De drie stemmen die wij in het Eerste Boek hoorden: eerst
achtereenvolgend, toen in de lyriek vereenigd en daarna in MAERLANT'S
werk versmolten, vallen ook in het Tweede Boek te onderscheiden; doch in
andere orde en verhouding.
De Stem der Gemeenten krijgt den boventoon en behoudt dien. Handel,
nijverheid, landbouw, de maatschappelijke toestanden hebben zich
ontwikkeld en die ontwikkeling is vooral ten goede gekomen aan de
gemeenten, is zichtbaar vooral in de door hen gestichte steden.
De adel is er nog en zet het oude leven gedeeltelijk voort, den oorlog
afwisselend met feesten, tournooien, jacht en galanten omgang. Vooral de
Geldersche adel onderscheidt zich in dit opzicht. WILLEM VAN GULIK,
hertog van Gelderland, wordt door FROISSARD telkens met lof vermeld. Hij
doet, evenals vóór hem graaf WILLEM IV van Holland, een krijgstocht
tegen de ongeloovigen in het Oosten van Duitschland, wordt gevangen
gehouden op een slot in Pommeren, doet een inval in Brabant, voert een
bloedigen strijd om Grave en wordt eerst door een Fransch leger tot
staan gebracht. Maar de uitvinding der vuurwapenen en de instelling van
huurtroepen bedreigen den adel in zijn bestaan[1]. Feestvieren kunnen
zij nog wel; de hoogsten gaan hun daarin voor. De graven van Holland
komen niet zelden in de hoog-adellijke en rijke abdij van Rijnsburg,
hetzij met een sleep van baronnen, hetzij met klein "gezinde" om er te
ontbijten of het noenmaal te houden. Aan spijs en drank behoefde het
niet te ontbreken: soms werden 18 kapoenen en een aam rijnwijn
vooruitgezonden. Daarna ging men "haar met haar en veer met veer" jagen
in den Haarlemmerhout en 's avonds dansen met de edele jonkvrouwen[2].
In den Haarlemmerhout kon men ook wel eens een ander machtig edelman
vinden, graaf JAN VAN BLOIS, ter jacht met de gravinne van Holland. Ook
in Brabant kon men hem vinden aan het "jagen en vliegen" met een groot
aantal edelen en edelvrouwen of aan een grooten avondmaaltijd in het
Katrijnen-klooster te Utrecht, waar meer dan honderd edele gasten
aanzaten[3].
Een edelman die in botsing kwam met de steden kreeg soms een gevoelige
les: ZWEDER VAN VOORST ondervond het in zijn strijd tegen de steden van
het Oversticht en hun heer den Bisschop, al zat hij ook achter muren die
tachtig voet hoog en twaalf voet dik waren. Het sterke kasteel Gaesbeek
in Brabant, toebehoorend aan Heer ZWEDER VAN ABCOUDE, werd door de
Brabantsche en Luiksche burgerijen ingenomen en geslecht[4].
Zijne verwoeste kasteelen kon de adel wel opbouwen, niet zijne verloren
idealen herwinnen. En vooral daardoor, meer dan door vuurwapenen en
huurtroepen, is de adel gedaald van het vroegere standpunt. JAN
BOENDALE, de schrandere schepenklerk van Antwerpen, zag het wel, toen
hij in zijn _Lekenspieghel_ zeide: "vroeger, toen de edelen ouder
gewoonte nog buiten woonden en onderling huwelijken sloten, hielden zij
den adel hoog en waren edelen met eere; doch sedert zij om der wille van
het geld naar de steden zijn getrokken, heeft hebzucht de schuldelooze
edelheid onder de voet geworpen. Zal zij ooit weer opstaan? Vroeger was
het edele wapenspel in zwang en gang, hetzij in het Heilige Land, hetzij
in de grenslanden--nu heeft het afgedaan: schatten, weelde, gemak, dat
is wat de adel begeert. Het edele, ingetogen leven wordt in den lande
niet meer gezien[5]."
