III. Het volkslied.

"Zij worden heel niet gemaakt, zij groeien, zij vallen uit de lucht,

zij vliegen als herfstdraden over land, nu hier, dan daar heen;

op duizenden plaatsen tegelijk worden ze gezongen ..." Zóo teekent

Th. Storm de liederen, die opbloeien uit den volksgeest, die meeleven

het leven des volks ...

Een rijken schat van poëzie legt het volk in zijn gebruiken. Wanneer

de landman het zaad hoog opgooit, dat het welig opschiete; wanneer

de Westvlaamsche "boeier" het paard 's avonds te voren in het oor

fluistert, dat het den volgenden morgen een doode moet vervoeren;

als de Limburgsche bruid zorgvuldig het zelfvervaardigde bruidshemd

bewaart, dat haar eens als doodsmantel zal dienen,--dan is dit

hooggestemde volksdichting, al zijn het "Lieder ohne Worte". Maar stelt

die aandoening zich in klankbeweging en wordt deze gevoelsverklanking

geschakeerd door rythmische en melodische stembuigingen, dan wordt

geboren het _volkslied_.

Het woord "lied" heeft geen betrekking op het getoonzette of gezongene,

maar op het uitermate zingbare. Het lied is de eenvoudigste uitdrukking

van een stemmingsgeheel, het versnippert de gemoedsstemming niet,

om er de ontwikkeling van voor oogen te stellen, maar zingt een

éenvormige, zich-gelijkblijvende, boven de begrippen der woorden

zwevende stemming uit, het beweegt zich in korte strofen, meest van

vier tot acht regels, die de natuurlijke maat van vier, of drie en

vier versvoeten hebben. Maar elke strofe bevat de geheele stemming,

wier aroma zich als bloemengeur verbreidt.

Het melodische lied is dus uiteraard _welluidend_ en

_eenvoudig_. Teeder als een zucht en toch weelderig van rythme en

bloeiend van klank. En nu bereikt het zangerige juist in de volkskunst

een hoogtepunt, daar erlangt de eenheid van rythme en mimiek bij spel,

bij arbeid en dans zulk een volmaaktheid, dat zij de hoogste norm

schijnt te naderen.

"Het volkslied een uiting der volksziel": een uitspraak als deze

dient natuurlijk niet verstaan te worden in den geest der vroegere

romantiek, alsof wij met een niet te benaderen, anoniemen, scheppenden

volksgenius te doen hadden. Niet het kollektieve volk, neen, de

man-uit-het-volk is de auteur. Maar juist òmdat hij uit-het-volk is,

omdat hij het volk begrijpt en het volk hem, omdat hij deel heeft aan

den aard van het volk, dat werkelijk dichter is in zijn gebruiken,

zijn beelden en uitdrukkingen en niet het minst in zijn stemmings-

en gevoelsuitingen,--juist dáarom is hij in staat een volksgedicht

te scheppen.

Volgens Otto Böckel, Psychologie der Volksdichtung (Leipzig 1906)

is de _roep_ de kern van het volkslied. Alles wat de mensch aan

lief en leed ondervindt, wat hem schokt en schrijnt, hem verheugt

of prikkelt of afschrikt, ontlokt hem gezangvormige klanken. Deze

klanken nu zijn vatbaar voor ontwikkeling. Zij kunnen groeien in

omvang en melodie; veelal wordt hun klankgehalte versterkt door het

stafrijm. De vreugderoep is de bevoorrechte gevoelsuitdrukking in den

bloeitijd des levens, is verklanking van liefde en lust; men denke

slechts aan refreinen als:

Hei 't was in de Mei, Mei, Mei,

Hei 't was in de Mei.

De smartroep handhaaft zich voornamelijk bij de lijkklacht. Maar het

arbeidslied bovenal wijst op de ontwikkeling van de volkslyriek uit de

gevoelstonen. Hier immers voegt zich bij de klanken een voor de poëzie

onmisbaar bestanddeel: het rythme. Gevoelsuitingen en muziek gingen

aanvankelijk steeds gepaard; het rythme kwam van elders. En nu is het

de groote verdienste van Karl Bücher, er ons op gewezen te hebben,

hoe deze onmisbare faktor zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm,

dien het volk aan een inspannenden arbeid ter afwisseling gaf. Het

rythme gewerd de volkspoëzie dus vooral uit het arbeidslied,

waartoe het danslied in hoofdzaak moet worden teruggebracht. Hoe

ouder de arbeidsgezangen zijn, des te enger schijnen zij met de

arbeidsverrichting samen te hangen.

