Tot het vertrek wordt
besloten.--Onderstellingen.--Toebereidselen.--De
drie passagiers.--Eerste nacht.--Tweede nacht.--Het
eiland Tabor.--Onderzoek van de kust.--Het bosch wordt
doorzocht.--Niemand.--Dieren.--Planten.--Een verlaten hut.
"Een schipbreukeling!" riep Pencroff uit, "op eenige honderden mijlen
van ons, op het eiland Tabor! O! mijnheer Cyrus, nu zult gij u toch
niet meer tegen mijn reisplan verzetten!"
"Neen, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith, "en gij moet zoo spoedig
mogelijk vertrekken."
"Morgen?"
"Morgen."
De ingenieur hield het papier, dat hij uit de flesch gehaald had,
in zijn hand. Hij dacht eenige oogenblikken na en zeide toen:
"Uit dit papier, vooral uit den vorm waarin het gesteld is, kan men
opmaken: in de eerste plaats, dat de schipbreukeling van het eiland
Tabor een man is, die genoegzame kennis heeft van de zeevaart, omdat
hij dezelfde lengte en breedte van het eiland opgeeft, welke wij
gevonden hebben; in de tweede plaats is hij Engelschman of Amerikaan,
daar het stuk in de Engelsche taal geschreven is."
"Dat is zeer waar," antwoordde Gideon Spilett, "en de tegenwoordigheid
van den schipbreukeling verklaart ook het aanspoelen van de kist op de
kust van het eiland. Er is een schipbreukeling, alzoo moet er ook een
schipbreuk geweest zijn. Wat deze laatste betreft, het is gelukkig
voor hem, dat Pencroff op het denkbeeld is gekomen om een schip te
bouwen en het juist vandaag te probeeren, want een dag later had de
flesch op de klippen verbrijzeld kunnen worden."
"Het is inderdaad bijzonder gelukkig," zeide Harbert, "dat de
Bonadventure hier passeerde juist toen de flesch nog dreef!"
"Komt u dat niet zonderling voor?" vroeg Cyrus Smith aan Pencroff.
"Het komt mij gelukkig voor, ziedaar alles," antwoordde de
zeeman. "Ziet gij hier iets buitengewoons in, mijnheer Cyrus? Die
flesch moest toch ergens heen en waarom niet hier en wel ergens
anders."
"Gij hebt misschien gelijk, Pencroff," antwoordde de ingenieur,
"en toch...."
"Maar," merkte Harbert op, "bewijst niets dat deze flesch reeds lang
op zee drijft?"
"Niets," antwoordde Gideon Spilett, "en zelfs het stuk komt mij voor
nog maar kort geleden geschreven te zijn. Wat denkt gij daarvan,
Cyrus?"
"Dat is moeilijk uit te maken, en wij zullen het bovendien spoedig
te weten komen!" antwoordde Cyrus Smith.
Pencroff had intusschen de Bonadventure gewend. Ieder dacht aan
den schipbreukeling van het eiland Tabor. Was het nog tijd om
hem te redden? Het was een groote gebeurtenis in het leven van de
kolonisten. Zij zelf waren slechts schipbreukelingen, maar het was
te vreezen, dat anderen het minder gunstig getroffen hadden, en het
was hun plicht om den ongelukkige te hulp te komen.
Tegen vier uur lag de Bonadventure aan den mond van de Mercy.
Dienzelfden avond werd alles geregeld voor de nieuwe onderneming. Het
kwam allen het best voor, dat Pencroff en Harbert, die met het besturen
van een schip bekend waren, alleen de reis zouden ondernemen. Als
zij den volgenden morgen, 11 October, vertrokken, konden zij in
den loop van den 13den Tabor bereiken, want met den heerschenden
wind had men slechts acht en veertig uur noodig om dezen tocht van
honderd vijftig mijlen af te leggen. Een dag op het eiland, drie of
vier dagen voor de heen en terugreis, maken vier of vijf dagen zoodat
men den 17den op het eiland Lincoln terug kon zijn. Het was prachtig
weer; de barometer steeg geregeld; de wind scheen gunstig te zullen
blijven; alle kansen waren dus in het voordeel dezer moedige mannen,
die door een menschlievenden plicht zich genoopt voelden zich ver
van hun eiland te wagen.
