Inventaris.--De nacht.--Eenige letters.--Voortzetting van
het onderzoek.--Planten en dieren.--Harbert in gevaar.--Aan
boord.--Vertrek.--Slecht weer.--Een vonk van instinct verdoold
op zee.--Een vuur te rechter tijd.
Pencroff, Harbert en Gideon Spilett stonden sprakeloos te midden
der duisternis.
Pencroff riep met luider stem.
Geen antwoord.
De zeeman sloeg vuur en stak een tak in zijn nabijheid aan. Dit
licht verspreidde gedurende korten tijd zijn gloed in een klein
vertrek, dat geheel verlaten scheen. Op den achtergrond was een ruwe
stookplaats, met eenige koude asch, waarbij nog een kleine voorraad
hout lag. Pencroff wierp er den brandenden tak op; het hout vatte
vlam en gaf een helder licht.
De zeeman en zijn metgezellen zagen toen een ordeloos bed, waarvan de
gele en vochtige dekens bewezen, dat het sedert lang niet gebruikt
was; in een hoek bij den schoorsteen twee verroeste ketels en een
omvergeworpen pan; een kast met eenige half vergane zeemanskleederen;
op tafel lag een tinnen lepel en vork en een bijbel, die van vocht
doortrokken was; in een hoek zagen zij werktuigen, een schop, een
houweel, een pook, twee jachtgeweren, waarvan een was gebroken; op
een plank stond een ongeschonden vaatje kruit, kogels en een doos
percussies; alles was met een laag stof bedekt, die jaren noodig had
gehad om zulk een dikte te verkrijgen.
"Er is niemand," zeide de reporter.
"Niemand!" herhaalde Pencroff.
"Het is lang geleden, dat deze kamer bewoond werd," merkte Harbert op.
"Zeer lang!" beaamde de reporter.
"Mijnheer Spilett," zeide Pencroff, "ik geloof, dat het beter is den
nacht in deze woning door te brengen, in plaats van naar boord terug
te keeren."
"Gij hebt gelijk, Pencroff," antwoordde Gideon Spilett, "en indien
de eigenaar terugkomt, welnu! hij zal zich misschien niet beklagen
zijn plaats ingenomen te vinden!"
"Hij zal niet terugkomen!" zeide de zeeman, het hoofd schuddende.
"Gelooft gij dat hij het eiland verlaten heeft?" vroeg de reporter.
"Wanneer hij het eiland verlaten heeft, had hij zijn wapens
en werktuigen meegenomen," zeide Pencroff. "Gij weet hoezeer
schipbreukelingen aan deze voorwerpen hechten, die de laatste
overblijfsels van een schipbreuk zijn. Neen! neen!" herhaalde de zeeman
op stelligen toon, "neen! hij heeft het eiland niet verlaten! Indien
hij op een door hem vervaardigde boot gevlucht was, dan zou hij zeker
deze onmisbare voorwerpen niet achtergelaten hebben! Neen, hij is op
het eiland!"
"Levend?...." vroeg Harbert.
"Levend of dood. Maar als hij gestorven is dan heeft hij zich zelf
niet begraven, denk ik," antwoordde Pencroff; "en wij zullen ten
minste zijn geraamte vinden!"
Men besloot dus den nacht in de verlaten woning door te brengen, die
voldoende verwarmd zou worden door den voorraad hout, welke nog in een
hoek lag. Toen de deur gesloten was bleven Pencroff, Harbert en Gideon
Spilett op een bank zitten; soms spraken zij, maar meestal waren zij
in gepeins verzonken. Zij bevonden zich in een toestand waarin zij
zich alles konden voorstellen, evenals zij alles konden verwachten,
en zij luisterden gretig naar elk geluid daar buiten. Was de deur
plotseling opengegaan, had er een man voor hen gestaan, het zou hen
niet verwonderd hebben, niettegenstaande alles in de hut genoeg bewees,
dat zij verlaten was, en hunne handen waren gereed de handen te drukken
van dien man, van dien schipbreukeling, van dien onbekenden vriend,
die door vrienden verwacht werd!
