HOOFDSTUK XVI

De tanden zijn overleefd.

De Augustus-zon stond brandend heet op het Scheveningsche strand.

'T was kort na den vrede te Breda, die aan den tweeden Engelschien

oorlog een einde had gemaakt. De vredesvoorwaarden waren voor een deel

door ons gesteld en dat het magtige Engeland zich zoo vernederen moest,

hadden de Vereenigde Provinciën hoofdzakelijk te danken aan Michiel

Adriaensz. De Ruyter, die thans gedaan had wat Tromp in Wintermaand

van 1652 reeds voorgesteld had. Hij was De Theems opgezeild en had

bij Chattam de trotsche Engelsche vloot vernield.

Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens

een straatweg aangelegd tusschen Den Haag en Scheveningen. Het was

een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen

en het rulle zand zulk een weg te banen, die naderhand het sieraad

van de Hofstad worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en

wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er wèl bij!

Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier

en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht of met

ledige manden naar huis keerde.

En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant

en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik wel langs het

duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even

heet als op het strand. De tijd om te wandelen was voor de Hagenaars

nog niet aangebroken.

Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout

in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg, en nog minder

van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo

dat hij de zee zien kan; al het andere is hem geheel onverschillig.

Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor

dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn.

Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet,

en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan indien niet

eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie

van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden nu van het duin af

dat het een aard had.

Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt.

Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den

ouden uitstekende, roept het: "Grootvader, ook zingen!"

"Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?"

"Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!" zegt

de vrouw.

"Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten

en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier, kind!"

Betje zit op de knieën van den ouden man en deze zegt: "Nou zal ik

het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb op den weg

van Maassluis naar Rotterdam. We hadden toen een matroosje van onze

kennis opgezocht! Niet, Jaantje?"

"Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer

wat om me te plagen!" antwoordt de vrouw en hierop begint Huib met

eene sterk bevende stem te zingen:

"Wat zongh het vrolyck vogelkyn,

Dat in den boomgaert zat?"

en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel:

Wy zaeien noch wy maeien nyet

Wy teeren op....

"Jaantje, Jaantje, daar komt De Marten Harpertsz. Tromp aan! Komt,

kinderen, nou naar huis!"

"Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel

komen!" zegt de vrouw.

"Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat

is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en...."

"Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg

leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen om je

't leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader

eene hand!"

Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie.

Babbelende en snappende, maar heel langzaam, èn om de hitte, èn omdat

grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze hunnen weg naar

het dorp.

Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee

zijn! Ge begrijpt dat al lang.

"Maar hoe komen ze hier?"

'K zal het u zeggen.

Kort na het sluiten van den vrede te Westminster nam Huib zijn ontslag

uit den dienst, "want," zeide hij, "nu Tromp dood is, kan ik er geen

pleizier meer in vinden!"

Hij ging eerst in Den Briel wonen; maar niemand kende hem daar meer en

daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had Vlieland

wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was

hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot was gegaan

toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam.

Maar als hij eens naar Maassluis ging. Jaantje Lanoy kende hem toch,

en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen

staan. Ja, dat zou hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes

moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo'n gezellig ouwentje

gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben.

Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of

sjouwde wat aan de haven en 's avonds vertelde hij historietjes uit

zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel,

dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een enkelen keer eens te

weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die

vijfhonderd guldens, die daar nog altijd in eene kous en eene pulle in

het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld.

Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en

zeî altijd: "Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen."

Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag

aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan en iemand roept:

"Hola!"

Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: "Jonge Kees,

jongen, hoe maak-je 't? Wel, dat is goed dat je me eens komt

opzoeken! Dat is goed!"

De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees,

verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem vroeg:

"Hoe wist je dat ik hier woon?" antwoordde de jonge visscher: "Ik en

wist niet, dat je hier woonde!"--

"Zoo, zoo," zegt Huib, "dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens,

Jonge Kees, ben je al getrouwd?"

Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood

wordt, antwoordt hij: "Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne moeder

weer te Schevelingen. Vader is een paar maanden geleden gestorven

en nu wilde moeder liefst niet te Vlieland blijven wonen. Ik heb nu

mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?"--

"De vrouw Adriana!" zegt Huib vroolijk lachende.

"Neen, De Marten Harpertsz. Tromp!" verbetert Jonge Kees.

"De Marten Harpertsz. Tromp? Dat is flink van je, jongen, dat is

goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes

in steken en deelen in de winst?"

"Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te Schevelingen

komen wonen!"

"O, Wat dat betreft--"

"Mannen, de boontjes worden koud," zeide vrouw Lanoy. "schikt bij

en eet!"

Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet

ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje Lanoy als

vrouw te Schevelingen had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder

en.... de mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd,

als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen.

En 't gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis.

"Dat komt omdat onze schuit De Marten Harpertsz. Tromp heet. Dat is

dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje

dat ook maar doet! Als het zijne groote mannen maar in eere houdt en

nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er

voor gestreden hebben, dan kan het goed gaan! Maar als ze die mannen

niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed

gaan; want ze waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;--

voor de braven is er een Vader, die waakt!

Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen

wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen dan

en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een

hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 41 / 43 题