Het was eerst bepaald dat Cyrus Smith, Nab en Gideon Spilett in het
Rotshuis zouden blijven; maar Gideon Spilett die zijn betrekking van
reporter van de _New-York-Herald_ niet kon vergeten, kwam er tegen
op en verklaarde, dat hij eer het schip zou nazwemmen, dan zulk een
mooie gelegenheid voorbij te laten gaan; hem werd dan ook toegestaan
om aan de reis deel te nemen.
In den avond bracht men bedden, werktuigen, wapenen, munitie, een
kompas en voor acht dagen levensmiddelen aan boord.
Den volgenden morgen om vijf uur nam men niet zonder aandoening van
weerszijden afscheid. Pencroff heesch de zeilen en richtte zijn weg
naar het zuidwesten.
De Bonadventure was reeds een kwart mijl van de kust verwijderd, toen
de passagiers op de hoogte van het Rotshuis twee mannen bemerkten,
die hun een afscheidsgroet toewuifden. Het waren Cyrus Smith en Nab.
"Onze vrienden!" riep Gideon Spilett uit. "Dat is onze eerste scheiding
sedert vijftien maanden!...."
Pencroff, de reporter en Harbert beantwoordden het laatst vaarwel
van hunne lotgenooten en het Rotshuis verdween weldra achter de
hooge bergen.
Harbert verving Pencroff nu en dan aan het roer, en de hand van den
jongeling was zoo vast, dat de zeeman er niets op had aan te merken.
Gideon Spilett sprak dan met den een dan met den ander en zelfs
hielp hij somtijds, wanneer dit noodig was. Kapitein Pencroff was
bijzonder ingenomen met zijn bemanning en beloofde niets minder dan
een "extra oorlam."
De nacht was donker, maar vol sterren en beloofde nog een prachtigen
dag.
Voorzichtigheidshalve liet Pencroff de bramzeilen strijken, daar hij
niet door een windvlaag overvallen wilde worden met bovenzeilen op. Het
was misschien te veel voorzorg voor een kalmen nacht, maar Pencroff
was een voorzichtig zeeman, en men kon het hem niet ten kwade duiden.
De reporter sliep een deel van den nacht. Pencroff en Harbert
wisselden elkander om de twee uur aan het roer af. De zeeman stelde
evenveel vertrouwen in Harbert als in zich zelven en dat vertrouwen
werd gerechtvaardigd door de koelbloedigheid en het verstand van den
knaap. Pencroff gaf hem het roer in handen als een commandant aan
zijn roerganger en Harbert liet de Bonadventure geen steek uit haar
richting loopen.
De zee, waarop het vaartuig dreef, was geheel verlaten. Nu en dan kwam
er een groote stormvogel of een fregatvogel binnen het bereik van
het geweer en Gideon Spilett vroeg zich af of hij mogelijk niet aan
een van deze hoogvliegers zijn bericht aan den _New-York-Herald_ had
toevertrouwd. Deze vogels waren de eenige wezens, welke dit gedeelte
van den Oceaan, tusschen het eiland Tabor en het eiland Lincoln,
schenen te bezoeken.
"En toch," merkte Harbert op, "zijn wij nu juist in den tijd dat
de walvischvaarders gewoonlijk hunne vaartuigen naar het zuidelijk
gedeelte van de Stille Zee richten. Ik geloof werkelijk dat er geen
zee zoo verlaten is als deze."
"Zij is niet zoo geheel verlaten!" antwoordde Pencroff.
"Hoe meent gij dat?" vroeg de correspondent.
"Maar wij zijn er toch. Houdt gij ons schip dan voor een wrak en ons
zelven voor bruinvisschen?"