Zoo is dan het volkslied een dichtzang, die organisch uit het volk

in zijn gevoelen en verrichten is gegroeid; het is onmiddellijk

ontsprongen aan het gevoel der natuurvolken en, van de kultuurvolken,

in zooverre hun gewaarwordingen en uitingen behooren tot het domein der

onderkultuur. In en door het zingen plant het zich voort. De dichter

is meest onbekend, omdat op den bodem der onderkultuur, der naïeve

volkskunst, dichterlijke individualiteit kwalijk gedijt. Het lied

is alles, op den zanger wordt weinig acht geslagen. Het lied wordt

beschouwd als gemeengoed, omdat het uiting geeft aan de gevoelswereld,

welke aan alle volksgenooten gemeenzaam is. Ging het ook niet aldus

met de grootsche scheppingen der Middeleeuwsche bouwkunst? Gelijk

het volk deze als zijn eigendom beschouwde, door er voortdurend aan

te wijzigen en aan bij te bouwen naar willekeur, zoo heeft ook het

volkslied nimmer een authentieken vorm, is het als 't ware steeds in

vlottenden toestand, staat het aan allerlei veranderingen, verkortingen

en toevoegsels bloot. De aanhef van het lied openbaart echter meestal

zijn afkomst.

Het volkslied deelt dus het lot van het sprookje; en evenals

van sprookjes-motieven, zoo mag men ook van liederen-motieven

spreken. Trouwens volkslied en sprookje bestaan elkander in

den bloede door hun gemeenschappelijk sterk-algemeen karakter,

óok dan, wanneer zij niet geheel samenvloeien, zooals in het

sprookjeslied. Bijzonderheden worden verwaarloosd, tijd en plaats

zelden vermeld. Veelal wordt de hoorder in eens midden in de handeling

verplaatst. Ook moraliseert het volkslied evenmin als het sprookje.

Toch verraden de motieven doorgaans hun herkomst, en wel niet alleen

de sociale groep, waarin zij geboren werden, maar ook den landaard en

het klimaat van hun geboortegrond. In laaglanden als de onze is een

Hoogduitsche _Juchzer_ ondenkbaar. Weidevelden geven iets eentonigs

en zwaarmoedigs. Maar de zee schenkt opgewektheid en kleurigheid

van toon. "Friesland zingt niet": die uitspraak is overdreven, maar

geenszins van waarheid ontbloot. De innigheid van het Saksische

halle-huis vergoedt veel van het trage en monotone in taaleigen en

landschap. In het land der Franken, met den Keltischen ondergrond,

voelt het volkslied zich het behaaglijkst.

Wat is nu het verschil tusschen volkslied en kunstlied? Laat ik

vooreerst opmerken, dat ik de benaming "kunstlied", wanneer zij moet

dienen, een tegenstelling te vormen met volkslied, niet aanvaard. Is

het volkslied dan géen kunst? Tegenover het _volks_lied staat niet het

kunstlied, maar het _kultuur_lied, evenals tegenover de _volks_taal

staat de _kultuur_taal: "kultuur" heeft hier natuurlijk de waarde

van "bovenkultuur". Welnu, een wezenlijk verschil zie ik tusschen

beide niet. Kan het anders? Er bestaat immers geen wezenlijk, maar

slechts een gradueel onderscheid tusschen onder- en bovenkultuur. Het

kultuurlied geeft slechts veredelde, of somwijlen _zoogenaamd_

veredelde volkskunst. De vorm is meer verfijnd, de auteur is zich ook

bewust, een kunstprodukt te scheppen. Verder is hij meestal bekend en

zorgt voor de rechten van zijn vaderschap. Maar hij kan putten uit de

volksschatkamers, en zóo kan het volkslied vaak tot kultuurlied worden,

om straks wellicht weer in den volksmond tot volkslied te worden

vervormd: maar dán zal het de afgesleten vorm zijn! Steeds dient de

kultuurdichter echter met het volk voeling te houden; en laat ik het

woord van Poelhekke hier bij voegen, dat de verfijnde kunst der hooger

ontwikkelden, van de meerderen in de techniek, "nooit de bron waaruit

zij is ontsproten mag vergeten, op gevaar af aan bloedarmoede te gaan

lijden": Woordkunst, bl. 122; vgl. De Beiaard I, 1, bl. 43 vlg. Verder:

