DE ZALF VAN KATTENOOGEN.—HET GORDELDIER.—LUCIEN EN DE VARENPLANT.—DE
INGESTORTE BERG.—DE SPECHT.—DE BASILISCUS.—EEN NIEUW DENKBEELD VAN
DEN ENCUERADO.
Gringalet, die het alarm had gemaakt, was ook de eerste om weer in te
slapen. Wat mij aangaat, ik wachtte met zekere ongerustheid op den
terugkeer van den Encuerado. Toen de Indiaan na een kwartier uurs niet
verscheen, begon ik te gelooven dat hij, door de duisternis misleid,
zich van het bivak had verwijderd, in plaats van het te naderen. Na
hem twee of driemaal geroepen te hebben, zonder antwoord te ontvangen,
maakte ik mij gereed om mijn geweer af te schieten, opdat het geluid van
de losbranding hem op den weg zou brengen, toen zijn keelgeluid mijn oor
bereikte.
—Hoe komt het bij je op, om op zulk een uur een geheel nutteloos wild
te vervolgen! riep ik uit, toen ik hem te voorschijn zag komen.
—Ik wilde aan die schreeuwers een les geven, heer.
—Hebt gij er dan een gedood?
—Ik heb hem slechts een kogel in 't lijf kunnen jagen, en heb hem toen
vervolgd.
—Op gevaar af van in een kloof te vallen. Zoo ver ik weet kunt gij toch
des nachts niet zien.
—Niet veel, en dat is uwe schuld, hernam de Encuerado op een toon van
verwijt.
—Wat! is dat mijne schuld!
—Herhaalde malen hebben de brujos (toovenaars) mij een zalf aangeboden,
bestaande uit de oogen van katten, maar zij wilden mij te duur
verkoopen.
Gij weet nu veel meer dan de toovenaars, en als gij mij de woorden hadt
willen leeren, die men moet uitspreken om aan de zalf haar kracht te
verleenen, zou ik sedert lang des nachts kunnen zien, wat u, zoowel als
mij, van groot nut zou zijn.
Dat was een oud sprookje, en al wat ik den Indiaan zou hebben gezegd
over mijne onmacht om hem oogen te geven, die de duisternis kunnen
doorboren, zou hem niet overtuigd hebben. Ik vergenoegde mij dus met hem
aan te sporen om te gaan slapen.
Het was reeds helder dag, toen Sumichrast mij wekte. De beek, die wij
konden overspringen, kabbelde nu eens over de keien of gleed zwijgend en
als in slaap gedompeld over het zand van de bedding. De planten, die de
beide oevers omzoomden, strengelden zusterlijk hare takken dooreen en
hare bloemen schenen elkander hare geuren te ruilen. Van de takken der
groote boomen hingen witte mossen naar omlaag, wat hen op reusachtige
grijsaards deed gelijken; de zon vergulde de stammen met hare opkomende
stralen en uit de toppen der boomen steeg de zachte lofzang, door de
zangvogels gekweeld, ten hemel. Onze oogen, aan de betrekkelijk dorre
streken, die wij den vorigen dag doorgetrokken waren, gewoon, rustten
met welgevallen op dit lachende en grootsche tooneel; wij ondervonden te
midden van deze kalme en weelderige natuur, een werkelijk welbehagen.
Met leedwezen maakten wij aanstalten om op te breken.
»Als wij eens na den middag vertrokken?” zei Sumichrast.
—En als wij nu eens eerst morgen verder gingen?.... hernam ik.
Deze ondervragingen beantwoordden zoo wel aan het algemeen verlangen,
dat onze reisbagage in een oogwenk weer op den grond lag. Ons eerste
werk was een bad te nemen; toen kwamen wij op de gedachte om ons goed te
wasschen. Lucien, door den Encuerado geholpen, die, daar hij een leeren
gewaad op het bloote lichaam droeg, niets voor zichzelven te wasschen
had, lachte hartelijk toen hij ons zoo in bleekers veranderd zag, en
bracht het er van zijn kant, niet al te slecht af. Daarna belastte hij
zich er mede om Gringalet een bad te geven, wiens wit en zwart gevlekt
gewaad wel een sopje noodig had. Ongelukkigerwijze ging hij, zoodra hij
uit het water kwam, in het zand rollen en kwam toen naar zijn
teleurgestelden meester huppelen.
