeft,

om weer uyt de Spieren gedreeven te worden, soo dat daar in een ogenblik

de contractie van de bewegende Vesels op volgt; van dat alles kan ik

niets determineren. Soo dat ik het selve, om verder naa te denken, daar

late.

Maar wat de vordere saaken van my voorgestelt aangaat, daar omtrent meen

ik met een goet fondament te kunnen vast stellen. 1. Dat alle Spieren

natuurelyk, dat is eer sy haar actie oit gedaan hebben, gecontraheert

syn. Ten 2. dat haare contractie voor een gedeelte cesseert en als

ophout, door de vogten van bloet of diergelyke, die tot haar door de

Vaten inwendig ingevoert worden. Waar door sy dan, als door een eerste

oorsaak, eenigermaten uytgespannen of gedilateert worden, blyvende nog

in haar contractie: maar waar door evenwel de omringende lugt naa die

proportie uyt syn plaats gestooten en op een gedrongen word, naa de

welke sy geëxpandeert syn. Ten 3. dat tot het volkomen uytspannen of

dilateren der Spieren, als een tweede oorsaak seer veel doet, de inhoud

der Ingewanden, bollvgheden, en pypkens des lichaams, daar de bewegende

vesels om heen loopen, dat in de naturelyke bewegingen plaats heeft:

en dan ook bysonderlyk de contrarie determinatie der tegenoverstaande

Spieren, dat in de vrywillige beweegingen stant grypt; alsoo de

beweegende vesels door beyde dese oorsaaken, en in beyde dese

verschillig geplaatste Spieren, merkelyk uytgespannen worden, en de

Bloetvaten derselve gedisponeert, om nog een veel groter quantiteyt

bloets in haar te ontfangen, als ook om haar weer te sterker te

contraheeren: synde nu volkomen gedilateert. En dat ten 4. soo veel te

meer, alsoo de weg gestooten en verdikte lugt, die geduurig tot syn

dilatatie door het evenwigt der lugt bewoogen word, de Spieren 900 veel

meerder komt aan te persen, om haar eerste en natuurelyke contractien,

daar sy van selver ook nu toe bewoogen worden, weer te herneemen. Waar

by dan komende ten 5. de geduurige en natuurelyke irritatien, die door

de Senuwen in de bewegende Vesels der Spieren selfs verwekt worden, en

waar door se tot haare contractien gestaadig door het circulerende bloet

aangeport worden, dat het begin des Ruggemergs en alle de Senuen

onophoudelyk door de Slagaderen word ingeperst; of ook door de

uytwendige objecten, die het bloet verscheydelyk komen te beweegen, aan

het begin des Mergs en de Senuen word gecommuniceert: Soo worden ten 6.

de Spieren nootsakelyk gedisponeert en als gedwongen, om haar eerste en

natuurelyke contractie weer te herneemen, het sy dat die natuurlyk of

vrywillig syn. Waar uyt ik dan ten 7. als een nootsakelyk gevolg kom

vast te stellen, dat in alle weerkeerige contractien der Spieren, als

dan haare inhoud weer uyt de selve komt uytgeperst te worden: alsoo de

uytgerekte bewegende vesels dan weer tot malkanderen koomen in te

dringen, en digt in een te sluyten; even al eens gelyk sy voor haare

dilatatien waaren. Waarom sy dan nootsakelyk een kleender plaats

beslaan, niettegenstaande men siet, dat daar eenige zwellingen in de

Spieren komen te ontstaan, dewelke alleen uyt die in een krimping haarer

bewegende vesels haar oorspronk neemen: hoewel dat men de oorsaak daar

van tot nog toe aan een opblaasing toegeschreeven heeft, die men

eygentlyk een ontswelling moest noemen. Waar uyt ik dan ten 8. vaststel,

dat alle de actiën der Spieren in haare contractien bestaan, dat is in

de wederkeering tot die figuur en dispositie, die sy voor haar dilatatie

hadden. Waar door dan als de Spieren op deselve wys, of ook door haar

inhoud, of de tegenoverstaande Spieren, weer gedilateert, of tot de

tegenoverstaande syde gedetermineert worden, sy haare contractien

geduurig maaken: het sy in natuurelyke of in vrywillige bewegingen.

