Ook elders in Limburg, in de Zaanstreek, niet het minst in Vlaanderen
is dit spel bekend; hier is het werkelijk een loopspel, want door
het loopen wordt op de een of andere wijze uitgedrukt, dat de
koningsdochter door haar minnaar wordt geschaakt. Mogelijk heeft
dit spel een mythologischen, waarschijnlijk een historischen, in alle
geval een belangrijken kultuurhistorischen achtergrond. Zie Van Vloten,
Baker- en Kinderrijmen, bl. 115; Lootens en Feijs, Chants populaires,
no. 160; De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust I, bl. 160 vlg.
Een loopspel is ook het _zakdoekje-leggen,_ waarbij te Maarssen
gezongen wordt:
Zákdoekje léggen,
Níemand zéggen,
Kúkelukú, zoo róept de háan,
Híj heeft twée paar schóentjes aan,
Eén van zij en één van leer,
Híer leg ík mijn zákdoekje néer.
Men vergelijke hiermee het _jagen van den rooden hoan_ op de spinningen
in zuidoostelijk Brabant, I, bl. 273.
Van de aftelliedjes, voor wier beteekenis en belang ik verwijs naar
Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, bl. 547, vermeld ik er hier twee,
behoorende tot de meest gebruikelijke typen. Overvloedige varianten
vindt men bij De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII,
bl. 231 vlg. en Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 153 vlg.
Type: Onder de groene boomen.
Den Haag:
Al onder de uileboomen
Daar ligt een Engelsch schip;
De Franschen zijn gekomen,
Zij zijn zoo rijk als ik.
Zij dragen hoeden met pluimen,
En ook van perkament,
Wie zou er niet om huilen,
Al om zoo'n leelijken vent.
Type: Rommel, rommel in de pot.
Venloo:
Rommel, rommel in de pot,
Woa is Piet, woa is Kloas?
Kloas is in et stelke.
Waat duit hê doa?
Hé sniet de koe de kop aat.
Riem, tiem, twintig, dertig enz.
Hoe eenvoudig, hoe ongekunsteld, en toch hoe zuiver rhythmisch
en klanktooverend doen verder ook onze balspelliedjes, zoo ruim
verspreid. Uit Zwolle werden mij deze twee typen meegedeeld:
1. Kaatsebal
Ik heb u al,
In éene hand,
In tweeë hand,
Van klapperdeklap
Met voetjesgestap,
Van rolledebol (-bom)
Zoo draai ik me om.
2. Zwart Willemijntje
Zat achter 't gordijntje;
Wat deed ze daar?
Zij kamde het haar,
Zij poetste de tandjes,
Zij waschte de handjes,
Zij stak ze in de zij,
Zij knielde er bij,
Zij stond weer op,
In éene galop.
Hoe keurig zijn hier de verschillende speelbewegingen uitgedrukt en
in beeld gebracht!
Eindelijk de schommelliedjes, waar bij elke beklemtoonde lettergreep
de hand naar voren of naar achteren gezwaaid wordt, bieden een bonte
verscheidenheid. In vele wordt gewag gemaakt van Paschen en Pinksteren,
van het bim-bommen der klokken, van Sint Katherijne, van varen over
de zee, van haantje-kraantje en een eitje dat barst, van den knaap,
die op school den meester half dood slaat. Dit laatste motief is niets
anders dan een bewerking van eene in de Middeleeuwen zeer bekende
overlevering omtrent Jezus' jeugd, welke verhaalt, hoe de kleine Jezus
de hand van zijn meester deed verdorren, omdat hij die tegen hem op
hief, om hem wegens het niet beantwoorden zijner vragen te straffen.
Maar deze liedjes stonden meer dan de andere aan vervorming bloot,
omdat zij eigenlijk meer opgedreund dan gezongen werden. Zie De
Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust III, bl. 87, IV, 167 vlg.;
verder Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 11 vlg.; Waling Dijkstra, Uit
Frieslands Volksleven I, bl. 247; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen,
bl. 129 vlg.
