EEN FEESTMAAL VAN GIEREN.—HET DRAKENBLOED.—DE KORAAL-SLANG.—DE
BOSCHUIL.—DE MEXICAANSCHE MOLLEN.—DE TOEKANS OF PEPERVOGELS.—DE
SCOLOPENDERS.—DE ENCUERADO KLEERMAKER.—ZONSONDERGANG.
Met het aanbreken van den dag vertrokken, liepen wij zwijgend voort,
nu eens klimmende, dan weer dalende, beurtelings dicht begroeide en
opene plaatsen doortrekkende, toen een troep gieren onze aandacht trok.
Een afzichtelijk schouwspel vertoonde zich aan onze blikken. Een
coyote—zonder twijfel die, welken de Encuerado den vorigen dag gewond
had—lag half verslonden op den grond en een vijftigtal gieren kwamen
beurt om beurt een stuk vleesch van het lijk afscheuren.
»Wat afschuwelijke dieren!” riep Lucien uit. »Hoe is 't mogelijk dat de
stank hen niet afschrikt?”
—»'t Is juist die stank, die hen aantrekt, antwoordde ik; als zij
zoo in de lucht zweven en den gezichteinder met hun lichtgeel oog
doorvorschen, zoekt hun fijne reuk in de lucht naar de uitwasemingen,
welke de rottende lichamen, waarmede zij zich voeden, van zich geven.”
De zwarte gieren zijn zoo talrijk in de steden van Mexico, waar zij heel
vertrouwelijk in de straten leven, dat onze kleine reisgezel ze sedert
lang kende; maar hij was nooit bij hunne gemeenschappelijke maaltijden
tegenwoordig geweest. Het gezicht van die naakte, zwarte, gerimpelde
halzen, die in het kreng van het dier dompelden, vervulde hem met
walging.
»Bah!” riep hij uit; »wat vieze vogels!”
—Wat wilt gij! Zij gehoorzamen aan hun instinct; gij zult in 't
vervolg beter de beteekenis van roofvogels vatten, onder welken naam
de natuurkundigen de gieren, arenden, valken, uilen en boschuilen
samenvatten. Gij weet dat de wetenschap, die de zeden der vogels
beschrijft, _ornithologie_ of vogelkunde wordt genoemd. Cuvier, die
groote rangschikker, verdeelt het gevederde volkje in zes orden:
roofvogels, vinkvogels, klimvogels, hoendervogels, steltenloopers en
zwemvogels. Om alle verwarring te voorkomen, heeft men de orden weer in
familiën, de familiën in geslachten, de geslachten in soorten en de
soorten in stammen verdeeld.
—Maar hoe kan men daaruit wijs worden?
—Door sommige eigenaardige kenmerken, die tot uitgangspunt dienen. De
roofvogels, bij voorbeeld, hebben kromme bekken en nagels, tot aan de
knieën of tot aan de pooten bevederde beenen, drie teenen naar voren en
één naar achteren staande; de nagels van den duim en den middelsten
vinger zijn sterker dan die van de andere vingers. De gieren, die gij
daar voor u ziet, de eenigen, die in troepen leven, behooren tot het
geslacht catharte.[16]
[16] Van het Grieksche woord _cathartes_, dat „ik zuiver” beteekent.
Werkelijk helpt deze vogel om de straten der steden, waarvan de
reiniging niet goed geregeld is, te zuiveren.
Zie eens, daar zijn er, die zich op een afstand houden. Men zou zeggen,
dat zij bang zijn.
Dat zijn de verzadigden; zij verteren nu, en als geen gevaar hen tot
vluchten dwingt, blijven zij onbeweeglijk zitten, tot de zon ondergaat.
—Vallen zij nooit levende dieren aan?
—Zeer zelden; zij zijn lafhartig en schijnen niet van versch vleesch te
houden.
Wij hadden reeds sedert lang het afschuwelijk gezelschap achter ons
gelaten, toen Lucien eensklaps uitriep:
»O, Papa, daar is een boom, die bloedt!
