Maerlant. Ridderpoëzie. Heyn van Aken. _Hughe van Tabarien_; _Roman van
de Roos_; _Roman van Limborch_. Jan van Heelu. _Slag bij Woeronc_.
Lodewijk van Velthem. _Flandrijs_. _Vlaamsche Rijmkroniek_.
_Brabantsche Yeesten_. Melis Stoke.
Op onzen weg door het verleden hebben wij tot dusver meermalen iets
aangetroffen, dat, uit deze volken oorspronkelijk voortgekomen of onder
hen opnieuw geboren, als het inheemsche tegenover het uitheemsche mocht
worden gesteld.
In de bewerkingen der ridderromans zagen wij hier en daar wel gevoel
voor het ridderwezen in zijn heroïek idealisme, zijn hoofschheid en
fijnheid, doch vaker het burgerlijke tegenover het ridderlijke, het
dorperlijke tegenover het hoofsche; uit gemis aan aesthetischen zin het
aanschouwelijke en beeldende opgeofferd aan de eischen van fatsoen en
zedigheid.
In den _Karel en Elegast_ bewonderden wij eenvoudig en zuiver gevoel,
sober en met naïeve kunst verwerkt. Het gedicht _Van den Levene ons
Heren_, de poëzie van WILLEM VAN AFFLIGHEM, vooral die van HADEWIJCH,
toonden ons innigheid van godsdienstig gevoel in bevallige vormen en de
hooge vlucht der ziel op sterke wieken des geloofs. Uit het verhaal _van
den vos Reinaerde_ sprak brutale zinnelijkheid naast scherpe waarneming
der werkelijkheid; daar vonden wij schalksche scherts en bitteren spot
in dienst der hekeling van maatschappelijke toestanden.
Bij MAERLANT zagen wij onverschrokken waarheidszin en sterk
rechtsgevoel; schoonheidszin onderdrukt door het verlangen om te
onderwijzen en te stichten, doch bijwijlen zich uitend krachtig en
bezield.
Men zou zulke eigenaardigheden en eigenschappen als het nationale
tegenover het uitheemsche of het internationale kunnen stellen. Doch men
zou zoo doende uit het oog verliezen, dat er in dezen tijd van het
nationale in den vollen zin des woords eigenlijk niet gesproken kan
worden, omdat uit de bewoners dezer landen nog niet eene natie, ééne
natie, was ontstaan.
De eigenaardigheden en eigenschappen waarop wij het oog hebben,
behoorden echter tot de elementen waaruit zich het Nederlandsch
volkskarakter mettertijd zou vormen. Eer het zoover kon komen, moesten
de onderscheiden volksgroepen hier te lande zich nauwer aaneensluiten.
Dat kon weer niet geschieden, voordat in elk dier groepen een inniger
samenhang ontstaan en het besef ontwaakt was van dien samenhang. Elke
groep moest zich bewust worden, dat zij, tegenover de andere, eene
eenheid vormde, eenheid van tongval, recht, zeden en gewoonten,
kleeding; eenheid ook ten opzichte van den grond, waaraan zij allen
eenig deel hadden, dien zij wilden verdedigen tegen indringers, waaraan
zij gehecht waren door de kracht der gewoonte en doordat zij er zich
thuis gevoelden.
MAERLANT is ook hier weer een vertegenwoordiger van zijn volk, dat hij
onder de eersten zich bewust wordt van die gehechtheid aan den
geboortegrond, die zulk een voornaam bestanddeel vormt van het
nationaliteitsgevoel. Tot die bewustheid is hij niet uit zich zelven
gekomen. GAUTIER DE CHATILLON heeft hem door zijne _Alexandreïs_ op die
gehechtheid aan den geboortegrond opmerkzaam gemaakt; doch GAUTIER'S
warme ontboezeming is door MAERLANT nagevoeld en op zelfstandige wijze
weergegeven in deze verzen:
Owi, here God, hoe macht sijn
Dat elken minsce int herte sijn
So soete dunct sijns selves lant?
Die Brabantsoen prijst Brabant
Ende die Fransois Vrankerike,
Die Duutsce dat Keyserrike,
Die Baertoene [Zijnoot: Bretagners.] prisen Baertaniën,
Die Tsampanoise Tsampaniën,
Also mint die vogel dwout,
Daer hi in hevet grote ghewout [Zijnoot: vrijheid.].
Al dademene in een waerme mute [Zijnoot: kooi.],
Mach hi, hi vlieghet ute.
Dus priset elckerlijc sijn lant.
Maerlant seide dat hi noit en vant
Also goet lant alse Bruxambocht [Zijnoot: het Vrije van Brugge.].
Ic waens hem daerbi heeft ghedocht,
Omdat hiere in was gheboren[1].
Zooals men hier ziet, toont MAERLANT eene ruime opvatting van het begrip
_geboortegrond_, waar hij over Frankrijk en Duitschland als het land van
_de_ Franschen, _de_ Duitschers spreekt. Doch daarnaast zien wij eene
beperkter opvatting, waar hij Champagne en Bretagne in één adem met
zulke landen noemt. Met die beperkter opvatting strookt, dat hij Brabant
als een land op zich zelf en het Vrije van Brugge als zijn geboortegrond
voorstelt.
MAERLANT zal hier wel de opvatting van de meeste zijner tijdgenooten
hebben weergegeven.
De dichter van den _Reinaert_ moge een enkele maal den blik laten weiden
over het groote laagland "tusschen de Elbe en de Somme", HADEWYCH hare
geestverwanten hebben gehad in Thuringen en Saksen, geestelijken en
clercken als MAERLANT een deel van Europa hebben omvat met hun blik--de
groote meerderheid des volks bleef naar lichaam en geest gevangen binnen
den kring van de eigen stad of de streek, waar zij geboren waren. De
blik der meesten werd beperkt door de grenzen van het graafschap of
hertogdom, waartoe zij behoorden, en richtte zich betrekkelijk zelden op
naburige landen en volken.
Het gevoel van gehechtheid aan den geboortegrond, zoo licht zich
uitzettend tot trots op dien grond, dat wij omstreeks het midden der
13de eeuw in MAERLANT aantreffen, kunnen wij in het laatst dier eeuw en
in den aanvang der volgende ook elders in deze landen waarnemen. In
Limburg, Brabant, Vlaanderen, die landschappen dus, waar het
letterkundig leven tot nog toe hoofdzakelijk zich had ontwikkeld, zien
wij het volksgevoel ontwaken en zich uiten in den roman _van Limborch_
en den _Flandrijs_, in JAN VAN HEELU'S verhaal van den _slag bij
Woeringen_, in het werk van VELTHEM en de Kroniek van MELIS STOKE.