De _wiegeliedjes_ en knieliedjes besprak ik reeds in het Eerste Deel,
bl. 219 vlg. Niet alleen rhythmisch zijn zij van belang, maar ook,
omdat zij een bijzonder soort van kinderliedjes vertegenwoordigen,
nl. in kindertoon gehouden volkspoëzie: in kindertoon, wat betreft
tekst en melodie, zooals moge blijken uit het lieve eenvoudige
Roe! roe! kind-je, hoe ben je toch zoo stout!
Heb je pijn in 't buik-je, of zijn je voet-jes
koud! We zul-len een vuur-tje sto-ken,
en een pap-je ko-ken; 't Wieg-je dat gaat
zwik, zwak, voor den klei-nen dik-zak.
Het _minnelied_ zingt van persoonlijke liefde, maar ook van de liefde
in het algemeen. In ons oude Nederlandsche lied beslaat deze groep
een groote plaatsruimte. Maar in het hedendaagsche lied zijn de
minneliederen meestal met speelliederen samengevallen of anderszins
vervormd.
Tot de liedjes die, ofschoon reeds oud, nog altijd in den smaak vallen,
behoort o.a. "Ik ben er de groene straatjes", waarvan onlangs nog
gewag werd gemaakt in de Vragen en Mededeelingen 1910, bl. 151.
De aanvangsstrofe luidt:
Ik ben er de groe-ne straat-jes zoo
dik-wijls ten ein-de ge-gaan! Daar
moest ik mijn lief-je ver-la-ten, dat
heb-ben mijn vrien-den ge-daan.
(Enkhuizen).
Tot de meest bekende liederen in Vlaanderen behoorde het
_Cecilia-lied,_ dat nog steeds, plaatselijk jammerlijk geparodieerd,
voortleeft. Maar getuigt niet juist de parodie voor de groote
populariteit? Ofschoon van vreemden oorsprong, heeft de melodie,
volgens Van Duyse, onder den invloed van den Nederlandschen volkszang,
hare eigen wendingen en een eigen voorkomen verkregen, en mag zij
onder de fraaiste zangwijzen worden gerekend.
Ik zag Ce-ci-lia ko-men langs ee-nen wa-ter-
kant, Ik zag Ce-ci-lia ko-men met
bloe-me-kens in haar hand Zij zag naar ha-ren
her-der, den her-der Flo-ri-aan, die
ook zijn schaap-jes wei-de langs de zelf-de
baan. Ce-ci-li-a ging zin-gen; haar
hert docht haar 't ont-sprin-gen. Dit hoor-de ha-ren
her-der; hij kwam bij haar ter-stond en
kus-te zijn Ce-ci-li-a aan ha-ren roo-den mond.
Tot deze groep behooren ook de afscheidsliederen in den trant van:
Vaarwel, vaarwel, mijn zoetelief,
Niet langer kan ik blijven enz.,
en de wachterliederen, wier allerberoemdste: "Het daget in den Oosten",
om den verhalenden vorm bij den aanvang der derde strofe echter ook
tot de balladen kan gerekend worden.
Vooral in onze noordelijke provinciën krijgt het minnelied vaak een
spottenden bijtoon. Zoo b.v. in _Het meisje van Sardam_:
Het meisje van Sardam
Met hare bruine oogen
Heeft menig jongen kwant
Tot wedermin bewogen.
Zij is geen stuursche maagd
Gelijk zoo vele binnen,
Hij die haar blosjes kent
Moet haar op 't meest beminnen.
Dit type vormt een schakel tusschen het minnelied en het _spotlied_,
waaraan nauw verwant het _gezelschapslied_. Het spotlied is echter
somtijds ook, zooals wij boven zagen, de direkte parodie van het
minnelied. Teekenend lijkt mij de verzuchting:
Ik wou wel om een gulden,
Dat mijn haartje krulde.
Ik wou wel om een daalder,
Dat ik was wat schraalder
Ik wou wel om een dukaton,
Dat een vrijer naast mij ston(d).
Zie Boekenoogen, Onze Rijmen 69.--Nu nog een paar andere spotliedjes,
die ik bij Van Ginneken, Handboek der Nederl. Taal I, bl. 359,
419 vind.
Bergen op Zoom:
Der wàs éens een vrouw
Die kóeken bakken wóu
En het méel dat wóu niet rijzen
En de pán viél om
En de kóeken wáren króm
En de mán híet Jan van Gíjzen.