Wij doolden links en rechts rond, in de hoop van nog eenige insecten te
vinden, toen Gringalet de ooren opstak en zijn tanden liet zien. Een
geraas van dorre bladeren trok onze aandacht op eene steilte tegenover
ons en waar wij een gordeldier zich zagen verpoozen.
Gewoonlijk gaan deze dieren des nachts uit, om zich te vermaken en hun
voedsel te zoeken. Dat, hetwelk wij zoo op den vollen dag aantroffen,
had de grootte van een flink konijn. Zijn ooren, die de gedaante van een
peperhuisje hadden, oprichtende, stak hij zijn puntigen snuit omhoog, om
beter in de takken te kunnen snuffelen. De kop, die buitengewoon klein
was, gaf het een potsierlijk uiterlijk. Eensklaps begon het den grond
met zijne voorpooten, die met vreeselijke nagels gewapend zijn, om te
krabben; van tijd tot tijd stak het den puntigen neus in de holte, die
het gegraven had. Ik was de beek overgetrokken en naderde het dier
behoedzaam, toen ik zag, dat het met zijn arbeid ophield, den kop vol
onrust liet hangen en, snel als het weerlicht, zich tot een bal oprolde
en van de steilte liet vallen. Het kwam juist voor mijne voeten terecht,
zoodat ik het slechts behoefde op te rapen. Gringalet, die boven op het
taluut verscheen, gaf mij de uitlegging van deze overhaaste vlucht.
Ik vervoegde mij met mijn gevangene, die niet de minste poging deed om
zich te verdedigen of te ontsnappen bij mijne makkers. Lucien onderzocht
met belangstelling de dwarse schubben, die den rug van het gordeldier
bedekten, welks rooskleurige huid als 't ware doorschijnend scheen. Hij
vernam dat dit weerlooze dier, hetwelk zich met insecten en wortels
voedt, tot de orde der tandeloozen behoort, eene klasse zoogdieren,
welker tandstelsel onvolledig is.
»Maar,” zeide hij, »ik heb wel eens platen gezien, waar de gordeldieren
zijn afgebeeld met een pantser uit kleine vierkante stukjes bestaande.
—Dat is eene andere soort, die eveneens in Mexico voorkomt, antwoordde
Sumichrast.
Toen er over gesproken werd om het dier dood te maken, verzette Lucien
er zich uit alle macht tegen. Hij vroeg om het levend meê te mogen nemen
of het weer in vrijheid te stellen, beiden onaannemelijke voorstellen.
Gringalet maakte een einde aan de woordenwisseling door het gordeldier,
dat de Encuerado aan een poot had vastgebonden, te wurgen. De knaap,
woedend en droevig tevens, wilde den hond slaan en verbaasde zich over
zijne wreedheid.
»Hij heeft aan zijn instinct gehoorzaamd, zeide Sumichrast.
—Een mooi instinct, antwoordde Lucien schreiende, een arm dier te
dooden, dat niemand kwaad doet!
—Hij heeft ons de moeite bespaard het zelf te dooden. De menschen en
de vleeschetende dieren zouden niet kunnen bestaan, als zij niet andere
dieren opofferden. Hebt gij gister niet een eekhoorn gedood? En gij hebt
uw aandeel ook niet geweigerd van de mooie vogels, welker veeren u zoo
verrukt hadden.
—Ja, maar ik heb den eekhoorn niet met mijne tanden gedood. Dat maakte
een groot verschil.
—Voor u, dat is mogelijk; maar voor den eekhoorn? Nu, als de
gelegenheid zich weer aanbiedt, moet gij uw geweer eens aan Gringalet
leenen.
Lucien glimlachte door zijn tranen heen en zijne verontwaardiging
bedaarde allengs. Zeker, of men eene kip den hals omdraait of door een
geweerschot doodt, de einduitslag blijft volkomen dezelfde, en toch
heb ik nooit tot het eerste kunnen besluiten. Lucien echter, die eene
vrouwelijke teergevoeligheid bezat, werd meer dan eens boos op den
Encuerado, die moeielijk aan de bekoring kon weerstaan om op het wild,
dat onder zijn bereik kwam, te schieten, onverschillig of het van nut
kon zijn of niet. Wij hadden goed hem er over onderhanden te nemen; hij
beweerde dat, als God aan den mensch de wet had opgelegd om te dooden,
ten einde zich te voeden, hij hem ook beveelt de schadelijke dieren te
vernietigen, die de bondgenooten van den Booze zijn. Ongelukkigerwijze
waren alle dieren, met uitzondering van honden en paarden, in de oogen
van den Encuerado schadelijk.