En hoewel nogtans dat dit in het generaal, en bysonderlyk syn stant

grypt omtrent de natuurelyke beweegingen der Spieren, soo siet men

egter, dat het ook in de vrywillige beweegingen derselve syn plaats

heeft, en dat niet tegenstaande, hoewel de toestemming der wil in de

vrywillige bewegingen der Spieren vereyst word. Door reden, dat men

in alle vrywillige beweegingen der Spieren siet, dat daar altyt een

inwendige of uytwendige oorsaak en object nodig is, dat de contractie

der tegenoverstaande Spieren tot de tegenoverstaande syde moet

determineeren.

En alsoo valt het dan ligt te begrijpen, door dien alle Spieren in de

staat van een geduurige contractie syn, dat daar niet als de minste

determinatie maar nodig is, het sy uyt wat oorsaak dat die spruyt, om

haar het lichaam te doen beweegen, te verplaatsen, voort te gaan, en op

andere oneyndige manieren meer te doen roeren.

Dat niet alleen omtrent de natuurelyke beweegingen seer kennelyk is, als

in de contractie van de Oogappel blykt, die haar door haare Spieren op

het selve ogenblik sluyt en dilateert, naa dat het Oog meer of minder

van het ligt geirriteert word; gelyk men dat ook siet omtrent de

beweegende vesels der Darmen, die naa proportie haar geduurig

contraheeren en weer dilateeren, na dat de inhoud daar minder of meerder

in is, en op welke tyt de eene beweeging de ander aldaar vervangt, als

de baaren der zee doen, die malkanderen volgen:

Maar selfs blykt het ook, dat 'er oneyndigmaal een naturelyke contractie

plaats heeft in de Spieren, die wy vrywillig seggen te beweegen: als in

het gaan, staan, het beweegen onser Armen, enz. blykt: die wy duysent en

duysentmaal roeren, sonder dat de wil daar eenige attentie toe heeft.

En op die wys sullen wy door een uytwendig object, als we met een ander

wandelen, veelmaal ymand groeten, om dat ons geselschap syn hoet

afneemt, of dat ons dat uytwendig object beweegt; sonder dat wy weeten,

wie wy gegroet hebben, of selfs dat wy die actie hebben gedaan. Soo dat

het schynt, dat onse contractien der Spieren al soo natuurelyk syn, en

geduurig door de eene oorsaak, die daar heeft doen beweegen, tot een

tweede en derde beweeging gebragt worden: als dat onse memorie

plaatselyk is, en door het eene subject op het andere komt te denken;

dat tot het oneyndige voortgaat.

Op de selve wys, als we by het vuur sitten, soo retireren wy ons, door

de force van het irriterende object, daar van daan, en wy herstellen

onse leedematen, door veele beweegingen, sonder de minste attentie van

onse wil; soo dat het schynt, dat wy ons selfs ook niet vrywillig

beweegen, ten sy de wil selfs syn object heeft, en dat alsoo haare

beweeging een tweede veroorsaakt. Want de vlam te groot synde soo

sluyten wy onse oogleeden, of wy verdrayen ons hooft, en wy maken

alderhande andere soorten van beweegingen, na dat de objecten ons daar

toe irriteeren.

Dat alles voor een genoegsaam bewys kan dienen, dat selfs onse Spieren,

waar door wy ons vrywillig beweegen, ook altyt natuurelyk bewoogen

worden, en dat daar niet als een inwendig of uytwendig beginsel,

oorsaak, object enz. noodig is, om die te determineeren; en selfs dat

dit beginsel tot de determinatie eerstelyk in ons moet voorgaan, eer wy

ons vrywillig beweegen. Al was het maar een invallende of verwekte

gedagte, dat selfs soo ver gaat, dat wy des nagts, door een simpele

droom of magische phantasy, ons roeren, beweegen, uyt het bed loopen,

schreeuwen en te roepen koomen; dat dan alles nergens door geschiet, als

dat wy daar door onse Spieren, die alreede in actie syn, maar contrarie

determineeren. En selfs observeert men dese dingen omtrent de

zelvswillige of natuurelyke beweegingen; hoewel die seer weynig als in

seekere opsigten van ons kunnen gedetermineert worden: want gelyk in het

begin gesegt is, onse wil heeft seer weynig magt om die Spieren te

determineeren, daar geen tegenoverstaande Spieren syn: en indien ons die

niet gegeven waren; wy souden in der waarheid de onroerlyke Planten, en

de Bomen, die haar niet beweegen, gelyk syn.