Anders dan met den adel stond het met de geestelijkheid. Ja, ook daar
zag men ten deele de toestanden van vroeger. Te Rijnsburg kwamen niet
alleen de Hollandsche graven, maar ook de abten van Egmond, die er met
hun gevolg eenige dagen "joleuslyck" werden onthaald. Strijdbare
geestelijken vinden wij ook nu: in dien bisschop van Luik, ADOLF VAN DER
MARCK, die, omzwermd van pijlen en steenen, zijne troepen leidt tot een
stormaanval op sterke burchten; in dien geestelijke uit het Groningsche
klooster Aduard, die, gereed de mis op te dragen, bij een aanval op het
klooster zijn priesterkleed afwerpt, naar buiten stormt en in den strijd
sneuvelt[6].
Doch naast of liever tegenover zulke geestelijken stonden andere, die,
zonder zich met de wereld in te laten meer dan noodig was, eenvoudig hun
plicht deden, of, de wegen der mystiek volgend, ingekeerd tot zich
zelven, de diepten der eigen ziel trachtten te peilen en te verkennen.
Het zelfgevoel der burgerijen, dat zich zoo krachtig deed gelden
tegenover den adel, verloochent zich ook niet tegenover de geestelijken.
Niemand heeft dat deel van het aangroeiend zelfgevoel beter vertolkt dan
diezelfde BOENDALE, dien wij zoo even over den adel hoorden spreken. In
zijne _Teestye_ [Zijnoot: Overtuiging.] durft hij zeggen:
Du leec man en ontsie di niet,
Dat paepscap en es sekerre [Zijnoot: zekerder.] niet
Hemelrijx dan du bes:
Die best leeft, best es.
Al predect tpaepscap Gods woert,
Ende haer theologie bringt voert,
Ende du sits daer voer hare voete,
Du best lichte also soete
Ende also weert voer d' anscijn Ons Heren
Als si sijn die di leren;
Want clergye sonder goet leven
En can ghene salecheyt gheven.
Hets beter een doghet allene
Dan alle phylosophye ghemene [Zijnoot: samen.].
Al eest oec dat si di biechten
Ende dine ziele verlichten
Ende van dinen sonden ontladen daer,
Du best lichte also claer
Oft claerre [Zijnoot: zuiverder.] voer Gode dan hi,
Die daer absolveert di[7].
En hierbij laat deze wakkere "scepenclerc" het niet. Een volgend
hoofdstuk brengt: "van den papen noch meer". Kwam Gods Zoon nu op aarde
en dorst hij den priesters de waarheid zeggen, hunne gebreken onder het
oog brengen, het volk tot zich en van hen af trekken--zij zouden "te
zamen raad tegen hem houden, hoe zij hem dooden mochten", gelijk de
Farizeën weleer. Zij verkoopen het volk aflaat van zonden; zelf koopen
zij dien niet, al hebben zij hem evenzeer noodig. In het sermoen zoekt
men hen te vergeefs, al zou het voor hen evenveel vrucht dragen als voor
de leeken. BOENDALE zegt later, dat hij der papen vriend is
Maer dat si mesdoen, dats mi leet;
hij zal in die uitspraak zeker oprecht zijn geweest, doch van zulke
vrienden was de meerderheid der priesters niet gediend. Al te welig
schoot hier het zaad op, met volle hand gestrooid door "JACOB, die
dichter hoghe", wiens beeld zijn navolger hier blijkbaar voor den geest
stond. En het zou nog erger worden voor de priesters, geloofde BOENDALE.
Uit oude profetieën had hij vernomen:
Dat men noch zal die papen jaghen
Ende die Kerke doghen [Zijnoot: lijden.] sal,
Ende bider papen ghebreke al,
...
...