Karl Bücher, Arbeit und Rhythmus. Abhandl. der Philolog.-histor. Classe

der königl. Sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften (Leipzig 1896)

XVII, V, vooral hoofdstuk 4, bl. 74: Der Ursprung der Poesie und Musik;

Otto Schell, Das Volkslied (Leipzig 1908); Otto Bremer, Zum Versbau der

Schnaderhüpfel, in het Festschrift Karl Weinhold gewidmet (Strassburg

1896); Gustav Meyer, Essays und Studien I, bl. 289-408: Zur Kenntniss

des Volksliedes; Schrijnen, Essays en Studien bl. 258 vlg.: Litausche

Volkszangen; Dr. N. Geerts, Oorsprong en wezen van het volkslied, in

de Handelingen van het zevende Nederl. Filologenkongres, bl. 109 vlg.

Het Nederlandsche volkslied heeft lang gewacht op de waardeering,

die het toekwam. Ik bedoel hier niet de historische waardeering,

die het profane en geestelijke lied ruimschoots gewerd door den

voortreffelijken arbeid van Kalff, Moll, Acquoy, De Vooys, Knuttel en

anderen. Maar eerst in 1907 was Groot-Nederland in het bezit van een

verzameling van volksliederen, die de vergelijking b.v. met de Duitsche

soortgelijke werken van Böhme en Erk kon doorstaan: ik bedoel de drie

deelen van Flor. van Duyse's Oude Nederlandsche Volksliederen (Den

Haag 1900-1907). Ook kunnen wij niet ontkennen, dat het Hoffmann von

Fallersleben is, dus een Duitscher, die hier te lande de belangstelling

in onze eigen vaderlandsche liederen heeft gaande gemaakt. Sedert dien

kunnen wij wijzen op de gedeeltelijke verzamelingen van Snellaert,

J. F. Willems, De Cousemaker, Carton, Lootens en Feys, Jan Bols, Van

Vloten, J. en L. Alberdingk Thijm en Blyau en Tasseel. Oud en nieuw,

volkslied en kultuurlied, oude, bewerkte en nieuwe melodieën vindt

men vergaderd in Coers' Liederboek van Groot-Nederland. Zie vooral

Dr. F. Scheurleur, Nederlandsche Liedboeken ('s Gravenhage 1912).

Behoudens haar vergelijkende waarde zijn al deze verzamelingen voor de

volkskunde slechts van belang, in zooverre zij liederen zeer onlangs

uit den volksmond opteekenden. Want, ik kan het niet vaak genoeg

herhalen, de volkskunde is de kennis en het wetenschappelijk onderzoek

van het _heden_, is de ethnologie der thans levende kultuurvolken. Ik

geef dus van elk der verschillende soorten volksliederen slechts die

stalen, waarvan ik ofwel persoonlijk kennis nam, of van wier voortleven

ik mij anderszins kon vergewissen. Sommige liederen berusten, wat den

tekst betreft, op schriftelijke overlevering, welke uitsluitend ten

doel heeft, het geheugen ter hulp te komen. Eenige families houden

er zelfs lijvige geschreven liederboeken op na. In dit geval is de

schriftelijke traditie gelijkwaardig met de mondelinge.

Een enkel woord ook over de _muziek_ van het volkslied. Zij berust

voor een groot deel op de volksmuziek der Middeleeuwen, die zelf

gesproten is uit de Oudchristelijke Latijnsche kerkmuziek. Wanneer

wij nu weten, dat deze kerkmuziek in hoofdzaak niets anders is dan

gekerstende Grieksche en Grieksch-Romeinsche muziek, zooals door

Fr. A. Gevaert en A. Möhler uitvoerig is aangetoond, dan komen wij tot

het verrassende resultaat, dat in de brokstukken van het hedendaagsche

volkslied de muziek der heidensche klassieke oudheid nog voortleeft.

