V.

De St.-Marcus-kerk.--Paus Alexander III en Frederik Barbarossa.--Het

Doge-paleis.--De Ponte dei Sospiri en het Orfano- kanaal.--Marino

Faliero.--De plechtigheid van het huwelijk van den Doge met de

zee.--Het arsenaal.--De kerken van Venetië.

De metropolitaan- of hoofdkerk van S. Marco trekt minder de aandacht

door hare hoogte of haar kolossalen vorm, dan wel door den glans

van haar veelkleurig marmer, den rijkdom harer versierselen in

byzantijnschen, gothischen en renaissance stijl, en de vreemdheid

van haar voorkomen, dat meer aan eene mohammedaansche moskee dan

aan een christelijken tempel doet denken. Boven de middelste der

vijf poorten of arkaden aan de voorzijde van het gebouw, prijken

de vier beroemde bronzen paarden, waarvan Lysippus, de vermaarde

beeldhouwer uit den tijd van Alexander den Groote, voor den maker

wordt gehouden, en die achtereenvolgens Korinthe, Athene, Rome,

Konstantinopel, Venetië en Parijs versierden, om in 1815 hunne

plaats op de kathedraal der doge-stad te hernemen: eene gebeurtenis

door keizer Frans I in een latijnsch opschrift met vergulde letteren

herdacht. Hooger nog dan deze paarden, staat, op een gouden en azuren

veld, de gevleugelde leeuw van St. Marcus. De bouw der kerk werd in

976 door Pietro Orseolo aangevangen en eerst in 1455 voltooid. Daar

er verscheidene vreemde bouwmeesters aan arbeidden, is het niet

te verwonderen dat zij eene mengeling van bouworden vertoont. Zoo

de tempels van Palestina en Griekenland een ruim aandeel leverden

tot de versiering van het uitwendige der kerk, haar inwendige, de

overdadige rijkdom van aziatisch porfier en afrikaansch marmer, van

albast, onyx, smaragd en andere kostbare gesteenten, die het oog hier

onwederstaanbaar boeien, herinnert niet minder aan de veroveringen

van Ptolemaïs, Tyrus, Sidon, Morea en Konstantinopel, en aan de

overwinningen op Turken en Barbarijers behaald. Elk venetiaansch

vaartuig dat naar de Middellandsche zee stevende, ontving den last om

een steen voor de metropolitaan-kerk aan te voeren, die de Sophiakerk

van het oude Byzantium zoo niet in grootte dan toch in pracht moest

overtreffen. Bij geen enkel verdrag door de republiek gesloten, werd

de hoofdkerk vergeten: de gewapende en gevleugelde leeuw van Venetië's

beschermheilige eischte van allen buit, dien zijne beschermelingen

binnenhaalden, een echt leeuwendeel voor zich.

De middelste der vijf koepels rust op zes-en-dertig marmeren zuilen

van allerlei kleur, van welke acht, uit serpentijnsteen gehouwen,

van Konstantinopel afkomstig zijn, even als de koperen deuren, die

toegang tot de kerk verleenen. Onder dezen koepel bevindt zich het

hoogaltaar met eene verwonderlijk rijke reliekenkast en een kunstig

gebeiteld verhemelte van serpentijnsteen, terwijl achter het altaar

vier zuilen van echt, doorschijnend albast omhoog rijzen, die gezegd

worden tot Jeruzalems tempel behoord te hebben. Al de altaren en

wanden schitteren overigens van kostbaar en veelkleurig marmer,

van goud en edelgesteenten, van mozaïeken in zuiver zilver en goud

gevat. De kerk is 104 schreden lang en 75 voet breed; haar vloer

bestaat uit mozaïeken van jaspis en porfier. Onder de standbeelden,

die zij bevat, behooren die van den Evangelist Marcus en der twaalf

Apostelen. Hoe rijk versierd echter, is Venetië's wereldberoemde

metropolitaan-kerk niet groot en hoog genoeg om een diepen indruk te

verwekken, terwijl het er zelfs op den vollen dag zeer duister is,

zoodat alleen des avonds, bij eene schitterende verlichting, hare

pracht ten volle uitkomt.

Volgens de overlevering bevat de hoofdkerk het stoffelijk overschot

van den Evangelist Marcus, dat door twee venetiaansche kooplieden uit

Alexandrië derwaarts zou zijn overgebracht, ten einde het tegen de

schennende hand der ongeloovigen te vrijwaren. Deze kostbare reliek

werd door de Venetianen met de levendigste geestdrift ontvangen,

en bij die gelegenheid de Evangelist tot patroon der stad verkozen.