Maar zij hoorden niets; de deur bleef gesloten en de uren gingen
alzoo voorbij.
Wat scheen die nacht lang voor den zeeman en zijn metgezellen! Alleen
Harbert had twee uur geslapen, want op zijn jaren is slaap een
behoefte. Zij verlangden alle drie hun onderzoek van den vorigen
avond voort te zetten en dat eiland tot in de kleinste hoeken te
onderzoeken! Hetgeen Pencroff verondersteld had, was volkomen juist
en het was bijna zeker, dat de bewoner van de hut, daar deze verlaten
was en het huisraad, het gereedschap en de wapenen daar nog gevonden
werden, moest zijn omgekomen. Men moest zijn overschot dus zoeken om
het althans te begraven.
De dag brak aan, Pencroff en zijn metgezellen begonnen onmiddellijk
met het onderzoek in de hut.
Zij was waarlijk onder gunstige omstandigheden gebouwd, tegen een
kleinen heuvel, die door vijf of zes prachtige gomboomen beschut
werd. Voor de hut waren de boomen met een bijl omgehakt, zoodat men
vrij in zee kon zien. Een klein grasperk, dat door een houten heining
was omgeven, leidde naar de kust, nabij de monding van de beek.
De hut zelf bestond uit planken en men kon gemakkelijk zien dat deze
planken van de kiel of van het dek van een schip afkomstig waren. Het
was dus waarschijnlijk dat een onttakeld schip op de kust van het
eiland was geworpen, dat er minstens één man van de bemanning gered
was en dat die man met behulp van het wrak deze woning gebouwd had,
daar hij werktuigen tot zijn beschikking had.
Zij werden in deze meening nog meer overtuigd toen Gideon Spilett bij
het omloopen van de hut een plank zag--waarschijnlijk een, die tot
den voorsteven van het schip behoord had--waarop deze nog nauwelijks
leesbare letters stonden:
_BR.TAN..A_.
"Britannia!" riep Pencroff uit, die door den reporter geroepen was,
"dat is de naam van vele schepen, en ik zou niet kunnen zeggen of
dit een Engelsche of een Amerikaansche bodem geweest is!"
"Het doet er weinig toe, Pencroff."
"Dat is waar," antwoordde de zeeman, "en wij zullen den overgeblevene
van de bemanning redden, indien hij nog leeft, tot welk land hij
ook behoore! Maar laten wij, voordat wij ons onderzoek voortzetten,
eerst naar boord van de Bonadventure terugkeeren!"
Zekere onrust omtrent zijn schip had zich van Pencroff meester
gemaakt. Wanneer het eiland toch eens bewoond ware en wanneer een van
zijn bewoners zich eens meester had gemaakt.... Maar hij haalde zijn
schouders op over zulk eene onwaarschijnlijke veronderstelling.
In ieder geval verlangde de zeeman aan boord te gaan ontbijten. De
gebaande weg was niet lang,--nauwelijks een mijl. Men ging dus op
weg en keek ondershands in het bosch en tusschen het kreupelhout,
waarin geiten en varkens bij honderden de vlucht namen.
Twintig minuten, nadat zij de hut verlaten hadden, kregen Pencroff
en zijn metgezellen de kust in het gezicht en de Bonadventure, die
door haar anker, dat diep in het zand lag, werd vastgehouden.
Pencroff kon een zucht van voldoening niet onderdrukken. Dit schip
toch was zijn kind, en het is het recht van den vader dikwijls zonder
reden ongerust te zijn.
Men ging aan boord en nam een goed ontbijt, zoodat men eerst zeer laat
een middagmaal behoefde te gebruiken; toen men genoeg versterkt was,
werd de verkenning met de meeste nauwgezetheid hervat en voortgezet.
