krachtens deze wet; To be under age = minderjarig; To be under arms =
onder de wapenen; To speak under one’s breath = zeer zacht; Under these
circumstances; He was under a cloud = terneergedrukt, melancholiek, had
geldgebrek, in ’t ongeluk; He did it under colour of taking an interest
in me = onder den schijn van; Under command of; Under consideration =
in overweging; The bill was under discussion = in behandeling; Under
your favour = met uw verlof; The troops were under the enemy’s fire =
blootgesteld aan het vuur; Under the firm of = onder de firma; She
wears the undergarments of men = heeft de broek aan; Under God = naast
God; Under his own hand = eigenhandig; To be under oath = onder eede;
Under pain of death = op straffe van; Under pretence = onder
voorwendsel; Under the rose = “onder de roos”, in ’t geheim; He was
disqualified under another rule = hij mocht niet meedoen (geen lid
worden) volgens een andere bepaling; Under sail = onder zeil; Under the
royal seal = met het koninklijk zegel; He was under sentence of death =
ter dood veroordeeld; I won’t sell it under three figures = voor minder
dan 100 pond sterling; Under treatment = in (onder) behandeling; Under
water; To get under weigh = anker op gaan; Her beauty was a glittering
mantle with no soul under = daaronder; Keep him under = houd hem onder
de plak; To labour under a severe cold = lijden aan; To trample under
foot = vertrappen; Underbid = minder bieden dan, te weinig bieden;
Underbred = slecht opgevoed; Underbrush = hak of kreupelhout; An
over-estimate of expenditure or an under-calculation of income;
Underclay = laag klei onder een kolenlaag; Underclothes, onderkleeren =
Underclothing; Undercurrent, subst. benedenstroom, neveninvloed;
Underditch, ɐndəditš, draineeren; Underdo, ɐndədû, minder doen (dan men
kan); The meat was underdone = niet gaar; Underdose, ɐndədous, te
kleine hoeveelheden geven of nemen; ɐndədous, onvoldoende hoeveelheid
of dosis; Underdrain, ɐndədrein, subst. onderaardsch afvoerkanaal;
Under verb. (ɐndədrein) rioleeren; Under-estimate, ɐndərestimeit,
onderschatten; ɐndərestimit, onderschatting; Underfaction =
nevenpartij; Underfeed, ɐndəfîd, onvoldoende voeden; Underfoot,
ɐndəfut, onder den voet, beneden; Underfurrow, ɐndəfɐrou, onderploegen;
Undergird, ɐndəgɐ̂d, beneden steunen; Undergo = ondergaan, doorstaan,
ondervinden, lijden; Undergrad(uate), ɐndəgrad(ju-it), student (Oxford
en Cambridge, anders Student); Underground = onder den grond,
onderaardsch, heimelijk: Underground (railway) = ondergrondsche spoor;
Undergrown, ɐndəgroun, niet uitgegroeid, te klein; Undergrowth,
ɐndəgrouth, onderhout, hakhout; Underhand = heimelijk, onderhands
geslagen: His sneaking, Underhanded ways = heimelijke manier van doen;
He is treacherous and Underhanded = achterbaksch; Underhung = met
vooruitstekende benedenkaak; Underinsured = te laag verzekerd;
Under-jaw = onderkaak; Underlay, verb. iets onderleggen, steunen: Sand
underlaid with clay = op klei rustend zand; subst. (ɐndəlei)
onderlegger; Under-lease = onderpacht, onderhuur; Underlet =
onderverhuren; onder de waarde verhuren; Underletter = onderhuurder,
die onder de waarde verhuurt; Underlie = liggen onder, ten grondslag
liggen, gebonden zijn aan: He underlay the accusation contained in
those words = had de hand in; Underline = onderstrèpen; Underlinen;
Underling = ondergeschikte; Underlip; Underlock = wol onder den buik
van een schaap; Undermanned, ɐndəmand, niet voldoende van manschappen
voorzien; Undermasted, ɐndəmâstid, niet voldoende van masten voorzien;
Undermentioned = nagenoemde; Undermine = ondermijnen, benadeelen;
Underminer = ondermijner, geheime of stille vijand; Undermost =
onderste; Underneath, [andənîth], ɐndənîdh, beneden, onder; Underpart =
ondergeschikte rol, minder belangrijk deel; Underpay = onvoldoend
bezoldigen of betalen: The poor seamstresses are shamefully Underpaid =
worden schandelijk slecht betaald; Underpayment; Underpeopled,
