Broekskreek (d.i. Mantinge, Balinge en Garminge): _Stalpoalen_.
Buinen: _Poepen_.
Duurse: _Geldbeurzen_ en _Boksen_.
Dwingeloo: _Doeven_.
Eelde: _Hekkenspringers_ en _Geelgatten_.
Zie verder Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1903, bl. 55.
Overijssel. Zwolle: _Blauwvingers_. In 1682 viel te Zwolle de toren
van de Sint-Michiels kerk in. Het klokkenspel werd aan Amsterdammers
verkocht, die den aanmerkelijken prijs in louter dubbeltjes betaalden,
waaraan de Zwollenaars zich blauwe vingers konden tellen.
Kampen: _Steuren_. Naar verluidt, vingen de Kampenaars oudtijds in
hun rivier eens een reusachtigen steur. Met het oog op een gastmaal,
dat zij over eenigen tijd wilden aanrichten, werden zij te rade,
hem voorloopig nog wat te laten zwemmen; en om hem naderhand beter
te kunnen vinden, bonden zij hem een bandje met een belletje om den
hals. Men zegt, dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug
gaat, nog heden altijd in 't water tuurt, of de steur er soms nog is,
want: "Je kunt het toch maar nooit weten."--Ik maak hier de opmerking,
dat de spotnamen in vele gevallen samenhangen met een domineerenden
karaktertrek van de bevolking: vasthoudendheid, gierigheid, sluwheid,
bekrompenheid enz. Nu is het een feit, dat men meestal de minder
gunstige hoedanigheden bij zijn gebuur opmerkt en de gunstige over
het hoofd ziet.
Blankenham: _Brijhappers_.
Blokzijl: _Katten_.
Genemuiden: _Rudekikkers_ en _Ruusvorens_.
De Kuinder: _Kroggen_.
Zwartsluis: _Bleien_ of _Bleisteerten_.
Hengeloo: _Windmakers_.
Delden: _Kwekkeschudders_.
Oldenzaal: _Gruppendrieters_, d.i. die hun behoefte doen in een
greppel.
Deventer: _Stokvisschen_, _Poepen_ en _Geutendrieters_.
Borne: _Meelvreters_.
Over de benaming _Tukker_ voor Twentenaar is veel geredetwist. De
waarschijnlijkste afleiding lijkt mij die van _tukker_, een vogeltje,
dat zich veel in de eenzame heidestreken van Twente ophoudt; elders
draagt het den naam van _heikneutje_ of _robijntje_. Naar dezen vogel
zijn dan ook verscheidene Twentsche hoeven benaamd, en deze vindt men
steeds aan den heikant. In de volkstaal noemt men de heidebewoners vaak
_Heettukkers_: Driem. Bladen VII, bl. 84; VIII, bl. 51; anders VIII,
bl. 92. Laat ik hier terloops aan de zegswijze herinneren: "Ij kommt
oet 't land van de Tukkers, woar ze onzen leeven Hèèr "Doe" neumt."
Gelderland. Nijmegen: _Knotsendragers_.
Zutfen: _Metworsten_.
Lochem: _Koolhazen_.
Doesburg: _Mosterdpotten_.
Enspijk: _Hanenknippers_. Deze benaming zou het gevolg zijn van een
artikel in de Tielsche Courant, waarin de inwoners van Enspijk als
"Enspiksche Hanenknippers" werden begroet. Men zou daar nl. hebben
voorgesteld, ter gelegenheid van het kroningsfeest den 12den Mei 1874
tot opluistering der feestelijkheid hanen, van hun vederen ontdaan,
tegen elkander te laten vechten; zie het opstel van Anspach in De
Navorscher XXVI, bl. 264.
Nunspeet: _Knutten_ en _Huibasten_. Hieronder verstaat men personen,
die veel wei of hui in hun "bast" drinken.
Driel: _Vleescheters_. De bewoners van Driel hadden in de Middeleeuwen
een kerkelijke vergunning, waarbij hun werd toegestaan, ook in den
Vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te gebruiken: Kist, Kerkelijk
Archief I, bl. 176, III, bl. 469.
