VI.

Inventaris.--De nacht.--Eenige letters.--Voortzetting van

het onderzoek.--Planten en dieren.--Harbert in gevaar.--Aan

boord.--Vertrek.--Slecht weer.--Een vonk van instinct verdoold

op zee.--Een vuur te rechter tijd.

Pencroff, Harbert en Gideon Spilett stonden sprakeloos te midden

der duisternis.

Pencroff riep met luider stem.

Geen antwoord.

De zeeman sloeg vuur en stak een tak in zijn nabijheid aan. Dit

licht verspreidde gedurende korten tijd zijn gloed in een klein

vertrek, dat geheel verlaten scheen. Op den achtergrond was een ruwe

stookplaats, met eenige koude asch, waarbij nog een kleine voorraad

hout lag. Pencroff wierp er den brandenden tak op; het hout vatte

vlam en gaf een helder licht.

De zeeman en zijn metgezellen zagen toen een ordeloos bed, waarvan de

gele en vochtige dekens bewezen, dat het sedert lang niet gebruikt

was; in een hoek bij den schoorsteen twee verroeste ketels en een

omvergeworpen pan; een kast met eenige half vergane zeemanskleederen;

op tafel lag een tinnen lepel en vork en een bijbel, die van vocht

doortrokken was; in een hoek zagen zij werktuigen, een schop, een

houweel, een pook, twee jachtgeweren, waarvan een was gebroken; op

een plank stond een ongeschonden vaatje kruit, kogels en een doos

percussies; alles was met een laag stof bedekt, die jaren noodig had

gehad om zulk een dikte te verkrijgen.

"Er is niemand," zeide de reporter.

"Niemand!" herhaalde Pencroff.

"Het is lang geleden, dat deze kamer bewoond werd," merkte Harbert op.

"Zeer lang!" beaamde de reporter.

"Mijnheer Spilett," zeide Pencroff, "ik geloof, dat het beter is den

nacht in deze woning door te brengen, in plaats van naar boord terug

te keeren."

"Gij hebt gelijk, Pencroff," antwoordde Gideon Spilett, "en indien

de eigenaar terugkomt, welnu! hij zal zich misschien niet beklagen

zijn plaats ingenomen te vinden!"

"Hij zal niet terugkomen!" zeide de zeeman, het hoofd schuddende.

"Gelooft gij dat hij het eiland verlaten heeft?" vroeg de reporter.

"Wanneer hij het eiland verlaten heeft, had hij zijn wapens

en werktuigen meegenomen," zeide Pencroff. "Gij weet hoezeer

schipbreukelingen aan deze voorwerpen hechten, die de laatste

overblijfsels van een schipbreuk zijn. Neen! neen!" herhaalde de zeeman

op stelligen toon, "neen! hij heeft het eiland niet verlaten! Indien

hij op een door hem vervaardigde boot gevlucht was, dan zou hij zeker

deze onmisbare voorwerpen niet achtergelaten hebben! Neen, hij is op

het eiland!"

"Levend?...." vroeg Harbert.

"Levend of dood. Maar als hij gestorven is dan heeft hij zich zelf

niet begraven, denk ik," antwoordde Pencroff; "en wij zullen ten

minste zijn geraamte vinden!"

Men besloot dus den nacht in de verlaten woning door te brengen, die

voldoende verwarmd zou worden door den voorraad hout, welke nog in een

hoek lag. Toen de deur gesloten was bleven Pencroff, Harbert en Gideon

Spilett op een bank zitten; soms spraken zij, maar meestal waren zij

in gepeins verzonken. Zij bevonden zich in een toestand waarin zij

zich alles konden voorstellen, evenals zij alles konden verwachten,

en zij luisterden gretig naar elk geluid daar buiten. Was de deur

plotseling opengegaan, had er een man voor hen gestaan, het zou hen

niet verwonderd hebben, niettegenstaande alles in de hut genoeg bewees,

dat zij verlaten was, en hunne handen waren gereed de handen te drukken

van dien man, van dien schipbreukeling, van dien onbekenden vriend,

die door vrienden verwacht werd!