ɐndəpîp’ld, ɐndəpîp’ld, te schaars bevolkt; Underpin = ondersteunen,
stutten; Underplot = episode, nevenintrige; Under-policed, ɐndepəlîst,
niet voldoende van politie voorzien: London is very much under-policed
= heeft veel te weinig politie; Underprice = spotprijs; Underproof =
beneden normale sterkte; Underprop = ondersteunen, stutten; Underrate =
onderschàtten, te laag waardeeren; Underrun = onderdoorloopen of varen;
Underscore, ɐndəskö, onderschrappen; Undersell = verkoopen onder de
waarde en goedkooper dan; Underset = benedenstroom (tegen den
bovenstroom in); Undershot = bewogen door onderdoorstroomend water:
Undershot wheel; Undershrub = kreupelhout; Undersign, ɐndəsain,
onderteekenen: The undersigned = de ondergeteekende(n); Undersized =
onder de middelbare grootte; Undersoil = ondergrond; The schools are
understaffed = hebben te weinig personeel; Understand = begrijpen,
verstaan, vernemen, overtuigd zijn, meenen, aannemen, opmaken: He could
not make himself understood = kon zich niet verstaanbaar maken, werd
niet begrepen; Such things are understood = spreken vanzelf; We
understand that many are expected = wij vernemen; I was given to
understand = mij werd te kennen gegeven; He will have me understand =
wil dat ik begrijpe; I understand from what you say = maak op uit
hetgeen ge zegt; You’ll have to understand yourself with him = zult u
met hem moeten verstaan; Understandable = begrijpelijk; Not
understanded of the people = niet door het volk begrepen;
Understanding, subst. verstand, begrip, kennis, verstandhouding,
oordeel; adj. bekwaam, verstandig, ervaren: We could not come to an
understanding with him = tot een schikking komen; I will do it on the
(with this) understanding that you help me = mits, met dien verstande
dat; Understate = niet de volle waarheid mededeelen; Understatement =
onderschatting, te lage opgaaf; Understrapper = ondergeschikte;
Understrapping = ondergeschikt, dienend; Understudy, subst.
plaatsvervanger van een acteur (die de rol heeft geleerd om ze desnoods
te kunnen vervullen); Under verb. ɐndəstɐdi, in geval van nood
vervangen; Undertake = ondernemen, wagen, op zich nemen, behandelen,
zich belasten met, borgstaan voor: You have undertaken to be here at
seven = op u genomen, beloofd; Undertaker = aannemer, speculant,
ondernemer (vooral van begrafenissen); Undertaking = onderneming,
plechtige belofte; Undertaxed = te laag getaxeerd of belast;
Under-tenant, onderpachter; Under-tenancy = ònderhuur, onderpacht;
Underthings = onderkleeren; Under-timed = te kort belicht; Undertone =
lage of zwakke toon: He spoke to me in an undertone = met gedempte
stem; Undertook, imperf. van to undertake; Under-tow = Under-current;
Undervaluation, valjueiš’n, onderschàtting, te lage waardeering;
Undervalue, verb. onder de waarde schatten, minachten; subst.
ɐndəvaljû, ɐndəvaljû, te geringe prijs; Under-wear = onderkleeren;
Underwent, imperf. van to undergo; Under-wood = laag hout, kreupelhout;
Underwork, ɐndəwɐ̂k, te weinig (slecht) werken, goedkooper werken;
Underworked = niet genoeg werk hebbend; Under-world = de tegenvoeters,
onderwereld, hel; Underwrite = onderschrijven, onderteekenen, zich
onderwerpen aan; assureeren (van schepen); Underwriter ɐndəraitə,
assuradeur.
Underived, ɐndiraivd, niet ontleend.
Undescribed, ɐndiskraibd, niet beschreven.
Undescried, ɐndiskraid, onontdekt.
Undeserved, ɐndizɐ̂vd, onverdiend; Undeserving = niet verdienend,
onwaardig.
Undesigned, ɐndizaind, ɐndisaind, onopzettelijk; subst. Undesignedness;
Undesigning = oprecht, zonder bedrog, argeloos.
Undesirable, ɐndizairəb’l, ongewenscht; subst. een ongewenscht persoon;
Undesired = niet gewenscht of begeerd; Undesiring = niet verlangend,
onverschillig; Undesirous = niet begeerlijk of verlangend.
Undetected, ɐnditektid, onontdekt.
Undetermined, ɐnditɐ̂mind, onbeslist, onzeker, niet beperkt.
Undeveloped, ɐndiveləpt, onontwikkeld.
Undeviating, ɐndîvjeitiŋ, niet afwijkend, geregeld, vast.
Undid, ɐndid, imperf. van to undo.
Undignified, ɐndignifaid, onwaardig.