Opmerkelijk, doch niet onverklaarbaar, is, dat wij in de meeste dezer
werken het volksgevoel--of beter: het stamgevoel--verbonden zien met de
verheerlijking van den adel, dat de vorm dier werken ons herinnert aan
dien der ridderromans, dat de dichters dezer werken grootendeels in vrij
nauwe betrekking staan tot den adel. Het zelfbesef der edelen, de
ingenomenheid met eigen geslacht en de zucht om den roem van dat
geslacht te verhoogen, vinden wij op groote schaal terug bij een
ganschen stam. Zoo kwam een dichter er toe, de verheerlijking van een
geslacht uit te breiden tot den stam, waarover dat geslacht regeerde.
Een staaltje van dergelijke uitbreiding vinden wij in een 14de-eeuwsch
dichtwerk over den Grimbergschen oorlog, een strijd tusschen de machtige
heeren van Grimbergen en de hertogen van Brabant. De bedoeling van den
dichter was natuurlijk: eene verheerlijking van het geslacht van
Grimbergen. Doch in die verheerlijking krijgt ook de gansche adel en het
gansche Brabantsche volk deel, zoodat wij reeds in den aanvang vernemen,
dat "die van Brabant" gekomen zijn "uut dien van Troyen[2]." Langs dien,
ook later niet zelden gevolgden, weg verhief men een gansch volk tot den
adelstand.
Wij worden in onze overtuiging van de juistheid dezer voorstelling
versterkt, wanneer wij er op letten, hoe in de oorspronkelijke
ridderpoëzie de liefde tot het eigen land zich reeds openbaart. Toont de
onbekende dichter der _Chanson de Roland_ niet eene sterke liefde voor
"dulce France"? Het zou geen wonder zijn, dat menig hoorder der
Nederlandsche bewerking zich bewust is geworden van de liefde tot zijn
geboorteland, waar hij ROELANT hoorde zeggen:
Dan wille God niet, dat ghesciet,
Dat soete Vrankrike bi mi
Sijn eere verliese, hets soe vri!
of waar hij dergelijke uitingen elders hoorde terugkeeren[3].
In geen, te onzent vertaalden of bewerkten, ridderroman echter vond ik
de liefde tot een bepaald land en zijne inwoners zoo diep gevoeld, zoo
uitvoerig in wezen en werking beschreven, als in den roman _van
Lancelot_, in deze verzen:
Alsi ter zee quamen mettien,
Begonste Lancelot dat lant besien,
Daer hem in was menege ere
Gedaen ende oec vele mere
Dan oit daer vore was, sonder waen,
Enegen riddere allene gedaen.
Hem begonste lopen sere
Die trane op sirie lire [Zijnoot: wangen.],
Ende hi versuchte doe sware
Ende weende sere daernare.
Alsi aldus hadde gewesen
Ene wile, hi sprac na desen
Stillekine, so dat dese word
Nieman en verstont dan Bohort:
"Ay soete lant ende godertire
"Ende mergelijc [Zijnoot: vreugdevol.] in alre manire,
"Wel sittende ende blide mede,
"Vol van alre geluckechede,
"Daer min geest in blivet geellike [Zijnoot: geheel en al.]
"Ende mine ziele dier gelike,
"Gebenedijt moetstu talle stonde
"Wesen van Jhesus Kerst monde,
"Ende gebenediet soe sijn si
"Dire in bliven selen na mi
"Ende wonen selen in desen lande!
"Sijn si mi vriende oft viande,
"God mote hen pays geven
"Ende met rasten [Zijnoot: rust.] doen leven!"
...
...
Dit waren sine worde die hi sprac,
Alsi uten lande van Logres trac.
Hi sach ten landewaerd nadien,
Alse lange als hijt conde gesien[4].
Hoe modern reeds schijnt ons dit afscheid van een land dat ons lief
geworden is: die tranen langs de wangen, die zuchten, die gefluisterde
zegenwensch, dat staren naar de wijkende kust! Hoe modern reeds, al
hooren wij hier slechts een flauw voorspel van dergelijke poëzie in
lateren tijd, wanneer CHILDE HAROLD zijn "native shore" vaarwel zal
zeggen.
Den samenhang nu tusschen ridderlijke romantiek en een kiem van
nationaliteitsgevoel, dien wij in het _Roelants-lied_ en den roman _van
Lancelot_ kunnen opmerken, vinden wij ook in de meeste bovengenoemde
Dietsche dichtwerken en dichters. De _Limborch_ en de _Flandrijs_ zijn
ridderromans; HEYN VAN AKEN, dichter van den _Limborch_, toont ook
elders sympathie voor het ridderwezen; de _Slag van Woeringen_ is half
ridderroman half kroniek, de dichter van dat werk, JAN VAN HEELU, zal
wel tot het gevolg van JAN I, hertog van Brabant, behoord hebben; de
edelman LODEWIJK VAN VELTHEM zet wel MAERLANT'S _Spieghel Historiael_
voort, doch is tevens de samensteller van de Lancelot-compilatie. De
_Vlaamsche Rijm-Kroniek_, de _Brabantsche Yeesten_ en MELIS STOKE'S
_Rijmkroniek van Holland_ zijn zuiver-historische werken; doch men
vergete niet, dat deze werken ten deele strekken moesten om de
aanzienlijke afkomst der over die landen regeerende vorstenhuizen te
betoogen, en dat de adel zelf grootendeels aan de historie zijn recht
van bestaan ontleende.
De dichter van den _roman van Limborch_, HEYN VAN AKEN, was vermoedelijk
in Brussel geboren en tijdens zijn leven pastoor van Corbeke bij Leuven.
Wij kennen drie werken van hem; twee vertaalde: _Hughe van Tabarien_ en
den roman _van de Roos_; een oorspronkelijk: den _roman van Limborch_.