Inderdaad doorloopt het volkslied der Middeleeuwen de Aeolische,

Dorische, Iastische en Hypolydische toonladders, door het Roomsche

_Antiphonarium_ aan de oude muziek ontleend. En wanneer het ons heden

voorkomt, of een volkslied sterk op een kerkelijke hymne of eenig

ander Gregoriaansch kerkgezang lijkt, dan is dit geen verbeelding,

maar werkelijkheid; en de overeenstemming berust niet op toeval,

maar op genetischen samenhang. Zoo is de melodie van het bekende lied

van Halewijn, dat nog op vele plaatsen en met vele varianten in den

volksmond leeft, niets anders, dan die van het _Credo_ uit de _Missa

in duplicibus_; en die van de Koninginne van Elf Jaren berust op het

_Veni Creator_. Voor verdere beschouwingen verwijs ik naar Fl. van

Duyse, Het oude Nederlandsche Lied I, Inleiding, bl. XVI vlg., en

vooral naar zijn uitvoerige verhandelingen: Het eenstemmig Fransch en

Nederlandsch wereldlijke Lied in de Belgische gewesten (Brussel 1896)

en De Melodie van het Nederlandsche Lied in hare Rhythmische vormen

(Brussel 1902).

Allereerst dus, met het oog op de geboorte van het volkslied in het

algemeen, volge hier het _arbeidslied_. De melodie hiervan is zonder

twijfel oorspronkelijker en zelfstandiger dan die der verhalende,

erotische, geestelijke e.a. liederen, daar zij het nauwst met den

inhoud samenhangt.

Niet alleen in Nederland, maar van den Brennerpas tot aan de Noordzee

klinken hei-liedjes in den trant van ons

Hoog op een! een, twee,

een, twee, drie!

hoog op vier! vijf, een meer!

hoog op zes! fiks op, enz.

Gegroeid in melodie en in vorm klinkt het lied:

Haal op je hei!

Hij is gewassen

Al in de klei,

Al in den grond

Daar staat hij prompt,

Zóo staat hij beter, enz.

Overeenkomstig de sociale groepeering van het volk zal het arbeidslied

zich verder moeten splitsen in dorschlied, smidslied, visscherslied

enz., en vooral aan die bedrijven dienen te beantwoorden, waarin

rythmische beweging het werk begeleidt. Men denke ook aan het liedje,

dat bij het snijden der meifluitjes gezongen wordt, terwijl de jongens

rythmisch met het hecht van het mes op de wilgenbast kloppen (I,

bl. 191).

Een Zeeuwsch karnliedje luidt aldus:

Kêrne, kêrne beuter,

Drie pond in een scheutel,

Drie pond in een kannetje,

't Is van moeder Jannetje.

Uit Friesland:

Tsiis, tsiis, tsjerne!

Bûter komt fer reamme [room],

It gearret sa wol, it gearret sa wol,

Mei eltse stiet in amerfol.

Spinlied uit Ochten:

1.

Spin, spin, m'n lieve dochter,

Dan krijgde gij een hoed!

Ja, ja, mijne moeder,

Die staat mij zoo goed.

Refrein:

'k Kan lappen en spinnen,

Een zweer aan den vinger

Doet mij er zoo zeer.

2.

Spin, spin, m'n lieve dochter,

Dan krijgde gij een jak!

Ja, ja, mijne moeder,

Dat staat mij zoo knap.

Refrein:

'k Kan lappen, enz.

(Driem. Bladen III, bl. 42).

Uit Zeeland:

Draaie, draaie wieltje,

Morgen komt Machieltje,

Als Machieltje nièt en komt,

Dan komt Jacob Janssen,

Die zal je leeren dansen,

Hier een stoel en daar een stoel,

Op ieder stoel een kussen.

Ten slotte een strofe van een Vlaamsch spinliedje, dat het midden

houdt tusschen arbeidslied en sprookjeslied:

Al onder den weg van Maldegem,

Malle-Malle-Malle-Malle-Maldegem,

Al onder den weg van Maldegem,

Daar zat een wijf dat spon.

Dat wijf dat zat en spon,

Gielegon,

Al op een houten wieleken,

Wiele-wiele-wiele-wiele-wieleken,

Al op een houten wieleken,

Daar was geen draaiing aan! (_bis_).

Oogstlied uit Woubrechteghem (Oost-Vl.):

Het laatste voer is op de baan,

Dat in den boer zijn schuur moet gaan,

De luie boeren alleen hebben nog staan.

Ik vermeldde dit liedje reeds I, bl. 281, en daarvóor het rhythmische

Noordhollandsche oogstlied, dat inzet met de regels:

De wumpel, de strumpel, de kanne met bier,

Die hebben we hier op ons plezier!

Ook enkele dorschliedjes gaf ik reeds op bl. 284. In zijn geheel

luidt het Friesche liedje als volgt:

It klitst, it klatst

't Giet juwn toa gest,

Op tzies in brea

Mey 't heale gea.