Undiluted, ɐndil(j)ûtid, niet verdund.
Undiminished, ɐndiminišt, onverminderd.
Undimmed, ɐndimd, niet verduisterd.
Undine, undin, ɐndîn, Undine, waternimf.
Undiscerned, ɐndizɐ̂nd, onopgemerkt; Undiscernible = niet te
onderscheiden, onzichtbaar, onmerkbaar; Undiscerning = kortzichtig,
niet onderscheidend.
Undisciplined, ɐndisiplind, niet geoefend, ongeregeld, zonder tucht.
Undiscouraged, ɐndiskɐridžd, niet ontmoedigd.
Undiscoverable, ɐndiskɐvərəb’l, niet te ontdekken; Undiscovered = niet
gezien, niet opgehelderd, verborgen.
Undiscriminating, ɐndiskrimineitiŋ, niet onderscheidend, niet
scherpzinnig.
Undisguised, ɐndisgaizd, onvermomd, openlijk.
Undismayed, ɐndizmeid, onverschrokken, onvervaard.
Undisposed, ɐndispouzd, niet geordend, niet verkocht (of).
Undisputed, ɐndispjûtid, onbetwist.
Undissolved, ɐndizolvd, niet opgelost of gesmolten, niet verbroken.
Undistorted, ɐndistötid, onverwrongen.
Undistracted, ɐndistraktid, niet verstrooid of afgeleid.
Undisturbed, ɐndistɐ̂bd, ongestoord, kalm.
Undividable, ɐndivaidəb’l, on(ver)deelbaar; Undivided = onverdeeld,
geheel.
Undivorced, ɐndivöst, niet gescheiden.
Undivulged, ɐndivɐldžd, niet bekend, niet openbaar of ruchtbaar
gemaakt.
Undo, ɐndû, te niet doen, vernietigen, opheffen, oplossen, losmaken, te
gronde richten, ongelukkig maken: Don’t undo what I taught him = bederf
niet; To undo a fault = weer goed maken; Undoer, ɐndûə, tenietdoener,
bederver, verwoester; Undoing = ondergang, vernietiging. Zie Undone.
Undomestic, ɐndəmestik, niet huiselijk; Undomesticated = niet getemd of
aan den mensch onderworpen.
Undone, ɐndɐn, p.p. van to undo: I am undone = geruïneerd; To come
undone = losgaan; He left the thing undone = onafgedaan; What is done
can’t be undone = gedane zaken nemen geen keer.
Undoubted, ɐndautid, ongetwijfeld, ontwijfelbaar, onbevreesd, niet
verdacht.
Undowered, ɐndauəd, zonder bruidschat.
Undrainable, ɐndreinəb’l, onuitputtelijk; Undrained = niet droog
gelegd.
Undramatic(al), ɐndrəmatik(’l), ondramatisch.
Undraped, ɐndreipt, niet gedrapeerd, naakt.
Undrawn, ɐndrôn, niet geteekend, niet weggetrokken, niet getrokken.
Undreaded, ɐndredid, ongevreesd.
Undreamed, ɐndrîmd, Undreamt, ɐndremt, niet gedroomd: Dangers undreamed
of before = gevaren die men zich vroeger niet had voorgesteld.
Undress, ɐndres, ɐndres, négligé, klein tenue; alledaagsch, eenvoudig.
Undress, ɐndres, ontkleeden, ontzwachtelen, ontdoen van: Undressed =
ongekleed, niet toebereid of gekookt, niet opgemaakt, ruw.
Undried, ɐndraid, opgedroogd, groen.
Undrilled, ɐndrild, ongeoefend.
Undrinkable, ɐndriŋkəb’l, ondrinkbaar.
Undue, ɐndjû, ongepast, onwettig, overmatig.
Undulate, ɐndjulit, adj. golvend; Undulate verb. (ɐndjuleit) golven,
doen golven; Undulation, ɐndjuleiš’n, golving, golf; vibreeren (muz.);
Undulatory, ɐndjulətəri, golvend: Undulation theory = golvingstheorie
(licht).
Undutiful, ɐndjûtiful, ongehoorzaam; subst. Undutifulness.
Undying, ɐndaiiŋ, onsterfelijk, onvergankelijk, eeuwig: It reflects
undying honour on you = het strekt u eeuwig tot eer.
Unearned, ɐnɐ̂nd, onverdiend: Unearned increment = vermeerdering van de
waarde van den bodem, etc. door toevalligen aanleg van spoorwegen of
anderszins.
Unearth, ɐnɐ̂th, opdelven, opgraven, rooien, aan het licht brengen:
Shall we ever succeed in unearthing him? = hem ooit opsporen; I
unearthed this from an old newspaper = heb dit opgediept; Unearthly =
bovennatuurlijk, ijselijk.