Het laatste is door hem waarschijnlijk geschreven tusschen 1291-1318;
het middelste misschien omstreeks 1300 terwijl hij de bewerking van den
_Limborch_ eenigen tijd liet rusten; de dagteekening van het eerste is
onzeker. De dichter moet vóór 1330 gestorven zijn; zeker niet zoo heel
lang na de voleindiging van den _Limborch_[5]. In den aanvang van het
Tiende Boek immers stelt hij zich aan zijn publiek voor als een oud man:
hij is versleten, het vesperklokje gaat voor hem luiden, zijn eenig
genoegen "leit in de scotele ende in den nap"; voor de minne deugt hij
niet langer, erover praten is al wat hij kan. Hij moge dan pastoor
geweest zijn, aan het slot van zijn _Hughe van Tabaryen_ schreef hij:
Dit hevet ghedicht, te love ende theeren [Zijnoot: ter eer.]
Allen rudderen, Heyne van Haken[6].
Daaruit blijkt wel, dat hij met den adel op goeden voet stond of
wenschte te staan. Het oorspronkelijk gedicht _De l'Ordene de
Chevalerie_ in 36 achtregelige strofen, bevat eene uiteenzetting van het
ridderwezen en van de symbolische beteekenis der plechtigheden bij de
ridderwijding. Evenzoo behelst de roman _van de Roos_, vooral in zijn
eerste deel, eene uiteenzetting van het wezen der hoofsche liefde.
Daarom is de tweede titel van dezen roman, dien wij in het werk zelf
vinden: nl. _Spieghel der minne_, zooveel juister, omdat hij het wezen
van het boek beter aanwijst. Naspeuren en uiteenzetten van het wezen der
dingen--dat was de geest der burgerij, die misschien ook over een deel
der edelen vaardig werd. Het kenschetst echter dit tijdvak van overgang,
dat die geest zich hier richtte op de instelling van het ridderwezen en
op den hartstocht die vooral door den ridderstand tot eene soort van
eeredienst was verheven. Trouwens den ganschen opzet van den _Roman de
la Rose_: een minnaar die eene roos (symbool der geliefde) wil machtig
worden, maar daarin door zijne gevangenschap verhinderd wordt, vindt men
reeds in den roman _van Lancelot_[7].
Doch er is in dit werk behalve den opzet nog meer gewichtigs, waarvan
wij hier het een en ander moeten mededeelen.
Het oorspronkelijk gedicht dankt zijn ontstaan aan twee dichters:
GUILLAUME DE LORRIS en JEAN DE MEUNG; het werk van den eerste dagteekent
van omstreeks 1225-1230, en is omstreeks 1270 door den tweede
voortgezet. Tusschen die beide dichters bestaat een groot verschil.
GUILLAUME DE LORRIS, uit de school van CRESTIENS DE TROIES, is een
elegant prediker der hoofsche liefde, een vereerder der vrouwen, een
bevallig kiesch dichter, die voor edele heeren en hoofsche vrouwen
schrijft--JEAN DE MEUNG is een geleerde met een scherp verstand, een
open oog voor de werkelijkheid in al hare naaktheid, onbevangen,
sceptisch, niet zelden cynisch, die de vrouwen minacht. GUILLAUME leert
hoe men de vrouwen moet winnen, JEAN hoe men ze moet bedriegen. Ook JEAN
is een begaafd dichter, maar zonder zelfbedwang of kieschheid. Geeft het
eerste deel van den roman ons vooral eene "minnekonst"; in het tweede
vinden wij de minne verbonden met allerlei anderslachtigs: wijsbegeerte,
godgeleerdheid, natuurwetenschap, satire tegen de vrouwen, de
geestelijke orden, de grooten, de koningen zoodat wij aan onzen MAERLANT
gaan denken[8].
Van dien aard is het werk dat door HEYN VAN AKEN half bewerkt half
vertaald is. Hij heeft vrij wat bekort, vrij wat weggelaten; bekort zijn
de wijdloopige redeneeringen hier en daar, zoo ook eene beschrijving der
kunstmiddelen van het vrouwelijk toilet, eene opsomming van
voorschriften aangaande de wellevendheid. Weggelaten is de uitweiding
waarin JEAN DE MEUNG zich verontschuldigt dat hij de vrouwen harde
waarheden heeft moeten zeggen, de uitweiding over den strijd tusschen de
Natuur en den Dood, vooral de 4000 verzen lange biecht der Natuur "de
omni scibili", de mededeelingen over de kracht van het Medusa-hoofd, de
uitval tegen de Dominicaner-orde[9]. Hier en daar vinden wij een
eenigszins karakteristieke afwijking; zoo b.v. waar de bewerker spreekt
van "al 't goet van Sassen", waar hij den Rijn in de plaats stelt van de
Seine, of Poitou en Engeland in zijn gedicht brengt[10]. Doch overigens
vertoonen zijne vrij goede en vloeiende verzen weinig dat het karakter
van den bewerker of dat van zijn volk kenschetst.
Meer van hem zelven vinden wij in den _Limborch_, al kan dat werk
slechts met aanzienlijke beperkingen oorspronkelijk worden genoemd. Dat
tekort aan oorspronkelijkheid blijkt niet uit het telkens herhaald
beroep op het Walsch. "Als ict in den Walsche las" en dergelijke
uitdrukkingen dienden slechts om achtbaarheid aan zijn werk te geven of
om hem aan een slot te helpen: "want dWalsch en seges mi nemmeer".
Er was hier een historische kern in de persoon van Hertog HENDRIK IV van
Limburg die in 1227 keizer FREDERIK vergezelde op een tocht naar het
Heilige Land. De dichter heeft dezen hertog echter verward met HENDRIK I
die in 1206 te Constantinopel tot keizer werd gekroond en bovendien de
geschiedenis zoodanig met sagen of eigen verdichtselen omhuld dat het
geheel niet meer dan eene fabel kan geacht worden[11]. Hoofdzaak was
voor den dichter de verheerlijking van het huis van Limburg door middel
van een rijmwerk. Om dat rijmwerk te kunnen samenstellen, had hij stof
noodig; die stof heeft hij uit zijne herinneringen aan vroegere werken
samengebracht en op de gebruikelijke wijze verwerkt.
Zoo ontstond, niet uit het leven, maar uit boeken, dit doodgeboren kind
van belezenheid en gunstbejag.