Maar zij hoorden niets; de deur bleef gesloten en de uren gingen

alzoo voorbij.

Wat scheen die nacht lang voor den zeeman en zijn metgezellen! Alleen

Harbert had twee uur geslapen, want op zijn jaren is slaap een

behoefte. Zij verlangden alle drie hun onderzoek van den vorigen

avond voort te zetten en dat eiland tot in de kleinste hoeken te

onderzoeken! Hetgeen Pencroff verondersteld had, was volkomen juist

en het was bijna zeker, dat de bewoner van de hut, daar deze verlaten

was en het huisraad, het gereedschap en de wapenen daar nog gevonden

werden, moest zijn omgekomen. Men moest zijn overschot dus zoeken om

het althans te begraven.

De dag brak aan, Pencroff en zijn metgezellen begonnen onmiddellijk

met het onderzoek in de hut.

Zij was waarlijk onder gunstige omstandigheden gebouwd, tegen een

kleinen heuvel, die door vijf of zes prachtige gomboomen beschut

werd. Voor de hut waren de boomen met een bijl omgehakt, zoodat men

vrij in zee kon zien. Een klein grasperk, dat door een houten heining

was omgeven, leidde naar de kust, nabij de monding van de beek.

De hut zelf bestond uit planken en men kon gemakkelijk zien dat deze

planken van de kiel of van het dek van een schip afkomstig waren. Het

was dus waarschijnlijk dat een onttakeld schip op de kust van het

eiland was geworpen, dat er minstens één man van de bemanning gered

was en dat die man met behulp van het wrak deze woning gebouwd had,

daar hij werktuigen tot zijn beschikking had.

Zij werden in deze meening nog meer overtuigd toen Gideon Spilett bij

het omloopen van de hut een plank zag--waarschijnlijk een, die tot

den voorsteven van het schip behoord had--waarop deze nog nauwelijks

leesbare letters stonden:

_BR.TAN..A_.

"Britannia!" riep Pencroff uit, die door den reporter geroepen was,

"dat is de naam van vele schepen, en ik zou niet kunnen zeggen of

dit een Engelsche of een Amerikaansche bodem geweest is!"

"Het doet er weinig toe, Pencroff."

"Dat is waar," antwoordde de zeeman, "en wij zullen den overgeblevene

van de bemanning redden, indien hij nog leeft, tot welk land hij

ook behoore! Maar laten wij, voordat wij ons onderzoek voortzetten,

eerst naar boord van de Bonadventure terugkeeren!"

Zekere onrust omtrent zijn schip had zich van Pencroff meester

gemaakt. Wanneer het eiland toch eens bewoond ware en wanneer een van

zijn bewoners zich eens meester had gemaakt.... Maar hij haalde zijn

schouders op over zulk eene onwaarschijnlijke veronderstelling.

In ieder geval verlangde de zeeman aan boord te gaan ontbijten. De

gebaande weg was niet lang,--nauwelijks een mijl. Men ging dus op

weg en keek ondershands in het bosch en tusschen het kreupelhout,

waarin geiten en varkens bij honderden de vlucht namen.

Twintig minuten, nadat zij de hut verlaten hadden, kregen Pencroff

en zijn metgezellen de kust in het gezicht en de Bonadventure, die

door haar anker, dat diep in het zand lag, werd vastgehouden.

Pencroff kon een zucht van voldoening niet onderdrukken. Dit schip

toch was zijn kind, en het is het recht van den vader dikwijls zonder

reden ongerust te zijn.

Men ging aan boord en nam een goed ontbijt, zoodat men eerst zeer laat

een middagmaal behoefde te gebruiken; toen men genoeg versterkt was,

werd de verkenning met de meeste nauwgezetheid hervat en voortgezet.