Uneasiness, ɐnîzinəs, ongerustheid, angst: You have given me much
uneasiness; Uneasy = niet op zijn gemak, ongerust, angstig, stijf,
moeielijk, knorrig: Don’t be uneasy about him = maak u niet ongerust.
Uneatable, ɐnîtəb’l, oneetbaar; Uneaten = niet gegeten, niet vermetigd.
Unedified, ɐnedifaid, niet gesticht; Unedifying = onstichtelijk.
Uneducated, ɐnedjukeitid, onopgevoed, onwetend, ongeletterd.
Uneffaced, ɐnəfeist, onuitgewischt.
Unembarrassed, ɐnəmbarəst, niet verlegen, onbelemmerd, onbezwaard.
Unemotional, ɐnimoušən’l, zonder aandoening of gevoel.
Unemphatic(al), ɐnəmfatik(’l), zonder klem.
Unemployed, ɐnəmplôid, niet gebruikt, zonder werk: The unemployed = de
werkloozen; Unemployment = werkloosheid.
Unemptied, ɐnem(p)tid, niet geledigd.
Unenclosed, ɐnənklouzd, niet ingesloten.
Unencumbered, ɐnənkɐmbəd, onbezwaard.
Unending, ɐnendiŋ, eindeloos.
Unendorsed, ɐnəndöst, niet geëndosseerd.
Unendowed, ɐnəndaud, niet begiftigd of begaafd; zonder subsidie:
Unendowed schools.
Unendurable, ɐnəndjûrəb’l, onduldbaar.
Unengaged, ɐnəngeidžd, vrij, niet gebonden.
Un-english, ɐniŋgliš, onengelsch.
Unenjoyed, ɐnəndžôid, niet genoten.
Unentered, ɐnentəd, niet opgeschreven, niet aangegeven.
Unenterprising, ɐnentəpraiziŋ, niet ondernemend.
Unentertaining, ɐnentəteiniŋ, niet onderhoudend, vervelend; subst.
Unentertainingness.
Unenthralled, ɐnənthrôld, niet onderworpen.
Unentombed, ɐnəntûmd, onbegraven.
Unenviable, ɐnenvjəb’l, niet benijdbaar; Unenvied, ɐnenvid, onbenijd.
Unequable, ɐnîkwəb’l, ɐnekwəb’l, ongelijk; Unequal, ɐnîkw’l, ongelijk,
onvoldoende, niet opgewassen, onbillijk, partijdig, onregelmatig; ook
subst.: He is unequal to that task = niet berekend voor; Unequalled =
ongeëvenaard; subst. Unequalness.
Unequipped, ɐnikwipt, niet toegerust.
Unequivocal, ɐnikwivək’l, ondubbelzinnig, duidelijk; subst.
Unequivocalness.
Unerring, ɐnɐ̂riŋ, onfeilbaar.
Unessayed, ɐnəseid, onbeproefd.
Unessential, ɐnəsenš’l, niet wezenlijk of absoluut noodig; ook subst.
Uneven, ɐnîv’n, ongelijk, oneffen, ongestadig; subst. Unevenness:
Unevenness of style, Unevenness of temper = ongelijkmatigheid.
Uneventful, ɐniventful, onbelangrijk.
Unexamined, ɐnəgzamind, onbeproefd, niet onderzocht.
Unexampled, ɐnəgzâmp’ld, voorbeeldeloos.
Unexcelled, ɐnəkseld, onovertroffen.
Unexceptionable, ɐnəksepšənəb’l, zonder fout of aanmerking,
onberispelijk; subst. Unexceptionableness.
Unexcited, ɐnəksaitid, niet opgewonden.
Unexecuted, ɐneksikjûtid, niet uitgevoerd.
Unexhausted, ɐnəgzhôstid, onuitgeput.
Unexpected, ɐnəkspektid, onverwacht; subst. Unexpectedness.
Unexperienced, ɐnəkspîriənst, onervaren.
Unexpired, ɐnəkspaiəd, niet afgeloopen.
Unexplained, ɐnəkspleind, onverklaard.
Unexplored, ɐnəksplöd, niet doorzocht.
Unexposed, ɐnəkspouzd, niet blootgesteld, beschut.
Unexpounded, ɐnəkspaundid, onverklaard.
Unexpressed, ɐnəksprest, niet uitgesproken.
Unexpurgated, ɐnəkspɐ̂geitid, ɐnekspəgeitid, ongezuiverd, niet
gecastreerd of gecastigeerd (van letterk. werken).