Menig dichter vóór hem had zijn werk vervaardigd ter eere eener
jonkvrouw die hij liefhad, HEYN VAN AKEN blijft in dezen niet in
gebreke. Doch hij weet zich niet te hoeden voor het gevaar, dat
navolgers dreigt: hij tracht zijne voorgangers te evenaren, doch
overschreeuwt hen. Hadden zij een enkelen keer gewag gemaakt van de
schoone, ter wille van wie zij hun werk ondernamen, hij herhaalt zulke
betuigingen door acht boeken heen[12]. Kwam zijne "joncfrouwe
ongheveinst" misschien uit hetzelfde Walsch, waaruit hij zijn roman
vertaalde? DIEDERIC VAN ASSENEDE had gezegd, dat de liefde slechts voor
hoofsche lieden is weggelegd--HEYN VAN AKEN praat het hem
na. Waar hij elders eene omschrijving der minne wil geven, bedient hij
zich van een paar verzen uit MAERLANT'S _Eerste Martijn_ [13].
Allerlei motieven, toestanden, namen in zijn werk zijn aan vroegere
werken ontleend; namen als SIBILLE, MORANT, JONET, EVAX, FROMOND vinden
wij terug in het verhaal _van koningin Sibille_, in den _Lancelot_ en
den _Merlijn_, in de _Lorreinen_, den _Lapidarius_ van bisschop
MARBODEUS van Rennes. De verhouding tusschen den gravenzoon ECHITES en
de gewaande dienstmaagd MARGRIETE VAN LIMBORCH is geheel dezelfde als
die tusschen den koningszoon FLORIS en BLANCEFLOER, de dochter der
Spaansche edelvrouw, die kameniersdienst moet doen; ook de toorn der
moeder over die verhouding, de list, aangewend om een eind te maken aan
die liefde, de redding van het meisje door haren minnaar op het
hachelijkst oogenblik, zijn in beide werken gelijk. Trouwens ook in den
_Lancelot_ vinden wij eene jonkvrouw "al naect in haer hemde gedaen" te
midden eener menigte, die de "justitie" wil zien, totdat LANCELOT het
meisje bevrijdt[14]. ECHITES werpt zijn vaders kok op het vuur, omdat
deze niet doet wat hij gelast--iets dergelijks doet REINOUT in den roman
der _Vier Heemskinderen_ [15]. Het gevecht met den draak herinnert aan
dat met den vogel grijp in de _Lorreinen_[16]. Het koningspel hier doet
denken aan iets dergelijks in SEGHER'S _Prieel van Troyen_[17]. Van dien
aard zou meer te noemen zijn, doch het is onnoodig.
Dat in een gedicht, bestemd voor een Limburgsch publiek, niet alleen
Fransche, maar ook Duitsche dichtwerken op cijns gesteld werden, is
licht verklaarbaar. Zoo vinden wij hier dan ook de namen van het zwaard
Mimminc, van den smid WILANT, van den koenen held WEDEGE (WITTICH); eene
herinnering aan de Nibelungen (de "drie meerwiven"), misschien ook aan
TANNHÄUSER en zijn verblijf in den Venusberg[18].
HEYN VAN AKEN mocht al beweren, dat zijn held ECHITES ROELANT en OLIVIER
overtrof en aan zijne reuzen ongeloofelijke afmetingen geven--zijn werk
kreeg daardoor niets van het heroïeke of ideale, dat echte ridderpoëzie
toch altijd eenigermate bezit. Een ridder, die uitgedaagd wordt tot een
tweegevecht, vraagt uitstel, om in dien tijd schermen te leeren! Is dit
bedoeld als een grap? Dan nog blijft die grap kenschetsend. MARGRIETE
VAN LIMBORCH vergelijkt den jongen graaf ECHITES bij een ouden hond, en
dat nog wel terwijl zij van minne spreken. Wanneer ECHITES in een
tournooi de overige ridders voor zich uitdrijft, wordt HEYN VAN AKEN
warm; een beeld ontstaat uit dien gloed: ECHITES is gelijk den stroom,
die turven stroomafwaarts voert[19].
In de lange gebeden zijner ridders kon de samensteller van den
_Limborch_ andere romandichters wel navolgen, doch hij vermocht niet die
te bezielen met de naïeve vroomheid die den _Karel en Elegast_ zoo
aantrekkelijk maakt. Maar in geleerdheid overtrof hij de meeste zijner
voorgangers; de lauweren van JEAN DE MEUNG lieten hem blijkbaar geen
rust. Hij kent VENUS, JUNO, PALLAS, de drie Parcen, CUPIDO met fakkel en
speer; hij is ver in aardrijkskunde, hij weet van Narcissus, van Ulysses
en Penelope, hij onthaalt ons op een staaltje van de allegorie waarmede
de _Roman van de Roos_ zoo vervuld is[20].
Ja, indien geleerdheid de waarde van poëzie verhoogde en andermans
veeren zoo goed waren als eigene, dan zou HEYN VAN AKEN met zijn
_Limborg_ eer hebben ingelegd. Echter, niet zoozeer dat hij zijne stof
van anderen ontleende, komt in zijn nadeel; doch dat hij die ontleende
stof niet tot zijne eigene heeft weten te maken, dat zijn rijmwerk
weinig of niets eigens vertoont.
Dat geldt ook van den _Slag bij Woeringen_.
De strijd tusschen JAN I VAN BRABANT en REINOUT VAN GELRE om het bezit
van Limburg, in 1288 beslist door eene overwinning der Brabanders, werd
omstreeks 1291 verheerlijkt door een rijmer die misschien JAN VAN HEELU
heette en wel een van hertog JAN'S menestreelen kan zijn geweest[21].
Meer nog dan de _Limborch_ was dit gedicht er op berekend, de roemzucht
van den adel te streelen en te prikkelen. Voortdurend deelt de schrijver
ons mede, dat hij gewag maakt van deze of gene ridders, opdat men "hare
daden ewelike gedincken sal." Elders heet het: "zoo groote condicheit"
(stoutheid) werd nooit gezien als voor Woeronc; meer dan eens
verontschuldigt hij zich dat hij niet alle ridders bij name kan noemen;
ook van dappere vijanden verzwijgt hij de namen niet. Geen wonder dat
het aantal namen hier legio is en nog--zegt de auteur--verzwijg ik de
namen van velen die even dapper in den strijd waren of nog dapperder dan
de genoemden[22].