Onder den bogengang der kathedraal wijst men tegenwoordig nog

den porfieren zerk aan, waarop Frederik Barbarossa in 1177 lag

neêrgeknield, toen hij door Paus Alexander III van den kerkelijken

ban werd ontheven. Deze gebeurtenis maakt ook het onderwerp uit eener

fraaie schilderij in het paleis van den doge. Zij stelt het oogenblik

voor, waarop de Paus zijn voet op den hals des Keizers zette, en deze,

om de diepe vernedering die hij onderging eenigszins te verminderen,

zeide: "_Non tibi, sed Petro_" (Niet aan u, maar aan den Apostel

Petrus onderwerp ik mij); waarop de kerkvorst trotsch antwoordde:

"_Et mihi et Petro_" (Aan mij zoowel als aan Petrus). Althans

zoo luidt de traditie. Verlaat men de hoofdkerk door de deur der

doopkapel, dan bevindt men zich vlak tegenover den fraaien ingang

van het doge-paleis, die _della Carta_ geheeten wordt en in 1439

door den beroemden beeldhouwer Bartolomeo Bon vervaardigd werd. Het

gezicht van het Palazzo ducale maakt een eigenaardigen indruk op

den beschouwer. De hooge, vestingachtige muren van het gebouw, en

zijne smalle en niet overtalrijke vensters doen onwillekeurig aan een

saraceenschen oorsprong, aan een oostersch serail denken. Terwijl een

der zijden van het groote vierkante paleis naar de metropolitaan-kerk

gekeerd is, zien de drie andere zijden uit op de _Piazetta_, op de

reede en op de beruchte staats-gevangenissen, waarmede het palazzo

aan zijne achterzijde door de _Ponte dei Sospiri_ (Brug der Zuchten)

verbonden is.

Dit ontzaglijke paleis, zoo geheel den stempel dragende der machtige,

vastgewortelde, in zich zelve gesloten venetiaansche aristokratie,

is noch het werk van ééne eeuw, noch van één man. Naar men wil, is

het plan voor het tegenwoordige paleis ontworpen door Calendario,

omstreeks de helft der veertiende eeuw; verder noemt men onder de

opvolgende bouwmeesters: Giovanni en Bartolomeo Bon, Antonio Rizzo,

Pietro Lombardo, Palladio en anderen. Binnen in het paleis ziet

men bijna alle bouworden, arabische en gothische, renaissance en

décadence-stijl dooreen vermengd. De prachtige trap, die van het

binnenplein naar den bovenarkadengang voert en waarop de dogen na

hunne verkiezing aan het volk werden voorgesteld, heet de Reuzentrap,

naar de twee kolossale standbeelden, die op zijne leuning prijken. In

de nabijheid van dezen trap ziet men nog openingen in den muur, op de

plaats, waar zich vroeger de gapende leeuwenmuilen bevonden met het

opschrift: _Denunzie segrete_. Een andere, niet minder fraaie trap,

de _Scala d'oro_ of gouden trap genaamd, (zie blz. 32), geleidt naar

de elf voornaamste zalen van het paleis. Deze bevatten, behalve een

schat van kunstwerken van Titiaan, Tintoretto, Veronese en andere

beroemde meesters en van overschoon beeldhouwwerk van Vittoria,

een tal van prachtige standbeelden, deuren, lijsten, schoorsteenen

en zolderingen van gebeeldhouwd en verguld cederhout, vloeren met

kostbare houtsoorten en gesteenten ingelegd, alles zonder eenige

overlading. Uitstekend schoon is vooral de Anticollegio-zaal (de

_antichambre_ voor de vreemde gezanten). De wanden van dit vertrek

zijn door vermaarde meesters geschilderd: terwijl de schoorsteen,

door Scamozzi naar eene teekening van Titiaan vervaardigd, tien

duizend gouden kronen kostte. Door de Collegio-zaal, waar de vreemde

ambassadeurs ten gehoore werden ontvangen, en die door Antonio da Ponte

en Compagna, onder het toezicht van Veronese, geschilderd werd, komt

men in de zaal van den Senaat of den _Consiglio dei Pregadi_, een soort

van scheidsgericht; deze zaal munt uit door hare prachtige zoldering,

waaraan de beroemdste beeldhouwers en schilders hunne talenten ten

koste legden. Nevens deze vertrekken bevonden zich de folterkamer

der inquisitie, en de raadzalen der inquisiteurs en der Tienmannen,

die alleen des nachts en nooit anders dan gemaskerd vergaderden. Eene

thans dichtgemetselde deur in de zaal der inquisiteuren verschafte

toegang tot de Brug der Zuchten (bladz. 45), die naar de kerkers en

_piombi_ voerde, waaruit zelden iemand levend terugkeerde. Deze brug

joeg den Venetianen eene killer huivering aan, dan het op den vollen

dag tusschen de twee zuilen op de Piazzetta, of soms, bij buitengewone

gelegenheden, op de Piazza zelve, opgeslagen schavot. De flauwste

lichtstraal, die des avonds of des nachts door de tralievensters der

brug drong, deed de voorbijgangers op de Slavonische kade schier van

schrik verstijven; en wanneer de bark met de roode toorts door het

tusschen het palazzo en de gevangenissen gelegen canaletto voer, zou

men geen gondelier hebben kunnen bewegen er zijn gondel in te sturen.