Unextinguishable, ɐnəkstiŋgwišəb’l, onuitbluschbaar; Unextinguished =
onuitgebluscht.
Unextracted, ɐnəkstraktid, niet (uit)getrokken.
Unfaded, ɐnfeidid, onverwelkt; Unfading = onverwelkelijk, vast; subst.
Unfadingness.
Unfailing, ɐnfeliŋ, onfeilbaar, zeker, onuitputtelijk.
Unfair, ɐnfêə, partijdig, onbillijk; subst. Unfairness.
Unfaithful, ɐnfeithful, ontrouw, trouweloos; subst. Unfaithfulness.
Unfaltering, ɐnfôltəriŋ, niet aarzelend, vast.
Unfamiliar, ɐnfəmiljə, onbekend, vreemd; Unfamiliarity, ɐnfəmiljariti,
ongemeenzaamheid.
Unfashionable, ɐnfašənəb’l, niet naar de mode of in den vorm; subst.
Unfashionableness; Unfashioned, ɐnfaš’nd, vormloos, ruw, lomp.
Unfasten, ɐnfâs’n, losmaken, openmaken: This new collar is always
unfastening itself = gaat altijd van zelf los.
Unfatherly, ɐnfâdhəli, onnatuurlijk.
Unfathomable, ɐnfadhəməb’l, onpeilbaar, ondoorgrondelijk; subst.
Unfathomableness; Unfathomed = ongepeild, onmetelijk.
Unfavourable, ɐnfeivərəb’l, ongunstig; subst. Unfavourableness.
Unfeared, ɐnfîəd, ongevreesd; Unfearing = onbevreesd.
Unfeeling, ɐnfîliŋ, ongevoelig, wreed; subst. Unfeelingness.
Unfeigned, ɐnfeind, ongeveinsd, oprecht; subst. Unfeignedness;
Unfeigning = oprecht, echt.
Unfelt, ɐnfelt, niet gevoeld.
Unfeminine, ɐnfeminin, onvrouwelijk.
Unfermented, ɐnfəmentid, ongegist, ongezuurd.
Unfertile, ɐnfɐ̂til, onvruchtbaar.
Unfetter, ɐnfetə, ontketenen, bevrijden.
Unfilial, ɐnfilj’l, onkinderlijk.
Unfinished, ɐnfiništ, onvoltooid.
Unfit, ɐnfit, ongeschikt, onbekwaam, onbetamelijk, ongepast; Unfit
verb. ongeschikt maken: It is unfit for a man = past een man niet;
subst. Unfitness; Unfitting: It is unfitting a man = past een man niet.
Unfix, ɐnfiks, losmaken, doen weifelen: Unfix bayonets! = bajonet af:
Unfixed = los, zwervend, onzeker.
Unflagging, ɐnflagiŋ, onverflauwd.
Unflattering, ɐnflatəriŋ, oprecht: Unflattering weather = weinig
uitlokkend.
Unfledged, ɐnfledžd, zonder veeren, nog niet in staat te vliegen,
onrijp, jong.
Unflinching, ɐnflinšiŋ, onvermoeid, onverschrokken.
Unfold, ɐnfould, ontvouwen, uitspreiden, openbaren, déployeeren,
bijzetten, uit de (schaaps)kooi laten; Unfolding = mededeeling,
openbaring.
Unforbearing, ɐnfəbêriŋ, niet toegevend.
Unforced, ɐnföst, ongedwongen, natuurlijk, gemakkelijk.
Unfordable, ɐnfödəb’l, niet doorwaadbaar.
Unforeknown, ɐnfönoun, onvoorzien = Unforeseen.
Unforewarned, ɐnföwönd, niet gewaarschuwd.
Unforfeited, ɐnföfitid, niet verbeurd.
Unforgetful, ɐnfəgetful, niet vergeetachtig.
Unforgiven, ɐnfəgiv’n, niet vergeven; Unforgiving = niet vergevend,
onverzoenlijk.
Unformed, ɐnfömd, ongevormd, ruw: Unformed stars = niet gegroepeerde
sterren.
Unforsaken, ɐnfəseik’n, niet verlaten.
Unfortified, ɐnfötifaid, onversterkt, zwak.
Unfortunate, ɐnfötjunit, ongelukkig(e).
Unfostered, ɐnfostəd, niet beschermd of gekoesterd.
Unfounded, ɐnfaundid, ongegrond.
Unfranchised, ɐnfrantš(a)izd, niet vrijgemaakt.
Unfree(d), ɐnfrî(d), onvrij, (onbevrijd).
Unfrequented, ɐnfrikwentid, onbezocht, eenzaam, verlaten.