Wat HOMERUS niet kon: poëzie maken van een catalogus, kon ook deze
schrijver niet. Wat HEYN VAN AKEN kon: slaafs overnemen van anderen, dat
kon ook hij. Dat hij bij de samenstelling van zijn werk onder den
invloed was zijner lectuur, blijkt o.a. in den aanvang van het Tweede
Boek, waar hij zegt dat de daden der Maccabeën, van "Roelant ende sine
gesellen", van WALEWEIN, PERCHEVAEL en ALEXANDER niet zoo grootsch en
indrukwekkend zijn geweest als de daden in den slag bij Woeronc
bedreven. De wijze waarop de schrijver van dit rijmwerk den
aartsbisschop van Keulen doet optreden, herinnert hier en daar levendig
aan het gedrag van bisschop TULPIJN in het _Roelands-lied_; op een
andere plaats blijkt dat bisschop TULPIJN hem onder het schrijven
inderdaad voor den geest stond[23]. Poëzie is in dit verhaal nergens te
vinden, wel herhaalde uitingen waaruit blijkt dat de stof den rijmer
overweldigde. Tevergeefs heeft hij getracht aan zijne verzen hier en
daar door een vergelijking meer verheffing te geven[24].
Het verhaal van den _Slag bij Woeringen_, schreven wij
hierboven, is half ridderroman half rijmkroniek. Die beide dichtsoorten
vinden wij eveneens, doch onvermengd, in LODEWIJK VAN VELTHEM'S werk.
VELTHEM zette MAERLANT'S _Spiegel Historiael_ voort op verzoek eener
aanzienlijke Antwerpsche edelvrouw, MARIA VAN BERLAER, en voor loon. Wij
vinden in zijne kroniek de geschiedenis van Holland, Brabant,
Vlaanderen, ook die van zijn eigen tijd, ten deele volgens hetgeen hij
zelf gezien of van ooggetuigen vernomen had. Voor de kennis van de
ontwikkeling onzer literatuur is dit geschiedwerk van geringe
beteekenis. Slechts een paar maal, zooals b.v. in het verhaal van den
Leuvenschen kampvechter en in dat van een mirakel dat te Velthem gebeurd
zou zijn, vinden wij in de levendigheid en natuurlijken eenvoud van
stijl iets dat naar literaire kunst zweemt. Een paar andere groene
plekjes zijn die waar hij, den lof der Heilige Maagd zingend, verzen
schrijft die voortvloeien met zekere natuurlijke bevalligheid[25].
Tien jaar later, in 1326 namelijk, voltooide VELTHEM, in MAERLANT'S
voetspoor tredend, een ander werk: het _boek van koning Artur_, dat zich
bij den _Merlijn_ aansluit. Vertaling van een Fransch _Livre du roi
Artus_, bevat het de verdere geschiedenis van ARTUR en MERLIJN en hoe de
machtige toovenaar ten slotte, verstrikt in zijne liefde tot de fee
VIVIANE, door haar met zijn eigen tooverkunsten gebannen wordt binnen
een toovercirkel in het woud van Broceliande[26].
Het eenige dat opmerking verdient in deze vertaling, is de indruk dien
MERLIJN'S geschiedenis op VELTHEM ten slotte heeft gemaakt; indruk dien
hij weergeeft in deze regels:
Wat mach men daer meer af seegen dan?
Negeen dinc, so help mi God,
Dan dat hi was een fijn sot;
Al heet hi vroet ende conde vele,
Nochtan heeften een wijf bij horen spele
Datsi hem toende menechfoude,
Bracht in 't nette daer si woude.
Wat zou DIEDERIK VAN ASSENEDE wel gezegd hebben van zulk eene opvatting
der liefde?
Over VELTHEM als compilator van de in den _Lancelot_ vereenigde
ridderromans spraken wij vroeger reeds. Zoolang wij de samengevoegde
werken niet in hunnen oorspronkelijken vorm kunnen vergelijken met dien
waarin zij hier voorkomen, kan over VELTHEM'S werk in dezen geen afdoend
oordeel worden geveld. Doch zóóveel kunnen wij ook nu reeds zien: dat de
onderscheidene verhalen zijn aaneengeschakeld zonder eenige kunst met
een: "nu doet d' aventure verstaen," d' avonture seget hier ter steden"
of dergelijk tusschenvoegsel. Ook dat de compilator weinig op den
samenhang van zijn werk gelet schijnt te hebben, daar hij in het Derde
Boek PERCHEVAL doet optreden, nadat deze in het Tweede Boek overleden
was. Op een paar plaatsen blijkt, dat de "clerc" VELTHEM zich bezwaard
gevoelde over het berijmen van "alle dese wereltlike daden", waarvoor
hij God en MARIA om vergeving bidt[27]. Geen werk eindelijk is er in
dezen tijd aan te wijzen, dat zoo krioelt van stoplappen als deze
compilatie; in dat opzicht wordt VELTHEM misschien door niemand onder de
Dietsche rijmers der middeleeuwen overtroffen.
Wat HEYN VAN AKEN voor de Limburgers had gedaan, werd in het eerste
kwart der 14de eeuw door een onbekend auteur voor de Vlamingen verricht
met de bewerking van den ridderroman _Flandrijs_. Indien men ten minste,
wat mij hoogst waarschijnlijk voorkomt, dezen naam moet vertalen met
_Vlaming_ en dat werk als eene, zij het ook zwakke, uiting beschouwen
van het Vlaamsch nationaliteitsgevoel[28]. Evenals de _Limborch_ is ook
de _Flandrijs_ een gebrekkig samenstel van allerlei bestanddeelen,
grootendeels ontleend aan vroegere ridderromans: _Ferguut_, _Walewein_,
_Moriaen_, _Torec_, _Historie van Troyen_. Ook hier vinden wij bedreigde
en verloste jonkvrouwen, den zoon van een gastheer gedood, gevechten met
roofridders en reuzen enz. Het godsdienstig gevoel in den _Flandrijs_
schijnt sterker dan het gevoel voor het ridderwezen. Een ridder,
doormidden gehouwen "zooals men het een varken doet," brengt ons naar
den slagerswinkel; de aanprijzing van het Christendom hier en daar en
een lang gebed geven het werk iets stichtelijks, wat men niet kan zeggen
van FLANDRIJS, die door het teeken des kruises een gebraden kapoen van
de tafel doet opvliegen.
Van Vlaanderen is sprake in een rijmkroniek, die ongeveer ter zelfder
tijd als de _Flandrijs_ werd vervaardigd en hier slechts om dat
nationale element even vermeld kan worden[29].