Welke gewaarwordingen moeten de deerniswaardige slachtoffers dezer

staats-inquisitie vervuld hebben, wanneer des nachts de kleine

waterpoort van den kerker openging en zij in de noodlottige bark werden

gebracht! Zij ademden dan weder de versche lucht in, zagen door den

zwarten sluier, die hun over het hoofd geworpen werd, de sterren aan

het luchtgewelf schitteren, en vingen de tonen der feestmuziek op, die

door de marmeren gangen van de paleizen der nobili ruischten: tonen,

die de zucht tot het leven en naar vrijheid sterker dan ooit in hunne

borst deden ontwaken. Maar de schuit verwijderde zich al meer en meer

van den wal, de liefelijke tonen stierven weg, en allengs naderde men

den mond van het geduchte Orfano-kanaal (bladz. 33), waar het water

diep en de bodem slijkerig genoeg was om alle sporen der wandaad,

die men bedrijven wilde, uit te wisschen. Weldra was men den staak

met het bord voorbij gevaren, waarop de waarschuwing gelezen werd:

"Hier mogen geen netten worden uitgeworpen"; en nu werd de schuit

aan een der palen vastgelegd in den omtrek van het Madonna-beeld,

waarheen de laatste beden en verzuchtingen der ongelukkigen gericht

waren; een beeld door de gondeliers daar geplaatst, en waarbij, op

kosten van hun gild, alle nachten een lantaren brandde. Nog weinige

oogenblikken slechts, en de beul en zijne knechten lieten hun offer,

aan handen en voeten gebonden en met een zwaren steen om den hals,

in den eeuwig zwijgenden vloed glijden; terwijl de deurwaarder der

inquisitie bij het rosse toortslicht het proces-verbaal der straf

oefening opmaakte.

Vóórdat wij het hertogelijk paleis verlaten, moeten wij nog een woord

over de zaal van den Grooten Raad zeggen, die thans hoofdzakelijk tot

boekerij dient; eene boekerij, waartoe Petrarca, door het afstaan van

kostbare handschriften, den grond legde, en die eene eeuw later door

kardinaal Bessarion, patriarch van Konstantinopel, aanzienlijk verrijkt

werd. Deze zaal, die 154 voet lang, 75 vt. breed en 45 voet hoog is,

beslaat schier de geheele lengte van den op de reede uitzienden vleugel

van het doge-paleis. Een harer reusachtige muurvakken wordt door het

vermaarde "Paradijs" van Tintoretto ingenomen, dat eenige duizende

figuren bevat.

Tegen de bovenlijst der zaal prijken de beeltenissen van

zes-en-zeventig venetiaansche dogen. Op de plaats, waar die van

Marino Faliero moest hangen, leest men op een zwart schild: "Dit is

de plaats van Marino Faliero, onthoofd om zijne wandaden." Men weet,

dat deze Faliero de beroemdste der drie dogen van dien naam was,

welke Venetië gehad heeft. De aanleiding tot zijn bekenden aanslag

was eene beleediging, hem door Michael Steno, een jong edelman,

aangedaan, welk feit de Raad der Veertigen weigerde naar verdienste te

straffen. Hierover ten diepste gekwetst, vatte Faliero het plan op,

om zich op den ganschen adel te wreken en al de leden van den senaat

te vermoorden. Des avonds vóór de volvoering van dit plan werd de

tachtigjarige doge echter met zijne medeplichtigen, onder welke ook

de architekt van het palazzo ducale, Calendario, behoorde, gevangen

genomen, en twee dagen later ter dood gebracht. Het hoofd van den

doge werd door den scherprechter van het balkon van het paleis aan

het volk vertoond.