As wij houndert krye

Wy zilt neat zwye,

Dan jouwt dy frouw

Uws spek in strouw

Goe bjear dar by

Is aeck uws fly.

Dr. H. Blink vertaalt deze stroofjes:

Het klitst en klatst

Het gaat van avond te gast

Op kaas en brood

Met het heele dorp.

Als wij honderd [zakken] krijgen,

Wij zullen het niet verzwijgen

Dan bakt de vrouw

Voor ons spekpannekoeken

En goed bier daarbij

Dat voegt ons wel.

Op wisselmaat berust verder het vlasslijterslied, het visscherslied,

het maaierslied, het smidslied, het touwslagerslied, het kuiperslied,

het molenaarslied. Op maatbeweging gaat ook het soldatenlied terug,

daar dit toch hoofdzakelijk een marschlied is. Ook het jagerslied is

in den grond een marschlied. Sterk-rhythmisch is verder het schippers-

en roeilied, en ook het matrozenlied, dat men hoort in de havensteden;

dit ontstond bij het anker lichten of bij het hijschen der zeilen. Zie

ook Dr. De Vooys, Volkskunde XXIV, bl. 154 vlg.

Ten slotte nog een weversliedje, ons door de Graafschapsbode van 16

Maart 1907 medegedeeld [vgl. Driem. Bladen VII, bl. 627]:

"Hungel de bungel de boeze,

Achter onzen hoeze

Daor steet 'nen grooten nöttenboom,

Daor zat 'nen wêver op 'nen toog,

He wos nich, watte etten zol,

Zoere, zoere kernemelk

Met gerstebrood,

Sloat den luien wêver dood!

Loat em nog en betjen lêven,

Dan zal e wal better wêven;

Zet em op 't spiendvat,

Sloat em met de panne veur 't gat,

Hè, boer, wat plêrt dat".

Het hoog-poëtische liefdeleven klinkt bijzonder zuiver door in het

_bruiloftslied_. Oorspronkelijk omvat dit lied zoowel de klacht

bij het verlaten van het ouderlijk huis, als het jolige vreugdelied

bij het overschrijden van den drempel der nieuwe woning. Maar men

vindt het nog slechts in bloei bij volken met hoogst eenvoudige en

sobere levenswijze, zoo b.v. bij de Lithauërs. In de Nederlandsche

gewesten is het vrijwel uitgestorven. Het lieve stroofje van Cremer

in Bruur Joapik:

Hier 'en reuske, en doar 'en flikske,

Weer 'en tekske en weer 'en strikske;

Bluumpkes moar

Bij mekoar

Rood en gruun veur 't jonge paar

zal wel een kultuurdichtje in den volkstoon zijn. Laat ik echter wijzen

op het Bathmensch bruiloftslied, dat wij vinden in de Driem. Bladen

II, bl. 60, 61:

Algemeen Bathmensch Bruiloftslied.

Willen wij er eens ommegaan,

En zien of ik ze niet vinden kan?

Ja, hier heb ik ze gevonden,

Ja, met haar bruin haar.

't Is gevonden, ik zal haar kiezen,

Al voor een draai.

Zij is mager al om te geven.

En geef niet over in dezen stond,

Of geef haar een zoentje voor haren mond,

Al zoo nat,

Al zoo glad.

Onder mijne voeten,

Uitverloren,

Uitverkoren,

Waar zal ik het zoeken?

Onder deze lesse besse,

Mooie meisjes samen!

Mooi meisje met je blauwe rok,

Mag ik eens met u ganen?

Neen, neen, dat ziet zoo niet!

Ja, ja, dat ziet zoo wel!

Keer u eens om en ik meen je wel!

Keer je nog eens omme,

Nog eens weder omme!

Ik heb den heelen dag geloopen,

Mijn geld is door de keel gekropen (geloopen)

O, en zie zoo,

En bij ons gaat alles zoo!

En allo!

Met het bruiloftslied hangt ten nauwste het _danslied_ samen, en de

schakel vormt het bruiloftsdanslied, oorspronkelijk wel op de deel

uitgevoerd. Zoo b.v.:

Ik heb mijn geld

Op hoopen gesteld,

Gestapeld op elkander.

Ik heb mijn liefje trouw beloofd,

Een trouw van diamanten.

Ziedaar, schoone jonkheer,

Daar heb-je mijn hand van eer.