Dien avond schatten zij dat de Bonadventure een afstand van honderd
twintig mijlen had afgelegd, sedert haar vertrek van het eiland
Lincoln, dat is te zeggen in zes en dertig uur, hetgeen een snelheid
van drie en een derde mijl in het uur gaf. De wind was zwak en zou
weldra geheel gaan liggen. Men mocht in ieder geval hopen, indien men
goed gerekend had en de richting juist was geweest, bij het aanbreken
van den volgenden dag het eiland Tabor te zullen bereiken.
Gideon Spilett, noch Harbert, noch Pencroff sliepen dien nacht. In
afwachting van den volgenden morgen konden zij hunne aandoening niet
meester blijven. Er was zooveel onzekerheid in de onderneming, die zij
gewaagd hadden! Waren zij dicht bij het eiland Tabor? Was dat eiland
nog door dien schipbreukeling bewoond, dien zij nu te hulp kwamen? Wat
was deze voor een man? Zou zijn tegenwoordigheid, de kleine kolonie,
die tot nog toe zoo eensgezind was geweest, niet storen? Zou hij
er in toestemmen zijn gevangenis voor een andere te ruilen? Al deze
vragen, die zeker den volgenden dag beantwoord zouden worden, hielden
hen uit hun slaap en bij de eerste ochtendschemering richtten zij
achtereenvolgens hun blik naar elk punt van den westelijken horizon.
"Land!" riep Pencroff tegen zes uur in den morgen.
En daar het niet aan te nemen was, dat Pencroff zich vergiste, was
men zeker land voor zich te hebben.
Men oordeele over de vreugde van de kleine bemanning van de
Bonadventure!
Binnen weinige uren zouden zij op de kust van het eiland zijn!
Men was nog slechts vijftien mijlen van het eiland Tabor verwijderd,
dat een lage kust had, welke nauwelijks boven de golven uitstak.
De steven van de Bonadventure, die een weinig ten zuiden van het eiland
wees, werd nu daarheen gericht en naarmate de zon in het oosten steeg,
kreeg men ook hier en daar eenige toppen in het gezicht.
"Het is een eilandje van veel minder belang dan het eiland Lincoln,"
merkte Harbert op. "Het is waarschijnlijk eveneens ontstaan door een
onderzeesche beweging."
Om elf uur was de Bonadventure er nog slechts twee mijlen van
verwijderd en Pencroff zocht een plaats om te landen, maar ging in
deze onbekende streken uiterst voorzichtig te werk.
Men kon toen het eiland in zijn geheel overzien, waarop eenige
groenende struiken wiesen en enkele groote boomen van dezelfde soort
als op Lincoln groeiden.
Maar zonderling genoeg, nergens zag men een rookwolk opstijgen, die
aantoonde dat het eiland was bewoond; geen spoor hiervan was er op
eenig punt van de kust te zien.
Het stuk was nochtans duidelijk geweest; er was een schipbreukeling
en die schipbreukeling moest toch op den uitkijk zijn!
De Bonadventure waagde zich echter in de grillige passen, die
tusschen de klippen stroomden, en Pencroff nam de onbeduidendste
bochten nauwkeurig op. Hij had Harbert aan het roer gezet en aan den
voorsteven nam hij het water waar, gereed om zeil te reven, waarvan hij
het touw in de handen hield. Gideon Spilett ging met zijn verrekijker
de geheele kust na, zonder dat hij iets bespeurde.
Eindelijk tegen twaalf uur, stootte de Bonadventure met haar voorsteven
op de zandkust. Het anker werd geworpen, de zeilen werden gestreken
en de bemanning van het kleine vaartuig ging aan wal.
Er viel niet te twijfelen of het was het eiland Tabor, omdat er,
volgens de laatst uitgegeven kaarten, geen ander eiland in dit
gedeelte van de Stille Zee tusschen Nieuw-Zeeland en de Amerikaansche
kust bestond.
Het schip werd stevig vastgemeerd om te voorkomen dat het door den
vloed meegenomen werd; en na zich goed gewapend te hebben, begaf
Pencroff zich met zijn beide metgezellen op weg naar een kleinen
bergtop van ongeveer twee honderd vijftig à drie honderd voet hoogte,
op een halve mijl afstands.