Bergen op Zoom:
De vlám sloeg in de lantêre
De vónken slóegen der úit,
De mêskes lústen zoo gêre
'n Kop kóffie mét een beschúit.
Nijmegen en Oud-Gastel:
Klikspaan! boterspaan!
Je durft niet door 't straatje te gaan.
Het hondje zal je bijten,
Het katje zal je krappen,
Dat komt van al je klappen.
Menig spotlied biedt ons ook de waardevolle verzameling van Jan
Bols: Honderd Oude Vlaamsche Liederen, bl. 155--214; zoo b.v. _De
Scheresliep; De Luiaard; Van Slordig Kaatje; De Kwade Man_:
"Man en gij moet naar huis toe gaan:
Uw vrouw die is ziek!"--
"Is zij ziek, dan is zij ziek!
En daarmee ben ik uit het verdriet!
Naar huis en ga ik niet!" enz.
Het is vooral de toon van scherts en van jolijt, die het spotlied met
het gezelschapslied verbindt. Naai- of kleermakerswinkel, spinnerij,
potvertering,--dáar voelt het gezelschapslied zich thuis, al is
het maar onder een vorm als: "Wie in Januari geboren is". Een leuk
potverteerdersliedje geeft de Groningsche Volksalman. 1897, bl. 92
vlg. Men lette op de kerkelijke melodie.
Hai-te boaln mit koa-le bot-tr smôekt ver-gif-tig
lek-r As mooi wich-ter trau-wen wiln den trau-wen ze mit'n
bak-r.
En het lied vervolgt:
Bakkersvrauwm dei hebm 't nait goud,
Dei moutn häör tid verbüln,
Ik was laivr 'n schoumôekrsvrauw
En drôegn gladde müln.
Schoumôekrsvrauwm, dei hebm 't nait goud,
Dei moutn haör tîd vrpótsn,
Ik was laivr 'n weevrsvrauw
En dröegn gladde linn.
Weevrsvrauwm, dei hebm 't nait goud,
Dei moutn haör tîd vrspouln,
Ik was laivr 'n speulmansvrauw
En dansen väör fîouln.
Speulmansvrauwm, dei hebm 't nait goud,
Dei moutn häör tid vrdansn,
Ik was laivr 'n boernvrauw
En eetn vette ganzn.
Boernvrauwm, dei hebm 't nait goud,
Dei moutn häör tîd vrleezn,
Ik heb laivr 'n schipprtje,
Zoo'n schipprtje mout tr weezn.
Dat schipprtje, dat wipprtje,
Dat heb ik aal zoo laif,
Veul laivr heb 'k ain schippertje,
As zoo ain boernslaif.
Een typisch gezelschapslied is ook het bekende lied _Van pastoor
zijn koe_. In Nederland en Neder-Duitschland heeft het een
verspreidingsgebied van belangrijke uitgestrektheid.
Liederen als deze romancen; oorspronkelijk gedanste droeve romancen
of balladen met hun in het lyrische haast opgaande episch element;
minneliederen in beschrijvenden vorm en nog zoovele andere vormen de
omvangrijke groep van het _verhalende lied_.
Tot de oudste van deze soort behoort stellig het _Halewijnlied_;
wellicht dagteekent het uit de XIVe eeuw en was de oorspronkelijke
inhoud der sage een liefdesbetrekking tusschen watergeest en
sterveling. In België wordt het rond Leuven nog gehoord, en in
Volkskunde XVIII verscheen een variante uit Mater, bij Oudenaarde,
die tot titel voert: "Van Halewijns rijk Hof". Een andere variante
vindt men in den Hasseltschen _Banier_ van 1906, en, naar verluidt,
wordt de ballade ook nog gezongen te Weert in Hollandsch Limburg.
Verder moet dit lied populair zijn geweest in 't Land van Aalst. "In
mijn geboortedorp (Herdersem)", schrijft De Cock, "werd het in mijn
jeugd nog door menige vrouw opgedreund. Als 15- à 16-jarige knaap
zong ik aldaar op het doksaal, en ik herinner mij opperbest dat,
telkens als wanneer de pastoor, die een goed muziekkenner was en
steeds den vereischten toon in acht nam, het
Cre-do in u-num Deu-m.
van de _Missa in duplicibus_ aanhief, een ietwat oudere zanger alsdan
zeide: "Hoort, de voois van Erodewijk". Hierdoor werd dan bedoeld
Halewijn, die elders ook als "de stoute Roland" bekend staat. Zie
verder Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied I, bl. 1 vlg.