Het zou toch zeer natuurlijk zijn dat de eenige bewoner van het

eiland omgekomen was. Pencroff en zijne gezellen zochten ook eer naar

een lijk, dan naar een levend mensch. Maar hunne nasporingen waren

vruchteloos en er ging een halve dag voorbij, dat zij te vergeefs

tusschen het dicht geboomte van het eiland zochten. Men moest toen

wel aannemen dat, indien de schipbreukeling gestorven was en nu geen

spoor van zijn lijk meer overbleef, het een of ander verscheurend

dier het tot de laatste beenderen had verslonden.

"Wij zullen morgen met het aanbreken van den dag vertrekken," zeide

Pencroff tot Harbert en Gideon Spilett, die zich tegen twee uur in

den middag in de schaduw van een boschje te slapen legden, om eenige

oogenblikken uit te rusten.

"Ik geloof dat wij gerust de werktuigen en wapens kunnen medenemen,

die aan den schipbreukeling behoord hebben," zeide Harbert.

"Ik geloof het ook," antwoordde Gideon Spilett, "en deze wapens en

gereedschappen zullen het materiaal van het Rotshuis aanvullen. Als

ik mij niet vergis is de voorraad kruit en lood vrij aanzienlijk."

"Ja," antwoordde Pencroff, "maar laten wij niet vergeten een of

twee paar van die zwijnen mede te nemen, die hier op het eiland in

overvloed zijn."

"En eenige van die zaden eveneens," voegde Harbert er bij, "waardoor

wij alle groenten van het oude en nieuwe vasteland zullen verkrijgen."

"Het zou dan misschien niet kwaad zijn om een dag langer op het eiland

Tabor te vertoeven, om alles te verzamelen, wat ons van dienst zou

kunnen zijn."

"Neen, mijnheer Spilett," antwoordde Pencroff, "ik moet u verzoeken

morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken. Het komt mij voor,

dat de wind naar het westen zal omslaan en nadat wij een gunstige

bries hebben gehad om hierheen te komen, zullen wij een niet minder

gunstigen wind hebben om terug te keeren."

"Laten wij dan geen tijd verloren laten gaan!" zeide Harbert terwijl

hij opstond.

"Ja, laten wij geen tijd verloren laten gaan," herhaalde

Pencroff. "Harbert, gij kent de kruiden beter dan wij, gij moet ze

dus verzamelen. In dien tijd zullen mijnheer Spilett en ik op de

zwijnenjacht gaan, en zelfs zonder Top, hoop ik mij toch van eenige

stuks meester te maken!"

Harbert nam het pad, dat naar het bebouwde gedeelte van het eiland

leidde, terwijl de zeeman en de reporter het bosch ingingen.

Menig zwijn sprong voor hunne voeten op en die dieren, die bijzonder

vlug waren, schenen er niets op gesteld, dat men hen naderde. Na

een half uur gejaagd te hebben, hadden de beide mannen zich meester

gemaakt van een paar dat tusschen het kreupelhout gedoken zat,

toen zij eensklaps luide noodkreten hoorden op een paar honderd pas

afstand in het noordelijk gedeelte van het eiland. Bij deze kreten

vernam men nog een rauw brullen, dat niets menschelijks had.

Pencroff en Gideon Spilett sprongen op en de zwijnen maakten van die

beweging gebruik om te ontvluchten, juist op het oogenblik dat de

zeeman touwen gereed maakte om hen te binden.

"Dat is de stem van Harbert!" zeide de reporter.

"Spoedig naar hem toe," riep Pencroff.

De zeeman en Gideon Spilett begaven zich, zoo snel hunne beenen hen

dragen konden, naar de plaats vanwaar zij de kreten gehoord hadden.

En het was hoog tijd dat zij kwamen, want op een open plek in het

bosch zagen zij den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel,

een reusachtige aap ongetwijfeld, die hem geheel in zijne macht had.