Met het geweer over den schouder, klommen wij den loop der beek op,
meestal genoodzaakt om een weg door een warboel van planten te banen. Ik
bespeurde een mooien boomvaren, waarvan de nog niet ontwikkelde bladeren
den vorm van een bisschopsstaf hadden. Lucien merkte op, dat deze struik
een zonderling uiterlijk had.
»Gij hebt gelijk, antwoordde ik hem. Jussieu heeft de planten in drie
groote orden ingedeeld: de nietlobbige, de eenlobbige en de tweelobbige.
De varens zijn nietlobbige planten; zij hebben geen zichtbare bloemen;
zij zijn verwant aan de wieren en de paddestoelen. Zij verkrijgen alleen
onder de keerkringen de afmetingen van die, welke gij hier voor oogen
hebt; in de koude luchtstreken, gaat hunne grootte nauwelijks eenige
voeten te boven. De varens maakten bijna den eenigen plantengroei uit
van de eerste wereld en in de venen vindt men dikwijls de indrukselen
van reusachtige soorten, welke nu verdwenen zijn. Daar hij nieuwsgierig
was om de stengels in den vorm van een bisschopsstaf van naderbij te
bezichtigen, liet Lucien ons vooruitgaan en kroop onder de varenplant.
Daar de bladeren van dezen struik van onder met lange doorns gewapend
zijn, voelde hij zich tegengehouden, toen hij zich bij ons wilde
vervoegen. Zijne pogingen dienden slechts om hem nog meer vast te
maken. Hij riep mij met eene angstige stem, en niet wetende wat hem
overkomen was, haastte ik mij om naar hem toe te gaan.
Ik vond hem druk bezig met zich te weeren tegen de doorns, die zijne
handen en gelaat schramden. De Encuerado had zijne mars neergezet om
schielijker te kunnen gaan, en liep den verschrikten Sumichrast voorbij.
Ik haastte mij den knaap te bevrijden, wiens handen en gelaat vol lange
schrammen waren.
»Waarom hebt gij er niet aan gedacht, dat gij, door u zoo te weer te
stellen, u nog meer verwardet.
—Ik zag dat gij u verwijderdet, en ik wist niet wat mij tegen hield en
werd toen bang; maar ik schrei niet, papa, en toch steken ze erg, die
varendoorns.
De Encuerado stroopte de mouwen van zijn buis op, nam zijn kapmes en
liep op den struik toe.
Schaamt gij u niet, riep hij uit, om een kind aan te vallen?
't Is wel noodig aan zijn top bisschopsstaven te dragen, als men zich
zoo beneemt! Probeer eens om mijn kleed beet te nemen! Ik wist wel, dat
ge dat niet zoudt durven! Maar dat doet er niet toe, ik zal je voor je
boosheid straffen.
De arme plant werd, helaas! weldra tot rede gebracht; in een oogwenk
bleven er nog slechts de stukken van over. Na een uur gemarcheerd te
hebben kwam het hoofd van de kolonne onverwachts bij een stuk van een
ingestorten berg. Het was een grootsch schouwspel; de opgehoopte en op
elkander gestapelde rotsen hadden in haar val de omliggende boomen
verpletterd. Wij hadden een niet te ontwarren menigte opeengehoopte
stammen, reusachtige wortels, en hangende rotsen, die elk oogenblik
konden neerstorten, voor ons. Het onheil moest eerst kortelings gebeurd
zijn, want hier en daar vertoonde een tak nog zijn groene pluim en het
gras had nog niet den tijd gehad de groote scheur op te vullen. De wilde
grootheid van dat tooneel vervulde Lucien met zooveel verbazing, dat hij
met zijn gesnap ophield. Wij voegden ons stilzwijgend bij Sumichrast,
die zich te midden der rotsen had begeven; het werd toen duidelijk,
dat een waterstroom door de instorting was opgevuld. Het water liep met
een dof geraas onder ons. Aan onze linkerhand, aan den voet van den
ingestorten berg, strekte zich eene groote watervlakte uit, door een
kom omgeven, die men zou zeggen, dat door menschenhanden gemaakt was.