Elburg: _Pepernoten_.
Harderwijk: _Bokkingkoppen_.
Uddel: _Heugters_.
Haaften: _Kraaien_.
Ek en Ingen: _Kladden_.
Zoelen: _Kozakken_. In 1814 was daar een troep kozakken gelegerd,
die weigerden het veld te ruimen, nu hun diensten niet meer noodig
waren. Op bevel van den souvereinen vorst moest nu de Tielsche
schutterij in samenwerking met den landstorm deze plunderzieke gasten
verjagen; zie Driem. Bladen III, bl. 54.
Utrecht. Amersfoort: _Keisleepers_ of _Keitrekkers_. De bewoners vonden
nl. eens op een heideveld een zeer grooten keisteen. Triomfantelijk
sleepten zij hem naar de stad, en plaatsten hem op de Varkenmarkt
(1661).
IJsselstein: _Apenluiders_, dewijl zij eens bij vergissing de doodsklok
luidden voor een dooden aap: De Navorscher IV, Bijblad, bl. XXXVIII.
Limburg. Weert: _Rogstekers_. Men verhaalt, dat er oudtijds een
vrachtkar o.a. met rog beladen van Antwerpen naar Roermond reed. Bij
Weert viel een rog van de kar en bleef in het wagenspoor liggen. Een
Weertenaar zag het hem onbekende gedrocht en liep verschrikt naar de
stad om hulp te halen. Gewapend trok men er op uit, dreef den rog
een spiets door het lijf en voerde hem als oorlogsbuit zegepralend
naar het stadje mee.
Nederweert: _Pinstekers_.
Venloo: _Wannevliegers_. Een snaak had doen uitroepen, dat hij met
behulp van twee wannen over den Lichtenberg zou vliegen. Toen de
burgerij vergaderd was, vroeg hij, of ze al ooit een mensch hadden
zien vliegen. Neen, riep het volk. Welnu, hernam hij, dan zult gij
het ook heden niet zien, en maakte zich met het te voren opgehaalde
geld uit de voeten. Naar een eigenaardige gebaksoort spreekt men ook
van Venloosche _Moppen_. Door de Blerikschen worden de Venlonaars
_Reubeslikkers_ (Raapslikkers) genoemd.
Blerik: _Wortelepinnen_, door de Venlonaars aldus genoemd. Vergelijk
de spotnamen van St-Anna-Parochie en Onze-Lieuwe-Vrouwen-Parochie.
Venraay, Horst enz.: _Peelhazen_.
Helden: _Kuzen_.
Sittard: _Laammekers_. Lam maken = zwaar op de hand zijn. De
Sittardenaars zelf bedoelen: zich op hun manier ten koste van anderen
vermaken.
Noord-Brabant. Heusden: _Wieldraaiers_. Het stadje voert een wiel in
zijn wapen.
Os: _Dubbeltjessnijders_.
Werkendam: _Brijbroeken_.
Woudrichem: _Mosterdpotten_.
Schijndel: _Hopbellen_.
Uden: _Kaaieschijters_.
Sint-Oedenrode: _Papbuiken_.
Zeeland. Cadzand: _Peren_. Dit _pere_ is het Fransche _père_ en
wordt gebezigd tusschen personen van ongeveer gelijken leeftijd in
de vertrouwlijke omgangstaal.
Middelburg: _Maanblusschers_. Het schijnen van de maan op den toren
werd voor brand gehouden. Men noemt ze ook _Schavotbranders_.
Vlissingen: _Flesschedieven_, van de flesch op het wapenschild.
Goes: _Ganzekoppen_, van de gans in het wapen.
Zierikzee: _Koedieven_, _Steenkoopers_, _Torenkruiers_.
Axel: _Aardappelkapers_.
Zaamslag: _Strooplikkers_.
Sluis: _Windmakers_.
Noord-Holland. Schagen: _Roodjes_. Naar men beweert hebben vele
Schagenaars rossig haar.
Alkmaar: _Gortzakken_, ter oorzake van de vele grutterijen. Ook
_Ketelkruipers_.