Op het dier toe te springen, het op zijn beurt op den grond te

werpen, Harbert te verlossen en hun vijand stevig vast te houden,

was voor Pencroff en Gideon Spilett het werk van een oogenblik. De

zeeman was een Herkules en de reporter had ook spieren van ijzer, en

hoewel het monster krachtig tegenstand bood, werd het vastgebonden,

zoodat het geen beweging meer kon maken.

"Zijt gij niet gewond, Harbert?" vroeg Gideon Spilett.

"Neen, neen!"

"Als hij u eens gewond had, die aap!...." riep Pencroff uit.

"Maar het is geen aap!" antwoordde Harbert.

Pencroff en Spilett namen toen het zonderlinge wezen dat op den grond

lag, nauwkeuriger op.

Inderdaad, het was geen aap! Het was een menschelijk wezen, het was

een man! Maar welk een man! Een wilde, in de vreeselijkste beteekenis

van het woord, daar hij tot den laatsten graad van verdierlijking

vervallen scheen!

Ordelooze haren, langen baard, die tot op zijn borst neerviel, bijna

geheel naakt lichaam, behalve een oud kleedingstuk dat zijn lendenen

bedekte, woeste oogen, groote handen, met onnatuurlijk lange nagels,

donkere huid en voeten die even hard als hoorn waren geworden: ziedaar

een schets van het ellendige schepsel, dat men toch een mensch moest

noemen! Maar men had wel recht zich af te vragen of er nog een ziel

in dat lichaam huisde of dat het dierlijk instinct alleen daarin

was overgebleven!

"Zijt gij wel zeker dat het een mensch is of geweest is?" vroeg;

Pencroff aan den reporter.

"Het valt, helaas, niet meer te betwijfelen," antwoordde deze.

"Zou dit dan de schipbreukeling zijn?" vroeg Harbert.

"Ja," antwoordde Gideon Spilett, "maar de ongelukkige heeft niets

menschelijks meer!"

Wat de correspondent zeide was waar. Mocht de schipbreukeling ooit

een beschaafd wezen geweest zijn, hij was door volkomen afzondering

een wilde, ja erger misschien, een boschjesman geworden. Rauwe

kreten stegen er uit zijn keel op, tusschen zijn tanden, die even

scherp waren geworden als van vleeschetende dieren, die slechts rauw

voedsel eten. Zijn geheugen moest hem ook sedert lang begeven hebben

en langen tijd had hij zich niet meer kunnen bedienen van zijn wapenen

en werktuigen en kon hij geen vuur meer maken! Men zag dat hij sterk

en lenig was, maar dat alle lichamelijke hoedanigheden zich bij hem

ontwikkeld hadden ten koste van zijn geestelijke vermogens.

Gideon Spilett sprak tot hem. Hij scheen hem niet te begrijpen, zelfs

niet te verstaan.... En toch meende de reporter te bemerken toen hij

hem goed in de oogen zag, dat niet alle verstand in hem was uitgedoofd.

De gevangene verweerde zich intusschen niet en trachtte evenmin zijn

boeien te verbreken. Was hij vernietigd door de tegenwoordigheid van

menschen, wier gelijke hij was geweest? Vond hij in zijn hersens een

vluchtige herinnering die hem tot de menschheid terugbracht? Indien

hij vrij ware geweest, zou hij dan getracht hebben te ontvluchten

of zou hij gebleven zijn? Men wist het niet, maar nam er ook niet

de proef van, en na de ellendige nauwkeurig opgenomen te hebben,

zeide Gideon Spilett:

"Wie hij zij, wie hij geweest mag zijn en wat hij moge worden, het

is onze plicht hem met ons mede te nemen naar het eiland Lincoln!"

"Ja! ja!" antwoordde Harbert, "en misschien zal men door zorgvuldige

verpleging nog een weinig verstand in hem opwekken!"

"De ziel sterft niet," zeide de reporter, "en het zou voor ons een

groote voldoening zijn dit schepsel van God aan de verdierlijking

te ontrukken!"