Ziedaar, schoone jonkvrouw,

Daar heb-je mijn hand van trouw,

En daarop zoen ik jou.

Het oude danslied vindt men vooral nog terug in het kinderlied. Wij

zagen herhaaldelijk, hoe een oud gebruik overal elders werd

uitgeschakeld, om in onzen tijd bij de kinderen terecht te komen;

zoo b.v. het Paasch- en St. Maartensvuur, de ommegang met de

Pinksterbloem en de Luilak, het kaarsje-dansen met Driekoningen, het

raadselopgeven, het pandverbeuren enz. Dezen weg zijn vooral vele

reidansen gegaan. Hier en daar, op bruiloften en boerenkermissen,

wisten zij zich nog op het platteland staande te houden, maar zij

verdwijnen meer en meer. En evenzoo ging het met allerlei drinkliedjes

en pandspelletjes. "Reien als het ,Patertje langs den kant' ,de

Zevensprong' en ,Haal open de poort' geven ons te zien, hoe onze

voorouders dansten, voordat de uit den vreemde ingevoerde draaiende

wals en polka de oude slepende reidansen verdrongen": Boekenoogen,

Onze Rijmen, bl. 16.

Bij deze reidansen schrijden de kinderen langzaam hand aan hand voort

op de maat van het gezang, terwijl zij nu eens een kring vormen en dan

weer een ketting, die zich onder een poort van armen voortbeweegt. Wij

hebben hier een rest van den Oudgermaanschen dans. Het "Patertje langs

den kant," waarvan ik de eerste strofe met de melodie laat volgen, was

echter geen bruiloftsdanslied, maar een Meidanslied; vgl. I. bl. 190.

Daar ging een pa-ter-tje langs den kant,

Hei, 'twas in de Mei, hij vat-te zijn zoe-te-lief

bij de hand, Hei, 't was in de

Mei zoo blij, Hei, 'twas in de Mei!

Nog een enkel woord over de waarde van het kinderlied. Het vertoont

de resten van nog zoovele andere oude volksgebruiken. In een

rommelpotliedje, waarvan ik I, bl. 165 melding maakte, wordt gesproken

van "een stroobant", welks beteekenis mij niet helder leek. Intusschen

geloof ik, dat wij hier een aanduiding mogen zien van het oude gebruik,

stroo onder het lijk in de kist te leggen, wat vooral kan blijken uit

de vergelijking met de volgende regels uit een XVe eeuwsch handschrift:

Ende een wilghen kiste ende een stroen bant,

Hiermede word ik sent int ander lant.

In den kindermond wordt de "strooband" in Drente wel eens tot "strop",

waarbij dan gevoegd wordt de houtsoort van de kist; het resultaat

luidt: "mit 'n eiken strop an." Zulke veranderingen in den kindermond

zijn zeer veelvuldig en, hoe verbijsterend somtijds ook, steeds

psychologisch uiterst leerzaam. Zie hierover b.v. Dr. J. Bergsma,

Drentsche Volksalman. 1902, bl. 50 vlg.

Natuurlijk vinden wij ook heel wat survivals van oude

geloofsvoorstellingen, die ik in het Eerste Deel besproken heb. Toch

moet men in dit opzicht voorzichtig zijn. Wanneer bij het neerdwarrelen

der sneeuwvlokken de kinderen te Assche jubelen:

See-se-ken schudt zijn bed-de-ken uit, en

laat de pluim-kes vlie-gen!

vgl. te Brugge: "O.L. Heertje schudt zijn beddeken uit en al de

pluimtjes vliegen deruit", terwijl dit elders de Engeltjes of,

zooals in Noord-Brabant, Maria doet,--dan kan men wel zeggen, dat

dit liedje eigenlijk op de Germaansche Godin Holda betrekking heeft,

en onmogelijk is dit ook niet. Maar het kan óok zijn, dat wij hier

eenvoudig met een animistische opvatting (in ruimeren zin) te doen

hebben, die eertijds tot een faze van de Holda-mythe aanleiding

gaf. Men moet terdege onderscheid maken tusschen hoogere en lagere

mythologie.--Ook is de meening, dat Engeland=Engelland het zielenrijk

zijn zou, tegenwoordig vrij wel verouderd.

Wanneer ik nu nog gewezen heb op de oude en dialektische taalvormen,

die zich in menig kinderliedje gered hebben, dan hoop ik den lezer

althans eenigermate van het groote belang van het kinderlied te

hebben overtuigd.