Rondom ons bleef alles stil en eenzaam. En toch hadden de omringende
struiken meer dan één gast moeten herbergen, maar de vogels hadden,
door de instorting verschrikt, de vlucht genomen.
»Hoe is die groote berg kunnen instorten?” vroeg Lucien.
—Daarover kan men slechts gissingen maken, antwoordde Sumichrast;
misschien heeft de beek den voet der rotsen ondermijnd en zoo het
evenwicht verstoord; wellicht heeft eene spleet allengs eene voldoende
hoeveelheid water laten indringen om deze massa mede te sleepen.
—Het geraas moet zeker wel zeer groot geweest zijn?
—Verschrikkelijk en de schok moet den grond op verscheidene mijlen in
't rond hebben doen schudden.
—Hebt gij wel ooit een berg zien instorten?
—Ja, vijf jaar geleden, in gezelschap van uw papa. Een geheel bosch
verdween voor onze oogen door eene instorting, die vier of vijf hutten
van Indianen overstelpte.
Over een jaar zal deze naakte zijde weer met een dichten plantengroei
bedekt zijn; het mos zal deze witachtige rots als met een tapijt omgeven
en de beek zal haar loop weer hernomen hebben. Als het toeval ons weer
op deze plaats terugbracht, zouden wij moeite hebben om onder de bloemen
en bladeren het tooneel van verwoesting terug te vinden, waarvan wij de
herinnering met ons meê zullen dragen.”
Ik trok de beek over ten einde het bivak van de tegenovergestelde zijde,
die wij gevolgd waren, te bereiken.
Eensklaps trof een geluid als dat van een hamer, die op een boomstam
slaat, onze aandacht.
»Gij hebt gezegd, dat er niemand in het bosch was!” riep Lucien uit.
—Stil, dat is de schrijnwerker-vogel, antwoordde de Encuerado.
En iedereen sloop onder de struiken, om den gevederden werkman, die ons
zijne tegenwoordigheid verried, te naderen. Tien minuten verliepen; de
specht, een zeer wantrouwende vogel, scheen zich verwijderd te hebben,
wij wilden reeds onze vervolging opgeven, toen drie slagen, met
regelmatige tusschenpoozen gegeven, bijna boven ons weerklonken.
De _carpintero_ (schrijnwerker) had zeer schitterende gele oogen; de
roode veeren van zijn kop staken tegen de schors van een eik af, terwijl
het zwarte lichaam met witte veeren gestreept was. Hij klom met veel
vlugheid langs een stam op, steunde op de staartpennen en sloeg opnieuw
drie vérklinkende slagen, waarna hij dadelijk aan den anderen kant van
den stam ging zien.
»Lomperd, mompelde de Encuerado, hij denkt dat hij een boom, die dikker
is dan ik, met zijn drie slagen kan doorboren! Komaan, hij zal opgegeten
worden.
En hij schoot op den vogel, dien hij raakte.
»Is 't waar, papa, dat de specht dien dikken boom wilde doorboren?”
—Neen, mijn jongen; dat is eene volksmeening, die door niets
gerechtvaardigd wordt; de specht klopt tegen den boom met het doel om de
insekten, die onder de schors verborgen zijn, te verschrikken, en om
zich meester te kunnen maken van de vluchtenden, voert hij de beweging
uit, welke de Encuerado zoo verkeerd heeft uitgelegd.
Sumichrast deed Lucien opmerken dat de specht, met behulp van zijn
kegelvormigen bek desnoods de schorsen kan oplichten, waaronder hij zijn
voedsel vindt; dat zijne, met naar achter gebogen doorntjes bezette
tong, zeer geeigend is om de larven te grijpen en dat eindelijk de
stijve en veerkrachtige staartpennen hem een zeer nuttig steunpunt
aanbieden, bij de uitoefening van zijn vermoeienden arbeid.
»Gij hebt dikwijls tegenover mij gelijk,” sprak de Encuerado, maar gij
moogt het zoo dikwijls herhalen als gij wilt, dat de spechten de boomen
niet uithollen, ik heb het zelf gezien.
—Gij hebt tot op zeker punt gelijk, antwoordde Sumichrast; sommige
soorten maken hun nest in doode boomstammen, die zij gemakkelijker met
hun bek kunnen bewerken. Maar om een gat in een gezonden boom te maken,
dat is eene andere vraag.