Unfriendly, ɐnfrendli, onvriend(schapp)elijk, ongunstig.
Unfrock, ɐnfrok, ontzetten uit priesterlijke betrekking en rechten.
Unfruitful, ɐnfrûtful, onvruchtbaar, ijdel, nutteloos; subst.
Unfruitfulness.
Unfulfilled, ɐnfulfild, niet vervuld.
Unfunded, ɐnfɐndid, zonder (waarborg)fonds.
Unfurl, ɐnfɐ̂l, ontplooien, losgooien: To unfurl a flag, the sails.
Unfurnished, ɐnfɐ̂ništ, ongemeubileerd, ledig.
Ungainly, ɐngeinli, lomp, linksch.
Ungallant, ɐngəlant, onhoffelijk; niet dapper (ɐngalənt).
Ungear, ɐngîə, uitspannen, uitschakelen, los maken.
Ungenerous, ɐndženərɐs, onedelmoedig, onedel, gierig.
Ungenial, ɐndžînj’l, ongunstig, onvriendelijk.
Ungenteel, ɐndž’ntîl, onbeleefd, lomp.
Ungentlemanlike, ɐndžent’lm’nlaik, onwellevend, plat = Ungentlemanly.
Ungird, ɐngɐ̂d, losgorden, losmaken.
Unglazed, ɐngleizd, zonder glas of ruiten; zonder glazuur.
Unglove, ɐnglɐv, de handschoenen uitdoen: Ungloved = zonder
handschoenen, bloot.
Unglue, ɐnglû, losmaken (v. iets gelijmds).
Ungodliness, ɐngodlinəs, subst. v. Ungodly, ɐngodli, goddeloos, zondig,
onheilig.
Ungovernable, ɐngɐvənəb’l, niet te besturen, teugelloos, uitgelaten,
ontembaar; subst. Ungovernableness.
Ungraced, ɐngreist, niet getooid (begunstigd, geëerd).
Ungraceful, ɐngreisful, onbevallig, lomp; subst. Ungracefulness;
Ungracious, ɐngreišəs, onvriendelijk, onaangenaam, ruw; subst.
Ungraciousness.
Ungrammatical, ɐngrəmatik’l, niet grammatisch.
Ungrateful, ɐngreitful, ondankbaar: Ungrateful soil = onvruchtbaar;
subst. Ungratefulness.
Ungratified, ɐngratifaid, onvoldaan.
Ungrounded, ɐngraundid, ongegrond.
Ungrudged, ɐngrɐdžd, gegund; Ungrudging = zonder morren, gaarne.
Ungual, ɐŋgw’l, nagel..., klauw...
Unguarded, ɐngâdid, onbewaakt, onbezonnen, zorgeloos: In an unguarded
moment.
Unguent, ɐŋgw’nt, zalf, smeersel.
Unguessed, ɐngest, niet geraden of vermoed.
Unguicular, ɐŋgwikjulə, nagel..., klauw...; ± 1,3 cM.; Unguiculate(d),
ɐŋgwikjulit(-eitid), met klauwen, klauwvormig.
Unguided, ɐngaidid, niet geleid of geregeld.
Unguis, ɐŋgwis, klauw, hoef, nagel; Ungula, ɐŋgjulə, (paarde)hoef,
kegelsnede; Ungulate, ɐŋgjulit, hoefvormig, met hoeven.
Unhackneyed, ɐnhaknid, niet afgezaagd, frisch.
Unhailed, ɐnheild, niet gepraaid.
Unhair, ɐnhêə, ontharen.
Unhallowed, ɐnhaloud, onheilig, goddeloos.
Unhand, ɐnhand, loslaten.
Unhang, ɐnhaŋ, afhangen (van deuren of vensters, roer), van behang of
draperie ontdoen.
Unhappiness, ɐnhapinəs, subst. v. Unhappy, ɐnhapi, ongelukkig,
rampzalig: He is unhappy in his children = ongelukkig met.
Unharassed, ɐnharəst, ongekweld.
Unharbour, ɐnhâbə, opjagen.
Unhardened, ɐnhâd’nd, niet gehard of verhard.
Unharmed, ɐnhâmd, onbeschadigd, ongedeerd.
Unharmonic, ɐnhâmonik = Unharmonious, ɐnhâmouniəs, onwelluidend,
onharmonisch.
Unharness, ɐnhânəs, uitspannen.
Unhatched, ɐnhatšt, onuitgebroed.
Unhealable, ɐnhîləb’l, ongeneeslijk; Unhealed, ɐnhîld, niet genezen.
Unhealthiness, ɐnhelthinəs, subst. v. Unhealthy, ɐnhelthi, ongezond,
schadelijk, ziekelijk.