Gewichtiger is MELIS STOKE'S _Rijmkroniek van Holland_, aangevangen
waarschijnlijk in het laatste twintigtal jaren der 13de eeuw, voortgezet
en voltooid in het jaar 1305.
STOKE'S werk ontstond uit dezelfde beweegredenen als de andere in dit
hoofdstuk behandelde werken, doch die beweegredenen zijn hier
samengesteld op eigenaardige wijze. Verheerlijking van het regeerend
gravenhuis was een dier beweegredenen. Vandaar dat het eerste deel
zijner kroniek is opgedragen aan Floris V, het voltooide werk aan graaf
Willem III, wiens "armen clerc" (secretaris) hij zich noemt. Vandaar dat
hij aantoont en met nadruk verzekert, dat het Hollandsche gravenhuis
"van edelen tronke begonde". Maar, in tegenstelling met JAN VAN HEELU,
onthoudt hij er zich van, de roemzucht des adels te prikkelen, door hen
bij name te noemen. Daar zien wij misschien weer het verschil tusschen
"menestreelen" en "clercken". Hij verklaart openlijk, dat hij niet bij
name wil noemen:
Die van den stride was de bloeme
Of de quaetste of de beste
uit vrees dat men hem mocht beschuldigen van afgunst, van winzucht; uit
vrees ook--het kenschetst den tijd--dat hij vervolgd en doodgeslagen zou
worden[30]. Liefde voor zijn land dat hij verdedigt tegen de aanmatiging
der Henegouwers, belangstelling in de geschiedenis van dat land en zijne
bewoners behooren evenzeer tot zijne beweegredenen[31].
De beide eerste boeken en misschien een deel van het derde bevatten
weinig meer dan eene vertaling van het _Chronicum Egmundanum_; het
overige deel van het werk berust, naar het schijnt, hoofdzakelijk op
mondelinge overlevering en op hetgeen hij zelf had bijgewoond. Van
poëzie is ook bij STOKE weinig sprake, maar toch meer dan bij HEYN VAN
AKEN of HEELU. Waar STOKE warm wordt, vergelijkt hij ten minste geene
ridders bij turven. Eerbiedige bewondering voor SOPHIA, gravin van
Holland, en voor JAN VAN BRABANT ontlokt hem verdienstelijke verzen als
deze:
Haer herte was een grondeloos wael [Zijnoot: bron.]
Van miltheit ende van ontfarme,
Van soeticheit op de Gods arme,
Van wakene, van pinen in ghebede
en:
Ja! hoech man was hi, weet men wale,
Beide in der daet ende in de tale[32].
Maar het beste brok van zijn werk is zeker het verhaal van FLORIS DE
VIJFDE'S gevangenneming en dood. Daar hooren wij oprecht gevoel zich met
naïeve warmte uiten in eenvoudig-zuivere taal. Treffend is b.v. de
ontzetting van des graven "arme clerc" over het feit, dat men de hand
heeft durven slaan aan een zoo hoog heer:
Deus, here God, wat hi dochte,
De des eerst ghewaghen durste,
Dat men also groot een vurste
Soude vanghen of verslaen!
Ook zijne klachten en verwijten tot de samengezworenen:
Ay Herman! bi wat zaken
Wilstu der quader name ontfaen?
Was di niet ghenoech ghedaen?
...
Ende du Gheraert, felle man,
Droeghes oec sine cleder an,
Du hads van kinde met hem ghewesen.
Zijn medelijden met den graaf die al te goed van vertrouwen, was:
Hi waende, hem sijn volc ghemene
Ghetrouwe waren, groot ende clene.
Ay lasi! hi ne mocht niet weten,
Dat hi van binnen was beseten.
...
Zijne naïeve bewondering van de trouw, door FLORIS' jachthonden
betoond aan het lijk van hunnen meester[33].
Deze en dergelijke verzen maken AMELIS STOKE niet tot een dichter van
beteekenis, neen zeker! Maar zij vermogen toch in den nacht der
vergetelheid een flauw lichtglansje te verbreiden om den naam van den
eersten Hollander die zich met bewustheid Hollander heeft gevoeld, den
eersten ook die in de geschiedenis onzer letterkunde den naam van
Holland heeft doen opklinken.
Hollander gevoelde STOKE zich, doch vooral Hollander die min of meer
vijandig gezind was jegens de bewoners van andere graafschappen of
hertogdommen in het Dietsche land. Hoe stelt hij zijn volk reeds
tegenover het Vlaamsche volk, waar hij beweert dat de Vlamingen, anders
dan de Hollanders, nooit hun verlies willen erkennen:
Verliesen wi, wi gheliën [Zijnoot: ten volle erkennen.] wale;
Die Vlaminc hevet ander tale:
Verliest hi, hi ne liëts [Zijnoot: erkent.] niet
...
...
Het is der Hollanders maniere:
Verliesen si drie manne ofte viere,
Si seggen liever meer dan min--
Die Vlaminc messaect [Zijnoot: loochent.] int beghin[34].
Zijn afkeer van de Vlamingen is zeker niet verminderd door hun inval
in Holland die eerst bij het Manpad gestuit werd.
Niet veel vriendelijker is STOKE gezind jegens de Friezen en Saksen,
voor hem één volk (immers "die Nederzassen heten nu Vriesen"). In den
aanvang zijner Kroniek spreekt hij minachtend over het "onbeschaamde
Friesche volk dat niets van historie weet"[35]. STOKE'S tijdgenoot,
MAERLANT, denkt evenzoo over de "wilde Saksen" en "ruwe Friezen"[36].
Een eeuw later zal de Hollander WILLEM VAN HILLEGAERSBERCH nog in
denzelfden geest spreken[37]. En hoeveel wrok en minachting open baren
zich in deze woorden van den "clerc uten lagen landen" waar hij in zijne
Kroniek gewaagt van de Friezen bij het lijk van den gesneuvelden
Roomsch-Koning WILLEM II van Holland: "dese Vriesche honden en wisten
niet dathet coninc WILLEM die edel man was... ende liepen over hoop
daeromme staen als beesten."