Terwijl de Encuerado den _tatoe_ of het gordeldier en de specht, die
voor ons middagmaal moesten dienen, gereed maakte, volgden wij den
benedenloop der beek, welker aangename frischheid ons aantrok. Eensklaps
wees Lucien ons een basiliscus aan, die op een steen zat, en waarvan een
zonnestraal ons de gele, groene en roode tinten liet bewonderen.
Deze soort leguaan, die in niets op den fabelachtigen basiliscus der
Grieken gelijkt, hief zich bij onze nadering op, blies zijn keel vol
lucht en schudde den vliezigen kam, die zijn kop versierde, heên en
weêr. Zijn goudkleurig oog scheen den horizon te ondervragen; zonder
twijfel had hij ons bemerkt; zijn slap lichaam werd stijf en met een
vluggen sprong stortte hij zich in de beek. Het sierlijke kruipdier
zwom met opgerichte borst en de achterpooten zweepten de golfjes als
roeiriemen.
Weldra verdween het, tot groot verdriet van Lucien, die het van naderbij
had willen beschouwen.
Bij het vuur teruggekeerd, zetten wij onze bagage gereed voor het
vertrek van den volgenden dag.
Daar het nog een uur dag bleef, bleef Lucien bij den Encuerado, en ging
ik met Sumichrast den weg verkennen, dien wij voornemens waren te
volgen.
De zon ging onder en wij naderden langzaam het bivak, toen de klagende
stem van Gringalet onze ooren trof. Ik versnelde den pas, want de hond
huilde alsof hij iemand verloren had. Hijgende kwam ik bij de hut. Alles
was in orde; maar Lucien en de Encuerado waren verdwenen. Ik zag mijn
makker vol angst aan.
»De Encuerado zal eene wandeling zijn gaan maken en hij zal vertrokken
zijn zonder den hond, die waarschijnlijk sliep, zeide Sumichrast.
Ik liet een roepkreet hooren. Hoe groot was niet mijne verwondering,
toen ik hoorde dat men boven mijn hoofd er op antwoordde. Mijn zoon
en de Encuerado bevonden zich dertig voet boven den grond, in het
gebladerte van een dikken boom verborgen. Mijn eerste beweging was om
den Indiaan eene goede uitbranding te geven.
—Breng hem niet in de war, zeide Sumichrast, hij heeft al zijne
koelbloedigheid noodig om naar omlaag te komen.
Ten prooi aan een gemakkelijk te begrijpen angst, volgde ik alle
bewegingen van Lucien, dien de bladeren mij dikwijls beletten te zien.
Doe maar zachtjes aan, sprak de Encuerado. Zet uw voet daar neer. Goed
zoo. Vat nu dezen tak en laat u glijden. Wees maar niet bevreesd, ik zal
u niet loslaten. Wat zal uw papa fier en tevreden zijn, als hij weet dat
gij zoo hoog geklommen zijt!
De Indiaan vergiste zich; ik was noch fier, noch tevreden. De stam van
den boom had vijf of zes voet omvang; de eerste takken groeiden twee of
drie meter boven den grond en ik kan mij niet begrijpen, hoe de knaap er
aan had kunnen komen. Wat den aap betreft, die Encuerado genoemd wordt,
ik wist dat er geen hinderpaal bestond, die dezen kon tegenhouden.
Ik moet bekennen dat ik, bij het zien van de behendigheid en de
koelbloedigheid van den jongen kunstenmaker, mijn toorn voelde bedaren.
't Is waar, Sumichrast riep mijne herinneringen te voorschijn en wilde
met mij wedden dat ik, onder minder zorgvuldig toezicht dan dat van den
Encuerado, meer dan eens in den top van een populier was geklommen.
Eindelijk bereikten de twee gymnasten de onderste bladeren, en ademde ik
vrijer.
—Vader, riep de knaap mij toe, wij zijn tot boven in den top geklommen;
er is daar een nest en een eekhoorngat.
—Zijt gij gek geworden? viel ik hem in de rede, terwijl ik mij tot den
Indiaan richtte.
—Gek! herhaalde deze met eene bewonderenswaardige naïveteit, waarom?
—Kondt gij een niet wat minder hoogen boom uitzoeken?
—Wilt gij dan niet, dat Chanito leert klimmen? Bovendien heeft mevrouw
hem aan mij toevertrouwd.