—Dat is een _pterocarpus_, dat wil zeggen een gewas, waarvan de
vruchten weefsels bezitten, die op vogelvleugels gelijken. Het roode
sap, dat uit de schors vloeit, is het _drakenbloed_, aldus door de oude
Grieken genoemd, die het een fabelachtigen oorsprong toeschrijven. De
_bloedboom_—zooals de Indianen hem noemen—is een verwante van de
asperges en de lelies, en de gom, die hij uitzweet, wordt gebruikt tegen
den buikloop.
De Encuerado maakte eenige stukken van het kostbare voortbrengsel los;
daarna doopte hij zijne vingers in de nog vloeibare druppels, om er de
beenen en pooten van Gringalet meê in te smeeren, die zoo in 't bezit
kwam van roode laarzen. Bij slot van rekening kon deze bewerking slechts
nuttig voor het dier zijn, want het drakenbloed, dat rijk aan looistof
is, zou de weefsels toehalen; maar het eerste gevoel scheen het dier
lastig te vallen en hij liep verder, de pooten op een allerkoddigste
manier oplichtende.
»Gringalet loopt juist als de Encuerado, toen hij op zekeren dag zijn
mooie blauwe schoenen heeft willen aantrekken, hernam Lucien lachende.
—Heeft de Encuerado blauwe schoenen aangehad? riep Sumichrast uit.
—Ja, laatst hadden wij menschen te eten en mama had aan Chema[17]
gezegd, dat hij zich zoo net mogelijk moest kleeden. Hij is toen
dadelijk een paar schoenen gaan koopen, die hij in een winkel gezien
had, en toen men aan tafel ging, kwam hij met zijn mooie schoenen aan en
een witte das om.
[17] Verkleinwoord van José-Maria.
—Een das! herhaalde Sumichrast, die van de eene verbazing in de andere
viel.
—Ja, eene werkelijke das. Daar hij nooit anders dan sandalen had
gedragen, kon hij niet anders loopen, dan door de voeten op te heffen,
zooals Gringalet doet. Mama raadde hem aan, zijn gewoon schoeisel aan
te doen, doch hij wilde niet; maar hij werd er wel voor gestraft, want
hij deed een verkeerden stap en brak een stapel borden. Na dit ongeluk
kon hij er pas toe besluiten om zijn schoenen uit te doen; maar daar
hij er niet geheel en al van kon scheiden, hing hij ze om zijn hals
en vervolgde hij met deze mooie versiering trotsch zijn dienst.
Het avontuur was maar al te waar en Sumichrast kon zijn lachen niet
inhouden.
»Waarom hingt ge die schoenen om uw hals, in plaats van ze in een hoek
te zetten? vroeg hij den Indiaan.
—Dat heb ik gedaan, toen iedereen wist dat ze van mij waren, antwoordde
hij.
Ons kamp werd opgeslagen bij den ingang van eene nieuwe lichting in 't
woud. De Encuerado had vijf of zes vinken geschoten, ons middagmaal was
dus verzekerd. Nauwelijks hadden wij onzen arbeid als bouwmeesters
voltooid, of Lucien, die ronddoolde, overal de steenen en boomstronken
oplichtende om nieuwe insekten te vinden, riep mij met luid geschreeuw.
Toen ik bij hem was gekomen bemerkte ik, diep in een gat, een
koraalslang, die ongeveer een meter lang was. Op zich zelve gerold,
hield het kruipdier zich onbeweeglijk en ik bewonderde zijne prachtige,
roode huid, die op gelijke afstanden door glinsterend zwarte banden
doorsneden was. De Encuerado sneed spoedig een tak af, die in een vork
uitliep en hield daarmede de slang tegen den grond gedrukt. De gevangene
wikkelde zich dadelijk los; de kronkels ontrolden zich en de dreigende
kop werd zichtbaar. Gringalet blafte vol woede, maar dorst toch niet
naderbij komen. De Indiaan trok zijn sabel—het vooruitzicht op een
onverwachten schotel maakte hem vroolijk.