Laat ik nu nog vermelden: _De drie Koningsdochters_, met zijn vele
varianten; b.v,:
Daar waren drie dochterkens fijn (_bis_),
Die wilden alle drie zalig zijn, enz.
of:
En daar vlogen drij vogelkens over den Rijn,
En daar stierven drij dochterkens fijn, enz.
Dan het _Jagerslied_: Daar ging een jager uit jagen, Zoo ver al
in het woud, enz.; _De Hertog van Brunswijk; Genoveva van Brabant;
Het Weesmeisje_:
Aan den oever van een snellen vliet,
Een treurig meisje zat;
Zij weende tranen van verdriet
En schreide haar oogjes nat.
of:
Zij weende en schreide van verdriet
Op 't gras van tranen nat.
Ook ons lied van _De drie Ruitertjes_ kan op hoogen ouderdom en ruime
verspreiding bogen. Onze aanvangsstrofe luidt vrijwel aldus:
Toen ik op Neerlands bergen stond,
Keek ik het zeegat in.
Daar zag ik een scheepje zeilen,
Daar zaten drie ruitertjes in,
Een van de drie was naar mijn zin.
Het lied ontstond echter waarschijnlijk niet in "de landen bider see",
maar in het Opperduitsche bergland. Immers de oudste ons bekende
tekst vangt aan met de regels:
Ic stont op hoghe berghen,
Ic sach daer so diepen dal, enz.
Zie ook Driem. Bladen X, bl. 54; Volkskunde XXIII, bl. 15. Eindelijk
laat ik hier den tekst volgen van de _Twee Koningskinderen_, zooals
men dien thans nog hier te lande aantreft: van het diepst-tragische
en wellicht meest nationale onzer oude volksliederen, al berustte het
ook op de Fransche kultuurbewerking van een Grieksche sagenstof. Ik
ontleen aan Driem. Bladen XI, bl. 46:
De twee Koningskinderen.
Het waren twee koningskind'ren,
Die hadden malkander zoo lief,
Zij konden bij malkander niet komen,
Zij schreven malkander een brief.
't Was des nachts twaalf uren,
Het meisje lag in een droom,--
Haar zoetelief was verdronken--
Al in een waterstroom.
Het meisje sprak tegen haar moeder:
"Wat doet mijn hoofdje mij zeer,
Mag ik een klein half uurtje
Gaan wandelen langs het meer?"
De moeder sprak tegen het meisje:
"Alleen kunt gij niet gaan,
Neem dan uw jongste broertje,
Dan kunt gij wel henengaan."
Het meisje sprak tegen haar moeder:
"Mijn broertje is veel te klein,
Die verjaagt mij al de vogeltjes,
Die aan den meerkant zijn."
De moeder ging naar de kerk,
En het meisje ging haar gang,
Zij wandelde, ja zij wandelde,
Tot zij bij een visscher kwam.
Het meisje sprak tegen den visscher:
"Wilt gij verdienen uw loon,
Werp dan je net in het water
En visch mij dien Koningszoon."
Het eerste wat of hij vischte,
Dat was een Koningszoon,
Zij kuste zijn roode lippen,
Zij kuste zijn rooden mond.
Zij nam hem op haar armen,
En droeg hem aan den kant van de zee,
Zij zegt: "Adieu, nu willen wij varen,
En 'k vaar altoos met je mee".
(Leek en omstreken.)
In deze, en ook in andere balladen, trilt een sprookjes-motief na. Een
aanzienlijke groep echter, die van het _sprookjeslied_, bevat enkel
berijmde en getoonzette sprookjes, die dan juist door rhythme en
melodie een zekere vastheid verkrijgen. Vertoont het lied van _De
kwade Stiefmoeder_ niet zoo echt den typischen sprookjesaard?
Er was een kwade stiefmoeder, zij verkocht haar kind,
Voor negentien penningen en een gouden ring.