—Wilt gij hem daarom aan 't gevaar blootstellen van zijn beenderen te
breken?
—Ik ben geen kind, antwoordde de Indiaan fier, terwijl hij op een tak
ging staan.
—Komaan, 't is nu genoeg met die gymnastiek, kom maar naar omlaag.
God weet, hoe ge dat zult aanleggen. Ik had mijn volzin nauwelijks
geëindigd, of Lucien kwam op den grond neer, ondersteund door den lazo,
dien de Encuerado hem onder de armen had gebonden. Na tot op de eerste
takken te zijn geklommen, terwijl hij een der uiteinden van den riem
vasthield, had de Indiaan hetzelfde middel gebruikt om den knaap naar
zich toe te hijschen.
—Wat ge gedaan hebt, is niet redelijk; men begint niet met op een wild
paard te rijden. Lucien kan niet in de boomen klimmen, zeide ik hem,
toen hij op zijne beurt beneden was.
—Lucien kan even goed klimmen als ik, hernam de schuldige; hij heeft
nooit een oranjeappel uit uw tuin gegeten, dien hij niet zelf geplukt
had.
—Daar hoor ik wat nieuws, zeide ik, mijn zoon aanziende, die eene kleur
kreeg. In elk geval zijn oranjeboomen geen wolboomen en gij steldet hem
aan 't gevaar bloot dood te vallen.
—Neen, ik hield hem vast. Gij weet wel, dat als Chanito door mijne
schuld kwam te sterven, ik voor hem dood zou zijn.
—Maar dat zou hem niet in 't leven terugbrengen. De reis biedt reeds
gevaren genoeg aan, zonder dat men ze tot zijn vermaak behoeft te
vermeerderen; ik wil u heelhuids en gezond in Orizava terugbrengen;
herhaal zulke klimpartijen derhalve niet meer.”
Na aldus mijne strafpredikatie gehouden te hebben, keerde ik hem de
hielen toe, want met den Encuerado kwam men nooit aan 't laatste woord.
Ik was er evenwel van overtuigd, dat hij het waagstuk, dat mij zoo
mishaagd had, niet opnieuw zou doen, en dat was al wat ik wilde.
Bij het avondmaal betoonde Gringalet niet den minsten afkeer voor het
vleesch van den _tatoe_, waarvan de smaak Lucien aan dien van het
speenvarken herinnerde.
—Zijn de tatoes zeldzaam? vroeg hij. Men verkoopt ze nooit op de markt.
—Zij zijn integendeel zeer algemeen, antwoordde Sumichrast, en de
Indianen vergasten zich er op, telkens als zij die dieren, welke hunne
kleine tuinen verwoesten, kunnen meester worden.
—Wat wil die naam van tatoe toch zeggen?
—Het is een woord, dat in Paraguaya gebruikt wordt, maar waarvan ik de
beteekenis niet ken. De Asteken noemen het dier _ayotachitl_, dat wil
zeggen, Kalebas-Konijn:
Konijn, wegens de ooren; Kalebas, omdat het de gewoonte heeft zich als
een bal op te rollen en zoo aan den vorm van deze vrucht herinnert.”
De Encuerado was ingeslapen. Lucien ging eveneens onder de hut en ik
zag hoe Sumichrast vol zorg de bladeren, die ons tot matras dienden, te
recht lei, terwijl hij zelf zich op goed geluk af neervlijde. Minder tot
slapen geneigd dan mijne makkers, zag ik hen beurtelings aan, zooals zij
daar sliepen en dacht ik aan het toeval, dat, na ons uit verschillende
rassen en onder verschillende luchtstreken te hebben doen geboren
worden, ons hier onder een zelfde dak en te midden van deze eenzaamheid
had gebracht. Wij konden allen op elkander rekenen, want in onze vorige
reizen was onze wederzijdsche vriendschap op de proef gesteld. Door
de wijze waarop Lucien de vermoeienis doorstond, verheugde ik mij, dat
ik hem _onder de hoede van zulke bewakers had meêgenomen_. Toen ik in
de hut ging om ook te gaan slapen, maakte ik Gringalet wakker, die,
alvorens opnieuw naast zijn meester te gaan liggen, dezen de handen
likte: dat was een vertrouwde vriend te meer; »de hond, het beste, wat
er in den mensch is,” zooals Charlet zich uitdrukte.