De tanden zijn overleefd.
De Augustus-zon stond brandend heet op het Scheveningsche strand.
'T was kort na den vrede te Breda, die aan den tweeden Engelschien
oorlog een einde had gemaakt. De vredesvoorwaarden waren voor een deel
door ons gesteld en dat het magtige Engeland zich zoo vernederen moest,
hadden de Vereenigde Provinciën hoofdzakelijk te danken aan Michiel
Adriaensz. De Ruyter, die thans gedaan had wat Tromp in Wintermaand
van 1652 reeds voorgesteld had. Hij was De Theems opgezeild en had
bij Chattam de trotsche Engelsche vloot vernield.
Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens
een straatweg aangelegd tusschen Den Haag en Scheveningen. Het was
een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen
en het rulle zand zulk een weg te banen, die naderhand het sieraad
van de Hofstad worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en
wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er wèl bij!
Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier
en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht of met
ledige manden naar huis keerde.
En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant
en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik wel langs het
duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even
heet als op het strand. De tijd om te wandelen was voor de Hagenaars
nog niet aangebroken.
Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout
in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg, en nog minder
van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo
dat hij de zee zien kan; al het andere is hem geheel onverschillig.
Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor
dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn.
Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet,
en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan indien niet
eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie
van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden nu van het duin af
dat het een aard had.
Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt.
Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den
ouden uitstekende, roept het: "Grootvader, ook zingen!"
"Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?"
"Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!" zegt
de vrouw.
"Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten
en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier, kind!"
Betje zit op de knieën van den ouden man en deze zegt: "Nou zal ik
het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb op den weg
van Maassluis naar Rotterdam. We hadden toen een matroosje van onze
kennis opgezocht! Niet, Jaantje?"
"Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer
wat om me te plagen!" antwoordt de vrouw en hierop begint Huib met
eene sterk bevende stem te zingen:
"Wat zongh het vrolyck vogelkyn,
Dat in den boomgaert zat?"
en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel:
Wy zaeien noch wy maeien nyet
Wy teeren op....
"Jaantje, Jaantje, daar komt De Marten Harpertsz. Tromp aan! Komt,
kinderen, nou naar huis!"
"Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel
komen!" zegt de vrouw.
"Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat
is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en...."
"Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg
leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen om je
't leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader
eene hand!"
Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie.
Babbelende en snappende, maar heel langzaam, èn om de hitte, èn omdat
grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze hunnen weg naar
het dorp.
Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee
zijn! Ge begrijpt dat al lang.
"Maar hoe komen ze hier?"
'K zal het u zeggen.
Kort na het sluiten van den vrede te Westminster nam Huib zijn ontslag
uit den dienst, "want," zeide hij, "nu Tromp dood is, kan ik er geen
pleizier meer in vinden!"
Hij ging eerst in Den Briel wonen; maar niemand kende hem daar meer en
daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had Vlieland
wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was
hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot was gegaan
toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam.
Maar als hij eens naar Maassluis ging. Jaantje Lanoy kende hem toch,
en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen
staan. Ja, dat zou hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes
moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo'n gezellig ouwentje
gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben.
Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of
sjouwde wat aan de haven en 's avonds vertelde hij historietjes uit
zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel,
dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een enkelen keer eens te
weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die
vijfhonderd guldens, die daar nog altijd in eene kous en eene pulle in
het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld.
Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en
zeî altijd: "Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen."
Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag
aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan en iemand roept:
"Hola!"
Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: "Jonge Kees,
jongen, hoe maak-je 't? Wel, dat is goed dat je me eens komt
opzoeken! Dat is goed!"
De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees,
verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem vroeg:
"Hoe wist je dat ik hier woon?" antwoordde de jonge visscher: "Ik en
wist niet, dat je hier woonde!"--
"Zoo, zoo," zegt Huib, "dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens,
Jonge Kees, ben je al getrouwd?"
Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood
wordt, antwoordt hij: "Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne moeder
weer te Schevelingen. Vader is een paar maanden geleden gestorven
en nu wilde moeder liefst niet te Vlieland blijven wonen. Ik heb nu
mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?"--
"De vrouw Adriana!" zegt Huib vroolijk lachende.
"Neen, De Marten Harpertsz. Tromp!" verbetert Jonge Kees.
"De Marten Harpertsz. Tromp? Dat is flink van je, jongen, dat is
goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes
in steken en deelen in de winst?"
"Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te Schevelingen
komen wonen!"
"O, Wat dat betreft--"
"Mannen, de boontjes worden koud," zeide vrouw Lanoy. "schikt bij
en eet!"
Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet
ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje Lanoy als
vrouw te Schevelingen had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder
en.... de mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd,
als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen.
En 't gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis.
"Dat komt omdat onze schuit De Marten Harpertsz. Tromp heet. Dat is
dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje
dat ook maar doet! Als het zijne groote mannen maar in eere houdt en
nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er
voor gestreden hebben, dan kan het goed gaan! Maar als ze die mannen
niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed
gaan; want ze waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;--
voor de braven is er een Vader, die waakt!
Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen
wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen dan
en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een
hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in