Schermerhorn: _Mollen_, naar den mol in het wapen.
Langendijk: _Koolstruiken_, omdat in de vier dorpen, die den Langendijk
vormen, kool de hoofdteelt is.
Egmond aan Zee: _Vischteven_, men denke aan de Tsjoensters van
Molkwerum.
Groot Schermer: _Wildjes_, naar hun woest gedrag bij het kermishouden.
Oostzaan: _Kooleters_.--Men noemt ze ook het _Volk van Klaas Kompaan_,
een naam, dien zij te danken hebben aan hun ouden dorpsgenoot, den
beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen; zie Boekenoogen,
De Zaansche Volkstaal, bl. 488.
Zaandam: _Galgezagers_. De oorsprong ligt in het omzagen van de galg,
waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen:
Boekenoogen, t.a.p. bl. 223.
Amsterdam: _Koeketers_, een zeer oude spotnaam. Maar men zegt het ook
van de Zaandammers, en eveneens van de inwoners van de Koog, Krommenie
en Uitgeest. Die van Medemblik, Hoorn, De Kreil, De Beemster en Jisp
heeten _Moppen_.
Texel: _Kwallen_.
Den Helder: _Traanbokken_.
Enkhuizen: _Vijgen_.
Hoorn: _Krentebollen_.
Lutjebroek: _Uilen_.
Heiloo: _Rapenplukkers_.
Ursem: _Langslapers_.
Monnikendam: _Monnikentroeters_.
Purmerland: _Platpooten_.
Zaandijk: _Krentekakkers_.
Westzaan: _Kroosduikers_.
Wormer: _Boonpeulen_, _Steenegooiers_, _Uilen_.
Wormerveer: _Gladooren_.
Broek-in-Waterland: _Vinken_.
Beverwijk: _Klapbessen_.
Assendelft: _Kiplanders_, _Spanjaarden_.
Haarlem: _Muggen_.
Naarden: _Kalven_.
Zuid-Holland. Leiden: _Peueraars_, _Blauwmutsen_, _Hondendooders_
en _Sleuteldragers_, het laatste weer naar de sleutels in het wapen.
Delft: _Kalfschieters_. In 't jaar 1574 wilden eenige Spanjaarden
een aanslag op Delft beproeven. Maar tijdig ontdekt zijnde werd hun,
toen ze al lang buiten schot waren, een hagelbui van kogels achterna
gezonden. Slechts een kalf werd hierdoor gedood: De Navorscher III,
bl. 373.
Gouderak: _Rakkers_, berustend op volksetymologie.
Schiedam: _Toovenaars_. Men zegt: "Twintig van Schiedam, negentien
kunnen tooveren."
Hillegom: _Hangkousen_.
Den Haag: _Ooievaars_ (naar het wapen), _Waterkijkers_, _Bluffers_.
Gouda: _Gapers_.
Oudewater: _Klokkedieven_, vgl. Franeker, Delfzijl enz.
Rotterdam: _Kielschieters_, omdat zij een bootje, dat met de kiel
naar boven in de Maas dreef, voor een walvisch hielden, waarop zij
hun geweren afvuurden.
Dordrecht: _Schapedieven_.
Den Briel: _Zeelepers_ en _Puiers_.
Gorichem: _Blieken_.
De Zuidnederlandsche spotnamen zijn zeer talrijk. Dit strookt wel
is waar met den opgewekten, levendigen, schalkschen gemoedsaard
van Vlamingen en Brabanders. Maar als de gemoedsaard den doorslag
geeft, dan is het vreemd, dat juist de zuidelijke provinciën van
Noord-Nederland zoo betrekkelijk arm aan spotnamen zijn, terwijl
zij hoogtij vieren in de Friesche gedeelten en in Noord-Holland met
zijn rijken Frieschen inslag. Het wil mij voorkomen, dat woelzucht
en onbuigzaamheid, uitbottend in twist en tweedracht, in dezen tot
een overeenkomstig partikularisme hebben gevoerd.
West-Vlaanderen. Brugge: _Zotten_.