En dat mooie meisje teer,
En dat mooie maagdetje!
De zeven knechten namen elk een' roed,
Zij sloegen Antonnettetje zijn lichaam in bloed.
Zij leiden Antonnettetje op eenen blok,
Zij kapten Antonnettetje zijn hoofdje of.
Uw dochter Antonnettetje is wel bewaard,
Want zij speelt er achter in den boomgaard.
De vader reed den boomgaard wel driemaal rond,
Om te zien of hij Antonnettetje niet en vond.
Op d'eerste lelie stond er geschreven,
Als dat haar stiefmoeder haar hadde verkocht.
Op de tweede lelie stond er geschreven,
Als dat de zeven knechten haar hadden geslegen.
Op de derde lelie stond er geschreven,
Als dat de zeven knechten haar hadden vermoord.
De vader heeft de strate met messen doen beslaan,
Om die zeven knechten er over te doen gaan.
En dat mooie meisje teer,
En dat mooie maagdetje!
Zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied I, bl. 222; Lootens en Feys,
Chants populaires flamands no. 43.--Ook het dierensprookje is rijk
vertegenwoordigd; zoo b.v. _De Koekoek in den Mei; Den Uil die op den
Pereboom zat_, zie Volkskunde IX, bl. 185 vlg; vooral ook het leuke
_Sterven van den Beer_, Volkskunde XIII, bl. 237, vgl. De Navorscher V,
bl. 88:
De beer die vond er hem zeer krank
Van eene zware koorts (_bis_),
De zeug die vond heur in bedwang,
Den dokter te ontbieden
Met nog veel wijze lieden,
En het beestjen die had er de koorts, koorts, koorts,
En het beestjen die had er de koorts; enz.
De minste dichterlijke waarde heeft het _historische lied_, natuurlijk
duisterder, naarmate het verder van het historische feit afstaat,
dat het vermeldt of verheerlijkt. Het liedje:
Mijnheer van Son is een brave kapitein,
Hij regeert er zijn volkje zoo groot als klein
heeft betrekking op een Amsterdamsch kapitein, n.l. Zeger van Son,
die op 6 Sept. 1748 bij de parade ter eere van den stadhouder Willem
IV behalve de gewone troepen ook eene "compagnie jongeheertjes" deed
exerceeren. Hij regeerde dus werkelijk groot en klein. Zie hierover
Boekenoogen, Onze Rijmen, 6 vlg., waar de aandacht gevestigd wordt
op de historische kern van nog menig ander tot kinderrijm vervormd
volksliedje; zoo b.v.:
De Bisschop van Munster
Met honderdduizend man,
Voor Groningen, voor Groningen eens kwam.
De Bisschop van Munster, al weer van voren af an.
Vooral de Fransche tijd heeft op ons volk een diepen indruk gemaakt,
waarvan wij de reflex vinden in het volkslied. Wie kent niet het
kinderrijmpje:
Rataplan, rataplan, rataplan!
Daar komen die drommelsche Franschen weer an,
Ze hebben geen kousen en schoenen meer an,
Rataplan, rataplan, rataplan!
Heel wat waardevoller in historisch, nationaal en artistiek opzicht is
het pittige, jubelende volksliedje, dat dagteekent uit het jaar 1650:
Al is er ons Prinsje nog zoo klein
en hoezee! _bis_
Alével zal hij stadhouder zijn;
Vivat Oranje, hoezee! (_bis_).
In België leven insgelijks de herinneringen aan den Franschen tijd
in het volkslied nog voort; ook aan de Spanjaarden en, althans tot
voor kort nog, aan Jacob van Artevelde, en aan het beleg van Yperen
in 1383; zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied II, bl. 1525-1825;
Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen.
Tot welk een dorren, prozaïschen stijl het historische lied zinken kan,
toont ons het volgende:
Napoleon, waar zijt gij gebleven,
Napoleon, waar is uwe tijd,
Eertijds was ge keizer van Genève,
Daar ge nu op een eiland zijt (_bis_); enz.
Zie voor den volledige tekst de Graafschapsbode 16 Maart 1907;
Driem. Bladen VII, bl. 62.
