[1] A.w. I, 1081-'97. De overeenkomstige plaats in de _Alexandreïs_, I,
365 seqq. luidt:
O patriae natalis amor, sic allicis omnes O quantum dulcoris habes!
fugitiva per altum Classis dum patriae raptim furatur alumnos, Sponte
licet properent Persarum invadere fines, Nec trahit invitos ad praedae
praemia ductor, Sola tamen revocat patriae dulcedo volentes, Nec sinit a
patria divelli mentis acumen, Sed dulces oculos animumque retorquet ad
Argos, Donec ab intuitu longe decrescere visus Europae defecit apex
portusque recessit.
[2] I, vs. 59-62.
[3] Vgl. de uitgaaf in mijne _Mnl. Ep. Fragmenten_, p. 57 vlgg., vs.
103-4, 110-112, 267-9, 316-7, 340, 547-550; bovendien hebben wij slechts
een deel der vertaling over.
[4] A.w. IV, 7325 vlgg.
[5] Over dat alles is uitvoerig gehandeld door JONCKBLOET in zijne
_Geschiedenis_, II, 218 vgg.; TE WINKEL in zijne _Geschiedenis_, bl.
218-229; voorts door VAN DEN BERGH en VERWIJS in hunne inleidingen. Ten
opzichte der dateering van den roman _van de Roos_ deel ik TE WINKEL'S
zienswijze. Was de roman _van Olivier van Spaengen_ (_Limb._, III,
800-807) misschien ook door HEYN VAN AKEN gedicht?
[6] KAUSLER, _Denkmäler_, III, 93.
[7] A.w. vs. 23394-23553.
[8] Vgl. over den _Roman de la Rose_, PETIT DE JULEVILLE a.w. II,
105-161.
[9] Vgl. de Inleiding van VERWIJS, XVI vlgg.
[10] Vgl. vs. 2992 (voor: "por nule riens vivant"); 4916; 7044 ("mainte
terre sauvage"). Paep Jans lant in vs. 1013-4, waar in het Fransch:
"trestous li ors de Romme".
[11] Vgl. VAN DEN BERGH'S _Inleiding_, IV.
[12] Vgl. den aanvang van boek II-IX.
[13] Vgl. _Limb._, VII, 1683-5 met _Flor. en Blanc._, Proloog, vs. 1-12,
65-75; _Limb._, XI, 642-5 met _Eerste Martijn_, vs. 430-1.
[14] _Limb._, I, 1316 vlgg.; het tooneel der "justicie" alleen in de 2e
bewerking van _Flor. en Blanc._ (het Fransche gedicht nl.), vs. 359-902.
_Lanc._, I, vs. 19208 vlgg.
[15] _Limb._, IV, 248-250 te verg. met _De Vier Heemsk._ (ed. MATTHES),
p. 26.
[16] _Limb._, X, 1013 vlgg. te verg. met _Lorr._ in _Mnl. Ep. Fragm._,
bl. 132-3.
[17] _Limb._, XI, 67 vlgg. te verg. met BLOMMAERT, _Oudvl. Ged._, I, 6
vlgg.
[18] _Limb._, IV, 1057-'69; 1298 vlgg.; III, 1159 vlgg. (1374-6).
[19] _Limb._, V, 374; VIII, 149 (een reus van 30 voet lang en 10 voet
breed); III, 1009; IV, 328; IV, 546-7; zie ook nog VIII, 574-5.
[20] _Limb._, III, 1248 vlgg.; V, 2105 vlgg.; VI, 59; VIII, 822 vlgg.;
X, 279 vlgg.
[21] Vgl. de uitgave van WILLEMS, _Introd._, VIII. Misschien was de
berijmer ooggetuige. (_Introd._, VII; vgl. echter vs. 8221).
[22] Vgl. vs. 3372-3; 4084-5; 4178 vlgg.; 4640 vlgg., 4746, 5627, 7808
vlgg., 8184, 8346 vlgg., 8410-12, 8537 vlgg. en tal van andere plaatsen.
[23] Vgl. Tweede Boek vs. 1 vlgg.; 5786 vlgg., 5851 (een paard dat
"Baiaert ghenoot" was), 8559 vlgg.; 4271 vlgg., 6025-8.