Unheard, ɐnhɐ̂d, niet gehoord: Unheard (-)of cruelties = ongehoorde
wreedheden.
Unheeded, ɐnhîdid, verwaarloosd; Unheeding, ɐnhîdiŋ, zorgeloos,
achteloos.
Unhelped, ɐnhelpt, niet geholpen.
Unhesitating, ɐnheziteitiŋ, ɐnhesiteitiŋ, vaardig, niet aarzelend.
Unhewn, ɐnjûn, ongehouwen, ruw.
Unhindered, ɐnhindəd, onbelemmerd.
Unhinge, ɐnhinž, uit de hengsels lichten, overhoop gooien, in wanorde
brengen: She was nervous and unhinged = zenuwachtig en van streek; His
mind is unhinged = zijne geestvermogens zijn gekrenkt.
Unhistoric(al), ɐnhistorik(’l), niet geschiedkundig, fabelachtig.
Unhitch, ɐnhitš, loshaken, vrijmaken.
Unholiness, ɐnhoulinəs, subst. v. Unholy, ɐnhouli, onheilig, goddeloos,
onrein.
Unhonoured, ɐnonəd, ongeëerd.
Unhood, ɐnhud, (valken) de kap afnemen.
Unhook, ɐnhuk, loshaken, losmaken.
Unhoped, ɐnhoupt, ongehoopt: Unhoped for accidents = onverhoopte
gebeurtenissen.
Unhorned, ɐnhönd, ongehoornd.
Unhorse, ɐnhös, van het paard werpen.
Unhung, ɐnhɐŋ, imp. en pp. van to unhang.
Unhurt, ɐnhɐ̂t, ongedeerd, ongekwetst.
Uniax(i)al, jûniakš(i)əl, éénassig.
Unicellular, jûniseljulə, ééncellig.
Unicorn, jûnikön, éénhoorn, narwal, driespan (één paard vóór de twee
anderen): Sea unicorn = narwal; Unicornous, jûnikönəs, éénhoornig.
Unifacial, jûnifeiš’l, met ééne voorzijde.
Unification, junifikeiš’n, unificatie.
Uniflorous, juniflörəs, éénbloemig.
Unifoliar, junifouljə, éénbladig.
Uniform, jûniföm, subst. uniform; adj. éénvormig, onveranderlijk,
homogeen; Uniform verb. van een uniform voorzien: In full uniform; Out
of uniform = in civiel; Uniformity, junifömiti, éénvormigheid,
éénparigheid, overeenstemming, gelijkheid.
Unify, jûnifai, veréénen, tot één maken.
Unilabiate, jûnileibjit, éénlippig.
Unimaginable, ɐnimadžinəb’l, ondenkbaar; Unimaginative, nuchter, zonder
fantasie; Unimagined = ongedacht, ondenkbaar.
Unimpaired, ɐnimpêəd, ongeschonden, onverzwakt.
Unimpeachable, ɐnimpîtšəb’l, zonder blaam, onberispelijk; subst.
Unimpeachableness = vlekkeloosheid; Unimpeached = onbeschuldigd, niet
bestreden, onberispelijk.
Unimpeded, ɐnimpîdid, ongehinderd, open.
Unimplied, ɐnimplaid, niet besloten, niet volgende uit.
Unimportant, ɐnimpöt’nt, onbelangrijk.
Unimpressionable, ɐnimprešənəb’l, niet voor indrukken vatbaar;
Unimpressive = weinig indruk makend, voor indrukken onvatbaar.
Unimprovable, ɐnimprûvəb’l, onverbeterlijk; Unimproved = onverbeterd,
niet bebouwd, ruw, onwetend.
Uninfected, ɐninfektid, onbesmet, onverdorven; Uninfectious,
ɐninfekšəs, onbesmettelijk.
Uninfluenced, ɐninfluənst, onbevooroordeeld, onbevangen: Uninfluenced
by passion = zonder hartstocht.
Uninformed, ɐninfömd, niet onderricht.
Uninhabitable, ɐninhabitəb’l, onbewoonbaar; subst. Uninhabitableness;
Uninhabited = onbewoond.
Uninitiated, ɐninišeitid, oningewijd.
Uninjured, ɐninžəd, onbeschadigd; Uninjurious, ɐindžûriəs,
onschadelijk.
Uninsured, ɐninšûəd, niet verzekerd.
Unintellectual, ɐnintəlektjuəl, niet verstandelijk; Unintelligent,
ɐnintelidžent, dom, onkundig.