Maer en sal niet dueren langhe
Si en selen te payse comen weder
Ende haer ghierecheit [Zijnoot: hebzucht.] legghen neder
Ende andre onnutte seden
Ende hem bat hoeden dan si deden
Ende men sal hem meer eeren doen
Dan noyt te voren was gheploen [Zijnoot: gepleegd.].
Hoe zullen in latere dagen Hervorming en Tegenhervorming, en ook de
geschiedenis van onzen tijd, deze profetieën op ongedachte wijze
vervullen! Dat heeft BOENDALE niet kunnen voorzien, doch de fakkel der
waarheid, hem door MAERLANT'S hand toegereikt, heeft hij op zijne beurt
overgegeven aan wie na hem kwamen.
Oefende de geestelijkheid aldus door doen en laten invloed op de
ontwikkeling der geestelijke zelfstandigheid van deze volken, ook de
adel, al geraakte hij in de minderheid, deed zijn invloed op de
gemeenten gelden. Doch deze invloed was van anderen aard. Het beginsel
der navolging dat zich ook in het maatschappelijk leven zoo krachtig
openbaart, had langzamerhand uit de bovenste lagen der gemeentenaren een
patriciaat gevormd, verwant met den adel, naar den bloede door
huwelijken, naar den geest, door leefwijze en levensopvatting. Dat waren
de oude geslachten der vermogende kooplieden en grondbezitters, de
stedelijke aristocratieën, die nog in het laatst der 13de eeuw de
leiders of meesters der gemeenten waren. Zij zochten den adel te
evenaren in uiterlijken glans, in vertoon van pracht en praal, in
beschaving en fijnheid van vormen. Zij streefden naar hetgeen de adel
nooit had kunnen bereiken: heerschende stand te zijn. Een tijd lang
gelukte hun dat, doch reeds de eerste helft der 14de eeuw bracht een
omkeer in hun toestand. De handwerkslieden, in Noord en Zuid vereenigd
tot gilden die al machtiger werden, stelden zich onder hunne Dekens
tegenover de "geslachten" en eischten deel aan de regeering van stad en
land. Overal zien wij deze democratische woeling en strijd der partijen.
Doch de zege blijft aan de gilden. JACOB VAN ARTEVELDE bezorgt hun in
Gent de overwinning; ook elders in Zuid-Nederland en in het Noorden, in
steden als Dordt, Leiden, Utrecht, Zwolle zien wij deze verplaatsing van
het overwicht[8]. Eene nieuwe laag der bevolking komt op ruimer schaal
dan vroeger deelnemen aan en invloed oefenen op het volksleven in al
zijne uitingen.
Ook onder de lagere standen ontwaken het zelfgevoel en de begeerte om
hoogerop te komen:
Die huusman [Zijnoot: boer.] volcht den heren naer,
Om schout te wesen ofte baeliu,
zegt WILLEM VAN HILLEGAERTSBERCH[9].
In een stuk van een onbekend dichter uit dezen tijd zien wij, hoe de
titelzucht ook toen reeds de burgerij had bevangen.
De neiging tot een titel, door MAERLANT in zijn _Alexander_ terloops
gehekeld bij de meisjes uit het volk, is blijkbaar zoo sterk geworden
dat een ander dichter er een gansch gedicht aan wijdt, getiteld _Van dat
die liede sijn gherne geheten joncfrou_. Wij lezen daar o.a.:
Heile, Griete, Lise oft Calle,
heten nu joncfrou alle!
Al hadde haer moeder warmoes vercocht,
oft liede gebeden ter bruloft,
oft te like gebeden [Zijnoot: ter begrafenis genoodigd.] vrouwen,
oft ael [Zijnoot: bier (met minder hop).] oft bier gebrouwen,
natten geknocht [Zijnoot: biezen gevlochten.] oft huven,
hoenre vercocht ende duven--,
Si souden joncfrou willen sijn.
Een van deze dames, die door den dichter wordt begroet met _vrouwe_,
kijkt op hem neer zoo trotsch