[24] Ik heb het oog op de dozijnen van uitingen gelijk die welke men
vindt o.a. in vs. 2679, 2954, 3102, 3155, 3418, 7652 vlgg., 8073 vlgg.
Vergelijkingen in vs. 1037, 1044, 3253, 3944, 5185, 5651.
[25] Uitvoerig en nauwkeurig is over VELTHEM'S kroniek gehandeld door
Dr. TE WINKEL in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 355-367. De
bovengenoemde verhalen vindt men: _Sp. Hist._, V, 1, 28-30, en VI, 4.
Over de H. Maagd VI, 32 en VIII, 34.
[26] Vgl. TE WINKEL a.w. bl. 170-171.
[27] Vgl. het slot van den proloog van Boek IV en het slot van dat Boek.
[28] Ik volg hier de uitgave en de inleiding van FRANCK.
[29] Vgl. TE WINKEL'S _Gesch. der Ned. Lett._, bl. 381-3. Het eerste
deel schijnt in het laatst der 13e of den aanvang der 14e eeuw
opgesteld.
[30] Vgl. Ed. BRILL, Boek X, 40-151 in verband met eene plaats uit Boek
IV. (I, p. 224): "God moet mi sijnre hulpen jonnen" enz.
[31] III, 1473-'78; Opdracht van Boek I.
[32] II, 644-'7; IV, 263 enz.
[33] Boek IV, vs. 1086 vlgg. en V, 96 vlgg.
[34] In twee der drie hss. van STOKE'S Kroniek lezen wij deze verzen in
plaats van VIII, 791-2.
[35] I, 76, 531.
[36] _Eerste Martijn,_ vs. 109-110, 665; _Sp. Hist._, III, 8, c. 93,
185.
[37] _Gedichten_, bl. 3, 180; 125, 174.
[38] _Oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen_ door E.
VERWIJS. (Utrecht. 1869). CXLVIII.
[39] _Registers en Rekeningen van het bisdom Utrecht_ door Mr. S. MULLER
FZ., I, 165.
[40] _Dietsche Warande_, IX, 147, 150. De naam _Nederland_ in de
vertaling van het _Nibelungenlied_ (II, vs. 11) heeft hier geen
bewijskracht, daar hij ook reeds in het origineel voorkomt.
[41] Vs. 131-'3.
[42] _Inl._ XXXVI-XXXVII.
[43] W.L. DE VREESE, _Bijdragen tot de kennis van het leven en de werken
van Jan van Ruusbroec_, bl. 10, 19.
[44] Vs. 3175-6.
[45] Vs. 1585-7.
[46] Ik dank de aanwijzing van deze plaats aan mijn vriend, Prof. PAUL
FRÉDÉRICQ te Gent.
[47] Ik deed hier mijn voordeel met de opsomming, door Dr. TE WINKEL
gegeven in zijne _Geschiedenis der Ned. Lett._, bl. 541-544.
Vergeten is daar het, voor de geschiedenis onzer taal zoo merkwaardig,
reglement voor de scheepvaart en de heffing der tollen op het Zwin,
afgedrukt in _Bijdragen tot de Oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid
van Zeeuwsch Vlaanderen_, V, 1 vlgg.
Opmerkelijk is ook, dat de oudste Cameraars-rekening in het Dietsch
eerst van 1361 dagteekent, terwijl er reeds eene Dordrechtsche
stadsrekening in de moedertaal is van 1284-'85. Ook hier zien wij het
Oosten des lands achteraankomen.
[48] WARNKÖNIG, _Hist. de la Flandre_, III, 171.
[49] _Belg. Museum_, II, 387.
[50] WARNKÖNIG a.w.
[51] _Belg. Mus._, II, 388-9.
[52] Vgl. VANDERKINDERE, _Siècle des Artevelde_, p. 31; PIRENNE a.w. I,
104; II, 7; I, 408 vlgg.
[53] Vgl. het artikel van POLS over Graaf JAN I in: _Bijdr. voor Vad.
Gesch. en Oudh._ en STOKE V, 222-'30.