Maar hoe geminacht ook door de Hollanders, de Friezen verdedigden hun
vrij land daarom niet minder krachtig tegen elken indringer. Telkens
doen de Hollandsche graven pogingen zich van Friesland meester te maken,
doch gewoonlijk trekken zij aan het kortste eind. WILLEM IV sneuvelt met
de bloem van zijn edelen bij Stavoren. Een halve eeuw later komt Graaf
ALBRECHT die nederlaag wreken: bij Schoterzijl worden de Friezen
overwonnen. Zonder genade woedt het gevecht, geen losprijs wordt
geboden, geen lijfsbehoud gegeven: alles wat den Hollanders in handen
valt, wordt meedoogenloos over de kling gejaagd; in het heetst van den
strijd valt ook de dappere Friesche aanvoerder, de vermaarde edelman
JUWINGA, die, als koning SAUL weleer, een hoofd boven de anderen
uitstak[38].
Toch was de uitslag van dien tocht gering; de Friezen werden niet tot
gehoorzaamheid gebracht. Zij bleven naijverig op hunne zelfstandigheid
en ongezind vreemde machthebbers van welken aard ook te erkennen.
Getuigenis daarvan gaven reeds vroeger (1327) die parochianen van
Bolsward, die weigerden een hun uit Utrecht gezonden rector der Kerk te
ontvangen en te erkennen, omdat hij geen Fries was[39].
Eene verdeeldheid als die tusschen Brabanders en Gelderschen, Vlamingen
en Hollanders, Hollanders en Friezen zag men ook elders in deze "lage
landen". Het meervoud in dezen bekenden naam verdient aandacht, want
inderdaad bestond er nog niet één land dat _Nederland_ heette. In naam
bestond het wel. In een allegorisch gedicht uit de tweede helft der 14de
eeuw wordt gezegd, dat de knapen van zekeren HER ERENTRIJC waren
... al van eenen gheslachte
Gheboren al ut Nederlant.
Ook als strijdleus vinden wij dien naam daar gebezigd:
Daer mochtmen die tyene horen
Lude roepen: "Nederlant!"[40]
Doch het was slechts een naam. Landseenheid berustend op volkseenheid,
lag nog ver af, als een kust die men over de wateren ziet blauwen. Maar
toch niet zóó ver, of men kon er een paar vooruitstekende punten van
onderscheiden: wordende eenheid van taal en wordende betrekking tusschen
volk en landsheer.
De verdeeldheid tusschen de onderscheidene volksdeelen hier te lande
spiegelde zich af in het verschil van tongvallen of "tongen", zooals men
toen zeide. Men voelde zich Vlaming, Brabander, Hollander, Zeeuw; een
enkele besefte ook dat er verschil was tusschen de talen in die
onderscheidene deelen des lands gesproken. In zijn _Leven van Sint
Franciscus_ zegt MAERLANT:
Men moet om de rime souken
Misselike [Zijnoot: onderscheidene.] tonghe in bouken:
Duuts, Brabants, Vlaemsch, Zeeus[41].
Met _Duuts_ zal hier wel _Hollandsch_ bedoeld zijn in den eigenlijken
zin des woords.
In den _Spieghel Historiael_ lezen wij:
Int ander jaer dat Karel de jonge,
Die grouf [Zijnoot: (grof) dik.] hiet in somege tonge.
...
Echter, indien MAERLANT het verschil van tongvallen besefte, hij was er
zich tevens van bewust, dat er tegenover of boven die tongvallen een
algemeen Dietsch bestond. In zijn _Naturen Bloeme_ stelt hij op meer dan
een plaats het Vlaamsch of "_ons_ Dietsch" tegenover _het_ Dietsch[42].
Een tijdgenoot van RUUSBROEC, Heer GERAERT, prior van een
Karthuizer-klooster spreekt van "brabantsch dietsch" en zelfs van
"brusselsch dietsch" in deze opmerkelijke woorden: "Oec is te merken dat
dese boeken (van RUUSBROEC) ghemaect sijn in onvermingheden
bruesselschen dietsche, soe datter luttel latijnscher ofte walscer
woerden ofte van enighen anderen tale in sijn ghesaeit. Ende oec is dat
selve brueselsche dietsche volcomenre hier in gheset dant daer die
lieden ghemeinlic spreken, in dien dat si dicwile in hare tale
vernieuten ofte minderen haer pronominael artikelen bi desen exempelen:
Als si souden seggen _dat ierste, dat anderde, dat derde, dat vierde_,
soe laten si ghemeinlic after die twie letteren van dien artikele _dat_,
ende segghen: _dierste, dandere, derde, tfierde_, ende des ghelijcs in
noch anderen silleben ende woerden"[43]. Opmerkelijk noemde ik deze
woorden, omdat men er tevens uit ziet, dat men eenig verschil ging
waarnemen tusschen de gesproken en de geschreven taal.
MAERLANT en de prior GHERAERT waren niet de eenigen die de eenheid
van het Dietsch beseften, al of niet in tegenstelling met het Walsch.
JAN VAN HEELU spreekt van:
Alle die yeesten [Zijnoot: geschiedenissen.] die nu sijn
In dietsche, in walsche, in latijn[44].
In BOENDALE'S rijmwerk _Van den derden Edewaert_ lezen wij:
Want tkerstenheit es gedeelt in tween:
Die Walsche tongen die es een,
Dandre die Dietsche al geheel[45].
En er zweeft reeds een adem van volksgevoel en volkseenheid door deze
regels van BOENDALE over den zeeslag bij Sluis (1340):
Van deser hoger victoriën
Die eeuwig blijft in memoriën,
Werden blide ten selven male
Alle die spreken Dietsche tale[46].
Naarmate er meer letterkundige werken van beteekenis in het Dietsch
geschreven werden, rees die taal in de achting dergenen die haar
spraken. Een blijk van die achting voor de taal zien wij in het feit dat
JAN VAN HEELU zijne rijmkroniek zond aan MARGRIETE VAN ENGELAND,
verloofd met den zoon van Hertog JAN VAN BRABANT, opdat zij er "dietsch
in leeren" mocht. Langzamerhand ontwikkelde zich dit gevoel van
zelfstandigheid, zich openbarend in eerbied voor de moedertaal. Eerst
nadat het, vooral langs den weg der literaire kunst, bij de individuën
zich had ontwikkeld, kon het zóó krachtig worden, dat Overheid en
Regeering volgden waar de onderdanen waren voorgegaan. Het oudste ons
bekende charter in de landstaal dagteekent van 1249 en is opgesteld door
de schepenen van Bochoute (tusschen Gent en Oudenaarde). Daarna komen er
tal van charters en keuren in de landstaal in Vlaanderen, Brabant,
Holland.