Pencroff schudde ongeloovig het hoofd.

"Men moet het in ieder geval beproeven," antwoordde de reporter,

"en de liefde voor onze naasten gebiedt het ons."

Het was inderdaad hun plicht als beschaafde christenen. Alle drie

begrepen dit en zij wisten wel dat Cyrus Smith het goed zou vinden,

wanneer zij aldus handelden.

"Zullen wij hem geboeid laten?" vroeg de zeeman.

"Misschien loopt hij, wanneer men zijn voeten vrij laat," zeide

Harbert.

"Laten wij het beproeven."

De touwen, die om de voeten van den gevangene waren, werden losgemaakt,

maar zijn armen bleven stevig gebonden. Hij stond zelf op en legde

niet het minste verlangen aan den dag om te ontvluchten. Hij wierp

een doordringenden blik op de drie mannen, die naast hem liepen en

niets duidde aan, dat hij zich herinnerde hun gelijke te zijn of ten

minste het geweest te zijn. Een aanhoudend fluiten kwam over zijn

lippen en zijn uiterlijk was woest, maar hij bood geen weerstand.

Op raad van den reporter bracht men den ongelukkige in zijn

woning. Mogelijk zou het gezicht van voorwerpen, die hem toebehoorden,

eenigen indruk op hem maken! Mogelijk was éen vonkje voldoende om zijn

beneveld verstand te doen herleven, om zijn verdoofde ziel weder op

te wekken!

De woning was niet ver af. Binnen weinige minuten hadden zij haar

bereikt; maar daar herkende de gevangene niets, en hij scheen het

besef van alles verloren te hebben.

Wat kon men nog afleiden uit dezen lagen graad van verdierlijking

waartoe deze ongelukkige vervallen was? Niets dan dat zijn

gevangenschap op het eiland reeds van langen duur moest zijn geweest,

en dat hij door afzondering tot dien toestand vervallen was, nadat

hij als een redelijk wezen op het eiland was gekomen?

De reporter kwam toen op het denkbeeld, dat vuur misschien eenigen

indruk op hem zou maken, en binnen weinige oogenblikken knapperde in

den haard een van die heldere vuren, die zelfs dieren tot zich lokken.

Het gezicht van vlammen scheen eerst de aandacht van den ongelukkige

te trekken; maar weldra trok hij zich terug en zijn blik verdoofde.

Op dit oogenblik kon men niets anders met hem doen, dan hem aan boord

van de Bonadventure brengen, hetgeen geschiedde en waar hij onder

toezicht van Pencroff bleef.

Harbert en Gideon Spilett keerden naar het eiland terug om hun

inzameling voort te zetten en eenige uren later scheepten ook zij

zich in met de wapenen en gereedschappen, een voorraad zaad, eenige

stukken wild en twee paar zwijnen.

Alles was gereed en de Bonadventure zou het anker lichten zoodra de

vloed den volgenden morgen opkwam.

De gevangene was in een der hutten gebracht, waar hij kalm,

onbeweeglijk, doof en stom tegelijk, bleef zitten.

Pencroff bood hem te eten, maar hij wees het gebraden vleesch af

dat hem aangeboden was en dat zeker niet in zijn smaak viel. Toen

de zeeman hem een van de eenden voorhield, die Harbert gedood had,

wierp hij er zich op als een dier en verslond haar.

"Gelooft gij dat hij ooit veranderen zal?" zeide Pencroff, terwijl

hij het hoofd schudde.

"Misschien," antwoordde de reporter. "Het is niet onmogelijk dat wij er

door groote zorg in slagen hem te veranderen, want hij is zoo geworden

door de eenzaamheid en voortaan zal hij niet meer alleen zijn!"

"Die arme man verkeert zeker sedert langen tijd in dezen

toestand!" zeide Harbert.

"Misschien," antwoordde Gideon Spilett.

"Hoe oud zou hij zijn?"

