Exaarde: _Blauwbuiken_.
Aalst: _Witvoeten_, _Draaiers_ en _Ajuinen_.
Akkergem: _Koolkappers_.
Limburg. Neerpelt: _Torenblusschers_.
Peer: _Muggeblusschers_, vgl. de Muggespuiters van Meppel.
Hasselt: _Beekrotten_ (maar slechts de Hasselaars, die op de Beek
wonen, vgl. bl. 15).
Antwerpen. Antwerpen: _Sinjoren_. In dezen naam schuilt een herinnering
aan den Spaanschen tijd, toen de aanzienlijke Antwerpenaren den
Spaanschen titel van _Señor_ droegen.
Mechelen: _Maneblusschers_, zie Volkskunde XXI, bl. 236.
Turnhout: _Muggeblusschers_, vgl. Peer en Meppel.
Lier: _Schapekoppen_.
Rethy: _Kortooren_.
Ramsel: _Poteerddabbers_.
Huigene: _Eters_.
Meerhout: _Katten_ en _Knikkers_.
Arendonk: _Gorteters_, _Tjokkers_ en _Pinnekenmakers_.
Poppel: _Janhagelmannen_.
Liezele: _Pieren_.
Breendonk: _Meutes_ (nuchtere kalven).
Hoboken: _Mestblusschers_.
Wilrijk: _Geitekoppen_.
Bornhem: _Boschkrabbers_.
Gierle: _Schijters_.
Hove: _Keeskoppen_.
Loenhout: _Pezerikken_ en _Moeszakken_.
Oost-Halle: _Joden_.
West-Halle: _Smousen_.
Willebroek: _Vaartkapoenen_.
Hoogstraten: _Speelzakken_.
Brecht: _Struiven_, _Halfhouten_ en _Mastendoppen_.
St. Amands: _Gipsheeren_.
Zoersel: _Drijvers_ en _Kluppelaars_.
Ook hier weer, zooals men ziet, naast louter smaadnamen, verscheidene
benamingen aan nering en bedrijf of aan plaatselijke eigenaardigheden
ontleend.
Volge nu een keuze uit het overgroote aantal der Brabantsche spotnamen;
voor de volledige opsomming en meer ampele verklaringen betreffende
sagen raadplege men A. De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197-241
en J.Th. de Raadt, Les Sobriquets des communes belges (Bruxelles,
1904), _passim_.
Beersel: _Keesboeren_ en _Boterdieven_.
Bertem: _Tuischers_ (paardenkooplui).
Boschvoorde: _Bessembinders_.
Brussel: _Kiekefretters_. Deze schimpnaam zou opklimmen tot de XIVe
eeuw, nl. tot den veldslag van Baesweiler, waar een sterk Brabantsch
leger door de hertogen van Gulik en Gelder en den graaf van Berg totaal
verslagen werd. Deze nederlaag wordt door den kroniekschrijver Jean
Froissart aan de gulzigheid der Brusselaars toegeschreven; er dient
echter gezegd, dat hij slechts van zalm-, forel- en palingpastei
spreekt, en niet uitdrukkelijk van kiekens gewaagt.
Zij heeten verder: _Apendrillers_. Eens betrokken twee bejaarde
burgers te middernacht op den toren van Wollendries (bij de Wolstraat)
de wacht. Plotseling zagen zij een vreemdsoortig wezen het wachthuis
binnendringen, en vol angst sloegen zij op de vlucht--voor een aap,
zooals naderhand bleek.
Diest: _Mostaardschijters;_ zie Ons Volksleven IX, bl. 102.
Dormaal: _Weerwolven_ en _Vuurmannen_.
Elsene: _Hondenknagers_; deze spotnaam dagteekent wellicht uit tijden
van hongersnood.
Esschene: _Patattenboeren_.
Gooik: _Telloorlekkers_.
Hal: _Vaantjesboeren_, van wege de processievaantjes.
Leuven: _Peetermannen_. Sint Pieter is de patroonheilige van de
stad. Men noemt ze ook de _Koeischieters_, omdat naar verluidt, de
Leuvenaars een kudde hoornvee voor vijanden aanzagen. Zie Volkskunde V,
bl. 169; Ons Volksleven VIII, bl. 38.
Linkebeek: _Moeliedauwers_. Zij duwden eens iemand uit scherts in
een moelie (baktrog); maar de grap liep verkeerd af.
Messelbroek: _Kalotten_.
Molenbeek: _Vaartkapoenen_; vgl. Willebroek.
Schaarbeek: _Ezels_. Oud-Schaarbeek telde vele hoveniers en molenaars,
die Brussel voorzagen van groenten en meel; het gewone vervoermiddel
was een ezelkarretje.
Scherpenheuvel: _Keerskatten_, naar de processiekaarsjes, die zij
aan de pelgrims verkoopen.
Sichem: _Heeren_. Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur
van Sichem, naar verluidt, een verzoekschrift naar de Generale Staten
van Brabant, dat aldus aanhief: "Wij, Heeren van Sichem, vragen
aan U lieden de toelating om eene merkt te mogen oprichten." Waarop
geantwoord werd:
"Als gij sijt Heeren en wij lieden,
Dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden."
Den spotnaam van _Heeren_ draagt een groot aantal Brabantsche dorpen.
St. Gillis: _Koolkappers_.
Tienen: _Kwêkers_. Tijdens een oorlog wilden de Tienenaars de
Leuvenaars in een hinderlaag lokken, maar het gesnater der eenden
waarschuwde den vijand; zie echter Ons Volksleven VIII, bl. 37.
Men noemt ze ook _Maneblusschers_ en _Boterpotten_, omdat ze in 1830
hun veste met boterpotten verdedigden.
Ukkel: _Kersenkrakers_.
Vilvoorde: _Peerdefretters_.