Maar nog dient gewezen op de groote rubriek van het _feestlied_, dat
het geheele natuurlijke en kerkelijke jaar doorloopt, en van af Sint
Maarten (11 November) tot Sint Maarten de feestgetijden met blijden
jubel of droeve klage begeleidt. Ik heb deze liederen reeds besproken
in het hoofdstuk over de Volksfeesten (I, bl. 99-209) en wensch
dus nog slechts aan het volgende te herinneren. Al de zoogenaamde
natuurliederen, winterliederen, zomerliederen, meiliederen enz. zijn
feestliederen in den waren zin des woords en geven de stemming op
het natuurfeest weer. Wel bewegen zich deze liederen somtijds in
een bijzondere richting; zoo zijn b.v. de meiliederen dikwijls òf
minneliederen òf geestelijke liederen ter eere van Maria (I, bl. 190).
Hiermee heb ik tevens mijn meening geuit omtrent den aard van
het _geestelijke lied_, de laatste groep van het volkslied. De
kerstliederen, nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen,
passieliederen, paasch- en pinksterliederen enz., en voor een overgroot
deel de Marialiederen en de liederen ter eere van andere heiligen,
zijn feestliederen. En deze feestliederen, wier kader heel wat
ruimheid bood--men denke aan de reeks geestelijke liederen, die de
_Vlucht naar Egypte_ behandelen, eigenlijk kerstliederen--waren of
wel zuiver lyrisch, of episch-dramatisch. Men ziet het: een strenge
afscheiding van het wereldlijke lied is niet door te zetten. Ook wat
de melodieën betreft, schijnt er wisselwerking geweest te zijn; het
geestelijk lied leende zijn wijzen en ontleende die ook weer op zijn
beurt aan het wereldlijke. Trouwens hierin vond men niets stootends
of oneerbiedigs, omdat in die dagen de tegenstelling van gewijd en
profaan niet bestond, als tegenwoordig veelal het geval is. Hetzelfde
geldt voor het kerkelijke lied, doorgaans feesthymne, maar toch ook
volkslied, in zoover het daadwerkelijk uit het volk, of althans uit
den volksgeest is voortgesproten. Imposante kerkelijke liederen als
het _Dies Irae_ en het _Stabat Mater_ stoelen beslist op den volksgeest
en behooren tot de schoonste loten van de Middeleeuwsche volkspoëzie.
Maar het geestelijk lied kan ook uiting geven aan het gevoel van een
enkeling, kan uitzingen diens lof en dank, of vertolken diens hoop
en berouw: en zoo ontstaan de roerende liederen der "Minnende ziel",
de "Zieleklachten" enz., die zich wellicht hebben ontwikkeld uit
geestelijke verzuchtingen als deze:
Maria, Gods Moeder, reine Maagd,
Al onze nood zij U geklaagd.
Deze individuëele liederen kunnen echter ook zijn van paraenetischen
aard, en dus beschouwingen behelzen over de Vier Uitertersten e.d.
Zijn dramatisch element ontleent het geestelijk lied meestal aan het
feit, dat het stoelt op de dramatische vertooningen in de kerken,
met name tusschen Kerstmis en Driekoningen; zie hierover vooral de
beschouwingen van Knuttel in zijn uitnemend werk over het Geestelijk
Lied enz., bl. 88 vlg.; Kronenburg, Maria's heerlijkheid V, bl. 434
vlg.
Hier volge een Kerstlied en een Driekoningenlied, schaarsche resten
van vroegere weelde en overvloed.
Wilt uit u-wen slaap op-sprin-gen, En ver-
blij-den ons al-len ge-lijk. Hier is ons een kin-de-ken ge-
bo-ren Van Ma-ri--a, die uit-ver-ko-ren. Brengt de
bood-schap in 't o-pen-baar Al met de-zen nieu-we-jaar.
Op ee-nen Drij-ko-nin-gen a-vond En op
ee-nen Drij-ko-nin-gen dag, Dan von-den wij Ma-
ri-a Mag-da-le-na Al op Heer Je-zus' graf.
Sta-get op, Ma-ri-a Mag-da-le-na, Sta-get
op van de bit-te-re dood, Uw zon-de-kens zijn
al-le ver-ge-ven Al wa-ren zij nog zoo groot.