Slangenvleesch is een Indiaansche kost. Vóór de verovering van
Mexico door de Spanjaarden, kwam zelfs de ratelslang bij plechtige
feestelijkheden op tafel. Descorides[18] beschreef het vleesch
van adders als versterkend en het kwam voor in de theriac, dat
wondergeneesmiddel onzer voorvaderen, hetwelk een der voornaamste
voorwerpen uitmaakte van den Venetiaanschen handel. Niettegenstaande
al deze voorbeelden werd de schotel, dien de Encuerado voorstelde,
met algemeene stemmen verworpen.
[18] Een beroemd Grieksch geneesheer uit de eerste eeuw der Christelijke
jaartelling.
Na de slang den kop te hebben afgehouwen, gingen wij op onderzoek uit.
Terwijl wij een troep eekhoorns vervolgden, kwamen wij weer aan den rand
der lichting terug, zonder ze te hebben kunnen naderen. Niet ver van
de vlakte bespeurde Sumichrast een kleinen rosachtigen boschuil, die
eensklaps in een gat verdween, dat in den voet van een ouden boom
uitgehold was. Ieder hield zich gedurende een tiental minuten doodstil,
ten einde de gangen van den jagenden vogel na te gaan. Eindelijk kwam
hij geheel onverwacht weer te voorschijn, onbeweeglijk voor den ingang
van zijn schuilplaats; recht op de beenen staande, geleek hij op een
schildwacht, die in zijn schilderhuis op post staat. Plotseling begon
hij te beven, het lichaam boog langzaam naar voren, zijn groote gele
oogen knipten herhaalde malen dicht, daarna met de snelheid van een pijl
langs den grond scherende, wierp hij zich in het hooge gras.
Spoedig kwam hij met opstaande veeren en klapwiekend terug, in zijn bek
een muisje houdende, dat hij in zijne onderaardsche woning bracht.
Het was de soort boschuil, die men _athene hypogoea_ noemt en welke
veelvuldig in de savannen wordt aangetroffen. Hij jaagt bij dag zoowel
als bij nacht.
»Een vreemde vogel, zeide Lucien; hij joeg mij met zijn oogen, die vuur
schoten en zijn krommen bek vrees aan.
—Hij maakt iedereen beangst, Chanito, antwoordde de Encuerado, en als
hij zich des nachts bij eene hut gaat nederzetten en zijn naargeestig
geschreeuw doet hooren, voorspelt hij den spoedigen dood van een van
hen, die naar hem luisteren.
—O, dat is niet waar, hernam Lucien, want er was een uil in een gat van
den muur van onzen tuin, en papa heeft nooit gewild dat men hem verjoeg.
En toch maakte hij er geen kwaad uit om alle avonden te schreeuwen.
—Uw papa weet altijd de kwade invloeden te bezweren. Bovendien was de
vogel in den muur een steenuil.
—In Europa, zoowel als in Amerika, worden de boschuilen en hunne
verwanten; de steenuilen, kerkuilen, de buizerds, al te maal
nachtroofvogels, door het volk als vogels van slechte voorbeteekenis
beschouwd, hernam Sumichrast op zijne beurt. Hun vreemd gelaat, hunne
geheimzinnige gewoonten wekken een afkeer op, die soms in vrees
overgaat. Men doet evenwel verkeerd ze te vreezen; in werkelijkheid is
de droefgeestige jager, dien gij zoo juist gezien hebt, even als alle
van zijne soort, meer nuttig dan schadelijk voor den mensch, want hij
vernietigt een groot aantal kleine zoogdieren, zooals springmuizen,
spitsmuizen, zevenslapers en veldmuizen, die de oogsten verwoesten. Gij
weet zeker wel dat de uil, bij de oude Grieken, de vogel van Minerva
was; in de oogen der Asteken vertegenwoordigde hij de godin van het
kwaad.