Het zou toch zeer natuurlijk zijn dat de eenige bewoner van het
eiland omgekomen was. Pencroff en zijne gezellen zochten ook eer naar
een lijk, dan naar een levend mensch. Maar hunne nasporingen waren
vruchteloos en er ging een halve dag voorbij, dat zij te vergeefs
tusschen het dicht geboomte van het eiland zochten. Men moest toen
wel aannemen dat, indien de schipbreukeling gestorven was en nu geen
spoor van zijn lijk meer overbleef, het een of ander verscheurend
dier het tot de laatste beenderen had verslonden.
"Wij zullen morgen met het aanbreken van den dag vertrekken," zeide
Pencroff tot Harbert en Gideon Spilett, die zich tegen twee uur in
den middag in de schaduw van een boschje te slapen legden, om eenige
oogenblikken uit te rusten.
"Ik geloof dat wij gerust de werktuigen en wapens kunnen medenemen,
die aan den schipbreukeling behoord hebben," zeide Harbert.
"Ik geloof het ook," antwoordde Gideon Spilett, "en deze wapens en
gereedschappen zullen het materiaal van het Rotshuis aanvullen. Als
ik mij niet vergis is de voorraad kruit en lood vrij aanzienlijk."
"Ja," antwoordde Pencroff, "maar laten wij niet vergeten een of
twee paar van die zwijnen mede te nemen, die hier op het eiland in
overvloed zijn."
"En eenige van die zaden eveneens," voegde Harbert er bij, "waardoor
wij alle groenten van het oude en nieuwe vasteland zullen verkrijgen."
"Het zou dan misschien niet kwaad zijn om een dag langer op het eiland
Tabor te vertoeven, om alles te verzamelen, wat ons van dienst zou
kunnen zijn."
"Neen, mijnheer Spilett," antwoordde Pencroff, "ik moet u verzoeken
morgen bij het aanbreken van den dag te vertrekken. Het komt mij voor,
dat de wind naar het westen zal omslaan en nadat wij een gunstige
bries hebben gehad om hierheen te komen, zullen wij een niet minder
gunstigen wind hebben om terug te keeren."
"Laten wij dan geen tijd verloren laten gaan!" zeide Harbert terwijl
hij opstond.
"Ja, laten wij geen tijd verloren laten gaan," herhaalde
Pencroff. "Harbert, gij kent de kruiden beter dan wij, gij moet ze
dus verzamelen. In dien tijd zullen mijnheer Spilett en ik op de
zwijnenjacht gaan, en zelfs zonder Top, hoop ik mij toch van eenige
stuks meester te maken!"
Harbert nam het pad, dat naar het bebouwde gedeelte van het eiland
leidde, terwijl de zeeman en de reporter het bosch ingingen.
Menig zwijn sprong voor hunne voeten op en die dieren, die bijzonder
vlug waren, schenen er niets op gesteld, dat men hen naderde. Na
een half uur gejaagd te hebben, hadden de beide mannen zich meester
gemaakt van een paar dat tusschen het kreupelhout gedoken zat,
toen zij eensklaps luide noodkreten hoorden op een paar honderd pas
afstand in het noordelijk gedeelte van het eiland. Bij deze kreten
vernam men nog een rauw brullen, dat niets menschelijks had.
Pencroff en Gideon Spilett sprongen op en de zwijnen maakten van die
beweging gebruik om te ontvluchten, juist op het oogenblik dat de
zeeman touwen gereed maakte om hen te binden.
"Dat is de stem van Harbert!" zeide de reporter.
"Spoedig naar hem toe," riep Pencroff.
De zeeman en Gideon Spilett begaven zich, zoo snel hunne beenen hen
dragen konden, naar de plaats vanwaar zij de kreten gehoord hadden.
En het was hoog tijd dat zij kwamen, want op een open plek in het
bosch zagen zij den knaap op den grond liggen onder een wild schepsel,
een reusachtige aap ongetwijfeld, die hem geheel in zijne macht had.
