[1] _Brink_, Middelnederlandsch _brinc_, beteekent "begroeide zoom,
begroeide ruimte, plein". Wellicht is het woord etymologisch verwant
met het besproken _mark_.
[2] Elard Hugo Meyer, _Deutsche Volkskunde_ (Strassburg 1898), bl. 6.
[3] Zie Prof. J. M. van Bemmelen, Beschouwingen over het
tegenwoordige standpunt onzer kennis van de Nederlandsche Terpen,
in de _Oudheidkundige Mededeelingen v.h. Rijksmuseum v. Oudheden te
Leiden_ II (1908), bl. 51 vlg.
[4] _Historia naturalis_ XVI, 1 Vert. van Bemmelen.
[5] Dr. J. Frost, _Agrarverfassung und Landwirtschaft in den
Niederlanden_ (Berlin 1906), bl. 137; vgl. P. J. de Boer, De friesche
kleiboer, in het _Tweemaandel. Tijdschrift_ 1897, afl. 1 en 2.
[6] _Is-ethnen_ zijn lijnen, die de uiterste geografische punten
verbinden, waar gelijke volksaard tot uiting komt; vgl. _iso-glossen,
iso-psychen_ enz.
[7] Ook Gallée's klanknoteering is voor de benaming der onderdeelen
overgenomen.
[8] Te Utrecht werd jaarlijks met klokgeklep aangekondigd, "dattet
die arme luden weten moegen", dat van stadswege elk "arme mensche, die
daer coemt, enen Hollandsen penninc of een Hollantsch penninckbrood"
kon ontvangen.
[10] Ik schrijf, afwijkend van de gebruikelijke schijfwijze,
_Oor_europeesch enz. en niet _Oer_europeesch, omdat ik niet kan
inzien, dat _oor_- hier een specifiek andere beteekenis zou hebben
dan in _oor_sprong, _oor_konde, _oor_zaak enz. Terecht schrijft
Prof. Van Helten in het Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde
XXV (1906), bl. 63: "_Oor_germaansch, niet, zooals men vaak hoort of
leest, _Oer_germaansch, dat een monster is met een hd. voor- en een
nl. achterstuk".
[11] Ik volg hier en elders doorgaans de lijsten van Jan te Winkel,
de Noord-Nederlandsche tongvallen (Leiden 1809); voor het Zuidoostelijk
gebied heb ik nut getrokken uit mijn persoonlijke onderzoekingen. Een
goede, beknopte samenvatting geeft ook Te Winkel's Kurze Charasteristik
der Nordniederländischen Dialekte (Gallée, Das niederländische
Bauernhaus und seine Bewohner, Utrecht 1909).
[12] De klanknoteering van den Heer Baur heb ik behouden. Zijn _å_
beantwoordt ongeveer aan den _oa_-klank, de _z_ aan de _g_ van het
Fransche _gendre_.
[13] _De woegel op_: den wagen op, d.i. aan den gang.
[14] Sedert 1 Mei 1872 moeten in Noord-Brabant de vellingen en banden
van de wielen der boerenkarren een breedte hebben van tenminste 9
1/2 c.M.
[15] Zoo bestaat b.v. te Venloo een _gardeneerstaal_, d.i. tuiniers-,
_Gärtner_taal, die ten gevolge van het levendige handelsverkeer sterk
onder Duitschen invloed staat; getuigen de woorden _slaat_ (_Salade_),
_gemeus_ (_Gemüse_), _baan_ (_Bahnhof_), _kappes_ (_Kappeskohl_) e.a.
[16] De _g_ is hier explosief.
[17] Immers _kultuur_ is hier genomen in de beteekenis van
_bovencultuur_.
[18] Voor het meerendeel Limburgsche spreekwoorden, die als typen
kunnen gelden, in Venloosch dialekt.
[19] Aldus wordt ook de naam van Drievuldigheidsbloem verklaard.
[20] Ik vermeld dit verhaal hier, omdat ik het meer als natuur-
dan als naamverklarend beschouw.
[21] Zette de deur op een kier.
[22] "Mit de moes", zie I, bl. 172.
[23] Deze verklaring is echter niet zeker.