Het geen ons dan alles klaarlyk leert, dat daar oneyndige saken in de

contractien der Spieren te samen lopen, en dat de gansche machine van

ons lichaam, en de elementen die ons omringen, dienen gekent te worden,

sal men een eenige Spier en syn actie regt expliceeren. En seker de

lugt, het ingenomen Voetsel, het Bloet, de Herssenen, het Merg, de

Senuwen, en die subtiele Materie, die in een ogenblik tot de beweegende

vesels overgevoert word, moeten hier alle in geconsidereert worden, en

nog meerder; sal men eyndelyk eens tot de klaare waarheid komen. Wat my

belangt, ik beken, dat ik yets getragt heb om te seggen, maar ik weet

ook, dat ik gehandelt heb, als of ik de heldere stralen van de Son met

een houte kool heb willen afmaalen; soo dat in myn Verhandeling geen

andere glans is, als die sy verkrygen sal, door het heldere ligt der

waarheid, dat deselve daar in te syner tyt, sal openbaaren. Het geen als

dan weesen sal, soo wanneer alle dese dingen door gelukkiger verstanden

ontdekt syn. En dat sal gewisselyk gebeuren, indien wy de natuur tot

GODS eer, en niet tot onse eyge en verwaande glorie ondersoeken. En als

dan sal men ook soo veel vergenoegen en eygen behaagen in die brandende

lust van schryven niet vinden: alsoo het werken tot GODS eer een bedryf

is, dat tegens alle de bewegingen van onsen verdurven aart stuyt,

dewelke altyt soekt gepreesen en geflatteert te weesen; en de naam te

hebben, van wel te hebben geschreeven, dat ik ook oordeel een ydelheid

der ydelheeden te syn, om dat de waarheid alleen ons fondament en onsen

roem moet weesen. Maar wie sal die uytvinden, daar wy selfs soo onwetent

in dese sigtbaare saaken syn? Waarom ik dan besluit, dat alle goede en

waaragtige wetenschappen en ontdekkingen milde gaven GODS syn, die hy

geeft aan wie het hem belieft, en die hy op syn tyt ontdekt. Wat ik nu

voorts van de Senuwen aangemerkt hebbe, dat is in de uytleggingen van

het Tractaat van de Neushoornige Schalbyter te vinden.

E Y N D E.

Tab. XLIX. Verklaart.

[Transcriber's Note:

The heading "Tab. XLIX." does not appear on the Figures page.

Het opschrift "Tab. XLIX." is niet te zien op de pagina met

Illustraties.]

Fig. V.

De beweging van een Spier in de Kikvorsen.

_aa._ De twee Peesen van een Spier, met de vingeren gevat.

_b._ De neerhangende Senuw geroert synde, waar door de Spier sig samen

trekkende, de twee handen als te samen trekt.

Fig. VI.

De manier, hoe de Spier sig als verdikt in syn samentrekking.

_a._ Een glase Pypken, daar de Spier doorgetrokken is.

_bb._ Twee naalden door syne Peesen gestooken.

_c._ De Senuw aangeroert:

_dd._ Waar door de naalden _bb._, uyt haar plaats bewogen worden tot

_dd._

_e._ Soo dat de Spier de glase Pyp in haar midden door syn contractie

komt te vullen.

Fig. VII.

De manier, hoe het Hart in syn contractie minder plaats beslaat.

_a._ Het Hart sig contraherende, daar het in een glase spuyt op de

suyger geplaatst is.

_bb._ De glase Spuyt.

_c._ Een droppelken water in het Pypken van die Spuyt, dat op de

contractie van het Hart nederdaalt.

_d._ De plaats in het Pypken, waar by aangeweesen wort, hoe laag het

droppelken _c._, als dan neerwaarts bewogen wort.

Fig. VIII.

De manier, hoe een Spier in syn samentrekking minder plaats beslaat.

_a._ De Spuyt.

_b._ De Spier.

_c._ De Silverdraat, daar de Senuw in gevat is.

_d._ Een Koperdraat van boven met een oogken, daar de Silverdraat door

passeert.

_e._ Een droppelken Water in het pypken van de Spuyt.

_f._ De Hant die de Senuw roert, en waar door de Spier, als hy sig

samentrekt, het droppelken _e._ een weynig naar beneden beweegt.

Fig. IX.

Dit vorige op een ander manier vertoont.

_a._ De Spuyt van glas.

_b._ Een gaatken in de Spuyt gedrilt.

_c._ De Senuw die door dit gaatken getrokken is.

[Illustratie: Fig. IX]

[Illustratie: Fig. V, Fig. VI]

[Illustratie: Fig. VII]

[Illustratie: Fig. VIII]

[Erratum:

tot soo lang daar een nieuwe determinatie komt

_text: een nienwe_ ]

Opuscula Selecta Neerlandicorum Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde · 第 11 / 34 段