Dat hielp. Huib sprong op en riep: "Ja, ja, wreken! wreken!"

Cortenaer seint Evertsen en De Ruyter aan boord.

Beiden komen en nauwelijks ziet De Ruyter den gevallen held liggen

of hij roept uit: "Ach, ware ik voor Goede Vaer gestorven!"

Evertsen die de oudste in jaren was, nam nu het opperbevel op zich,

doch beval aan Cortenaer voor de overige schepen den dood van Tromp

verborgen te houden.

Tot driemalen toe loopen de twee vijandelijke vloten tegen elkander

in als bokken, die elkaar met de horens willen stooten.

"De aardsche donders uit duizend metalen monden gedreven, verbijsterden

den hoorder, de zeedorpen trilden op hunne zandgronden en de zee

loeide!"

Maar er komt verwarring in onze slagorde! Er is geene eenheid

genoeg! Men mist den man, die met zijn helderen blik alles bestuurde

en bij ongunstige omstandigheden soms nog een licht plekje zag,

dat de uitkomst heel anders deed worden dan men vermoed had.

En Evertsen kan niet meer bij de vloot blijven! De Ruyter ook

niet! Hunne schepen hebben zoo vreeselijk geleden dat ze zich naar

Goedereede moeten laten sleepen.

De bevelhebber is thans Witte Cornelisz. De With, die ten laatste ook

den dood van Tromp vernomen en uitgeroepen heeft: "Is Tromp dood! Dat

strekt tot aller leedwezen! Hij was een groot man!"

Met eenen moed, die door geen woorden te bepalen is, stort hij op

den vijand in.

Pieter Florisz. en Cortenaer staan hem trouw bij en weten van geen

wijken. Van wijken weet kapitein Marrevelt ook niet, en toch is van

de drie masten, die op zijn schip stonden, slechts een stomp van den

fokkemast over. Hij zelf heeft eene zijner handen verloren en twintig

wonden ontvangen. Achttien van zijne manschappen zijn gesneuveld,

vierentwintig zijn gekwetst, maar wijken, neen, dat nooit!

De bodems van Sangher, Schutter, een Evertsen en een Banckers dreigen

te zinken; maar zij houden stand, ze willen niet wijken: "Het is

schoon voor het Vaderland te sterven al is het niet te midden der

overwinning!" denken ze!

Maar wie niet wijken, wie zich liever dood vechten of in het gezicht

van den vijand hun laatste stuk geschut lossen en dan te gronde gaan,

niet die vierentwintig lafhartige scheepskapiteins, die op de vlucht

slaan.

Witte wil die vlucht verhinderen door met scherp op die schepen

te schieten; maar dit verdubbelt hunnen angst en met volle zeilen

verlaten ze het tooneel des gevechts. Door hunne lafhartigheid wordt

een vreeselijke nederlaag wat eene schitterende overwinning had

kunnen worden.

De With knarsetandt van spijt en geeft bevel tot den aftocht, dien

hij in orde volbrengt. Wel is het vechten tot hij in Tessel aankomt,

maar toch zijn ze er!...

Het verlies der Nederlanders was groot. Twaalf of dertien schepen

werden in den grond geboord of verbrand. Slechts één schip werd

genomen. Het aantal gesneuvelden was aanzienlijk en dat der gekwetsten

niet minder.

De Engelschen, die overwonnen hadden, waren niet minder geteisterd

en dit was de oorzaak, dat men van beide zijden hard naar den vrede

verlangde, hoewel hij door onderhandelingen vertraagd, eindelijk op

voor ons nadeelige voorwaarden eerst in Grasmaand van het jaar 1654

te Westminster gesloten werd.

Groot was de rouw, die er op de vloot en in het geheele land heerschte

toen de tijding zich verspreidde: "De Luitenant-Ammiraal Marten

Harpertsz. Tromp is gesneuveld!"

Op bevel van de Algemeene Staten werd zijn lijk te Delft in

de Oude kerk plechtstatig begraven, en later richtten zij een

prachtig praalgraf voor hem op. Zijne weduwe en kinderen werden op

onbekrompen wijze door 's Lands Staten begiftigd en zelfs achtte

men den gesneuvelden held zoo hoog, dat men zijn' lijfknecht Gerrit

Simons, dien hij kort voor zijnen dood ter bevordering had aanbevolen,

tot Luitenant aanstelde.

Ook de groote Dichters van die dagen en later verheerlijkten

hem. Vondel schreef:

"Hij ruste nimmer onbeweent.

Al heeft de doot het lijf verslonden:

De Faem is aen geen graf gebonden.

De deugd verduert het koud gebeent.

en Jeremias De Decker drukte zich aan het slot van een lofzang op

onzen held aldus uit:

"Doch schoon het lichaem moet verwelken en vergaen,

De naem van Marten Tromp zal euwichlick hestaan,

Tot schande van den Brit, tot lof der Batavieren."

Goede Vaêr Tromp of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden · 第 40 / 43 题