Op het dier toe te springen, het op zijn beurt op den grond te
werpen, Harbert te verlossen en hun vijand stevig vast te houden,
was voor Pencroff en Gideon Spilett het werk van een oogenblik. De
zeeman was een Herkules en de reporter had ook spieren van ijzer, en
hoewel het monster krachtig tegenstand bood, werd het vastgebonden,
zoodat het geen beweging meer kon maken.
"Zijt gij niet gewond, Harbert?" vroeg Gideon Spilett.
"Neen, neen!"
"Als hij u eens gewond had, die aap!...." riep Pencroff uit.
"Maar het is geen aap!" antwoordde Harbert.
Pencroff en Spilett namen toen het zonderlinge wezen dat op den grond
lag, nauwkeuriger op.
Inderdaad, het was geen aap! Het was een menschelijk wezen, het was
een man! Maar welk een man! Een wilde, in de vreeselijkste beteekenis
van het woord, daar hij tot den laatsten graad van verdierlijking
vervallen scheen!
Ordelooze haren, langen baard, die tot op zijn borst neerviel, bijna
geheel naakt lichaam, behalve een oud kleedingstuk dat zijn lendenen
bedekte, woeste oogen, groote handen, met onnatuurlijk lange nagels,
donkere huid en voeten die even hard als hoorn waren geworden: ziedaar
een schets van het ellendige schepsel, dat men toch een mensch moest
noemen! Maar men had wel recht zich af te vragen of er nog een ziel
in dat lichaam huisde of dat het dierlijk instinct alleen daarin
was overgebleven!
"Zijt gij wel zeker dat het een mensch is of geweest is?" vroeg;
Pencroff aan den reporter.
"Het valt, helaas, niet meer te betwijfelen," antwoordde deze.
"Zou dit dan de schipbreukeling zijn?" vroeg Harbert.
"Ja," antwoordde Gideon Spilett, "maar de ongelukkige heeft niets
menschelijks meer!"
Wat de correspondent zeide was waar. Mocht de schipbreukeling ooit
een beschaafd wezen geweest zijn, hij was door volkomen afzondering
een wilde, ja erger misschien, een boschjesman geworden. Rauwe
kreten stegen er uit zijn keel op, tusschen zijn tanden, die even
scherp waren geworden als van vleeschetende dieren, die slechts rauw
voedsel eten. Zijn geheugen moest hem ook sedert lang begeven hebben
en langen tijd had hij zich niet meer kunnen bedienen van zijn wapenen
en werktuigen en kon hij geen vuur meer maken! Men zag dat hij sterk
en lenig was, maar dat alle lichamelijke hoedanigheden zich bij hem
ontwikkeld hadden ten koste van zijn geestelijke vermogens.
Gideon Spilett sprak tot hem. Hij scheen hem niet te begrijpen, zelfs
niet te verstaan.... En toch meende de reporter te bemerken toen hij
hem goed in de oogen zag, dat niet alle verstand in hem was uitgedoofd.
De gevangene verweerde zich intusschen niet en trachtte evenmin zijn
boeien te verbreken. Was hij vernietigd door de tegenwoordigheid van
menschen, wier gelijke hij was geweest? Vond hij in zijn hersens een
vluchtige herinnering die hem tot de menschheid terugbracht? Indien
hij vrij ware geweest, zou hij dan getracht hebben te ontvluchten
of zou hij gebleven zijn? Men wist het niet, maar nam er ook niet
de proef van, en na de ellendige nauwkeurig opgenomen te hebben,
zeide Gideon Spilett:
"Wie hij zij, wie hij geweest mag zijn en wat hij moge worden, het
is onze plicht hem met ons mede te nemen naar het eiland Lincoln!"
"Ja! ja!" antwoordde Harbert, "en misschien zal men door zorgvuldige
verpleging nog een weinig verstand in hem opwekken!"
