Als ene hinne op enen pier![10]

BOENDALE keurde deze gansche volksbeweging af; dat de "heeren" moesten

wijken voor schoenmakers, volders, wevers, slagers en dergelijken--het

was voor hem "de verkeerde wereld"[11]. Doch vruchteloos heeft hij zich

met deze nabetrachting tegen den stroom gekant; hij heeft dien niet

kunnen keeren.

Al gelooft men niet dat het toentertijd in de Nederlanden de verkeerde

wereld was, men kan daarom toch wel erkennen dat er in die wereld veel

verkeerds was. De vroegere onkunde begon weliswaar te wijken voor den

invloed, die uitging van kapittel- en kloosterscholen, van parochie- en

bijzondere scholen; de kunsten van lezen, schrijven en rekenen begonnen

zich langzamerhand te verbreiden; de volslagen onwetendheid van vroeger

ziet men nog vooral onder de boeren, die zelfs niet weten hoe oud zij en

hunne kinderen zijn. Maar de wilde zinnelijkheid van deze krachtige

jonge volken laat zich even bezwaarlijk teugelen als in een vroeger

tijdvak. Dat zij behagen schepten in lichaamsoefeningen: naar den

papegaai schieten, kaatsen en andere spelen, dat kon men slechts loven;

minder prijselijk was hun lust tot dobbelen met teerlingen, hun dansen,

reien en springen in de kroegen op heilige dagen.

Welk een ruwheid overal! Lieden, die in de kerken nog wel een vrijplaats

gevonden hadden, ontzien zich niet de banken af te breken om er vuren

van te stoken, er te dobbelen, te twisten en ontucht te plegen. Het

schenden van heiligenbeelden en van het plaveisel in de

Lievevrouwen-kerk te Dordrecht was niet zeldzaam. In de kerken wordt ook

onder den dienst getwist en gekeven; ook soms tusschen priesters en

leeken, zoodat de vuist en de wijkwast te werk gesteld worden. De leden

van den Raad te Kampen gaan elkander in het Rechthuis te lijf.

De strafregisters van dezen tijd zijn rijk voorzien, ook rijk aan

afwisseling. CLAES MEYNSEN ZOON wordt gestraft, omdat hij de sluis van

NANNE MODDE heeft opengezet, zoodat NANNE'S land is ondergeloopen.

LAMMEKIJN DE WEVER, omdat hij een stomme heeft mishandeld en willen

dwingen tot spreken. NANNE LUTART, omdat hij een brouwsel bier van

JACOB, ALIDE'S ZOON, heeft bedorven, door er een dood varken in te

gooien. GERRIT DE DUIVEL en tal van anderen, omdat zij een mes hebben

getrokken. Zekere CAMERMAN wegens het toebrengen van een vuistslag bij

nacht (die waren tweemaal duurder dan de overdagsche)[12]. Talrijk zijn

de boeten, opgelegd aan gehuwde mannen en vrouwen, die leven met andere

vrouwen en mannen. Vrouwenschennis en schaking waren niet zeldzaam. De

rekeningen van het bisdom Utrecht bevatten talrijke posten "de

fornicacione", "de adulterio" en "de duplici adulterio"[13].

Al deze ruwheid van zeden en grofheid van uitspattingen mogen niet

vooral op rekening der opkomende democratie worden geschoven. De hoogere

standen bezaten meer uiterlijke verfijning, dan de lagere; doch vaak was

die slechts een vernisje, waar de oorspronkelijke ruwheid op menige plek

doorheen schemerde. Wanneer eene aanzienlijke edelvrouw als YOLENTE

COURTROISIN, uit het geslacht der kasteleinen van Kortrijk, zich zóó ver

vergeten kon, dat zij een baljuw in de uitoefening zijner bediening

grovelijk beleedigde en met een stok mishandelde; wanneer de kanonniken

der hofkapel te 's-Gravenhage elkaar niet zelden in het koor bespotten,

scholden, stootten en sloegen--dan kan de beschaving onder den adel over

het algemeen geen hoogen trap hebben bereikt[14].

De Overheid trachtte de brooddronkenheid, bandeloosheid en ontucht met

wetten te keeren en te betoomen. In Vlaanderen en Brabant werden wetten

uitgevaardigd tegen de weelde. Brussel bezat reeds in de tweede helft

der 14de eeuw tuchthuizen, "goede vaste ghyoelen", "omme de wilde

joncheit te bat in bedwange te houden". De straffen blijven nog altijd

zwaar en ten deele barbaarsch. In Deventer worden in 1344 vrouwen levend

begraven. Een valsche wijbisschop wordt in 1392 te Utrecht veroordeeld

om levend gekookt te worden in een onder het schavot geplaatsten ketel.

Bij wijze van gratie wordt hij uit den ketel getild en onthoofd[15].

Naar het schijnt, werd deze laatste straf slechts zelden toegepast; doch

er waren zoovele andere gruwzame straffen, dat onze algemeene indruk

daardoor weinig gewijzigd wordt.

Die straffen strookten met die tijden: tijden van groote ruwheid ja,

maar ook van groote, van ontzagwekkende kracht. Welk een taaie kracht

was er in die Friezen, die telkens de aanvallen der machtige Hollandsche

graven afslaan en onder wier slagen de bloem van den Hollandschen en

Henegouwschen adel bezwijkt; in die Vlamingen ook die den slag bij

Kortrijk wonnen; in al die weerbare burgerijen, verplicht en gereed

hunne stad te bewaken en te verdedigen.

Welk eene volksweerbaarheid, welk eene volkskracht!