Het kinderdanslied komt meestal voor bij het touwtjespringen,

het rondedansen en het reidansen. Bij het touwtjespringen is het

rhythme natuurlijk weer hoofdzaak: en hierin ligt de verklaring

van het feit, dat den volwassenen wel eens raadselachtig voorkomt,

hoe n.l. de kinderen uren en uren, en weer dag aan dag met dezelfde

springspelletjes kunnen bezig blijven. De oplossing ligt in het

meeslepende, in de onbedwingbare lust van het rhythme. Twee meisjes

draaien het touw met gewonen tragen slag en zingen daarbij, terwijl

een derde in de koord danst:

Ik heb een jas-ken ge-kocht, Naar de

naai-ster ge-bracht. Zoo ge-zeid, zoo ge-daan, Om naar

huis toe te gaan, In, spin, springt bij den boer maar

in, Uit, spruit, springt bij den boer maar uit.

Bij de woorden "in, spin" krijgt de touwtjesspringster een mededanseres

naast zich, en bij de woorden "uit, spruit" loopt de eerste weg. En

zoo gaat het steeds door, met evenveel ijver en opgewektheid.--In

Friesland hoort men:

Ik heb een jasje gekocht,

Naar de lommert gebrocht,

en de finale luidt daar:

Van inspin,

Spring er dan maar in,

Van uitspruit,

Spring er dan maar uit.

Dit spel biedt wel eenige verscheidenheid, en veel is ook over gelaten

aan de willekeur der draaisters. Maar oneindig meer afwisseling

vertoont toch het rondedansen, waarbij de kinderen nu eens gewoon

luchtig op- en neerspringen op het maatgeluid van hun lied, dan

weer plotseling neerhurken, dan andermaal het dansen begeleiden met

handgeklap en allerlei nabootsende gebaren. Een der meest bekende

kinderliedjes, dat als danslied en wiegelied tevens dienst doet,

is het bekende "Klein, klein kleutertje", in Vlaanderen ook: "Klein,

klein Marieken".

Te Herdersen leeft deze variant:

Klein, klein Jee-se-ken, He-je gij zul-ke

kou? Komt in mijn her-te-ken wo-nen En

maakt u daar een schouw.

We zullen een vierke stoken;

We zullen een pappeken koken;

En brengt uw liefste moederken mee,

Dan zullen we zijn tevree.

Maar een der merkwaardigste dansliedjes is wel het _reuzenlied_. De

kinderen scheppen er ontzaglijk veel genot in, vooral in België,

waar de reuzen nog bestaan en dansen uitvoeren, als te Brussel,

Geerardtsbergen, Hasselt, Antwerpen en Wetteren. Merkwaardig is het,

dat de melodie vrij wel overeenkomstig is met die van den kerkelijken

hymnus _Creator alme siderum_.

"Het _Reuzenlied_" zegt Maurits Sabbe, "herinnert ons de

schilderachtige volksoptochten met de reuzenfamilies, het ros Beiaard

en allerlei allegorische voorstellingen, die vroeger in bijna al

onze Vlaamsche steden en stedekens geliefkoosde nummers voor het

kermisprogramma waren en thans nog slechts in enkele steden van tijd

tot tijd de feestelijkheden opluisteren".

Moe-der, zet de pap op 't vier, de pap op

't vier, De reus is hier, Keert u eens

om, reus-ken, reus-ken, Keert u eens

om, Reu-ze-gom.

Moeder, stopt algauw het vat, algauw het vat,

De reus is zat,

Keert u eens om, reusken, reusken,

Keert u eens om,

Reuzegom.

In heel wat vlugger tempo bewegen zich de dansliedjes: "'kHeb een

rood, rood spiegeltje gevonden";--"Trijntje, Trijntje, Trijntje, je

hebt er water bij gedaan";--"In Holland staat een huis" e.a. Tot de

nabootsende dansliedjes behoort dat van den _Klepperman_: "Elf uren

slaat de klok"; bij de woorden "klip-klip-klip" en "klop-klop-klop"

houden de danseressen een oogenblik stil en klappen driemaal in de

handen of trappen driemaal met den voet.

Maar ik mag van deze dansliedjes geen afscheid nemen, zonder althans

vermeld te hebben het merkwaardige:

Klein' An-na zat op ma-jes-teit, ma-jes-teit ma-jes-

teit, Klein' An-na zat op ma-jes-teit ma-jes-teit.