"De ziel sterft niet," zeide de reporter, "en het zou voor ons een
groote voldoening zijn dit schepsel van God aan de verdierlijking
te ontrukken!"
Pencroff schudde ongeloovig het hoofd.
"Men moet het in ieder geval beproeven," antwoordde de reporter,
"en de liefde voor onze naasten gebiedt het ons."
Het was inderdaad hun plicht als beschaafde christenen. Alle drie
begrepen dit en zij wisten wel dat Cyrus Smith het goed zou vinden,
wanneer zij aldus handelden.
"Zullen wij hem geboeid laten?" vroeg de zeeman.
"Misschien loopt hij, wanneer men zijn voeten vrij laat," zeide
Harbert.
"Laten wij het beproeven."
De touwen, die om de voeten van den gevangene waren, werden losgemaakt,
maar zijn armen bleven stevig gebonden. Hij stond zelf op en legde
niet het minste verlangen aan den dag om te ontvluchten. Hij wierp
een doordringenden blik op de drie mannen, die naast hem liepen en
niets duidde aan, dat hij zich herinnerde hun gelijke te zijn of ten
minste het geweest te zijn. Een aanhoudend fluiten kwam over zijn
lippen en zijn uiterlijk was woest, maar hij bood geen weerstand.
Op raad van den reporter bracht men den ongelukkige in zijn
woning. Mogelijk zou het gezicht van voorwerpen, die hem toebehoorden,
eenigen indruk op hem maken! Mogelijk was éen vonkje voldoende om zijn
beneveld verstand te doen herleven, om zijn verdoofde ziel weder op
te wekken!
De woning was niet ver af. Binnen weinige minuten hadden zij haar
bereikt; maar daar herkende de gevangene niets, en hij scheen het
besef van alles verloren te hebben.
Wat kon men nog afleiden uit dezen lagen graad van verdierlijking
waartoe deze ongelukkige vervallen was? Niets dan dat zijn
gevangenschap op het eiland reeds van langen duur moest zijn geweest,
en dat hij door afzondering tot dien toestand vervallen was, nadat
hij als een redelijk wezen op het eiland was gekomen?
De reporter kwam toen op het denkbeeld, dat vuur misschien eenigen
indruk op hem zou maken, en binnen weinige oogenblikken knapperde in
den haard een van die heldere vuren, die zelfs dieren tot zich lokken.
Het gezicht van vlammen scheen eerst de aandacht van den ongelukkige
te trekken; maar weldra trok hij zich terug en zijn blik verdoofde.
Op dit oogenblik kon men niets anders met hem doen, dan hem aan boord
van de Bonadventure brengen, hetgeen geschiedde en waar hij onder
toezicht van Pencroff bleef.
Harbert en Gideon Spilett keerden naar het eiland terug om hun
inzameling voort te zetten en eenige uren later scheepten ook zij
zich in met de wapenen en gereedschappen, een voorraad zaad, eenige
stukken wild en twee paar zwijnen.
Alles was gereed en de Bonadventure zou het anker lichten zoodra de
vloed den volgenden morgen opkwam.
De gevangene was in een der hutten gebracht, waar hij kalm,
onbeweeglijk, doof en stom tegelijk, bleef zitten.
Pencroff bood hem te eten, maar hij wees het gebraden vleesch af
dat hem aangeboden was en dat zeker niet in zijn smaak viel. Toen
de zeeman hem een van de eenden voorhield, die Harbert gedood had,
wierp hij er zich op als een dier en verslond haar.
"Gelooft gij dat hij ooit veranderen zal?" zeide Pencroff, terwijl
hij het hoofd schudde.
"Misschien," antwoordde de reporter. "Het is niet onmogelijk dat wij er
door groote zorg in slagen hem te veranderen, want hij is zoo geworden
door de eenzaamheid en voortaan zal hij niet meer alleen zijn!"
"Die arme man verkeert zeker sedert langen tijd in dezen
toestand!" zeide Harbert.