Een overoud passielied, in Hollandsch Limburg en in België bekend,
begint met deze strofe:
Hier is 't begin van 't bitter lijden
Van Onzen Heer Gebenedijde,
Die ons van zonden heeft verlost,
Dat heeft Zijn dierbaar bloed gekost.
Het oude paaschlied: "Christus is opghestanden, Al van der martelijen
allen" enz. heeft menige verandering ondergaan. In het Spaansch leger
vóor Haarlem (1573) werd het geparodieerd als:
Christus is opgestanden,
te Haarlem is een buit voorhanden;
terwijl van het paaschvuur gezongen werd:
Christus is opgestanden,
t' avond zullen wij vuren branden.
Als hedendaagschen vorm geven de Driem. Bladen XIII, bl. 51:
Christus is opgestanden
Al van de Joden hun handen,
Dus willen we allen vroolijk zijn,
Christus zal onze Verlosser zijn, Halleluja!
Was Christus niet verrezen
Alom met Zijn goddelijk Wezen
Wij waren gebleven in grooten nood,
Wij moesten allen sterven den eeuwigen dood, Halleluja!
Christus voer ter hellen
Om daarin vrede te stellen,
Die in de duisternisse zeer lagen bezwaard,
God heeft ze met Zijn eeuwige licht verklaard, Halleluja! enz.
Een afzonderlijke vermelding verdienen nog de bedevaartliedjes, die
buiten het feestjaar staan en ten deele verhalend, ten deele lyrisch
van aard zijn. Het refrein van een algemeen verspreid bedevaartsliedje
luidt:
En zouden wij dan niet vroolijk zijn,
De hemel is de onze,
En was de hemel de onze niet,
Dan waren wij zoo vroolijk niet,
De hemel is de onze.
Ten slotte volge hier het _Lied van den Boom_, dat door sommigen als
een danslied beschouwd wordt, omdat men het wel eens in een rondedans
om een boom zingt.
Men vindt dit lied in Holland, Friesland, Limburg, Vlaanderen,
echter met tallooze varianten, vooral aan het einde, waartoe de
eigenaardige vorm en gang van het lied zonder twijfel aanleiding
gaf. Ik geef hier de lezing van Heist-op-den-Berg, die ik voor de
meest oorspronkelijke houd.
In mijnen hof daar staat eenen boom
Zoo'n schoonen boom,
Zoo'n liefelijken boom.
Refrein:
De boom staat in zijne eerde,
Vol van weerde,
En hij groeit zoo schoon!
Aan dezen boom daar komt er eenen tak,
Zoo'n schoonen tak,
Zoo'n liefelij ken tak.
De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
Aan dezen tak daar komt er dan een blad,
Zoo'n schoonen blad,
Zoo'n liefelijken blad.
Het blad komt van den tak,
De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
En aan dat blad daar komt er dan een bloem.
Zoo'n schoone bloem,
Zoo'n liefelijke bloem.
De bloem komt van het blad,
Het blad komt van den tak,
De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
En aan die bloem daar komt er eene vrucht.
Zoo'n schoone vrucht,
Zoo'n liefelijke vrucht.
De vrucht komt van de bloem,
Enz., enz.
Refr. De boom staat, enz.
Ik beschouw dit lied als een _kerstlied_. Waartoe hier met Van Duyse
e.a. allerlei Germaansche boschvereering te hulp roepen, waartoe
vooral met Pol de Mont (Nederlandsch Museum III, 2, bl. 217 vlg.) den
wereldboom _Ygdrasil_ uit de Noorsche mythologie er bij halen, wanneer
de verklaring toch voor de hand ligt? En die is, dat wij hier met den
boom van Jesse te doen hebben. Zelfs luidt te Deerlijk en elders het
slot--dat ik echter niet voor oorspronkelijk houd--:
En op dien tak daar staat een nest, enz.
En in dien nest daar lag een ei, enz.
En in dat ei daar zat een kind,
Een goddelijk kind,
Een kind dat ons verlossen zal,
Dat ons verlossen zal.