Op ditzelfde balkon waren de gemalinnen der dogen met hare hofhouding

gewoonlijk getuige van de feesten der _senza_, eene reeds in 1180

ingestelde jaarmarkt, die van vele volksvermakelijkheden vergezeld

ging, en van de vermaarde plechtigheid van den Hemelvaartsdag. Dit

laatste gebruik, dat tot de opheffing der republiek stand hield,

had zijn oorsprong te danken aan de in 997 door de Venetianen op de

roofzuchtige bevolking van Nareta behaalde schitterende zege. Sedert

echter Paus Alexander III, bij gelegenheid van zijne verzoening

met Barbarossa, de republiek op Hemelvaartsdag de suzereiniteit

over de Adriatische zee schonk, was die dag voor Venetië een tweede

carneval. De doge, op het dek van den _Bucentaurus_ gezeten en door de

vreemde gezanten, den geheelen senaat, de voornaamste staatsbeambten

en de standaarden der republiek omstuwd, stevende op den middag naar

den Lido en wierp een saffieren ring in de golven, terwijl hij de

woorden uitsprak: "Wij huwen u, o zee, ten teeken der wezenlijke en

bestendige heerschappij." De stoet woonde eene mis op den Lido bij,

en keerde vervolgens naar de moelje terug; waarna de doge zich met

de nobili en de gezanten aan een schitterend gastmaal vereenigde,

terwijl de rijk versierde en des avonds geïllumineerde _Bucentaurus_

voor een ieder te zien was, en des nachts onder zijn afdak op de werf

van het tuighuis werd teruggebracht.

Zoo het St. Marcus-plein en Venetië's paleizen en kerken ten

maatstaf kunnen strekken van den vroegeren rijkdom der doge-stad,

in het _darsena_ (tuighuis) krijgt men eerst een recht denkbeeld van

de macht, die de republiek in haren bloeitijd bezat. Deze inrichting

neemt nagenoeg het geheele eiland Malamocco in, en vormt tusschen hare

muren bijna een stad op zich zelve. Aan haren hoofdingang prijken de

twee kolossale leeuwen, die weleer de haven van Athene versierden. Toen

de republiek nog meesteresse van de zee was, vonden op dit arsenaal

bestendig 16,000 arbeiders werk, terwijl er thans nauwelijks 1200

hun bestaan vinden. Het bevat twee-en-dertig kappen voor linie- en

vier-en-vijftig voor kleinere vaartuigen, vier groote havenkommen,

vijf geschutgieterijen en eene lijnbaan van 900 voet lengte, 70 voet

breedte en 32 voet hoogte.

Onder de honderd kerken en kapellen van Venetië, van welke velen

prachtiger en rijker zijn dan Rome ze zelfs bezit, komen, na de

luisterrijke metropolitaan-kerk, vooral in aanmerking die door

Palladio en Sansovino gebouwd: met name de San-Giorgio Maggiore,

om haren grootschen stijl beroemd, en die der Redentore en van S_ta_

Maria della Salute, beiden meesterstukken van bouwkunst, terwijl de

kerk del Redentore zich inzonderheid onderscheidt door de tooverachtige

werking van het licht bij het vallen van den avond.

Voorts zijn vermaard: de oude hoofdkerk der stad aan S. Pietro gewijd,

en welker klokkentoren na dien van St. Marcus de hoogste en fraaiste

is;--die van S. Zaccaria, waarin de _cornu ducale_ (kroon van den

doge) bewaard wordt;--die van S. Giovanni en S. Paolo, vooral door

hare praalgraven uitmuntende en daarom het St. Denis van Venetië

geheeten;--die van S_ta_ Maria Formosa, waarin de echtelijke inzegening

plaats had der twaalf Maria's, die de republiek weleer jaarlijks

uithuwelijkte;--die der Frari, met de schoone bas-reliefs van Pisano

en met de lijkgesteenten van Titiaan en Canova;--de Carmelieten-kerk

degli Sculzi en de voormalige Jezuieten-kerk of die van S_ta_ Maria

Assunta, beiden zich door een nog grooteren overvloed van marmer

onderscheidende, dan in de andere kerken wordt aangetroffen.

Men kan zeggen dat er schier geen enkele kerk of _scuole_ (bedehuis

eener broederschap) in Venetië gevonden wordt, die geen voortbrengselen

van het penseel van Titiaan, Paolo Veronese, Tintoretto, Bellini en

andere groote meesters bezit. De kerk della Salute kan zelfs op acht

schoone gewrochten van Titiaan, uit verschillende tijdperken zijner

langdurige kunstenaarsloopbaan, bogen. In de kerk van S. Giovanni en

Paolo wordt "de marteldood van Petrus" gevonden, een van Titiaan's

pronkjuweelen, waarvan in der tijd bij senaatsbesluit de verkoop op

straffe des doods verboden werd.

Venetië De Aarde en haar Volken, 1865 · 第 6 / 9 题