"Van den top van dezen heuvel," zeide Gideon Spilett, "zullen wij
zonder twijfel het eiland kunnen overzien, hetgeen onze nasporingen
veel gemakkelijker zal maken."
"Wij moeten hier doen," antwoordde Harbert, "wat mijnheer Cyrus het
eerst op het eiland Lincoln gedaan heeft, toen hij den berg Franklin
besteeg."
"Precies hetzelfde," antwoordde de reporter, "en dit is de beste
manier om te beginnen."
Al pratende volgden zij den zoom van een grasvlakte, die zich tot
aan den voet van den heuvel uitstrekte. Een groot aantal rotsduiven
en zeezwaluwen, van dezelfde soort als op Lincoln vlogen bij hun
nadering op. In het bosch, aan de linkerzijde van de weide, hoorden
zij ritselen in het kreupelhout en zagen zij het gras bewegen,
hetgeen wel bewees dat er zeer schuwe beesten verblijf hielden;
maar nog niets duidde aan dat het eiland bewoond was.
Pencroff, Harbert en Gideon waren weldra op den top van den berg en
hun blik kon vrij langs alle punten van den horizon weiden.
Zij waren op een eiland, dat niet meer dan zes mijlen omtrek had en
langwerpig rond van vorm was. Rondom was de zee geheel verlaten en
smolt aan den horizon met de lucht samen. Er was geen land, geen zeil
in het gezicht.
Dit eiland, dat geheel begroeid was, leverde niet zulk een afwisseling
op als Lincoln, waarvan een gedeelte onvruchtbaar en wild was en een
ander vruchtbaar en weelderig. Hier was het een onafgebroken massa
groen, waarboven twee of drie heuvels uitstaken. Dwars door een groote
weide liep een kleine beek, die zich aan de westkust door een nauwen
mond in zee stortte.
"Het is een zeer beperkt gebied," zeide Harbert.
"Ja," antwoordde Pencroff, "het zou voor ons wel wat te klein zijn
geweest."
"En erger," zeide de reporter, "het schijnt onbewoond."
"Waarlijk," antwoordde Harbert, "niets duidt de aanwezigheid van
menschen aan."
"Laten wij naar beneden gaan en zoeken," gaf Pencroff te raad.
De zeeman en zijn beide metgezellen keerden naar de kust terug, naar
de plaats waar zij de Bonadventure hadden achtergelaten. Zij hadden
besloten om te voet een tocht om het eiland te maken, vóor zich in het
binnengedeelte te wagen, zoodat er niets aan hun onderzoek kon ontgaan.
Men kon gemakkelijk de kust volgen, welke op enkele punten slechts
door groote rotsen afgebroken werd, die men echter kon omtrekken. De
verkenners richtten zich naar het zuiden; een groot aantal watervogels
en zeehonden vluchtten bij hun nadering, reeds wanneer zij hen van
verre zagen komen.
"Het is niet voor de eerste maal," merkte de reporter op, "dat deze
dieren menschen zien. Zij vreezen hen en dus kennen zij hen."
Een uur na hun vertrek kwamen zij bij de zuidelijke punt van het eiland
en keerden zij langs de westkust naar het noorden terug. Ook deze
kust bestond uit zand en rotsen en was door dichte bosschen begrensd.
Nergens was een spoor te ontdekken van bewoners, nergens over de
geheele oppervlakte van het eiland, dat zij in vier uur geheel
doorkruist hadden, was de indruk van een voetstap te vinden.
Het was zeer zonderling en men moest gelooven dat het eiland Tabor
niet of niet meer bewoond was.
Misschien was het geschrift in de flesch reeds maanden of jaren oud
en was het in dit geval mogelijk, dat de schipbreukeling naar zijn
land teruggekeerd of van ellende omgekomen was.
Pencroff, Gideon Spilett en Harbert gebruikten onder druk gesprek
hun middagmaal aan boord van de Bonadventure, om zoo mogelijk hun
verkenning tot den nacht voort te zetten.
Tegen vijf uur in den avond waagden zij zich in het bosch.