Op korten afstand van de plaats, waar de muizeneter verdwenen was, zag
men de groote gaten, welke de _tuza's_,[19] door de landbouwers zeer
gevreesde Mexicaansche mollen, graven. Dit dier bereikt de grootte van
een jonge kat, leeft in troepen en werkt op eene, voor de reizigers zeer
gevaarlijke wijze den grond om, waar hij zich gevestigd heeft, want
dezen voelen den grond eensklaps onder zich instorten. De Encuerado,
die zeer verlekkerd was op het vleesch der _tuza's_, waarvan de vroeger
Mexicaansche markten altijd voorzien waren, plaatste zich in hinderlaag,
in de hoop er een te dooden. Nauwelijks waren vijf minuten verloopen of
er klonk een schot en kwam de jager terug, een vrij leelijk dier, met
donkerbruin haar, korte pooten en bijna onzichtbare ooren en oogen in de
hand houdende. De bek was met zeer groote snijtanden gewapend en aan
weerszijde van de kaken bevond zich een ruime zak, die met aarde gevuld
was. Lucien verklaarde, dat hij nooit het vleesch van zulk een dier zou
aanraken, en liet reeds bij voorbaat zijn aandeel aan den Encuerado
over.
[19] _Saccophorus mexicanus_, meer op een rat dan op een mol gelijkende;
daar zij aan de wangen een grooten zak hebben, worden zij
_Saccophorus_, zakdragers, genoemd.
Onze aandacht werd opnieuw naar het woud getrokken door het geschreeuw
van vijf of zes _toekans_ (pepereters) en nogmaals gingen wij op de
jacht. Deze klimvogels zijn buitengewoon wantrouwend en hunne grillige
vlucht brengt den vervolger ieder oogenblik van streek. Het gelukte mij
evenwel er een van te schieten; de andere namen, onder een toornig
geschreeuw, de vlucht.
»Hoe kan hij het gewicht van zulk een grooten bek dragen? vroeg Lucien,
die den vogel, wiens fraaie groene en gele veeren zijn bewondering
opwekten, had opgeraapt.
—Daarin heeft de natuur voorzien; de groote bek, die u zoo zwaar
toeschijnt, bestaat uit een zeer licht, sponsachtig weefsel, antwoordde
ik.
—Is hetgeen hij eet dan zoo hard?
—Integendeel; zijn buigzame bek kan niets fijn maken, en hij voedt
zich met niets anders dan vleezige vruchten, die hij vrij onbeholpen
openmaakt. Als wij dicht genoeg bij hem hadden kunnen komen, zoudt gij
gezien hebben, dat hij bessen plukt, die in de hoogte gooit, om ze
daarna in zijn wijden bek op te vangen.
—Maar waartoe dient dan zulk een groote bek?
—Daar kan ik u geen antwoord op geven, want de natuurkundigen, wien
deze vraag even veel belang inboezemt, hebben er nog geen verklaring van
weten te geven.
—Ik ben dus geleerder dan zij, sprak de Encuerado op een professoralen
toon.
—Weet gij waarom de toekans zulk een grooten bek hebben?
—'t Is de wijsheid van den Schepper, die hem hun zoo gegeven heeft.
Daar twijfelen wij geen oogenblik aan, hernam Sumichrast lachende, maar
waarom heeft Hij hem dien gegeven?
—Omdat die gebrande en tot poeder gestampte bek het eenige werkzame
middel tegen de vallende ziekte is. De toekans zijn lang niet algemeen
en als hun bek nu niet grooter was dan die van andere vogels van hunne
grootte, zou men nooit het geneesmiddel in voldoende hoeveelheid kunnen
bekomen.”