De Hollandsche graven zijn de eersten die in hunne staatsstukken het
Latijn door het Dietsch vervangen. Hun voorbeeld wordt langzamerhand
door de andere landsheeren gevolgd, al kunnen de graven van Vlaanderen
in de 14de eeuw en later hunne voorliefde voor het Fransch niet geheel
opgeven. Gelderland komt achteraan; het Latijn handhaaft zich daar nog
in de staatsstukken der 14de eeuw, maar wordt toch ook reeds in die eeuw
door het Dietsch overvleugeld[47]. Ook in de rechtsbediening zien wij
dat streven naar eerbiediging der moedertaal.
Paus ALEXANDER IV stond den burgers van Gent hun verzoek toe, dat zij
niet gedwongen zouden worden recht te gaan zoeken bij de geestelijke
rechtbanken van Doornik of, in tweede instantie, te Reims, omdat dan tot
hen gesproken zou worden in een taal die zij niet verstonden[48]. In
1290 werd bepaald, dat in Vlaanderen alle burgerlijke rechtsgedingen in
het Vlaamsch zouden behandeld worden[49]. Die maatregel was zeker niet
naar den zin van den Franschen koning FILIPS DE SCHOONE, die omstreeks
dienzelfden tijd het gerechtshof te Gent had gedwongen, een door hem
gezonden prevôt toe te laten. Telkens, wanneer die koninklijke prevôt
aanwezig was, moest er Fransch gesproken worden[50].
Op heel wat lager toon zong zijn opvolger KAREL VI, die in 1385 in
eene vredes-onderhandeling voor 150 Gentenaren een geleide-brief in het
Vlaamsch deed opstellen[51].
Maar tusschen 1290 en 1385 liggen dan ook de Sporenslag en de leus:
"Schild ende Vriend."
Daar klonk voor het eerst de stem van den Vlaamschen Leeuw!
Toen de Franschen in 1301 Vlaanderen binnenrukten, scheen de
nationale zaak geene verdedigers meer te hebben; de adel en de rijke
burgers verwelkomden de indringers, maar de gemeenten waakten. In
Kortrijks velden werd het Vlaamsche volk zich voor het eerst van zijne
kracht bewust; daar werden hun zelfgevoel en hun volksgevoel verhoogd,
toen zij in den strijd voor vrijheid en voor recht, onder eigen leiders,
eene roemrijke overwinning behaalden op een buitenlandschen vijand, die
hun volksbestaan bedreigde.
Doch al was die vijand overwonnen, hij was niet machteloos gemaakt. De
gansche 14de eeuw door moet Vlaanderen zijne onafhankelijkheid tegenover
Frankrijk blijven handhaven; het is daarin geslaagd, maar ten koste van
de Waalsche deelen des lands. Voortaan is Vlaanderen, dat vroeger
tweetalig was, een zuiver Dietsch land. Voortaan zijn de Nederlanden
onafhankelijk van Frankrijk, zooals zij het inderdaad reeds van
Duitschland waren. Toen de graven van Henegouwen ook het graafschap
Holland verwierven, werd het Dietsche element in de Zuidelijke
Nederlanden versterkt en een eerste, nog zwakke, band geknoopt tusschen
Noord en Zuid.
De graven van Vlaanderen hadden niet zelden gemeene zaak gemaakt met de
gemeenten. Deze begrepen niet, dat het den graaf slechts te doen was om
de patriciërs te kortwieken; doch toen de patriciërs steun zochten bij
Frankrijk, ontwaakte onder de gemeentenaren het nationaliteitsgevoel en
verdedigden zij hun eigen onafhankelijkheid en die van hun graaf tevens.
Die gelijkheid van belangen versterkte den band tusschen volk en
landsheer[52]. Iets dergelijks was vroeger gezien in Holland. Graaf
FLORIS V, "der keerlen god", lag overhoop met den adel. Toen eenige
samengezworen edelen den graaf hadden opgelicht en gevangen gezet,
ontstond er eene algemeene verbijstering in het land. Geen der edelen
snelde toe om den graaf te bevrijden. Maar in dreigende drommen komt het
volk opzetten: Kennemers, Friezen, Waterlanders, "tghemene diet" van
Noord-Holland, de poorters uit Zuid-Holland--alles trekt naar het
kasteel aan de Vecht
Ende segghen, dat si verliesen
Willen beide lijf ende have,
Of si wreken haren grave[53].
Den moord op den graaf hebben zij niet kunnen verhinderen, maar met des
te meer liefde hebben zij zijne nagedachtenis in eere gehouden. Dat
bleek, toen acht jaar later de Vlamingen Holland binnendrongen,
overstroomden, aan zich onderwierpen. Slechts achter de muren van een
drietal steden: Zierikzee, Dordrecht, Haarlem, werd nog tegenweer
geboden; het scheen gedaan met Hollands onafhankelijkheid. Maar hoe
herleefde de moed des volks, toen WITTE VAN HAEMSTEDE, onechte zoon van
FLORIS V, te Zandvoort geland, op den Blinkert de banier van Holland
liet wapperen en de poorters uit Haarlem en van elders toestroomden om
hem te verwelkomen. In hem immers zagen zij den zoon van FLORIS en hij
verzuimde dan ook niet partij te trekken van zijne afkomst. MELIS STOKE
heeft ons de heugenis bewaard van dat tooneeltje op den Blinkert, van
die ontmoeting, ook van dat woord en weerwoord:
Wie sidi dan? Ic hete Witte
Ende was 's graven Florens kint,
Ende her Willem heeft mi ghesint
Alhier van Zirixe
U te troostene.
Op dien Zondag in de Zandvoortsche duinen, in de schaduw der banier
met den rooden leeuw, heeft een der kiemen van nationaliteitsgevoel zich
in Holland ontsloten, heeft de betrekking tusschen volk en landsheer
iets in hechtheid gewonnen. Zoolang vreemde landsheeren hier regeerden,
kon die gehechtheid bezwaarlijk sterk worden. Voor een vorst, hier te
lande geboren, zooals KAREL V, kon men reeds iets meer gevoelen, ook al
was hij uit het Oostenrijksch stamhuis.
Maar zoover zijn wij nog lang niet. Wij moeten vooreerst trachten,
ons ten minste eenigermate eene voorstelling te vormen van sommige
toestanden hier te lande, zooals zij zich aan ons oog vertoonen in het
nieuwe tijdvak dat ingeluid is door de geboorteklok van het
nationaliteitsgevoel.