Ook daar jaagden zij menig dier op, maar vooral, men zou zelfs kunnen
zeggen, uitsluitend geiten en varkens, die men aanstonds als van
europeesch ras herkende.
Een walvischvaarder had ze ongetwijfeld op het eiland ontscheept,
waar zij zich spoedig vermenigvuldigd hadden. Harbert nam zich voor
eenigen daarvan levend te vangen om ze naar Lincoln over te brengen.
Het viel dus niet meer te betwijfelen, dat te eeniger tijd menschen
dit eiland bezocht hadden. Men was er nog meer van overtuigd, toen
men dwars door het bosch gebaande wegen zag en zelfs boomstammen,
die met een bijl geveld waren, en overal sporen van menschenarbeid;
maar deze boomen, die reeds tot vermolmen overgingen, waren vele jaren
geleden geveld: de inkervingen van de bijl waren met mos overdekt,
en het lange gras groeide in overvloed op de paden, zoodat men ze
nauwelijks terug kon vinden.
"Maar," merkte Gideon Spilett op, "dit bewijst dat hier niet alleen
menschen aan wal zijn geweest, maar dat zij het zelfs gedurende
eenigen tijd bewoond hebben."
Wie waren deze menschen? Hoeveel waren er? Hoeveel zijn er nog?
"Het geschrift," zeide Harbert, "spreekt slechts van één
schipbreukeling."
"Welnu, indien er nog éen is," antwoordde Pencroff, "dan moeten wij
hem ook volstrekt vinden!"
Men zette dus de verkenning voort.
De zeeman en zijn metgezellen volgden natuurlijk den weg, die het
eiland dwars doorsneed, en hielden dus den oever van de rivier,
welke naar zee voerde.
Gaven dieren van Europeeschen oorsprong en eenige sporen van
menschenarbeid reeds onbetwistbaar te kennen, dat er menschen op dit
eiland geweest waren, verscheiden eigenaardigheden in het plantenrijk
bewezen dit niet minder. Op enkele open plaatsen in het bosch zag
men dat er moeskruiden geplant waren geweest in een waarschijnlijk
lang verleden tijdperk.
De vreugde van Harbert was onbeschrijfelijk, toen hij aardappelen,
cichorei, zuring, wortelen, kool en knollen vond, waarvan hij het
zaad slechts behoefde te nemen om er den bodem van Lincoln mede
te verrijken!
"Goed zoo, goed!" zeide Pencroff. "Dat is iets voor Nab. Vinden
wij den schipbreukeling niet, dan zal onze reis ten minste niet te
vergeefs zijn geweest en God zal ons beloond hebben!"
"Voorzeker," antwoordde Gideon Spilett; "maar te oordeelen naar den
staat, waarin deze moestuinen verkeeren, moet men vreezen dat het
eiland sedert lang niet meer bewoond is."
"Waarlijk," antwoordde Harbert, "een bewoner, wie hij ook zij, zou
zulke onmisbare planten niet zoo verwaarloosd hebben!"
"Ja," zeide Pencroff, "die schipbreukeling is weg!... Dat moeten
wij aannemen...."
"Men moet dus aannemen dat het papier in de flesch reeds van ouden
datum is?"
"Natuurlijk."
"En dat deze flesch het eiland Lincoln eerst bereikt heeft na langen
tijd op zee te hebben rondgezworven?"
"Waarom niet?" antwoordde Pencroff.--"Maar de nacht valt in," voegde
hij er bij, "en ik geloof, dat het beter is ons onderzoek te schorsen."
"Laten wij aan boord gaan; morgen kunnen wij weer beginnen," zeide
de reporter.
Dit was het verstandigste en zijn raad werd opgevolgd, toen Harbert
op een verwarde massa tusschen de boomen wees en uitriep:
"Een woning!"
Allen richtten zich onmiddellijk naar de aangewezen plaats. Bij de
schemering kon men nog zien dat de woning uit planken bestond en door
een dik geteerd zeil overtrokken was.
De deur, die aanstond, werd door Pencroff opengestooten, die snel
binnentrad.... De woning was ledig!