De verklaring van den Encuerado was bij slot van rekening evenveel
waard, als onze twijfelingen. Ik herinnerde mij inderdaad, dat de
Indianen een groot geheim maken van zeker poeder tegen de vallende
ziekte, en dat het niets bijzonders is, den kop van een toekan tegen
den muur eener hut te zien hangen, als voorbehoedmiddel tegen den
St.-Vitusdans.
In plaats van uit te rusten doolde Lucien langs alle kanten rond,
boombasten en steenen opheffende, met den ijver van een nieuweling
in de insektenkunde. Na de ontmoeting met de koraalslang, nam hij
alle voorzorgen, die mij gerust konden stellen, want men weet nooit
in welke gesteldheid men het dier zal vinden, welks rust men komt
storen. De knaap riep mij: hij had een nest scolopenders, gewoonlijk
duizendpooten genoemd, ontdekt en durfde er niet aan te raken. De
verraste duizendpooten rolden zich op, en hunne bleekblauwe kleur
verminderde een weinig den afkeer, dien zij gewoonlijk inboezemen.
Het was niet zonder eenige aarzeling, dat Lucien, door Sumichrast
aangemoedigd, er een op de palm van zijne hand plaatste; het insekt
ontrolde een voor een zijne geledingen, waarvan elk voorzien was van
twee paar pooten, die in haakjes eindigden, en begon toen met een
langzaamheid te loopen, die den kleinen nieuwsgierige teleurstelde.
»Waartoe dient het toch vier en veertig pooten te hebben, riep hij uit,
als men veel langzamer gaat dan een loopkever, die er slechts zes heeft?
Alleen de Encuerado was in staat dit geheim op te lossen; maar hij
bewaarde het stilzwijgen.
—Zijn die beesten vergiftig, Mijnheer Sumichrast?
—Men zegt het; doch alleen enkele soorten—die, welke gij nu gadeslaat,
kunnen bij voorbeeld ongestraft aangeraakt worden.
—Zie, daar is een kleine scolopender, die slechts twaalf pooten heeft.
Dat komt omdat die pas uit het ei gekomen is; naargelang zij ouder
worden, neemt ook het aantal ringen en pooten toe. Dat is een van de
bijzonderheden van de duizendpooten.
—Wat zijn die ringen hard! men zou zeggen, dat het een pantser is.
—Dat is er ook werkelijk een; de scolopenders vormen, als 't ware, de
afscheiding tusschen de insecten en de schaaldieren. Zij zijn na aan de
kreeften verwant.
—Zie eens, papa, ik heb daar een chocolaadkleurigen worm gevonden, die
ook duizend pooten heeft.
—Dat is geen worm, maar een julus, een neefje van de duizendpooten.
Kaak hem maar niet te veel aan, want hij zou aan uwe vingers een vuilen
reuk mededeelen.”
Wij hervatten onzen marsch naar het kampement, waarheen Lucien en de
Encuerado ons voorgingen. De lucht was warm, zonder verstikkend te zijn;
de zon zond ons hare stralen, die door het gebladerte getemperd werden,
in schuinsche richting toe; de vogels zongen, en deze dag kon, even als
de vorige, onder de minst vermoeiende van onze reis geteld worden. Wij
waren te midden van het Gematigde Land, omringd door witte en zwarte
eiken, wolboomen, ceders, olmen en gaiacboomen. De slingerplanten
groeiden slechts van afstand tot afstand, als 't ware alleen om hare
tegenwoordigheid aan te kondigen, en de muskieten, die in het Warme Land
zoo talrijk zijn, maakten het ons niet al te lastig. De ver van elkander
verwijderde boomen veroorloofden ons op ons gemak rond te loopen; wij
waren wel in een maagdelijk woud, maar nog te hoog boven de vlakte,
dan dat wij te worstelen hadden tegen het onontwarbaar net van een
tropischen plantengroei.
De tuza, door rijst omringd, werd voorgediend.