Werd Christus niet aangeduid als de spruit en de bloem uit den
wortel van Jesse? En zingt _Venantius Fortunatus_ niet in zijn
kersthymne: "De wortel van Jesse heeft gebloeid en de spruit heeft
vrucht gedragen?" Het was immers een lievelingsbeeld der geestelijke
poëzie in de Middeleeuwen, Maria en Christus voor te stellen als de
bloem en de vrucht uit den wortel van Jesse. En mocht iemand dit
alles onvoldoende lijken, dan verwijs ik nog naar de veelvuldige
ikonografische voorstellingen: een boom schiet op uit den slapenden
Jesse, met reuzenbloemen aan de twijgen. Op en in die bloemen zitten
rechts en links koningen en op den top troont Maria met het Jezuskind.
Op weinig uitzonderingen na wordt door het volk tegenwoordig weinig
meer gedicht en gezongen. De zanglust, die vroeger levensbehoefte
scheen, is verslapt. Hoe kan in dezen tijd het volk ook zingen? Nu
de poëzie hoe langer hoe meer uit het volksleven terugwijkt, nu de
ziellooze machine vervaardigt het eertijds bezielde werk, waarin
de man-uit-het-volk een stuk van zijn ziel, zijn gemoedsleven, een
stuk van zijn eigen-ik legde? Slechts daar, waar gemeenschappelijke
handarbeid de menschen nog vereenigt, klinkt het rhytmische volkslied
als eertijds: bij het maaien, het bezembinden, het stroovlechten, het
tabaksbewerken, het steenhouwen, het kuipersbedrijf. Vooral echter,
waar stille huiselijkheid en gezelligheid woont, hoort men des avonds
bij het knappende haardvuur of op de bank vóor de woning of onder de
dorpslinde nog het aloude gezang. Ook het volksfeest, voor zoover de
moderne kultuur dit niet door en door verdorven heeft, de bruiloft
en de kermisviering worden nog wel door het lied opgevroolijkt.
Daar zijn tijden geweest, waarin het karakter van het geheele volk
zich weerspiegelde in het volkslied; en ons Nederlandsche volkslied
kan de vergelijking doorstaan. Het kende niet de hartstochtelijkheid
der Italiaansche, de waardigheid van de Spaansche, de sierlijke
gratie van de Fransche liederen; maar in diepte van gevoel werd het
nauwelijks geëvenaard. Natuurlijk kwamen ook hier de rasverschillen
tot uiting, en kwam het b.v. door den beweeglijken, meer emotioneelen
Keltisch-Frankischen geest beter tot zijn recht.
Maar nu....de bovenkultuur heeft de kunst grootendeels aan
het volk ontnomen en voor een élite van begenadigde kunstenaars
gemonopoliseerd. De middelklasse wordt meer en meer uitgeschakeld,
en waar in onze landen de kultuur het hoogst stijgt, wordt de klove
tusschen hoogere en lagere standen steeds dieper. Daar zingt het volk
geen volkslied meer, maar bauwt in drenzige deunen de aan flarden
gescheurde opera-melodieën na met schunnige variaties. En al mag nu
de tegenwoordige toestand in wat te schrille kleur geteekend zijn
in H. F. Wirth's dissertatie: Der Untergang des Niederländischen
Volksliedes (Haag 1911), het in-droevige van den toestand kunnen wij
ons niet ontveinzen.
Dankbaar zeer zeker zijn wij de hedendaagsche dichters in den
volkstoon: Heve, Dautzenberg, René de Clerq, Rodenbach; dankbaar
aan degenen, die werkten tot herleving, althans der waardeering van
wereldlijk of geestelijk lied: Hofmann V. Fallersleben, Van Duyse,
Bols, Kalff, Knuttel, Coers, Roes, en aan de vele andere wakkere
voormannen, die door woord en aktie,--ik denk aan het volksorgel--den
gezonden volkszang trachten te bevorderen. Maar toch vrees ik, dat
deze kunstmatige poging op den duur den ondergang van het volkslied
niet zal tegenhouden. Wij leven te ver van de natuur. Wereld en
menschen zijn anders geworden, daarom moet het volkslied sterven. Als
een schichtig ree van uit het struikgewas tuurt nog hier of daar een
kind der volksmuze met zijn sprookjesoogen in een wonderlijk-vervormde
kultuurwereld, vol rook, rumoer en onrust. Het volkslied vlucht voor
de schrille stoomfluit, als de elven voor het gelui der klokken.