Die volkskracht gaat zich openbaren in eene aanwassende verscheidenheid

van vormen en gestalten. Er komt werking in de massa's; hier en daar

gaat zich het bijzondere losmaken van het algemeene, de enkeling zich

onderscheiden van den stand waartoe hij behoort. Bij adel en

geestelijkheid was dat reeds vroeger eenigermate het geval geweest; nu

ziet men dat verschijnsel ook onder de gemeentenaren. Het is geen toeval

dat wij juist uit dezen tijd verscheidene hunner leiders of aanvoerders

bij name kennen: NICOLAAS ZANNEKIJN, JAN BREYDEL en PIETER DE CONINC;

JACOB VAN ARTEVELDE met zijne beide medestanders: PIETER VAN DEN BOSSCHE

en FRANS ACKERMAN; JOHAN YOENS; PETER COUTEREEL, "de Brabantsche

ARTEVELDE"[16]. In de Noordelijke landen, die in algemeene ontwikkeling

bij de Zuidelijke achterstonden, kunnen wij niet zulk een aantal namen

van beteekenis aanwijzen.

Het bijzondere zich losmakend van het algemeene, dat verschijnsel meenen

wij te kunnen opmerken ook op kleiner schaal: de verhouding van den

eenling tot de maagschap. Niet alsof de maagschap hare beteekenis geheel

zou hebben verloren! In eene oude vertaling van FROISSART'S kroniek

lezen wij van eene bloedveete tusschen een paar geslachten van rijke

"schippers" (reeders) te Damme uit het laatst der 14de eeuw in deze

woorden: "Wair was dat, voir dien tijt van oudts, binnen der stede van

den Damme, een dootlijc oirloge gestaen hadde twischen twee rijke

mannen, scipperen aldair, met horen magen an beyden sijden, dairaf die

een geheten was JAN PIER ende die ander JAN BAIRDE, bij welken oirloge

onderlinge van horen magen doit gebleven wairen wail tot CXVIII pereonen

toe, van welker eenre pertije GIJSBERT MAHIEU ende sine bruederen mage

waren, ende JAN LIJON was maech van der ander zijde. Welken hate ende

nijde aldus bedect gedragen wert ende van langen tijt opgevoet twischen

desen JAN ende GIJSBERT, hoewail sij te samen spraken, aten ende

dronken, alst so diende te samen of te punte quam, mer altijt lach desen

hate den Mahijewelingeren veel felre ende duenre [Zijnoot: vaster]"

int herte dan dat JAN LIJON dede"[17].

In een gedicht uit dezen tijd wordt gesproken van "buten maghen in

ellenden" te wonen[18]; daar loopt een der wegen, waarlangs het woord

_ellende_ dat oorspronkelijk: _ander land_ beteekende, aan zijne

overdrachtelijke beteekenis gekomen is.

Maar er zijn toch teekenen die op eene aanstaande kentering in dezen

schijnen te wijzen. Sprekend over de moordenaars van Graaf FLORIS, zegt

MELIS STOKE:

Dat dese verraders hebben ghelaten

Den maghen verwijt: si moghense haten.

Hier wordt de verantwoordelijkheid der magen voor de daden van één

hunner erkend. Doch onmiddellijk daarop lezen wij:

Nochtan so nes niement vroeder [Zijnoot: geen verstandig man.],

De dat verwijt iement goeder,

Dat sijn maech hevet misdaen[19].

De Antwerpsche stadssecretaris JAN BOENDALE stelt in zijn

_Lekenspieghel_ de vraag: of men magen en vrienden moet helpen en

ondersteunen. Een wijs meester antwoordt daarop: ja, indien uwe magen

arm zijn, in het ongeluk geraakt en brave menschen. Doch zijn zij dwaas

en slecht, doorbrengers of deugnieten, laat ze dan links liggen; 't is

toch boter aan de galg gesmeerd[20].

Deze Zuidnederlander durft al heel wat verder gaan dan de Hollander

STOKE; maar ook hier zal het Noorden het Zuiden volgen.

In een merkwaardig stuk _Van drierehande lyden_ heeft de

Noordnederlandsche dichter WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH ons een man

geschetst, wien het slecht vergaat, omdat hij zich van zijne magen

afzondert. Hij is trotsch als een baron, hoewel hij slechts "maet van

goede" is. Zijne magen ergeren zich daaraan, maar hij geeft niet om hun

raad. Nu moet hij alleen zijn weg gaan en dat bekomt hem slecht:

Misdede ic yet, ic wort ghesleghen,

Ic most den menighen verdreghen

Entaer toe lyden mit hem allen.

Soe wye sijn maghen worden tieghen,

Die moet van des ghelijcke pleghen,

Hem sel veel te lyden vallen[21].

Het is waar dat HILLEGAERTSBERCH hier waarschuwt tegen het losmaken

van den band der maagschap, doch uit die waarschuwing zelve blijkt, dat

de dichter dezen nieuwen trek in het volksleven had opgemerkt en

gewichtig genoeg achtte om er de aandacht van zijn publiek op te

vestigen.

Verwant met dezen trek is het individualisme, dat zich, zij het

slechts op een paar plaatsen, in de keuze der kleeding openbaart. De

hekeldichter JAN DE WEERT deelt ons in zijn _Nieuwe Doctrinael_ mede:

Elc wil draghen of hebben dat niemen

En heeft of draghet, can hijt gheraken[22].

en de auteur van een ander 14de-eeuwsch leerdicht _Spiegel

der Zonden_ zegt evenzoo:

Elk zoect om vremde ghedane

In zinen clederen....[23].

Dit individualisme, zich nu nog maar openbarend in iets uiterlijks,

zullen wij gaandeweg, doch uiterst langzaam, zich zien ontwikkelen in

een later tijdvak.

Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, Deel I · 第 58 / 113 题