Al is het uiterlijke van dit dier ook onaangenaam, zijn vleesch heeft
evenwel een heerlijken smaak. Ik gaf er een boutje van aan Lucien om
af te kluiven; hij vond het zoo lekker, dat hij zijn kalebas, die voor
bord diende, opnieuw bijhield. Sumichrast vertelde hem toen, dat hij
aan den mol smulde, ofschoon hij meende dat hij een lijster at; hij
stond verstomd, maar tastte toch moedig zijne tweede portie aan. Na den
maaltijd haalde de Encuerado uit een zakje van agavevezel eene naald en
eene els te voorschijn en begon de broek, die eenige dagen te voren zoo
gehavend was, te herstellen. Twee eekhoornvellen waren den nauwgezetten
kleermaker, die ook de knieën met de ondoordringbare stof voerde, ter
nauwernood voldoende.
Lucien, die over deze oplapperij verrukt was, wilde dadelijk zijn
verstelde pantalon beproeven. Hij draaide, liep, bukte en was gelukkig
over het geratel, dat de droge huiden veroorzaakten. Gringalet, die
scheen te slapen, kwam plotseling met eene zichtbare verwondering naar
zijn meester toe. Met uitgestrekten hals, schitterende oogen en hangende
ooren, gereed desnoods den terugtocht aan te nemen, waagde de hond het
aan het werk van den Encuerado te snuffelen, schudde veelbeteekenend den
kop en niesde. Hij hervatte twee of driemaal deze handelwijze en scheen
zeer nadenkend te zijn.
»Hij heeft er verstand van en vindt, dat het niet al te slecht genaaid
is, sprak de Encuerado met voldoening.
Maar na eene nauwkeuriger kennismaking begon het beest eensklaps te
blaffen en vatte de met zooveel moeite bijeengebrachte stukken beet en
trachtte ze te verscheuren.
»De lomperd meent, dat de eekhoorn leeft!” riep de Indiaan uit.
Twintig maal weggejaagd, kwam Gringalet telkens weer tot den aanval
terug, en dat wel met zooveel ijver, dat hij een nieuwe scheur in de
pantalon maakte. Toen werd de Encuerado boos en de gestrafte hond ging
bij het vuur liggen, maar niet zonder de tanden te laten zien aan de
zonderlinge voering, die hem zoo mishaagde.
De zon ging onder. Haar gouden stralen, die door de takken speelden,
schenen een voor een naar den hemel terug te stijgen, en allengs omhulde
de duisternis het gansche woud. Reeds hadden wij een groep rondom
het bivak gevormd, toen eene rooskleurige tint de toppen der boomen
verlichtte en tot onder het loof doordrong. Daar dit zonderlinge
lichteffect bleef aanhouden, keerden wij naar de lichting terug, ten
einde het beter waar te nemen. De hemel scheen als in vuur te staan; een
breede, schitterende straalbundel schoot uit het Oosten voort; twee of
drie bloedkleurige wolken vluchtten met veel snelheid. Het schitterende
licht werd hoe langer zoo levendiger, maar zonder te stralen en zonder
de minste verblinding te veroorzaken. Eenige vogelstemmen lieten zich
hooren en enkele valken, die naar hun nest terugkeerden, hielden een
oogenblik hunne vlucht in, en bleven besluiteloos in de ruimte
rondzweven.
»De wind zal morgen met veel geweld blazen, sprak de Encuerado; ik heb
de lucht nog eens zoo in vuur gezien en twee dagen later wierp een
verschrikkelijke orkaan de meeste hutten van mijn dorp om.
—Wij zullen er wel met een Zuidenwind afkomen even als die, welke het
ons op den dag van ons vertrek zoo lastig maakte,” antwoordde
Sumichrast.
Te recht of ten onrechte schreef ik dit verschijnsel aan den stand der
wolken toe. De sterkte van het licht nam nog toe, 't was als of het een
enkele bliksemstraal was. De nacht nam weer de overhand en alleen het
schijnsel van het vuur geleidde ons naar onze schuilplaats.