Daar zat zij nu te weenen,

Weenen, weenen,

Daar zat zij nu te weenen,

Weenen.

Dit wordt gezongen door kinderen, die in een kring rondloopen,

terwijl in het midden een meisje zit neergehurkt, met het hoofd in

de handen. Het spel is drama geworden en vertolkt een ballade. Want

na het zingen van de tweede strofe, treedt een tweede meisje in den

kring en nu vervolgt het koor:

Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.

Deze vraagt:

Zeg kind toch, waarom weent gij zoo? enz.

Waarop het meisje antwoordt:

Omdat ik morgen sterven moet, enz.

Nu treedt een derde den kring binnen en het koor zingt:

Daar kwam de booze Fredrik aan, enz.

Op de maat slaat Frederik het meisje nu op den rug:

Die zal haar nu den dood aandoen, enz.

Ten slotte wordt Anna door Frederik en de moeder opgenomen en gejonast,

en allen zingen:

Nu wordt zij in het kistje gelegd, enz.

Dit liedje is o.a. te Voorburg, Varsseveld, Nijmegen, Zeeland bekend en

hoogst waarschijnlijk uit Duitschland afkomstig. Het woord "Majesteit"

ontstond wellicht uit "Breitenstein"; zie Marie Ramondt, Volkskunde

XXIII, bl. 237; Karl Wehrhahn, Kinderlied und Kinderspiel, bl. 110 vlg.

Bij het reidansen staan een of meer meisjes tegenover een heelen rei,

terwijl beide partijen beurtelings naderen en weer achteruit gaan. Een

der merkwaardigste is het liedje van _Brunelle-gezelle,_ waarbij

een meisje tegenover een heele reeks van speelgenootjes staat. Deze

beginnen te zingen, terwijl zij elkaar bij de hand vasthouden en met

rhythmische stappen tot elkaar naderen:

Van waar kom-de gij ge-dre-ven, Bru-

nel-le ge-zelle? Van waar kom-de gij ge-

dre-ven, Brun-ne-le-ken?

Vr. Ik kom van onder de aarde,

Brunneleken mijn;

Enz., enz.

En het lied vervolgt:

R. Wat heb-de daar weest halen?

Br. Een mandeken met aarde.

R. Aan wie zul-de da geven?

Br. Aan mijn beste neve [nicht].

R. Wie is uw beste neve?

Br. Ik zal het u gaan toonen

Daarop kiest zij een meisje uit en keert er mee op haar plaats

terug. Dit dansliedje treft men vooral in Vlaanderen, maar met

varianten ook wel in Limburg en Gelderland aan.

Zie verder vooral Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied II, bl. 1237 vlg.;

De Cock-Teirlinck, Kinderlust en Kinderspel II, Dansspelen; Van

Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, bl. 383-404; Van Vloten,

Baker- en Kinderrijmen, bl. 93 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands

Volksleven I, bl. 247.

Maar behalve het danslied zijn er nog zoovele andere _speelliedjes_,

van rhytmische speelbewegingen begeleid. Hiertoe behooren

de rommelpotliedjes, waarover ik in het Eerste Deel, bl. 157

vlg. gesproken heb; de loopspelliedjes, met het diepzinnige spel van

de _Koningsdochter_. Zie hier, hoe dit te Venloo gespeeld wordt. Een

meisje ligt op de knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom

van haar omgeslagen kleedje vast, behalve éen die tot het geknielde

meisje vragen richt.

Vr. Wie zit er in den hoogen toren?

A. De schoonste koningsdochter.

Vr. Van wie zijn al die kindertjes?

A. Van mij.

Vr. Mag ik er een van nemen?

A. Neen!

Vr. Mag ik er een van stelen?

A. Neen.

Dan vervolgt de vraagster:

'K Zal eens naar den diender gaan

De diender zal u de kop afslaan.

Entrez, entrez,

Laat 't meisje maar achter meê gaan.

Alle volgende meisjes herhalen nu op hare beurt hetzelfde totdat zij

alle, elkaar bij het kleedje vasthoudend, achter de vraagster zijn

geplaatst. Deze vraagt dan aan de koningsdochter:

Vr. Zal ik het lampje aansteken!

A. Ja!

Vr. Zal ik u uit den toren laten?

A. Ja!

Waarop allen roepen:

Nederlandsche Volkskunde · 第 106 / 117 题