Unintelligibility, ɐnintelidžibiliti, subst. v. Unintelligible,
ɐnintelidžib’l, onverstaanbaar, onbegrijpelijk; subst.
Unintelligibilityness.
Unintended, ɐnintendid, niet bedoeld, zonder opzet; Unintentional,
ɐnintenšən’l, onopzettelijk.
Uninterested, ɐnintərestid, geen belang hebbend bij, onbaatzuchtig;
Uninteresting = niet belangwekkend, saai.
Unintermitted, ɐnintəmitid, onafgebroken.
Uninterred, ɐnintɐ̂d, onbegraven.
Uninterrupted, ɐnintərɐptid, onafgebroken, voortdurend.
Unintroduced, ɐnintrədjûst, niet voorgesteld.
Uninvested, ɐninvestid, niet geïnstalleerd, niet bekleed, niet belegd
(v. geld).
Uninvited, ɐninvaitid, ongenood; Uninviting = niet aanlokkelijk.
Unio, jûniou, stroommossel.
Union, jûnj’n, vereeniging, verbond, eenheid, eendracht, twee of meer
kerspelen tot één vereenigd ter uitvoering van de armenwet, arbeiders-
of werkmansvereeniging, werkhuis van eene Union; vierhoekig veld aan
den binnen-bovenhoek van de Engelsche vlag met de kruisen v. St.
George, St. Andrew en St. Patrick, vlag met deze kruisen = Union-jack;
Union-workhouse; Unionism = vereenigingsstelsel (van werklieden, etc.),
stelsel tot instandhouding der unie v. Groot-Britanje en Ierland;
Unionist = lid van eene Union, voorstander van de Unie van Groot-Brit.
en Ierland.
Uniparous, junipərɐs, één jong barend.
Unique, junîk, éénig, ongeëvenaard; subst. unicum; subst. Uniqueness.
Unisexual, jûnisekšuəl, éénslachtig.
Unison, jûnis’n, jûniz’n, overeenstemming, harmonie, accoord: In
unison; To exclaim in unison = eenstemmig.
Unit, jûnit, éénheid.
Unitarian, junitêriən, subst. belijder van de leer dat de Godheid
slechts uit één persoon bestaat; adj. met dit geloof verbonden;
Unitarianism = leer der Unitarians.
Unite, junait, vereenigen, samensmelten, één worden: United =
verbonden, vereenigd (to = met): The United Brethren = Hernhutters; The
United Provinces = de Vereenigde Provinciën; The United States of
America; Uniter; Unity, jûniti, éénheid, overeenstemming; The three
unities = de drie (dramatische) eenheden = Unity of time, place and
action.
Univalve, jûnivalv, éénkleppig, éénschelpig; ook subst.; adj.
Univalvular.
Universal, junivɐ̂s’l, algemeen, universeel, gezamenlijk: The general,
though not universal opinion = de meening v. velen, schoon niet van
allen; Universal suffrage = algemeen kiesrecht; Universality,
junivəsaliti = algemeenheid; Universalize = algemeen maken; Universe,
jûnivɐ̂s, heelal; University, junivɐ̂siti, hoogeschool: He is at the
university; He is a university man.
Unjaundiced, ɐndžôndist, niet afgunstig.
Unjoint, ɐndžôint, ontwrichten: Unjointed = uit de voegen, ongeleed.
Unjudged, ɐndžɐdžd, niet beslist.
Unjust, ɐndžɐst, onrechtvaardig, onbillijk; subst. Unjustness.
Unjustifiable, ɐndžɐstifaiəb’l, onverdedigbaar, niet te rechtvaardigen;
subst. Unjustifiableness; Unjustified, ɐndžɐstifaid, ongerechtvaardigd.
Unkempt, ɐnkemt, ongekamd, ongelikt.
Unkennel, ɐnken’l, opjagen, loslaten, onthullen.
Unkept, ɐnkept, niet onderhouden, niet gehoorzaamd, niet gevierd, niet
uitgevoerd.
Unkind, ɐnkaind, onvriendelijk, liefdeloos; subst. Unkindliness =
Unkindness.
Unkink, ɐnkiŋk, losmaken, rekken (Unkink one’s muscles).
Unknightly, ɐnnaitli, onridderlijk.
Unknit, ɐnnit, uithalen (v. breiwerk), gladstrijken (v. voorhoofd
b.v.), scheiden.
Unknowable, ɐnnouəb’l, onnaspeurlijk: The Unknowable = de
Ondoorgrondelijke; Unknowing = onwetend, onkundig; Unknown = onbekend,
onberekenbaar, onmetelijk: A man unknowable to fame = waarvan de wereld
weinig weet; It was done unknowable to me = buiten mijn weten.