"Misschien," antwoordde Gideon Spilett.
"Hoe oud zou hij zijn?"
"Dat is moeilijk te bepalen," antwoordde de reporter, "want men
kan zijn gelaatstrekken niet zien onder den zwaren baard, die zijn
gezicht bedekt, maar hij is niet jong meer, en ik veronderstel,
dat hij minstens vijftig jaar moet zijn."
"Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer Spilett, hoe diep zijn oogen in
hunne kassen verborgen zijn?" vroeg Harbert.
"Ja, Harbert, maar ik zag ook dat zij menschelijker zijn dan men wel
zou verwachten bij het zien van zijn lichaam."
"Wij moeten afwachten," zeide Pencroff, "en ik ben nieuwsgierig het
oordeel van mijnheer Smith omtrent onzen wilde te vernemen. Wij gingen
een menschelijk wezen halen en wij brengen een monster te huis! Maar
men doet wat men kan!"
De nacht ging voorbij en de gevangene sliep of waakte, men wist
het niet, maar in ieder geval hij bewoog zich niet, ofschoon men
zijn boeien had losgemaakt. Hij was als de gevangen wilde dieren,
die onder den indruk zijn van den eersten tijd hunner opsluiting en
later weder wild worden.
Bij het aanbreken van den volgenden dag--15 October--was het
weer veranderd, zooals Pencroff voorzien had. De wind was naar
het noordwesten gedraaid, en begunstigde den terugtocht van de
Bonadventure; maar hij stak ter zelfder tijd heftiger op en maakte
de vaart moeielijker.
Tegen vijf uur in den morgen werd het anker gelicht.
De eerste dag van den overtocht ging voorbij zonder dat er iets van
belang voorviel.
Den volgenden dag werd de wind sterker en keerde nog meer naar
het noorden en kreeg bijgevolg een minder gunstige richting voor de
Bonadventure, die op de golven danste. Wanneer de wind niet veranderde,
zou men langer tijd noodig hebben om Lincoln te bereiken, dan voor
de reis naar Tabor.
17 en 18 October gingen voorbij zonder dat men land in het gezicht
kreeg. De zee was onstuimig en eenmaal werd de Bonadventure zelfs
voor een oogenblik onder een golf bedolven.
De toestand bleef hachelijk en de zeeman begon zelfs te gelooven
dat hij op dezen onmetelijken oceaan verdwaald was, zonder dat er
mogelijkheid bestond den weg terug te vinden.
De nacht van 18 op 19 October was donker en koud. Tegen elf uur
bedaarde de wind en werd de zee kalmer; de Bonadventure werd minder
geslingerd en ging zeer snel vooruit. Zij had overigens uitmuntend
zee gehouden.
Noch Pencroff, noch Gideon Spilett, noch Harbert dachten er aan om te
gaan slapen. Zij waakten met de grootste oplettendheid, want óf Lincoln
kon niet ver verwijderd zijn en men zou het bij het aanbreken van
den dag in het gezicht hebben, òf de Bonadventure was door den stroom
medegesleept en door den wind uit haar koers geraakt, zoodat het bijna
onmogelijk was geworden haar weder in de goede richting te brengen.
Pencroff, hoewel ongerust, wanhoopte niet; aan zijn beproefden moed
was dat gevoel vreemd; aan het roer gezeten, trachtte hij onafgebroken
de dichte duisternis die hem omhulde te doordringen.
Tegen twee uur in den morgen stond hij plotseling op en riep:
"Een vuur! een vuur!"
Men zag inderdaad op twintig mijlen in het noordoosten een helder
vuur. Daar lag het eiland Lincoln en dit vuur, waarschijnlijk door
Cyrus Smith ontstoken, gaf hun den weg aan, dien zij moesten volgen.
Pencroff, die te veel naar het noorden had aangehouden, veranderde
van koers en wendde den steven naar dat vuur, dat als een ster van
de eerste grootte aan den horizon schitterde.