"Dat is moeilijk te bepalen," antwoordde de reporter, "want men

kan zijn gelaatstrekken niet zien onder den zwaren baard, die zijn

gezicht bedekt, maar hij is niet jong meer, en ik veronderstel,

dat hij minstens vijftig jaar moet zijn."

"Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer Spilett, hoe diep zijn oogen in

hunne kassen verborgen zijn?" vroeg Harbert.

"Ja, Harbert, maar ik zag ook dat zij menschelijker zijn dan men wel

zou verwachten bij het zien van zijn lichaam."

"Wij moeten afwachten," zeide Pencroff, "en ik ben nieuwsgierig het

oordeel van mijnheer Smith omtrent onzen wilde te vernemen. Wij gingen

een menschelijk wezen halen en wij brengen een monster te huis! Maar

men doet wat men kan!"

De nacht ging voorbij en de gevangene sliep of waakte, men wist

het niet, maar in ieder geval hij bewoog zich niet, ofschoon men

zijn boeien had losgemaakt. Hij was als de gevangen wilde dieren,

die onder den indruk zijn van den eersten tijd hunner opsluiting en

later weder wild worden.

Bij het aanbreken van den volgenden dag--15 October--was het

weer veranderd, zooals Pencroff voorzien had. De wind was naar

het noordwesten gedraaid, en begunstigde den terugtocht van de

Bonadventure; maar hij stak ter zelfder tijd heftiger op en maakte

de vaart moeielijker.

Tegen vijf uur in den morgen werd het anker gelicht.

De eerste dag van den overtocht ging voorbij zonder dat er iets van

belang voorviel.

Den volgenden dag werd de wind sterker en keerde nog meer naar

het noorden en kreeg bijgevolg een minder gunstige richting voor de

Bonadventure, die op de golven danste. Wanneer de wind niet veranderde,

zou men langer tijd noodig hebben om Lincoln te bereiken, dan voor

de reis naar Tabor.

17 en 18 October gingen voorbij zonder dat men land in het gezicht

kreeg. De zee was onstuimig en eenmaal werd de Bonadventure zelfs

voor een oogenblik onder een golf bedolven.

De toestand bleef hachelijk en de zeeman begon zelfs te gelooven

dat hij op dezen onmetelijken oceaan verdwaald was, zonder dat er

mogelijkheid bestond den weg terug te vinden.

De nacht van 18 op 19 October was donker en koud. Tegen elf uur

bedaarde de wind en werd de zee kalmer; de Bonadventure werd minder

geslingerd en ging zeer snel vooruit. Zij had overigens uitmuntend

zee gehouden.

Noch Pencroff, noch Gideon Spilett, noch Harbert dachten er aan om te

gaan slapen. Zij waakten met de grootste oplettendheid, want óf Lincoln

kon niet ver verwijderd zijn en men zou het bij het aanbreken van

den dag in het gezicht hebben, òf de Bonadventure was door den stroom

medegesleept en door den wind uit haar koers geraakt, zoodat het bijna

onmogelijk was geworden haar weder in de goede richting te brengen.

Pencroff, hoewel ongerust, wanhoopte niet; aan zijn beproefden moed

was dat gevoel vreemd; aan het roer gezeten, trachtte hij onafgebroken

de dichte duisternis die hem omhulde te doordringen.

Tegen twee uur in den morgen stond hij plotseling op en riep:

"Een vuur! een vuur!"

Men zag inderdaad op twintig mijlen in het noordoosten een helder

vuur. Daar lag het eiland Lincoln en dit vuur, waarschijnlijk door

Cyrus Smith ontstoken, gaf hun den weg aan, dien zij moesten volgen.

Pencroff, die te veel naar het noorden had aangehouden, veranderde

van koers en wendde den steven naar dat vuur, dat als een ster van

de eerste grootte aan den horizon schitterde.

Het Geheimzinnige Eiland De Verlatene · 第 8 / 37 题